De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens het telen van ongeveer 600 hennepmoederplanten en 9.880 hennepstekken op 9 februari 2010. Het hof motiveerde de straf mede door te verwijzen naar een eerdere onherroepelijke veroordeling voor hennepteelt, die de verdachte niet zou hebben weerhouden van het plegen van het nieuwe feit.
Echter bleek uit het uittreksel justitiële documentatie dat de eerdere veroordeling pas op 11 februari 2010 onherroepelijk werd, dus ná het bewezen verklaarde feit. Hierdoor bood het uittreksel geen steun voor de strafverzwarende omstandigheid dat de verdachte vóór het nieuwe feit al onherroepelijk veroordeeld was.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn strafmotivering onvoldoende had onderbouwd en dat het oordeel omtrent de eerdere onherroepelijke veroordeling niet begrijpelijk was. Daarom vernietigde de Hoge Raad de strafoplegging uitsluitend en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van de straf.
Daarnaast werd in de conclusie gewezen op jurisprudentie waarin is vastgesteld dat bij verwijzingen naar eerdere veroordelingen in strafmotivering de datum van het bewezen feit bepalend is voor de vraag wanneer die veroordelingen onherroepelijk moeten zijn. De Hoge Raad vond geen aanleiding om ambtshalve te vernietigen buiten de strafoplegging.
De zaak betreft een belangrijke verduidelijking van de vereisten voor strafmotivering bij recidive en het tijdstip van onherroepelijkheid van eerdere veroordelingen in het kader van de strafoplegging.