Conclusie
1.Feiten
2.Het procesverloop
“BELFOR kent op dit moment in Nederland thans 9 afzonderlijke volstrekt autonome bedrijfsvestigingen in Rotterdam, Weesp, Heerlen, Eindhoven, Alkmaar, Heerenveen, Dordrecht, Deventer en Zoeterwoude. De vestiging in Rotterdam is tevens het hoofdkantoor. BELFOR heeft besloten gezien de slechte financiële positie het aantal vestigingen aanzienlijk te verminderen. Er zullen 5 vestigingen gesloten worden. De over te blijven vestigingen zijn gevestigd op centrale locaties (Weesp ten behoeve van Noord Holland, Rotterdam/Dordrecht ten behoeve van Zuid Holland en Heerlen ten behoeve van het Zuiden). Vanwege de financiële nood waar de onderneming zich in bevindt, zullen derhalve de bedrijfsactiviteiten te Alkmaar, Deventer, Zoeterwoude, Eindhoven en Heerenveen eindigen [4] . Hiertoe zullen de vijf genoemde bedrijfsvestigingen worden gesloten. Uitsluitend de vestigingen Rotterdam/Dordrecht, Weesp en Heerlen zullen blijven bestaan”.Voorts wijst het hof op een passage op pagina 6 van voornoemde brief waarin het volgende staat:
“Gezien het feit dat vijf van de voorheen negen vestigingen haar deuren sluiten en de bedrijfsactiviteiten staken, zal dit uiteraard ook gevolgen hebben voor de beschikbare hoeveelheid werk voor werknemers die ondersteunend werk verrichten op het hoofdkantoor; te weten onder andere ICT-ers en Sales medewerkers. Besloten is dat naast een directiepositie nog 6 van de (kantoor)medewerkers op het hoofdkantoor van BELFOR in Rotterdam hun functie zullen verliezen. Tot slot zullen ook een aantal arbeidsplaatsen worden geschrapt op twee van de overblijvende vestigingen, te weten Rotterdam (4) en Weesp (1)."Ten slotte wordt ten aanzien van de bedrijfsvestiging Eindhoven op pagina 7 van voornoemde brief nog opgemerkt: “
BELFOR Eindhoven presenteert zich extern publiekelijk als zelfstandige aanbieder van goederen en diensten (net als alle andere vestigingen); Hierbij speelt een rol dat de geografische afstand tussen de verschikkende [5] BELFOR bedrijfsvestigingen ervoor zorgt dat er per definitie een geheel andere klantenkring bestaat (...)”.”
NJ2012/274 m.nt. M.V. Polak (Nuon/Olbrych) en HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751,
NJ2008/576 m.nt. J.B.M. Vranken (Iraanse vluchtelinge). Het hof heeft dat verweer verworpen. Naar het oordeel van het hof valt het belang bij het voorkomen van sociaal ongerechtvaardigd ontslag thans voor een groot deel samen met het belang van de werknemers bij het voorkomen van een zodanig ontslag. Dat laat naar het oordeel van het hof echter onverlet dat ook het belang van de werkgever een bepaalde rol speelt. De werkgever is volgens het hof een direct belanghebbende bij verlening van de vergunning (lees: toestemming ex art. 6 BBA Pro) of weigering daarvan met als gevolg dat hij ook aanspraak kan maken op vergoeding van de eventuele schade als rechtstreeks gevolg van een ten onrechte geweigerde toestemming. Het hof heeft in dat verband als volgt overwogen:
3.Algemene uitgangspunten bij beoordeling civiele aansprakelijkheid UWV
De procedure bij het UWV
formeel zorgvuldigheidsbeginseldat is vastgelegd in art. 3:2 Awb Pro. Dit artikel luidt: “Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.” Deze bepaling brengt mee dat het bestuursorgaan zich actief moet opstellen en zo nodig onderzoek moet instellen. [21] Verder dient de beslissing van het UWV ingevolge art. 3:46 Awb Pro te worden voorzien van een deugdelijke motivering. In dit verband stelt de wet een tweetal eisen: (i) de feiten waarop de beslissing is gebaseerd moeten juist zijn vastgesteld en (ii) de redenering waarop de beslissing is gebaseerd moet sluitend zijn en de beoordeling kunnen dragen (art. 3:47 Awb Pro). [22] Uit de toepasselijkheid van de Awb volgt dus – anders dan het UWV bepleit [23] (repliek in cassatie, randnummer 3) – dat het UWV zich bij zijn beoordeling niet kan beperken tot een (min of meer) lijdelijke opstelling.
