Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
consultancy,
vendor due diligence,opstellen van een koopovereenkomst, juridisch advies en de inrichting van een digitale
dataroom, en die kosten doorberekend aan haar aandeelhouders, waaronder de belanghebbende. In geschil is of de belanghebbende een deel daarvan van haar winst kan aftrekken of dat alle desbetreffende kosten van aftrek zijn uitgesloten omdat zij “kosten ter zake van de vervreemding van die deelneming” zijn ex art. 13(1) Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969).
aankoopkosten afgeleid dat verkoopkosten pas niet-aftrekbaar zijn als zij in rechtstreeks oorzakelijk verband staan met de vervreemding van de deelneming, i.e. de kosten die de belanghebbende ‘heeft moeten maken’ om de beoogde vervreemding te verwezenlijken. Op die basis heeft de Rechtbank geoordeeld dat het aftrekverbod zich beperkt tot de kosten gemaakt na het moment waarop mogelijke kopers concreet zijn benaderd.
vendor due diligence report, de dataroom, de advocaat, de notaris, de advisering door derden bij de verkoopovereenkomst en de akte van levering niet-aftrekbaar zijn omdat alleen die kosten noodzakelijk gemaakt moesten worden in verband met de verkoop.
aankoopkosten geldende goed koopmansgebruik-criterium ‘kostprijs’ (activeren of niet) is niet relevant bij
verkoopkosten), (iii) dat zowel interne als externe kosten meetellen en (iv) dat het aftrekverbod een dekkingsmaatregel was om een tariefverlaging te financieren.
aankoop van een deelneming - bij mogelijke
verkoop van een deelneming geen onzekerheid bestaat over de deelnemingsverhouding: die is er. Het gaat mijns inziens bij verkoopkosten echter niet om het verband met de deelnemingsverhouding, maar om het verband met een vrijgesteld vervreemdingsresultaat. De wetgever wenste verkoopkosten immers ‘onder de deelnemingsvrijstelling te brengen’. Die vrijstelling geldt voor ‘voordelen uit hoofde van een deelneming’ (art. 13(1) Wet Vpb 1969) en dáármee moet dus een rechtstreeks verband bestaan. Het Hof stelde mijns inziens dan ook voor niet-aftrekbaarheid terecht de voorwaarde dat het daadwerkelijk tot verkoop komt. Gaat een verkoop (definitief) niet door, dan acht het Hof de kosten kennelijk aftrekbaar, ook al hingen zij wel degelijk rechtstreeks samen met de bestaande deelnemingsverhouding. Ik ben het daarmee eens: als een
aankoop mislukt, zijn de met het oog op de aankoop gemaakte kosten niettemin aftrekbaar omdat zij niet kunnen worden toegerekend aan (de verwerving van) een
deelneming; als een
verkoop mislukt, zijn de met het oog op verkoop gemaakte kosten niettemin aftrekbaar omdat zij niet toegerekend kunnen worden aan enig (vervreemdings)’
voordeeluit hoofde van een deelneming’.
Boorput-arrest HR
BNB1995/180 en het
Filmscript-arrest HR BNB 1999/320 af dat dat het geval is, én dat beslissend is of ten tijde van het maken van de kosten een redelijke mate van zekerheid c.q. de objectieve verwachting bestond dat een vrijgesteld deelnemings-resultaat behaald zou worden waaraan de kosten toegerekend kunnen worden. Die arresten gaan weliswaar over activering, maar de wetgever wenste expliciet een behandeling van verkoopkosten ‘analoog’ aan die van aankoopkosten en voor die laatste kosten staat vast dat van aftrek alleen zijn uitgesloten de kosten die geactiveerd moeten worden als onderdeel van de kostprijs van de deelneming.
BNB2013/70 volgt dat in elk geval van aftrek uitgesloten zijn de kosten van ná 19 december 2008 (
deadlinevoor
firmoffers en aandeelhoudersbesluit om exclusief te onderhandelen met de uiteindelijke koper). Ik meen dat voor de daarvóór gemaakte kosten een dubbel beoordelingscriterium geldt: (i) het voornemen tot vervreemding en (ii) het
Boorput- of
Filmscript-criterium: bestond ten tijde van het maken van de kosten een redelijke mate van zekerheid c.q. de objectieve verwachting dat een vrijgesteld deelnemingsresultaat geboekt zou gaan worden? Op het moment waarop de kosten gemaakt worden, moet een vrijgesteld vervreemdingsresultaat zowel subjectief beoogd als objectief te verwachten zijn. Met dat dubbele toerekeningscriterium wordt mijns inziens voldaan aan de wensen van ‘analoge’ behandeling van de wetgever, terwijl de objectivering past bij een objectieve vrijstelling.
