ECLI:NL:PHR:2017:329

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 maart 2017
Publicatiedatum
10 mei 2017
Zaaknummer
15/03456
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 27 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens onvoldoende motivering eerdere onherroepelijke veroordeling hennepteelt

De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens het telen van ongeveer 600 hennepmoederplanten en 9.880 hennepstekken op 9 februari 2010. Het hof motiveerde de straf mede door te verwijzen naar een eerdere onherroepelijke veroordeling voor hennepteelt, die de verdachte niet zou hebben weerhouden van het plegen van het nieuwe feit.

Echter bleek uit het uittreksel justitiële documentatie dat de eerdere veroordeling pas op 11 februari 2010 onherroepelijk werd, dus ná het bewezen verklaarde feit. Hierdoor bood het uittreksel geen steun voor de strafverzwarende omstandigheid dat de verdachte vóór het nieuwe feit al onherroepelijk veroordeeld was.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn strafmotivering onvoldoende had onderbouwd en dat het oordeel omtrent de eerdere onherroepelijke veroordeling niet begrijpelijk was. Daarom vernietigde de Hoge Raad de strafoplegging uitsluitend en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van de straf.

Daarnaast werd in de conclusie gewezen op jurisprudentie waarin is vastgesteld dat bij verwijzingen naar eerdere veroordelingen in strafmotivering de datum van het bewezen feit bepalend is voor de vraag wanneer die veroordelingen onherroepelijk moeten zijn. De Hoge Raad vond geen aanleiding om ambtshalve te vernietigen buiten de strafoplegging.