NJ 1984, 536). In dit opzicht bestaat een nauwe samenhang tussen onrechtmatigheid en relativiteitsvereiste.”
jegensde overheid. [44] Daarna heeft het debat zich toegespitst op enkele zaken die betrekking hebben op aansprakelijkheid
vande overheid. [45] Hoewel het leerstuk in het Nederlandse recht zijn intrede juist ook heeft gedaan op het terrein van de overheidsaansprakelijkheid, [46] is het daartoe echter niet beperkt (gebleven): het relativiteitsvereiste vindt ook toepassing in zaken tussen twee private partijen. [47] Vaak wordt gesuggereerd dat de functie van het relativiteitsvereiste bestaat in beperking van aansprakelijkheid; het heeft zo een enigszins negatieve connotatie. [48] De kwestie van het beschermingsbereik van de geschonden norm kan echter ook dienen ter (positieve) fundering van de aansprakelijkheid. [49] De relativiteit van de geschonden norm is, in de woorden van Lindenbergh, een belangrijk eerste selectiemiddel bij het bepalen van de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van een gedraging. [50] Het relateren van geschonden norm en geschaad belang met een normatieve redenering is zelfs doel op zich, aldus Den Hollander. [51] Dit neemt niet weg dat het relativiteitsvereiste in het bijzonder in rechtspraak met betrekking tot overheidsaansprakelijkheid toch vooral beperkend uitwerkt en dat aangesproken partijen juist om te ontkomen aan aansprakelijkheid of, mocht dat niet lukken, ter beperking van aansprakelijkheid, een beroep doen op het ontbreken van relativiteit.
eerstde prealabele vraag moet worden beantwoord of de geschonden norm strekt tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen (
beschermingsdoel). [52] Vervolgens dient bij bevestigende beantwoording te worden onderzocht of het geschade belang van de benadeelde binnen de
beschermingsomvangvan de norm valt. [53] Dit model wordt echter – naar
Den Hollander [54] onderkent – niet door Uw Raad gehanteerd. [55] Op grond van de hiervoor (randnummer 3.14) weergegeven maatstaf van Uw Raad moet immers aan de hand van de doelstelling en strekking van de geschonden norm worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan de met deze norm beoogde bescherming zich uitstrekt. Dit betekent dat het beschermingsdoel en de beschermingsomvang niet als louter op zichzelf staande thema’s zijn aan te merken, maar in onderling verband moeten worden beschouwd. Daar komt bij dat Den Hollanders opvattingen op dit punt ook niet zonder bezwaren zijn.