2.De feiten, het geschil en de beslissingen in feitelijke instanties
Feiten
consultancyten behoeve van de verkoop; totaal van de facturen € 94.996); (iii) Ernst & Young (
vendor due diligenceonderzoek en rapport; totaal van de facturen € 473.126); (iv) [EE] (opstellen koopovereenkomst en juridisch advies; totaal van de facturen € 41.861); en (v) [KK] (inrichten digitale
dataroom; totaal van de facturen € 3.567).
management buy out, verkenning van een mogelijke verkoop aan een gelieerde partij en werkzaamheden van voorbereidende aard. Zij heeft € 73.112 in aftrek toegelaten.
FED2016/56) becommentarieerde deze uitspraak als volgt:
BNB1995/180; PJW, zie 5.4 hierna [2] ] was gevolgd. Bij het benaderen van potentieel geïnteresseerde partijen kan immers niet worden aangenomen dat een van deze partijen ook daadwerkelijk tot aankoop zal overgaan. Ik wijs in dit verband tevens op de opmerking van de rechtbank dat niet van belang is dat eiseres zelf tot op het laatste moment kon beslissen van verkoop af te zien (r.o. 4.4, laatste volzin). De onzekerheid over de verkoop zal in het onderhavige geval uiterlijk zijn weggenomen bij het tekenen van de koopovereenkomst door de uiteindelijke koper, F BV, maar er zou bijvoorbeeld ook al voldoende zekerheid kunnen zijn op 19 december 2008 toen het traject exclusief werd vervolgd met F BV. [3]
BNB1994/164; PJW; zie 5.3 hieronder] verwijst (maar slechts algemeen naar de jurisprudentie over aankoopkosten deelneming), komt het criterium exact overeen, zodat het aan dit arrest ontleend lijkt te zijn. (…). Uit dit arrest valt mijns inziens niets af te leiden over het bestaan van een voorfase waarin kosten aftrekbaar zijn, terwijl de rechtbank wel tot het bestaan daarvan concludeert. (…).
BNB1999/320, ; PJW, zie 5.7 [4] ], dat de Belastingdienst vaker aanhaalt in discussies over aan- en verkoopkosten. In dit arrest is in geschil of een investeringsbijdrage kan worden geclaimd voor de voortbrengingskosten van een uiteindelijk niet tot stand gekomen film. De Hoge Raad oordeelde dat voor de aanspraak op een investeringsbijdrage niet beslissend is of uiteindelijk een bedrijfsmiddel tot stand is gekomen, maar of ten tijde van het maken van de productiekosten de verwachting bestond dat ee[n] bedrijfsmiddel tot stand zou worden gebracht. De rechtbank rept echter met geen woord over het Filmscript-arrest of het in dit arrest genoemde criterium.”
NTFR2016/1273) leidt uit onder meer HR
BNB1994/164 (zie 5.3 hieronder) af dat een rechtstreeks oorzakelijk verband moet bestaan tussen de verwerving van een activum en de gemaakte kosten. Hij vraagt zich af vanaf welk moment dat verband ontstaat:
FutD(2016/0848) ziet aanleiding voor een fraai arrest:
BNB1994/164; PJW; zie 5.3 hieronder] doorslaggevend is voor de kwalificatie van kosten als aan- of verkoopkosten, of dat de begrippen aankoopkosten en verkoopkosten in bredere zin moeten worden opgevat als kosten die drukken op de aan- of verkoop. Verder zou een dergelijk arrest licht kunnen werpen op een aantal andere vraagpunten die in de uitspraak van de Rechtbank niet aan de orde zijn gekomen, maar in de praktijk wel een rol spelen. In de praktijk wordt wel het standpunt ingenomen dat kosten die niet alleen dienen voor de aankoop, maar ook voor de financiering van de aankoop, deels in aftrek kunnen worden gebracht. Dit kan bijvoorbeeld van belang zijn voor de kosten van een due diligence rapport, dat niet alleen wordt gebruikt in het kader van de aankoopbeslissing en de aankooponderhandelingen, maar ook aan de financier wordt verstrekt. Ook kan worden betoogd dat kosten die kunnen worden doorbelast aan de overgenomen vennootschap, niet hoeven te worden aangemerkt als niet-aftrekbare aankoopkosten. Dit aspect kan bijvoorbeeld een rol spelen als in de loop van het aankoopproces adviezen zijn verkregen die niet alleen van belang zijn voor de aankoopbeslissing en aankooponderhandelingen, maar ook voor het bedrijfsproces van de overgenomen werkmaatschappij. Wij zien dus voldoende punten voor een fraai arrest van de Hoge Raad.”
aankoop aftrekbaar zijn, niettemin de kosten van aanvankelijk mislukte verkooppogingen toch niet-aftrekbaar zijn als de deelneming uiteindelijk wel degelijk verkocht wordt:
BNB1994/164; PJW, zie 5.3 hieronder] niet worden opgemaakt dat slechts van verkoopkosten kan worden gesproken als het gaat om kosten die moeten worden gemaakt (in de zin van noodzakelijk te maken kosten) om een verkoop van aandelen door te laten gaan. Nog afgezien van de omstandigheid dat dit arrest betrekking heeft op aankoopkosten, kunnen de daarin door de Hoge Raad gebruikte woorden “heeft moeten maken”, naar het oordeel van het Hof, niet anders worden opgevat dan de constatering dat de feitelijk gemaakte kosten samenhingen met de aankoop van de deelneming.”
