“Afkomstig uit enig misdrijf en wetenschap verdachte
Het hof is, anders dan de raadsman van de verdachte en met de advocaat-generaal, voorts van oordeel dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte en/of de medeverdachte dat wist(en). Daartoe overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat uit de stukken in het dossier niet blijkt uit welk (concreet) misdrijf de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen afkomstig zijn.
Uit die stukken blijkt naar het oordeel van het hof wel dat sprake is van een bewijsvermoeden dat de geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit bewijsvermoeden volgt uit de feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien:
- dat in de auto en in de woning van de verdachte aanzienlijke contante geldbedragen zijn aangetroffen (proces-verbaal van o.a. aantreffen € 102.435,00 in Lexus van verdachte [verdachte] van 15 december 2011, p. 30046 en 30047; proces-verbaal van doorzoeking woning van 15 december 2011, p. 30086 t/m 230088),
- dat de verdachte en de medeverdachte elkaar in het openbaar hebben getroffen voor de overdracht van contante geldbedragen van € 200.000,00 en € 70.150,00 (overzicht tapgesprekken telefoonnummer [001], p. 70007 tot en met 7013; proces-verbaal van observatie van 12 december 2011, p. 40003 tot en met 40005; proces-verbaal van observeren van 14 december 2011, p. 40008),
- dat de verdachte en zijn gesprekspartners in de telefoongesprekken over de geldbedragen van € 200.000,00 en € 70.150,00 gebruik maken van versluierd taalgebruik (overzicht tapgesprekken telefoonnummer [001], p. 70004 en 70011),
- dat de verdachte het advies krijgt een andere telefoon te nemen, als blijkt dat iemand een afspraak met de verdachte niet nakomt (overzicht tapgesprekken telefoonnummer [001], p. 70017 tot en met 70020), en
- dat de geldbedragen die de verdachte voorhanden heeft gehad zich niet verhouden tot het bij de Belastingdienst bekende inkomen en vermogen van de verdachte (proces-verbaal van bevindingen belastinggegevens [verdachte] 10 januari 2012, p. 20061 tot en met 20063).
Gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen (HR 13 juli 2010, NJ 2010, 456).
In dit kader heeft de verdachte in zijn eerste verhoor bij de politie verklaard, kort en zakelijk weergegeven, dat het geldbedrag van € 17.500,00 dat is aangetroffen in zijn woning spaargeld betreft en dat hij niets weet van het geldbedrag van € 6.500,00 dat eveneens is aangetroffen in zijn woning (proces-verbaal van verhoor van 15 december 2011, p. 50006 en 50007). In zijn tweede verhoor bij de politie heeft de verdachte in dit kader verklaard, kort en zakelijk weergegeven, dat het geldbedrag van € 6.500,00 ook spaargeld betreft, dat dit geldbedrag al ongeveer anderhalf jaar in een bureaulade heeft gelegen, dat hij het geldbedrag dat is aangetroffen in zijn woning heeft gespaard in een periode van één jaar, dat hij daartoe geld heeft opgenomen van zijn bankrekening, dat hij coupures van (onder meer) € 50,00 en € 100,00 bij winkels, restaurants en/of cafés heeft gewisseld in coupures van € 500,00 en dat hij niet (meer) weet in welke cafés hij de coupures heeft gewisseld (proces-verbaal van verhoor van 12 maart 2012, p. 50012 en 50013). Voor het overige heeft de verdachte zich in dit kader op zijn zwijgrecht beroepen.
Gelet op het feit dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de geldbedragen van € 200.000,00, € 70.150,00 en € 102.435,00, terwijl dit wel van hem mag worden verlangd, en gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden waaruit het bewijsvermoeden volgt, dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte en/of de medeverdachte, voor zover het de geldbedragen van € 200.000,00 en € 70.150,00 betreft, dat wist(en).
Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geldbedrag van € 24.200,00 heeft gegeven. Daartoe overweegt het hof dat onaannemelijk is dat de verdachte dit geldbedrag heeft gespaard, gelet op het bij de Belastingdienst bekende inkomen en vermogen van de verdachte, dat de verdachte tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over een deel van dit geldbedrag en dat de verklaring van de verdachte dat hij eerst geld heeft opgenomen van zijn bankrekening en vervolgens een deel van dat geld bij winkels, restaurants en/of cafés heeft gewisseld voor coupures van € 500,00, als volslagen onwaarschijnlijk moet worden aangemerkt. Aan dat oordeel kan niet afdoen het door de verdediging aan de rechtbank toegezonden overzicht van geldopnames, te meer nu een volledige onderbouwing van dat overzicht ontbreekt.
Gelet op het feit dat verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geldbedrag van € 24.200,00 heeft gegeven en gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden waaruit het bewijsvermoeden, dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat ook dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist.
Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard dat de geldbedragen van € 200.000,00, € 70.150,00, € 102.435,00 en € 24.200,00 - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte en/of de medeverdachten dat wist(en).”