De zaak betreft een belangrijke verduidelijking van de vereisten voor strafmotivering bij recidive en het tijdstip van onherroepelijkheid van eerdere veroordelingen in het kader van de strafoplegging.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens onvoldoende motivering omtrent eerdere onherroepelijke veroordeling en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 15/03456
Zitting: 7 maart 2017
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 20 juli 2015 de verdachte wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
Deze strafzaak hangt samen met de ontnemingszaak (nr. 15/03457 P) en een andere strafzaak (nr. 15/03455) tegen de verdachte, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbehelst de klacht dat het hof de opgelegde straf niet begrijpelijk heeft gemotiveerd, onder meer omdat het hof in zijn strafmotivering mede heeft overwogen dat uit het uittreksel justitiële documentatie van 30 juni 2015 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor hennepteelt, terwijl uit dat uittreksel niet kan worden afgeleid dat de verdachte voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit ter zake van hennepteelt onherroepelijk is veroordeeld.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij op 9 februari 2010 te Zwanenburg opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 600 hennepmoederplanten en 9.880 hennepstekken heeft geteeld.
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en ter motivering van de opgelegde straf onder “oplegging van straf” het volgende overwogen:
“De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft gedurende een langere periode (en met een zekere professionaliteit) een hennep(stekken)kwekerij gedreven. De aangetroffen hoeveelheid hennepstekken kwam uit op een totaal van 9880: een hoeveelheid die slechts bedoeld kan zijn voor de handel. Van hennep is algemeen bekend dat het de gezondheid van de gebruikers kan schaden. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit waarin deze softdrugs in illegale kwekerijen worden geproduceerd en waar winst wordt gemaakt met de handel daarin.
Het hof heeft de landelijke oriëntatiepunten in de straftoemeting betrokken, voor zover deze voor het onderhavige feit zijn vastgesteld. Deze geven, ten aanzien van de moederplanten en wanneer sprake is van 500 tot 1000 planten, als uitgangspunt voor het min of meer bedrijfsmatig of met een zekere mate van professionaliteit kweken van hennepplanten in ruimtes zoals een woonhuis, loods of andere soortgelijke ruimte met als kennelijk doel de verkoop van de (geoogste) planten, een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Voor de specifieke overtreding van de Opiumwet met de hennepstekken, zoals ook is bewezenverklaard, zijn geen afzonderlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting vastgesteld. Het hof zal hierbij acht slaan op de grote hoeveelheid aangetroffen hennepstekken.
Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 juni 2015 is de verdachte eerder voor hennepteelt onherroepelijk veroordeeld. Het hof houdt bij de strafmaat rekening met het feit dat een eerdere veroordeling de verdachte niet heeft weerhouden van het wederom opzetten van een hennep(stekken)kwekerij.
Het hof acht, alles afwegende, alsook gelet op het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.”
7. Bij de stukken van het geding bevindt zich een elf pagina’s tellend uittreksel justitiële documentatie van 30 juni 2015 betreffende de verdachte. Dit uittreksel houdt onder “volledige afgedane zaken betreffende misdrijven” in dat de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2010 ter zake van hennepteelt (gepleegd in de periode van 1 december 2008 tot en met 12 februari 2009) is veroordeeld tot een geldboete van € 3.600,-, subsidiair 46 dagen hechtenis, en dat dit vonnis op 11 februari 2010 onherroepelijk is geworden. Voor het overige vermeldt het uittreksel geen onherroepelijke veroordelingen ter zake van hennepteelt.
8. In zijn hiervoor onder 6 weergegeven strafmotivering heeft het hof overwogen dat uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat de verdachte eerder voor hennepteelt onherroepelijk is veroordeeld en dat die eerdere veroordeling de verdachte niet heeft weerhouden van het wederom opzetten van een hennepkwekerij. Daarmee heeft het hof kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte vóór de pleegdatum van de bewezen verklaarde hennepteelt onherroepelijk is veroordeeld voor een andere hennepteelt en dat het hof deze omstandigheid als strafverzwarend heeft aangemerkt. Gelet op de hiervoor onder 7 weergegeven inhoud van het uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte, zijn deze feitelijke vaststelling en het daarop gebaseerde oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk, aangezien het voornoemde uittreksel daarvoor geen steun biedt. Dit uittreksel vermeldt immers slechts één onherroepelijke veroordeling ter zake van hennepteelt, terwijl het desbetreffende vonnis eerst op 11 februari 2010 onherroepelijk is geworden. Ten tijde van het bewezen verklaarde feit, te weten op 9 februari 2010, was deze veroordeling nog niet onherroepelijk. De omstandigheden dat het veroordelende vonnis wel dateert van vóór die datum en dat het vonnis kort na de pleegdatum van het bewezen verklaarde feit onherroepelijk is geworden, doen niet af aan de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Met de verwijzing naar “een eerdere veroordeling” heeft het hof immers onmiskenbaar het oog gehad op de in de voorafgaande zin opgenomen vaststelling dat de verdachte eerder voor hennepteelt onherroepelijk is veroordeeld. Nu het uittreksel geen steun biedt aan deze vaststelling, is de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd. [1]
9. Voor zover het middel klaagt over de overweging van het hof dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor hennepteelt, is het middel terecht voorgesteld. Dit brengt mee dat de andere in het middel vervatte strafmotiveringsklacht buiten bespreking kan blijven. [2]
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. voor arresten waaruit kan worden afgeleid dat bij verwijzingen in de strafmotivering naar eerdere veroordelingen met de toevoeging dat die veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden het bewezen verklaarde feit te plegen, de datum van het feit bepalend is ten aanzien van de vraag op welk moment die veroordelingen onherroepelijk moeten zijn: HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:308, rov. 3, HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3617, rov. 3, HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:64, rov. 2, HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:22, rov. 3, HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1553, rov. 3, HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1065, rov. 3, HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:887, rov. 2, HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:883, rov. 2 en HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8168, rov. 2. Vgl. voorts HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:3073, rov. 2, HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:308, rov. 3, HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3575, rov. 3 en HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1699, rov. 3.
2.In de toelichting op het middel wordt voorts geklaagd dat het hof de opgelegde straf niet begrijpelijk heeft gemotiveerd, gelet op hetgeen het hof heeft overwogen ten aanzien van de inhoud van de oriëntatiepunten, aangezien het hof geen inzicht heeft gegeven in de mate waarin de in de bewezenverklaring genoemde hennepstekken hebben bijgedragen aan het - in afwijking van het in de oriëntatiepunten genoemde uitgangspunt - opleggen van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.