NLF2017/0317) dat het Hof terecht een ruimere uitleg van kosten ter zake van de vervreemding van de deelneming heeft gekozen dan de beperkte die de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (zie 5.11 hierna) en de Rechtbank Gelderland (zie 5.12 hierna) eerder hebben gekozen.
NTFR2017/539) becommentarieerde ’s Hofs uitspraak als volgt:
BNB1999/320; PJW, zie 5.7 hieronder]). Voor de opvatting van het hof dat bij de verkoop van een deelneming een ander respectievelijk vroeger ijkpunt geldt dan bij de aankoop van een deelneming, namelijk het tijdstip waarop de aandeelhouder definitief besluit zijn deelneming te gaan verkopen zonder dat er een concrete koper in beeld is, valt mijns inziens veel te zeggen. Op dat moment ontstaat immers de intentie om een voordeel uit hoofde van de deelneming te gaan realiseren. Dan ligt het ook voor de hand om de als gevolg van die intentie gemaakte kosten aan het later bij verkoop te behalen voordeel te alloceren. Wat betreft de causaliteit tussen de kosten en de verkoop bepleitte belanghebbende dat alleen noodzakelijk te maken kosten als verkoopkosten kunnen worden aangemerkt. In de praktijk wordt deze stelling wel vaker gehoord: alleen kosten die je moet maken kunnen als aan- respectievelijk verkoopkosten worden aangemerkt, zodat alleen notariskosten en de kosten van het opstellen van de aan-/verkoopovereenkomst onder de aftrekuitsluiting kunnen vallen. Ter weerlegging van dit standpunt wijst het hof erop dat belanghebbende HR 2 maart 1994, nr. 29.061, ECLI:NL:HR:1994:BH8944 [PJW:
BNB1994/164, zie 5.3 hieronder] verkeerd interpreteert. De Hoge Raad spreekt in dit arrest over kosten die men ‘heeft moeten maken’. Volgens het hof bevatten de woorden ‘heeft moeten maken’ niet meer dan de constatering dat de feitelijk gemaakte kosten samenhingen met de aankoop van de deelneming. De motivering van het hof zou aan overtuigingskracht hebben gewonnen indien het hof zou hebben gewezen op de arresten HR 8 juli 1996, nr. 30.918, ECLI:NL:HR:1996:AA1907 en nr. 31.496, ECLI:NL:HR:1996:AA2031 [PJW: HR
BNB1996/367, zie 5.6]. In deze arresten vertaalt de Hoge Raad de woorden ‘heeft moeten maken’ uit het arrest van 1994 als ‘op de aankoop drukken’. Bij verkoop van een deelneming is dan de vraag of de kosten op de verkoop drukken. Als voorwaarde voor het kunnen aanmerken van kosten als aankoopkosten [bedoeld zal zijn: verkoopkosten; PJW] geldt volgens het hof wel dat de deelneming uiteindelijk wordt verkocht. Indien in een jaar kosten met het oog op de verkoop zijn gemaakt en de verkoop op balansdatum nog niet heeft plaatsgevonden, zullen de gemaakte kosten moeten worden geactiveerd. Hoe nu te handelen als er uiteindelijk geen verkoop plaatsvindt? Mijns inziens kunnen de kosten dan worden afgetrokken, tenzij er nog steeds van een intentie tot verkoop sprake blijft. (…).”
3.Het geding in cassatie
cassatiemiddelhoudt in dat het Hof ten onrechte of op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat alle kosten in het kader van de aanloop naar een eventuele verkoop en van het uiteindelijke verkooptraject onder het aftrekverbod ex art. 13(1) Wet Vpb vallen.
Primairmeent zij dat alleen de kosten gemaakt vanaf 19 december 2008 – toen min of meer zeker was dat een geschikte koper gevonden zou worden – onder de aftrekbeperking van art. 13(1) Wet Vpb vallen.
Subsidiairbetoogt zij dat alleen de kosten van het
vendor due diligence report, de
dataroom, de advocaat, de notaris, de advisering door derden bij de verkoopovereenkomst en de akte van levering zijn aan te merken als kosten die gemaakt moesten worden in verband met de verkoop van de deelneming.
