Conclusie
middelbehelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd een beslissing te nemen op een aantal door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoeken. In de toelichting op het middel wordt het volgende naar voren gebracht. Het Hof miskent dat volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad op voorwaardelijk gedane verzoeken als de onderhavige ingevolge art. 330 Sv Pro (in verbinding met art. 511g, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv) een uitdrukkelijke beslissing moet worden genomen, op straffe van nietigheid. Het fenomeen van het doen van voorwaardelijke verzoeken is niet strijdig met enige wettelijke bepaling of met het systeem van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 271, tweede lid, Sv - dat rechters verbiedt op de terechtzitting blijk te geven van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte - is een instructienorm waarvan met instemming van de verdachte moet kunnen worden afgeweken. Omdat het doen van een voorwaardelijk verzoek impliceert dat de rechter een (voorlopig) oordeel moet geven en wellicht moet vooruitlopen op een eindbeslissing, is deze toestemming met het verzoek gegeven en is van schending van enig verdedigingsbelang geen sprake. Om redenen van proces-economie is het wenselijk dat bijvoorbeeld een belangrijke getuige niet hoeft te worden gehoord indien de rechter toch al van oordeel is dat hetgeen de getuige kan verklaren feitelijk aannemelijk is.