Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur
5.Beoordeling van de middelen
25 mei 2016 herhaald, waaronder het navolgende:
ter beschikking staat, althans heeft gestaan, ten tijde van zijn besluitvorming. Zie de overweging in deze arresten dat ‘een inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter [dient] over te leggen’. [32] Blijkens het arrest van 23 mei 2014 geldt dit ook voor stukken die aan de inspecteur ter beschikking
hebbengestaan.
13 november 2015 op dat ‘het opleggen van een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting (...) niet een bezwarend besluit [vormt] dat is gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan voorschriften van de Europese Unie (...)’. [41] Hierbij merk ik eveneens op dat het zowel in de onderhavige zaak als de zaak van 13 november 2015 ging om een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2005.
wist of zich ervan bewust moest zijndat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven’. [48]
wist of zich ervan bewust moest zijn, opzet niet vereist is. [52] Bij arrest van 22 juni 2012 is gepreciseerd dat ook voorwaardelijk opzet niet vereist is.
nietaf te leiden dat een adviseur ook daadwerkelijk moet hebben beschikt over de relevante kennis en inzichten. Integendeel, niet is in te zien waarom de bewustheidstoets ‘wist of zich ervan bewust moest zijn’ als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2009, niet ook op een belastingadviseur zou moeten worden toegepast. Het gaat er naar mijn mening om dat relevante kennis en inzichten in beginsel worden verondersteld bij belastingadviseurs.