Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof in het kader van het bewijs van het onder 3 ten laste gelegde ten onrechte heeft geoordeeld dat voor een bewezenverklaring van art. 11a Opiumwet voldoende is dat de verdachte wist dat de aangetroffen stoffen voorwerpen bestemd waren tot het plegen van feiten als bedoeld in art. 11, derde en vijfde lid, Opiumwet, althans dat de bewezenverklaring in dit opzicht onvoldoende met redenen is omkleed.
- 40 assimilatielampen en
- 1 schakelbord en
- 1 snelheidsregelaar en
- 20 transformators en
- 1 afzuigslang en
- 2 koolstoffilters en
- 285 plantenpotten gevuld met potaarde en
- 3 ventilatoren en
- 2 slakkenhuizen en
- 1 Co2 booster/Hotbox en
- 1 water- beluchting- en dompelpomp en
- 2x5 liter groeimiddel en
- 2 cannacutters en
- 1 weegschaal
waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid strafbaar gestelde feiten.”
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte niet de intentie had om met de goederen die in zijn kelder zijn aangetroffen de onder lid 3 en 5 van artikel 11 van Pro de Opiumwet bedoelde strafbare feiten te plegen, zodat niet bewezen kan worden dat die goederen waren bestemd tot het plegen van die feiten en de verdachte van dit feit vrijgesproken dient te worden.
tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.