Conclusie
advocaat: mrs. B.T.M. van der Wiel en P.A. Fruytier
1.Feiten en procesverloop
primairnakoming van de tussen partijen gesloten Royaltyovereenkomst tot en met 2010, [3] inhoudende de betaling van de overeengekomen royalties ad € 1.075.716,-- te vermeerderen met rente alsmede schadevergoeding ad € 153.883,12 met rente wegens niet-nakoming vanaf 1 januari 2011. [4] Subsidiairheeft hij gevorderd toewijzing van genoemde bedragen als tegenprestatie ter zake van de koop van 41% van de aandelen in [B] door [eiseres] .
primairschadevergoeding wegens schending van de balansgaranties ad € 1.626.829,-- (+ P.M.) alsmede, als lasthebber van [B] een bedrag ter zake van € 367.695,-- (+P.M.), een en ander vermeerderd met rente.
Subsidiairheeft [eiseres] gevorderd vergoeding van schade nader op te maken bij staat.
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
samen met het royaltybedrag dat aan [betrokkene 1] werd voldaan,een marktconforme prijs, vormde.
als vorm van tegenprestatievoor de verwerving van (de meerderheid) van de aandelen in [B] (rov. 7.2.4).
is(rov. 7.2.5).
ambtshalvemocht aannemen dat sprake is van een gedekte weer. Voor het geval het hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 1] heeft aangevoerd dat het betreffende verweer is gedekt, wordt geklaagd dat het hof dan een onbegrijpelijke uitleg aan de procestukken heeft gegeven.
NJ1999/715, m.nt. H.J. Snijders (
F./S.).
subonderdeel I.1betoogt dat het hof heeft miskend dat van een gedekt verweer alleen sprake is indien uit de proceshouding van gedaagde ondubbelzinnig voortvloeit dat het desbetreffende verweer is prijsgegeven, faalt het. Anders dan het subonderdeel lijkt te veronderstellen, heeft het hof in rov. 7.2.4 niet op basis van de enkele strijdigheid van de standpunten van [eiseres] in beide instanties aangenomen dat in appel sprake is van een gedekte weer, maar geoordeeld dat uit de proceshouding van [eiseres] in eerste aanleg – te weten de
uitdrukkelijke erkenning zonder voorbehoud in de conclusie van dupliekdat met de royalties een deel van de koopprijs van de aandelen moest worden voldaan – voortvloeit dat [eiseres] het verweer dat er geen relatie was tussen de verwerving van aandelen en de royalties ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Hiermee heeft het hof een juiste maatstaf toegepast.
herhaalt” een kennelijke verschrijving is en dat deze moet worden gelezen als “
[betrokkene 1] herhaalt” (zie de s.t. punt 2.8) is weinig aannemelijk. Blijkens de inleiding van de conclusie van dupliek (p. 2) heeft [eiseres] verzocht hetgeen zij bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie heeft aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen. In par. 2.1 van haar conclusie van antwoord is [eiseres] ingegaan op de totstandkoming van de Royaltyovereenkomst in het kader van de (prijsbepaling) van de participatie in [B] In dit verband heeft zij onder nr. 2.1.5 gesteld dat de royaltybetaling van € 794.115,-- als volgt is berekend:
ambtshalvemocht aannemen dat sprake is van een gedekte weer. Alvorens deze klacht de beoordelen dient te worden nagegaan of het hof dit in rov. 7.2.4 inderdaad
ambtshalveheeft aangenomen. Dat is inderdaad het geval. In de eerste plaats omdat in het bestreden arrest niet wordt verwezen naar stellingen en/of een verweer van [betrokkene 1] tegen de principale grief II van [eiseres] met de strekking dat het een gedekt verweer betreft. In de tweede plaats omdat uit de gedingstukken niet blijkt dat [betrokkene 1] zich op het gedekt zijn van het verweer heeft beroepen. In zijn s.t. punt 3.2.4 wijst [betrokkene 1] weliswaar op zijn betoog in de memorie van antwoord, tevens memorie van eis in incidenteel appel van 26 juni 2012, p. 31 dat (i) [eiseres] reeds in een kort geding procedure in 2005 heeft betoogd dat zij gerechtigd was tot opschorting van royalty-betalingen vanwege gepretendeerde tegenvorderingen, omdat er tussen deze beide overeenkomsten een nauwe samenhang bestond en (ii) [eiseres] ook in de onderhavige zaak duidelijk heeft gemaakt dat er in economische zin een nauwe samenhang bestaat tussen de Koopovereenkomst en de Royaltyovereenkomst, maar dit kan moeilijk worden gelezen als een beroep op het gedekt zijn van het verweer. Er dient dan ook vanuit te worden gegaan dat het hof ambtshalve heeft vastgesteld dat sprake is van een gedekt verweer. De meer subsidiair voorgestelde klacht – voor het geval het hof mocht hebben geoordeeld dat [betrokkene 1] wel heeft aangevoerd dat het betreffende verweer is gedekt – behoeft geen nadere bespreking.
