Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof een verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
(…)
Ik kan mij niet verenigen met de beslissing van de rechtbank omtrent (art. 348 SV Pro):
(x) de bewezenverklaring
(…)
(x) de opgelegde straf
(x) Na kennisneming van het vonnis zal ik een aanvulling op deze schriftuur indienen”.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van een aanhouding op heterdaad, althans dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd. Het
derde middelklaagt dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging, ertoe strekkende dat sprake was een onrechtmatige aanhouding en dat de vruchten daarvan van het bewijs moeten worden uitgesloten, zonder daartoe in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
.4.1 De rechtmatigheid van de aanhouding van verdachte
vierde middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd.
vijfde middelbevat de klacht dat – in het licht van hetgeen ten aanzien van het inkomen van de verdachte, (andere opnames van) spaargeld en beleggingen is aangevoerd – onbegrijpelijk is het volgens de stellers van het middel in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat verdachte “niet over € 24.200,00 in contanten aan spaargeld kon beschikken”.
zesde middelklaagt over de motivering van de strafoplegging.
zevende middelbevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.