Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het ernstige vermoeden bestaat dat art. 51 Sv Pro niet is nageleefd en dat het hof het verzoek tot aanhouding heeft afgewezen, terwijl het hof daarbij niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd.
(i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 november 2014 is noch de verdachte noch een raadsman verschenen. De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van diezelfde datum bij verstek veroordeeld.
(ii) Mr. G.T. Offreins, advocaat te Amsterdam, heeft bij faxbericht van 25 november 2014, waarin hij heeft verklaard dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van beroep, een schriftelijke bijzondere volmacht verleend aan een griffiemedewerker van de rechtbank om namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter van 11 november 2014. Voorts heeft mr. Offreins in dit faxbericht verzocht om de toezending van afschriften van de appeldagvaarding, de appelakte, het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en de aantekening van het mondelinge vonnis van de politierechter. Vervolgens is op 25 november 2014 op de griffie van de rechtbank namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
(iii) De appeldagvaarding is op 5 juni 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Gelderland, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
(iv) Aan de appeldagvaarding zijn twee ongeadresseerde afschriften van de appeldagvaarding gehecht, die zijn gedateerd op 5 juni 2015. Deze afschriften houden in dat de advocaat-generaal bij het hof de raadsman van de verdachte mededeelt dat de strafzaak tegen de verdachte op 30 juni 2015 ter terechtzitting van het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wordt behandeld. Op de afschriften zijn de naam van de raadsman en de overige contactgegevens niet ingevuld, terwijl ook overigens niet blijkt dat deze afschriften aan een raadsman zijn verzonden.
(v) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2015 houdt onder meer het volgende in:
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend.
(i) Op 16 september 2014 is de verdachte door de politie aangehouden. In de aanhef van het proces-verbaal van aanhouding van 17 september 2014 staat als adres van de verdachte [a-straat 1] in [plaats] (Duistland) vermeld. Noch uit dit proces-verbaal noch uit een ander proces-verbaal van politie blijkt dat de verdachte toen nog een ander adres heeft opgegeven.
(ii) De inleidende dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in Arnhem van 11 november 2014 is op 17 september 2014 in persoon uitgereikt aan de verdachte op een politiebureau in Arnhem (Beekstraat 39 in Arnhem). De dagvaarding vermeldt geen adres van de verdachte (“zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande”). Ook de aan de dagvaarding gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 14 oktober 2014 vermeldt geen adresgegevens (niet gedetineerd, geen geldig opgegeven adres en geen historisch GBA-adres).
(iii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 11 november 2014 vermeldt als adresgegevens van de verdachte [a-straat 1] in [plaats] (Duistland). [9] De politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij vonnis van 11 november 2014 de verdachte bij verstek veroordeeld. [10] (iv) Op de schriftelijke bijzondere volmacht zoals bedoeld in art. 450, eerste lid, aanhef en onder a, en derde lid, Sv, om namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter, staat vermeld dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde was gedetineerd in de penitentiaire inrichting Over-Amstel, locatie De Schans. Voorts houdt deze volmacht in dat een afschrift van de appeldagvaarding kan worden toegezonden naar het kantooradres van de raadsman. Vervolgens is op diezelfde datum de “akte instellen hoger beroep” opgemaakt, waaraan een uitdraai van de bijzondere volmacht is gehecht. De appelakte vermeldt als adres van de verdachte: zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande, op dat moment uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting Amsterdam, huis van bewaring Het Schouw.
(v) Een akte van uitreiking, gehecht aan de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 30 juni 2015, houdt in dat de appeldagvaarding op 5 juni 2015 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te Arnhem [11] , omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
(vi) Een tweede akte van uitreiking, gehecht aan de appeldagvaarding, vermeldt dat die dagvaarding, nadat deze kennelijk tevergeefs is aangeboden op het bezoekadres van de penitentiaire inrichting Amsterdam Over Amstel (Wenckebachweg 48 in Amsterdam) en vervolgens retour is gezonden. Voorts is op 12 juni 2015 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar het adres van de genoemde penitentiaire inrichting.
(vii) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 5 juni 2015, 16 juni 2015 en 29 juni 2015 houden in dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij niet in de GBA stond ingeschreven op een adres en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats met als datumregistratie 19 september 2014 (zonder nadere specificatie) de Bondsrepubliek Duitsland betreft. [12] (viii) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2015 blijkt dat de verdachte niet op die terechtzitting is verschenen en dat namens hem evenmin een raadsman is verschenen. Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt geen adres van de verdachte (“zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande”).
(ix) Bij arrest van 30 juni 2015 heeft het hof de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen dat de verdachte geen schriftelijke of mondelinge bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis van de politierechter en dat het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Ook het arrest van het hof vermeldt geen adres van de verdachte.
(x) De cassatie-akte vermeldt als adres van de verdachte het bezoekadres van de penitentiaire inrichting Amsterdam Over Amstel (Wenckebachweg 48 in Amsterdam).
derde middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht of er een reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen, aangezien in strijd met art. 260, vijfde lid, Sv geen schriftelijke vertaling van de appeldagvaarding is verstrekt aan de verdachte.
(i) Uit de aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte blijkt dat de verdachte in Duitsland is geboren, dat hij de Duitse nationaliteit heeft en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats een adres in Duitsland betreft.
(ii) Uit het proces-verbaal van aanhouding van de politie van 17 september 2014 blijkt dat de twee verbalisanten die de verdachte op 16 februari 2014 hebben aangehouden in de Engelse taal met de verdachte hebben gesproken. Uit het ten behoeve van een andere strafzaak tegen de verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 16 februari 2015 blijkt dat het reclasseringsrapport in het Engels met de verdachte is besproken door de betrokken reclasseringsmedewerker.
(iii) Bij brief van 11 november 2014, gehecht aan de inleidende dagvaarding, heeft de officier van justitie een tolk in de Duitse taal opgeroepen om te verschijnen op de zitting van de politierechter van 11 november 2014 teneinde ten behoeve van de verdachte als tolk Duits op te treden.
(iv) Bij brief van 8 juni 2015, gehecht aan de appeldagvaarding, heeft de advocaat-generaal bij het hof een tolk in de Duitse taal opgeroepen om te verschijnen op de zitting van het hof van 30 juni 2015 teneinde ten behoeve van de verdachte als tolk Duits op te treden.
(v) Aan de appeldagvaarding zijn drie in de Duitse taal opgemaakte sjablonen gehecht van een appeldagvaarding. Deze sjablonen zijn ongeadresseerd en vermelden geen specifieke gegevens betreffende de zaak van de verdachte in hoger beroep.
(vi) Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een vertaling van de appeldagvaarding in de Duitse taal naar de verdachte is verzonden dan wel op andere wijze aan hem is verstrekt.
(vii) Op de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2015 is de verdachte niet verschenen.