WFR2009/85; zie 6.1 hierna) doen. Zij bestrijdt dat gelijke behandeling van aan- en verkoopkosten vanwege afwijkende omstandigheden niet voor de hand zou liggen: ook bij aankoop kan wel degelijk sprake zijn van een band met een bestaand bedrijfsmiddel, namelijk wanneer een bestaande deelneming wordt uitgebreid. Het Hof redeneert bovendien inconsistent, nu hij bij verkoopkosten een rechtstreeks oorzakelijk verband met de verkoop slechts aanwezig acht als de verkoop uiteindelijk doorgaat (“mits de deelneming uiteindelijk wordt verkocht”), terwijl hij de kosten van een mislukte verkoop niet aan een bestaande deelnemingsverhouding toerekent en dus toch hetzelfde behandelt als kosten van een mislukte aankoop: geen aftrekbeperking.
BNB2017/11 (schadevergoeding wegens schending voorkeursrecht niet vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling; zie 5.5 hierna) een ‘evenwichtsgedachte’ ter zake van (niet-)aftrekbaarheid van de betaling en (niet-)belastbaarheid van de ontvangst, die volgens haar evenzeer opgeld doet bij de vraag vanaf welk moment kosten in het kader van een aankooptraject of een verkooptraject van een deelneming onder de aftrekbeperking van art. 13(1) Wet Vpb moeten vallen. De belanghebbende meent dat HR
BNB1996/367 [en 368] (aankoopkosten zijn kosten die ‘drukken op de aankoop’; zie 5.6 hierna) betekent dat in een verkoopgeval beslissend is of de kosten op de verkoop drukken. Uit het
Boorput-arrest (HR
BNB1995/180; zie 5.4 hierna) leidt zij af dat het
matchingbeginsel van goed koopmansgebruik er niet toe verplicht om uitgaven in een aankooptraject van een deelneming te activeren zolang onzeker is of de deelneming verworven zal worden. Tot dat moment zijn er geen ‘op de verwerving drukkende kosten’ die onder de aftrekbeperking van art. 13(1) Wet Vpb kunnen vallen. De wetsgeschiedenis steunt de opvatting dat de aftrekbeperking voor
aankoopkosten alleen ziet op uitgaven die onderdeel zijn van de kostprijs van de deelneming (
Kamerstukken II, 2003/04, 29381, 3, p.11, zie 4.3 hierna). Nu volgens de wetgever ‘verkoopkosten’ analoog aan ‘aankoopkosten’ moet worden opgevat, zijn de in een verkooptraject gedane uitgaven geen ‘op de verkoop van de deelneming drukkende’ kosten zolang onzeker is of een voorgenomen verkoop ook gaat lukken. Uit het genoemde
Boorput-arrest leidt de belanghebbende af dat dit niet anders wordt als de verkoop uiteindelijk (wel) lukt. Beslissend is haars inziens of op het tijdstip waarop de kosten werden gemaakt nog onzeker was of de uitgaven tot enig positief resultaat zouden leiden.
BNB1994/164 [8] (zie 5.3 hierna) volgt dat het begrip ‘verkoopkosten’ beperkt moet worden uitgelegd en dat alleen uitgaven in directe samenhang met de uiteindelijke verkoop van een deelneming en die daartoe gemaakt
moestenworden, onder de aftrekbeperking van art. 13(1) Wet Vpb vallen. Bij verkoopkosten kan dus een ‘voorfase’ worden onderscheiden, waarin de uitgaven nog onvoldoende samenhangen met de uiteindelijke verkoop van de deelneming; zij verwijst naar De Vries (
WFR2009/85; zie 6.1 hierna) en HR
BNB2017/11 (zie 5.5 hierna). Het Hof is daarom van een te ruime causaliteit uitgegaan door alle uitgaven voor werkzaamheden gericht op de
beoogdeverkoop aan te merken als rechtstreeks samenhangend met de uiteindelijke verkoop. Volgens de belanghebbende vallen daaronder alleen kosten die noodzakelijkerwijs moeten worden gemaakt om de aan- of verkoop van een deelneming mogelijk te maken.