beschermingsdoelvan een regeling en haar
beschermingsomvang. In het kader van de beschermingsomvang bepaalt de rechter in welke gevallen er aansprakelijkheid is, voor welke schade en wie er eventueel een schadevergoeding toekomt. Daarbij staat hem het volledig arsenaal aan technieken en redeneerwijzen ter beschikking en heeft hij zelfs ruimte voor een eigen rechtspolitieke agenda. Hij zou
carte blanchehebben. [58] Dit klinkt ruimhartig, maar schijn bedriegt. Het is namelijk de vraag of het wel zo ver komt en of het terrein van het privaatrecht als zodanig wel betreden wordt. Of dat het geval is, is in de opvattingen van Den Hollander juist afhankelijk van het beschermingsdoel van de regeling; dat bepaalt het antwoord op de vraag of er al dan niet ruimte is voor privaatrechtelijke handhaving via het aansprakelijkheidsrecht. En hier schikt Den Hollander zich naar wetgever en politiek in die zin dat hij zelfs aan hun zwijgen de conclusie verbindt dat het privaatrecht buiten beeld moet blijven. Zonder
positieveaanwijzingen in wet of wetsgeschiedenis, [59] is er bij hem geen plaats voor privaatrechtelijke sanctionering, tenzij de rechter de noodweg van de (aanvullende) toetsing onder de noemer van de zorgvuldigheidsnorm benut. [60] Bij het invulling geven aan de zorgvuldigheidsnorm zou de rechter de relatie met de wetgever namelijk niet belasten. [61] In deze opvatting is de plaats van en rol voor het privaatrecht naar mijn smaak te zeer afhankelijk gemaakt van uitlatingen in het stadium van wetgeving. [62] Uiteraard legt het gewicht in de schaal, sterker nog: kan doorslaggevend zijn, dat wetgever en politiek daadwerkelijk over een rol voor het privaatrecht hebben nagedacht en daarin een keuze hebben gemaakt. Mijn indruk is dat ondanks aanwijzing 11 uit de Aanwijzingen voor de regelgeving [63] nog altijd niet structureel en voldoende aandacht wordt besteed aan de vraag hoe handhaving van een nieuwe wet(telijke regeling) het beste kan geschieden en in ieder geval wordt daarbij in de regel zelden uitdrukkelijk beslist over een al dan niet aanvullende rol voor het privaatrecht en privaatrechtelijke sanctionering in het aansprakelijkheidsrecht. Tegen die achtergrond geef ik er de voorkeur aan in geval van zwijgen van de wetgever uit te gaan van een eventuele aanvullende rol van het privaatrecht; [64] het relativiteitsvereiste behoort daaraan in dat geval naar mijn mening in beginsel niet in de weg te staan. Welke rol dat is en wie eventueel een schadevergoeding toekomt, bepaalt de civiele rechter uiteindelijk waarbij hij in het kader van beantwoording van de vraag of aan het relativiteitsvereiste is voldaan wat mij betreft zijn gehele gereedschapskist mag benutten.
Duwbak Lindaging het (verkort weergegeven) om het volgende. De Staat verleende voor de duwbak genaamd Linda een certificaat op grond van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn (hierna: ‘RosR’). De Staat had dit goedkeuringscertificaat gezien de erbarmelijke toestand van de duwbak niet mogen verlenen. Enige tijd later zonk Duwbak Linda terwijl zij vast zat aan een baggercombinatie. De eigenaar van de baggercombinatie leed hierdoor een miljoenenschade en zocht verhaal bij de Staat met als stelling dat de keuring onzorgvuldig was uitgevoerd, dat de Linda bij een deugdelijke keuring geen goedkeuringscertificaat zou hebben verkregen, dat het vaartuig in dat geval niet in de vaart zou zijn gebleven en dat het ongeval dan dus niet zou hebben plaatsgevonden. [68] Aan aansprakelijkheid van de Staat stond het relativiteitsvereiste naar het oordeel van Uw Raad echter in de weg. Uw Raad overwoog in dat verband:
Iraanse vluchtelingestaan de volgende feiten centraal. De (toenmalige) staatssecretaris van justitie heeft de aanvraag van een vluchtelinge voor toelating als vluchteling en verlening van een verblijfsvergunning afgewezen. In een bestuursrechtelijke rechtsgang blijkt dat deze weigering onterecht is geweest. De vluchtelinge krijgt vijf jaar na de afwijzing alsnog een verblijfsvergunning. Zij vordert daarna vergoeding van haar inkomensschade over deze periode, omdat zij al die tijd vanwege het ontbreken van een verblijfsvergunning niet heeft mogen werken. Ook deze vordering stuit af op het relativiteitsvereiste. Uw Raad overweegt:
Duwbak Lindaen de