verweerdat het Hof kennelijk – zoals de wetgever zijns inziens beoogde – aankoopkosten en verkoopkosten zo veel mogelijk gelijk wilde behandelen en terecht het moment waarop definitief is besloten om te verkopen heeft aangemerkt als het moment vanaf wanneer werkzaamheden kunnen zijn verricht met het oog op de verkoop. Dat besluit viel al in 2007. Daarom staan alle kosten die vanaf dat moment in verband met de verkoop zijn gemaakt in rechtstreeks verband met de uiteindelijke verkoop en zijn zij niet aftrekbaar. De Staatssecretaris onderschrijft het boven (2.14) geciteerde commentaar van Van Horzen. Hij leest in HR
BNB2017/11 (zie 5.5 hieronder) niet dat verkoopkosten zich pas voordoen als de partijen zich hebben verplicht tot levering en betaling. Zijns inziens valt niet in te zien dat kosten voor werkzaamheden gericht op een beoogde verkoop geen verkoopkosten zouden zijn enkel omdat de verkoop nog niet definitief is. Uit het
Boorput-arrest kan volgens hem niet worden afgeleid dat verkoopkosten niet onder de aftrekbeperking vallen zolang onzeker is of een verkoop zal volgen. Dat arrest gaat niet over de vereiste causaliteit tussen uitgaven en een beoogde verkoop om te bepalen of de uitgaven verkoopkosten zijn, terwijl het in casu bovendien gaat om verkoopkosten ter zake van een bedrijfsmiddel dat al tot het vermogen van de belanghebbende behoort. Met het Hof acht de Staatssecretaris het niet relevant dat tijdens het uiteindelijk geslaagde verkoopproces nog onzeker kan zijn of de verkoop slaagt en wie de koper wordt. Noodzakelijkheid is zijns inziens geen relevant criterium voor de bepaling of kosten onder de deelnemingsvrijstelling vallen.
4.De wet en zijn geschiedenis
Aankoopkosten
verwervingskosten is in werking getreden per 1 februari 2005, terugwerkend naar 14 december 2002, behoudens overgangsrecht. [9] Aanleiding was uw arrest HR
BNB2002/262 [10] waarin u in afwijking van eerdere jurisprudentie [11] oordeelde dat de bijzondere aard van het bedrijfsmiddel deelneming meebracht dat goed koopmansgebruik toelaat aankoopkosten van een deelneming, zoals beursbelasting en aankoopprovisie, op gelijke wijze als verkoopkosten ter zake van een deelneming ten laste van het resultaat te brengen in het jaar waarin zij zijn gemaakt, en dat eerder geactiveerde aankoopkosten alsnog met terugwerkende kracht in aanmerking konden worden genomen. De wetgever wilde, mede om budgettaire redenen, [12] de situatie van voor het genoemde arrest met terugwerkende kracht te herstellen. [13] De MvT betoogde dat een aftrekverbod voor aankoopkosten past in het systeem van de deelnemingsvrijstelling: [14]
BNB1989/43 (zie 5.8 hierna). Op die datum zijn verkoopkosten onder de deelnemingsvrijstelling gebracht om de grondslag van de vennootschapsbelasting te verbreden. De MvT bij de Wet ‘Werken aan winst’ vermeldt: [21]
aankoop zouden worden gemaakt, geactiveerd zouden moeten worden op grond van goed koopmansgebruik. Uit de in 4.2 t/m 4.7 opgenomen wetsgeschiedenis van het
aankoopkostenaftrekverbod blijkt immers expliciet dat de wetgever de situatie wilde herstellen waarin de aankoopkosten die bij een andersoortig bedrijfsmiddel geactiveerd zouden moeten worden, ook bij de aankoop van een deelneming geactiveerd moesten (blijven) worden én evenmin op een later tijdstip alsnog in aftrek zouden komen. Bij ‘analoge’ behandeling van verkoopkosten volgens dezelfde ‘lijn’ zou dan ook het aftrekverbod voor verkoopkosten beperkt zijn tot de kosten die, als zij in een aankoopsituatie gemaakt zouden worden, geactiveerd zouden moeten worden. Dat lijkt overigens geen erg verhelderende ‘analogie’, nu bij een verkoop geen sprake is van activering (maar van de-activering), laat staan van “uitgaven die ertoe dienen het activum deelneming functioneel te maken” of van “kosten die behoren tot de kostprijs van de deelneming”, bestaande uit enerzijds “de koopprijs in ruime zin” en anderzijds de overige te activeren “kosten ter zake van de verwerving van een deelneming.” Een verkoop is een desinvestering, dus het tegendeel van de te activeren investering die een aankoop is. Het zou dan gaan om de kosten ‘die ertoe dienen het activum deelneming te vervreemden’. Maar welke kosten zijn dat?
4.1. Kosten van mislukte acquisities
5.Rechtspraak
Aankoopkosten
droit d'enregistrement(een belasting van rechtsverkeer) betaald bij de verwerving van een Franse deelneming. [29]
BNB1994/164 [32] over verplichte activering van de proceskosten ter bemachtiging van een meerderheidsbelang overwoog u:
expensed. Het ging dus vooral om de
timingvan de aftrek van kosten die hoe dan ook aftrekbaar waren: meteen of pas later bij afschrijving op de te activeren olie- of gasreserve. Dat is niet helemaal de kwestie van de belanghebbende, die een totaalwinstvraag betreft, nl. of kosten
überhaupt(niet-)aftrekbaar zijn. Maar toegegeven moet worden dat de wetgever er met zijn ‘analoge’-behandeling-wens een goed koopmansgebruik-vraag bij gehaald heeft: wanneer moeten kosten geactiveerd worden?
BNB2017/11 [34] een ‘evenwichtsgedachte’ – ter zake van vrijstelling bij de ene partij en aftrekbaarheid bij de andere partij – die volgens haar ook opgeld doet bij de vraag vanaf welk moment de kosten gemaakt in een traject van aankoop of verkoop van een deelneming onder de aftrekbeperking van art. 13(1) Wet Vpb 1969 vallen. De zaak betrof een schadevergoeding die aandeelhouder A aan aandeelhouder B (de belanghebbende) had betaald omdat A in strijd met B’s voorkeursrecht haar aandelen aan een derde had verkocht zonder ze eerst aan te bieden aan de belanghebbende. In geschil was of die schadevergoeding vrijgesteld was onder de deelnemingsvrijstelling (of zij kon worden toegerekend aan de deelneming). U overwoog:
counterfactualr.o. 2.4.7 van belang, die juist tot toepassing van de deelnemingsvrijstelling leidt. Hoe dan ook: de fiscale status van wettelijk niet-geregelde schadevergoedingen voor het afblazen van een transactie met een deelneming lijkt mij weinig licht te werpen op de fiscale status van de wettelijk van aftrek uitgesloten kosten ter zake van een transactie met een deelneming die wél is doorgegaan. Voor zover de belanghebbende met haar verwijzing naar r.o. 2.4.6 bedoelt dat niet-aftrekbaarheid van verkoopkosten tot niet-belastbaarheid bij de ontvanger zou moeten leiden, of andersom: belastbaarheid bij de ontvanger zou moeten leiden tot aftrekbaarheid bij de belanghebbende, miskent zij dat de ‘evenwichtsgedachte’ in r.o. 2.4.6 ziet op consistente fiscale behandeling van (beoogde) koper en (beoogde) verkoper van een deelneming. R.o. 2.4.6 houdt niet meer in dan dat schadevergoedingen wegens niet-doorgaan van de verkoop van een deelneming bij beide betrokken partijen hetzelfde moeten worden gekwalificeerd als binnen dan wel buiten de vrijstelling, een en ander op basis van het criterium of de precontractuele fase afgesloten is of niet. Dat lijkt mij weinig relevant voor belanghebbendes geval.
BNB1996/367 [35] betrof een belanghebbende die een aandelenemissie voor een ander regelde maar zelf deelnam zodanig dat zij een deelneming had. De vraag was of haar kostprijs ook de haar toekomende provisie omvatte, of die provisie mocht worden afgeboekt van de kostprijs omdat zij zich die provisie bespaarde. U oordeelde dat de provisie niet tot de te activeren kostprijs van de deelneming behoorde omdat geen provisiekosten waren gemaakt:
BNB1999/320 [36] (
Filmscript-arrest) betrof productiekosten voor een uiteindelijk niet-gemaakte film. De vraag was of niettemin aanspraak op een investeringsbijdrage bestond. U overwoog dat daarvoor beslissend was de verwachting ten tijde van het maken van de kosten:
BNB1989/43. [37] De zaak betrof kosten die de belanghebbende aan een bank had betaald voor het zoeken van een koper voor haar deelnemingen. U oordeelde:
BNB1999/327 [38] betrof een belanghebbende die begin 1987 houdster was van alle aandelen A BV, welke BV 50% hield in een Spaanse SA. Op 30 november 1987 verkocht zij haar aandelen A BV aan een Amerikaanse vennootschap en nam zij de verplichting op zich ervoor te zorgen dat de koper het volle belang in de SA zou verkrijgen. In 1989 maakte zij daartoe reis- en advocaatkosten, die u aftrekbaar achtte.
BNB2013/70 [39] betrof een zaak van ná invoering van de aftrekuitsluiting van verkoopkosten. De belanghebbende in die zaak vormde met haar 100%-dochter een fiscale eenheid en had in verband met de verkoop van die dochter kosten gemaakt nadat de intentieovereenkomst tot verkoop was getekend, doch vóórdat de aandelen in de dochter werden overgedragen. Zij wenste deze verkoopkosten in aftrek te brengen. U oordeelde:
BNB1994/164 (zie 5.3 hierboven) af dat niet-aftrekbare aankoopkosten “uitgaven zijn die in directe samenhang met de verwerving van een deelneming moeten worden gemaakt en daarvoor noodzakelijk zijn”. Gelet op de verklaring in de MvT (zie 4.8) dat ‘verkoopkosten’ analoog aan ‘aankoopkosten’ moeten worden opgevat, geldt volgens die Rechtbank dan hetzelfde voor de kosten van vervreemding:
moestmaken om de beoogde verkoop van de deelneming te verwezenlijken.
nietaftrekbaar was, ook al had de opdracht aan de makelaar alleen betrekking op de door de deelneming gehouden onroerende zaken.