Iraanse vluchtelingehebben kritiek in de literatuur uitgelokt. In deze kritiek vallen verschillende lijnen aan te wijzen. [71] Zo is men soms ongelukkig met het directe resultaat of met de gevolgen daarvan (zoals het ontbreken van voldoende prikkels voor toezichthouders om hun werk zorgvuldig te doen). [72] Verder wordt aangedragen dat de arresten een zeker apodictisch karakter hebben waarin Uw Raad zijn kaarten niet (alle) op tafel legt. De ware achtergrond van de toepassing van het relativiteitsvereiste in deze zaken zou (al dan niet in combinatie met het gegeven dat, zoals in Duwbak Linda, de Staat een zogenoemde ‘zijdelingse laedens’ is), zijn dat een al te ver strekkende aansprakelijkheid van de Staat vanwege de bijbehorende ‘druk op de schatkist’ voorkomen dient te worden. [73] In de derde plaats zou Uw Raad met zijn relativiteitsoordelen keuzes naar zich toetrekken die de wetgever behoort te maken. [74] In de vierde plaats wordt wel betoogd dat beter aansluiting zou kunnen worden gezocht bij de leer van de toerekening naar redelijkheid (art. 6:98 BW Pro) en dat het relativiteitsvereiste in die sleutel zou moeten worden gesteld. [75]
civilibuskwam Uw Raad tot het oordeel dat de motiveringsplicht er niet toe strekt de belangen van de eigenaar van het pand te beschermen. Uw Raad overwoog:
tussenbalans:
Civielrechtelijke aansprakelijkheid van het UWV
verleendetoestemming voor het ontslag. Onder het nieuwe arbeidsrecht kan de werknemer zich bij een onterecht verleende toestemming voor het ontslag binnen twee maanden tot de kantonrechter wenden met het verzoek om de werkgever te verplichten tot herstel van de arbeidsovereenkomst (art. 7:682 lid 1 BW Pro). [92] Oordeelt de kantonrechter dat de opzegging niet voldoet aan de voorwaarden dan veroordeelt hij de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst hetzij met terugwerkende kracht hetzij met bepaling wat rechtens is in de tussenliggende periode (art. 7:682 lid 6 BW Pro), [93] waarbij kan worden gedacht aan een vergoeding voor de inkomstenderving of het repareren van de pensioenschade. [94] Indien de door het UWV toegestane opzegging bij de kantonrechter geen stand houdt, dan kan de werkgever dus op grond van art. 7:682 lid 6 BW Pro worden verplicht tot het doen van betalingen (loon, of vergoeding voor inkomstenderving en pensioenschade) voor een periode waarin de werknemer (vanwege de opzegging) geen werkzaamheden heeft verricht. Denkbaar is dat de werkgever het UWV tot vergoeding van deze schade zal aanspreken. [95] Dit betekent dat de in deze zaak voorliggende vragen over aansprakelijkheid van het UWV ook naar het nieuwe recht van belang zijn voor werkgevers. Hieruit volgt tevens dat een al te strenge (relativiteits-)toets ertoe zou kunnen leiden dat (kleine) werkgevers in de toekomst als gevolg van een verkeerde beslissing van het UWV in de knel komen. Dit spreekt mij niet erg aan.
NJ2007/187 (
Enschede/ [E]), rov. 4.2.3, en HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3257,
NJ2009/146)
NJ2016/291 (
Hengelo/ [F]), rov. 3.5.2).
jegens de aanvragervan de vergunning. Niet valt in te zien waarom een bouwvergunning op dit punt een bijzondere plaats in zou nemen ten opzichte van andere vergunningen, zoals de ontslagvergunning.”
4.Bespreking van de cassatieklachten
subonderdeel 1.1geen doel treft.
“Na de reorganisatie/sluitingen zal de hele markt worden bediend vanuit enkele overblijvende, op centrale locaties gelegen vestigingen. In dit geval dient afspiegeling plaats te vinden over het gezamenlijke personeelsbestand van de te sluiten en van de “overnemende” bedrijfsvestigingen.”Deze passage wijst – anders dan het subonderdeel lijkt te bepleiten – niet op een (mogelijke) afspiegeling binnen regionale concentraties.
subonderdeel 1.4treft daarom geen doel.
subonderdeel 1.5is onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel komt dat de afwijzing van de verzochte ontslagvergunningen als onrechtmatig dient te worden aangemerkt. Dit subonderdeel valt in drie gedeeltes uiteen.
naar zij zelf blijkt te stellen, de ontslagvergunningen direct zou hebben afgegeven. UWV heeft dit niet gesteld en vindt dat het allerminst vaststaat dat hij dan direct de ontslagvergunningen zou hebben afgegeven. Uit de beschikking van 29 september 2011 (
productie 1) blijkt dat UWV niet is toegekomen aan een onderzoek of de ontslagaanvraag van Belfor aan de toetsingscriteria in verband met de fluctuaties in het werkaanbod voldoet. Het is mogelijk dat (een gedeelte van) de ontslagaanvragen op grond van deze toetsingscriteria zouden zijn afgewezen als UWV wel aan dit onderzoek zou zijn toegekomen.”