6.Literatuur
Boorput-arrest (HR
BNB1995/180; zie 5.4) vergelijkbaar is met aankoop van een deelneming waarvoor
due diligence-kosten worden gemaakt als tijdens dat onderzoek nog geen zekerheid bestaat of de deelneming gekocht zal worden. Volgens Albert ging het
Boorput-arrest niet om de verwerving van een bedrijfsmiddel maar om de vraag of uitgaven ineens ten laste van de winst gebracht mochten worden of verdeeld moesten worden over de jaren waarin opbrengsten zouden worden genoten. Hij ziet een duidelijk verband tussen de kosten van een aankoop-
due diligenceen de verwerving van de deelneming; die kosten zouden zijns inziens geactiveerd moeten worden.
Boorput-arrest (zie 5.4) dat aankoopkosten slechts geactiveerd hoeven worden als een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de deelneming ook daadwerkelijk verworven zal worden. Martens acht het:
7.Beoordeling; het (niet-)aftrekbaarheidscriterium
aankoopkosten beslissende goed-koopmansgebruik-criterium ‘kostprijs’ (activeren of niet) is niet relevant bij
verkoopkosten), (iii) dat zowel interne als externe verkoopkosten meetellen (dat laat zich horen, maar geeft geen toerekeningscriterium) en (iv) dat het aftrekverbod een dekkingsmaatregel was om een tariefverlaging te financieren. Te vrezen valt dus dat de rechter een toerekeningscriterium zal moeten ontwikkelen en wel zodanig dat verkoopkosten fiscaal ‘analoog’ aan aankoopkosten behandeld worden.
- i) Het voornemen-criterium: beslissend is het voornemen tot verkoop, net zoals voor de herinvesteringsreserve beslissend is het voornemen tot herinvestering. Zodra en zolang zo’n (uit een aandeelhoudersbesluit blijkend?) voornemen bestaat, zijn kosten in verband met (voorbereiding van) uitvoering van het voornemen van aftrek uitgesloten. Dit criterium kan in de praktijk tot gedoe aanleiding geven en tot uiteenlopende resultaten ter zake van één en dezelfde deelneming, nu een aandeelhouder zijn vervreemdingsvoornemen na een mislukte poging immers terneergeslagen kan laten varen, maar later, in betere tijden, weer kan gaan koesteren. Het is een subjectief criterium. Minstens zou mijns inziens een aandeelhoudersbesluit tot (het staken van) verkooppogingen bewezern moeten worden;
- ii) Het al-dan-niet-gelukt-criterium: beslissend is of een verkooppoging lukt of niet; de kosten van mislukte vervreemdingspogingen zijn aftrekbaar en die van de geslaagde poging niet. Dit criterium creëert – indien zelfstandig toegepast – een onoverzichtelijk toerekeningsvraagstuk: in hoeverre zijn bijvoorbeeld de
- iii) Het
- iv) Het noodzakelijkheidscriterium: beslissend is of de kosten noodzakelijkerwijs gemaakt moesten worden om tot vervreemding van de deelneming te geraken (ontleend aan HR
- v) Het ‘drukken’-criterium (ontleend aan HR
- vi) Het obligatoire-overeenkomst-criterium (door de belanghebbende ontleend aan HR
Boorput-criterium (iii) toepassen en, in het laatste geval, het moment waarop een redelijke opbrengstverwachting ontstond op 19 december 2008 stellen (de
deadlinevoor het uitbrengen van
firm offersen de datum waarop de aandeelhouders besloten het verkooptraject exclusief te vervolgen met de uiteindelijke koper). Men kan ook zeggen dat de belanghebbende primair het al-dan-niet-gelukt-criterium (ii) wil toepassen en dat zij als mislukt aanmerkt alle werkzaamheden/pogingen tot overdracht van de aandelen Holding BV – waaronder die tot de mislukte
management buy outen de mislukte
shareholder buy out– die vooraf gingen aan het moment waarop waarschijnlijk werd dat aan een derde verkocht zou worden (19 december 2008). Subsidiair wil de belanghebbende het noodzakelijkheidscriterium (iv) toepassen en somt zij de kosten op die volgens haar noodzakelijk waren.
BNB1994/164 (‘moeten maken’ was in dat arrest, zoals het Hof terecht oordeelt, geen rechtskundig criterium, maar een weergave van een feitelijk verband); criterium (v) is mijns inziens niet concreter dan de wettekst; en criterium (vi) acht ik duidelijk in strijd met zowel de door de wetgever gewenste aankoopkosten-‘analoge’ behandeling van verkoopkosten als met diens budgettaire bedoelingen.
Filmscript-arrest (HR
BNB1999/320; zie 5.7) meent hij dat zodra een redelijke verwachting van verkoop bestaat, de kosten in verband met een mogelijke verkoop niet meer aftrekbaar zijn.
aankoop van een deelneming waarbij immers nog geen deelnemingsverhouding bestaat - bij mogelijke
verkoop van een deelneming geen onzekerheid kan bestaan over de deelnemingsverhouding.
aankoop mislukt, zijn de met het oog op die aankoop gemaakte kosten niettemin aftrekbaar omdat zij niet kunnen worden toegerekend aan (de verwerving van) een
deelneming; als een
verkoop mislukt, zijn de met het oog op die verkoop gemaakte kosten niettemin aftrekbaar omdat zij niet toegerekend kunnen worden aan enig (vervreemdings)’
voordeeluit hoofde van een deelneming’.
nietblijkt door te gaan, is zowel voor aankoopkosten als voor verkoopkosten duidelijk dat zij (alsnog) aftrekbaar zijn wegens ontbreken van verband met een deelneming respectievelijk met een ‘voordeel uit hoofde van een deelneming’, zodat alsdan de hoofdregel van de bruto-vrijstelling geldt. Als de transactie wél doorgaat, is voor
aankoopkosten duidelijk dat niet aftrekbaar zijn de kosten die geactiveerd moeten worden als onderdeel van de kostprijs van de deelneming en is het voor
verkoopkosten zaak het daaraan ‘analoge’ criterium te vinden. De vraag is met name of alle met het oog op een mogelijke verkoop gemaakte kosten van aftrek uitgesloten zijn als het uiteindelijk daadwerkelijk tot een verkoop komt, ook al is dat pas jaren later en na diverse mislukte pogingen en wellicht een periode waarin enige tijd geen verkoopvoornemen bestond. Anders gezegd: moet de toerekenbaarheid van de kosten aan een mogelijk toekomstig vervreemdingsresultaat mede beoordeeld worden naar het moment waarop de kosten gemaakt worden?
aankoop van een deelneming, slechts van aftrek zijn uitgesloten de kosten die als kostprijs van de deelneming geactiveerd moeten worden (al kunnen zij bij latere liquidatie mogelijk wel als liquidatieverlies ten laste van de winst komen). Hoewel het om een totale-winstkwestie gaat, heeft de wetgever er met dit kostprijsactiveringscriterium de goede koopman bij betrokken. Daarmee is mijns inziens relevant uw rechtspraak over de vraag of kosten geactiveerd moeten worden of meteen
expensedkunnen worden, met name de boven (5.4 en 5.7) geciteerde
Boorput- en
Filmscript-arresten, óók voor verkoopkosten, die de wetgever immers ‘analoog’ aan aankoopkosten behandeld wenste te zien: hij wilde dat de ’lijn’ voor aankoopkosten (beslissend is of geactiveerd moet worden) zou worden ‘doorgetrokken’ naar verkoopkosten. Volgens de
Boorput- en
Filmscript-arresten moet het karakter van kosten (activeren als onderdeel van de kostprijs of
expensen?) worden beoordeeld op het moment waarop zij worden gemaakt.
Boorput- en
Filmscriptarresten dan ook af dat voor niet-aftrekbaarheid van
verkoopkosten, welke niet-aftrekbaarheid een uitzondering is op het brutostelsel van de deelnemingsvrijstelling die beperkt moet worden uitgelegd, geldt dat ten tijde van het maken van de kosten een redelijke mate van zekerheid c.q. de objectieve verwachting moet bestaan dat het tot een vrijgesteld deelnemingsresultaat zal komen waaraan de kosten toegerekend kunnen worden.
BNB2013/70 (zie 5.10) volgt dat in elk geval de kosten gemaakt ná het sluiten van een intentie-overeenkomst, van aftrek zijn uitgesloten (tenzij de verkoop niet doorgaat). Ik meen dat hieruit volgt dat belanghebbendes kosten gemaakt ná 19 december 2008 (
deadlinevoor
firm offersen aandeelhoudersbesluit om exclusief te onderhandelen met de uiteindelijke koper) hoe dan ook van aftrek zijn uitgesloten, maar daarover bestaat ook geen geschil.
Boorput- of
Filmscript-criterium. Op het moment van het maken van de kosten moet mijns inziens een vrijgesteld resultaat van vervreemding van de deelneming zowel subjectief beoogd als objectief redelijkerwijs te verwachten zijn om de kosten aan dat latere vrijgestelde verkoopresultaat te kunnen toerekenen. Met dat dubbele toerekeningscriterium wordt mijns inziens voldaan aan de wensen van ‘analoge’ behandeling en ‘onder de vrijstelling brengen’ van de wetgever, terwijl de objectivering van de verwachting past bij een objectieve vrijstelling en praktische uitvoerbaarheid.