eerste onderdeelfaalt.
rechtstreeksegevolg is van een ten onrechte geweigerde toestemming.
alleschade die het gevolg is van een weigering, het oordeel van een verkeerde rechtsopvatting getuigt. Het hof zou dan hebben miskend dat onderzocht dient te worden of het BBA strekt tot bescherming tegen de specifieke schade(typen) zoals Belfor die stelt te hebben geleden. Althans zou het oordeel onvoldoende begrijpelijk zijn aangezien het hof niet motiveert waarom alle schade die het gevolg is van het feit dat een verzochte ontslagvergunning ten onrechte is geweigerd onder het beschermingsbereik van het BBA valt.
rechtstreekslijdt door een onterechte weigering van toestemming.
subonderdeel 2.3af.
rechtstreeksegevolg is van een ten onrechte geweigerde toestemming. Daarmee kan niet worden gezegd dat het hof op grond van het enkele gegeven dat Belfor direct belanghebbende is, zou hebben geoordeeld dat art. 6 BBA Pro strekt tot bescherming tegen de schade die Belfor stelt te hebben geleden. De klacht dat het hof het oog zou hebben gehad op het bestuursrechtelijke begrip ‘belanghebbende’ (art. 1:2 Awb Pro) of het bestuursrechtelijke relativiteitsvereiste (art. 8:69a Awb) mist feitelijke grondslag. Het arrest biedt geen aanknopingspunten voor de gedachte dat het hof is uitgegaan van deze bestuursrechtelijke begrippen zonder deze te plaatsen in de sleutel van het civielrechtelijke relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW Pro.
subonderdeel 2.4geen doel treft.
onderdeel 2.
derde onderdeelkomt op tegen het dictum. Het hof heeft in het dictum voor recht verklaard dat het UWV jegens Belfor onrechtmatig heeft gehandeld door de verzoeken om toestemming voor een opzegging van de arbeidsverhoudingen ingediend in de periode van 28 juli 2011 tot en met 3 augustus 2011 te weigeren. Verder heeft het hof het UWV veroordeeld tot betaling van de als gevolg hiervan geleden schade op te maken bij staat.
Subonderdeel 3.1voert aan dat deze beslissing onjuist is, omdat het hof heeft miskend dat voor een verwijzing naar de schadestaat is vereist dat ten minste de mogelijkheid van schade aannemelijk is gemaakt. Althans, zo voegt het UWV daaraan in de eerste zin van
subonderdeel 3.2toe, is de beslissing onbegrijpelijk gemotiveerd nu het hof aan het vorenbedoelde vereiste geen (kenbare) aandacht heeft besteed.
Wijziging van eis
Voorzitter: is er middels de schadestaatprocedure al duidelijkheid verkregen over de omvang van de schade?
subonderdeel 3.1en
subonderdeel 3.2(eerste zin) geen doel. Belfor heeft, gezien het vorenstaande, gemotiveerd gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van de beslissing van het UWV. Het UWV heeft het bestaan van schade niet gemotiveerd bestreden. Het was dus in de onderhavige procedure niet in geschil dat (de mogelijkheid aannemelijk was dat) Belfor als gevolg van de (onjuiste) beslissing van het UWV schade heeft geleden. Daarbij merk ik op dat dit ook alleszins aannemelijk is, nu de weigering van toestemming voor de opzegging van arbeidsverhoudingen – zoals Belfor c.s. ook hebben gesteld (hiervoor randnummers 4.48 en 4.49) – tot gevolg heeft dat het loon van de werknemer dient te worden doorbetaald. Dit alles brengt mee dat het hof het UWV mocht veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet zonder uitdrukkelijk te overwegen dat de mogelijkheid aannemelijk was dat Belfor als gevolg van de (onjuiste) beslissing van het UWV schade heeft geleden.
onderdeel 3faalt.