De hier bedoelde afstand van recht laat zich ambtshalve aannemen. Voor de gedekte weer is dat de heersende rechtsopvatting in de literatuur (vgl. Ras in zijn noot in NJ 1995, 303 sub 5); daarbuiten valt hetzelfde aan te nemen.”
nietbevoegd is ambtshalve uit te spreken dat een bepaald verweer gedekt is. [28] Een motivering voor deze opvatting geven zij echter niet.
moetvaststellen, oordeelt de Hoge Raad thans dat de rechter dit – mede gelet op de partijautonomie – juist
nietambtshalve mag doen. [30]
Een belangrijk argument is verder dat strijd kan ontstaan met het beginsel van hoor en wederhoor, indien de rechter er ambtshalve toe overgaat te oordelen dat sprake is van een gedekt verweer. De partij te wiens nadele het oordeel wordt gegeven, wordt immers de mogelijkheid ontnomen om zich erover uit te laten waarom haars inziens géén sprake is van een gedekt verweer. Evenzo heeft de wederpartij die geen beroep heeft gedaan op het gedekt zijn van het verweer, niet de mogelijkheid gekregen om toe te lichten waarom zij (toch) de rechtsstrijd op het betreffende punt aanvaardt. In dit opzicht kan een parallel worden getrokken met het ambtshalve door de rechter aanvullen van rechtsgronden van vordering of verweer (dat gezien kan worden als de keerzijde is van het ambtshalve oordelen dat een bepaald verweer is gedekt). Ook dan geldt dat de rechter, mede vanwege het in acht nemen van het beginsel van hoor en wederhoor, terughoudend moet zijn bij het beoordelen van het geschil op gronden die gelegen zijn buiten het partijdebat. [35]
niet is uitgesloten dat de appelrechter op grond van processueel gedrag in eerste aanleg in samenhang met een voordien aangenomen houding concludeert dat een procespartij het recht verloren heeft voor het eerst in appel een bepaald standpunt in te nemen”. [36] In dit verband kan ook verwezen worden naar de ‘onaanvaardbare koerswijziging’ na verwijzing. [37] Juist dat belang van een goede procesorde, dat verder strekt dan het belang van partijen bij het zelf kunnen afbakenen van de rechtsstrijd, was voor Vriesendorp hét argument om de rechter een eigen verantwoordelijkheid toe te kennen bij de leer van het gedekte verweer.
omdat[betrokkene 1] degene is geweest die [eiseres] in staat heeft gesteld de exclusieve Leveringsovereenkomst te sluiten met [B] Voorts is aangevoerd (onder 108) dat deze tegenprestatie geen verband hield met de overdracht van 41% van de aandelen in [B]
In het oordeel van het hof ligt besloten dat uit de enkele stellingname dat sprake was van de hiervoor genoemde tegenprestatie voor de royaltybetalingen, nog niet volgt dat er
dusgeen enkele relatie was tussen de verwerving van de aandelen en de betaling van royalties. Met andere woorden: met de stelling dat royalties worden betaald omdat [betrokkene 1] degene was die [eiseres] in staat had gesteld exclusief afnemer van [B] te worden is nog niet gesteld dat de royaltybetalingen niet mede zouden kunnen dienen als vorm van tegenprestatie voor de verwerving van de aandelen.
de overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen.” [39]
PbEGL 200/35). De richtlijn beoogt – kort samengevat – een minimumharmonisatie van de betalingsvoorschriften en -praktijken in de lidstaten teneinde de (tendens van) betalingsachterstanden binnen de interne markt te bestrijden. [40] Met het oog op deze doelstelling zijn in de richtlijn, naast een regeling over invorderingskosten en een eigendomsvoorbehoud, bepalingen opgenomen over de verschuldigde (relatief hoge) rente in het geval van betalingsachterstanden bij handelstransacties. Deze bepalingen zijn in de Nederlandse wet geïmplementeerd bij Invoeringswet van 7 november 2002,
Stb.2002, 545 en in werking getreden op 1 december 2002. [41] Nadat de Europese wetgever tot het inzicht was gekomen dat de maatregelen van Richtlijn 2000/35/EG onvoldoende waren om betalingsachterstanden tegen te gaan, zijn bij Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2011 betreffende de bestrijding van betalingsachterstanden bij handelsovereenkomsten (
PbEUL 48/1) – een herschikking van Richtlijn 2000/35/EG – nieuwe maatregelen afgekondigd. Deze maatregelen zijn geïmplementeerd bij Invoeringswet van 13 december 2012,
Stb.2012, 647 en in werking getreden op 16 maart 2013. Hierbij zijn de huidige leden 4 en 5 aan art. 6:119a BW toegevoegd en de oorspronkelijke leden 4-6 vernummerd tot 6-8.
transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding”. Onder het begrip ‘onderneming’ wordt blijkens art. 2 verstaan Pro “
elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze door slechts één persoon wordt uitgeoefend.”
”
allebetalingen tot vergoeding van handelstransacties, is beoogd. Ook de parlementaire geschiedenis van de invoeringswet biedt steun aan een ruime toepassing, zoals blijkt uit de navolgende passages uit de memorie van toelichting:
van het Burgerlijk Wetboek bepaald dat onder handelsovereenkomsten wordt verstaan de overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen, tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen. Gekozen is voor het begrip “handelsovereenkomst” in plaats van “handelstransactie”. De titel voor het aangaan van een handelstransactie is naar Nederlands recht een overeenkomst.” [46]
subonderdeel 2.3te falen. Blijkens de feitenvaststelling (rov. 2.1) exploiteerde [betrokkene 1] (een natuurlijke persoon) sinds de jaren tachtig de forellenkwekerij die was ondergebracht in de (later genaamde) vennootschap [B] , waarvan hij tot 1 februari 2003 meerderheidsaandeelhouder (per 1 januari 2003 had hij 86% van de aandelen in zijn bezit) [52] en tot 1 april 2004 enig bestuurder was (rov. 2.9). [eiseres] was sinds 1999 exclusief afnemer van het gerookte product van [B] en betaalde ter zake royalties aan [betrokkene 1] . Overleg over een verdergaande (zakelijke) samenwerking tussen partijen heeft ertoe geleid dat [eiseres] in 2003 nog 41% van de aandelen van [betrokkene 1] heeft gekocht. Hiertoe is de Koopovereenkomst gesloten. Ook werd afgesproken dat betaling van de royalties – waarvoor [betrokkene 1] steeds de facturen opstelde (vgl. rov. 2.11) – zou worden voortgezet, hetgeen op dezelfde datum schriftelijk is vastgelegd in de Royaltyovereenkomst (rov. 2.6). Zoals gezegd, heeft het hof – op grond van uitleg van de overeenkomsten – geoordeeld dat de helft van het in de Royaltyovereenkomst overeengekomen maximumbedrag aan royalties is bedoeld als vorm van tegenprestatie voor de levering door [betrokkene 1] van de (meerderheid van de) aandelen in [B] Gelet op deze uitleg is ‘s hofs (impliciete) oordeel dat [betrokkene 1] bij het sluiten van de Royaltyovereenkomst met de rechtspersoon [eiseres] (een B.V.) handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf – meer specifiek: in de hoedanigheid van enig bestuurder, meerderheidsaandeelhouder en exploitant van de forellenkwekerij in [B] – niet onjuist of onbegrijpelijk. In het tussenarrest ligt dan ook voldoende kenbaar besloten dat het hof, gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, de stelling van [eiseres] dat [betrokkene 1] bij het sluiten van de Royaltyovereenkomst
in privéhandelde, heeft verworpen.
Subonderdeel 3.1richt zich tegen ’s hofs overweging dat de verwijzing van [eiseres] “
naar artikel 1.3 van de Koopovereenkomst, waarin staat dat zij recht heeft op volledige vergoeding van de schade, [haar niet baat], omdat met dit artikel vanzelfsprekend niet is beoogd haar recht te geven op vergoeding van schade die zij niet lijdt.” Het subonderdeel gaat uit van de lezing dat het hof hiermee (in algemene zin) heeft geoordeeld dat een koper van aandelen (in beginsel) ten gevolge van tekortkoming in de nakoming van de verkoper niet méér schade kan lijden dan de koopprijs die zij heeft betaald voor de aandelen. Geklaagd wordt dat het hof door aldus te oordelen heeft miskend dat schadevergoeding de benadeelde in de toestand moet brengen waarin hij zou hebben verkeerd in geval van correcte nakoming, en/althans dat partijen dat zijn overeengekomen. [53]
volledige vergoeding van de schade, niet kan gelden als een voldoende gemotiveerde bestrijding van het verweer van [betrokkene 1] dat de schadevergoeding is gemaximeerd op de koopprijs van € 90.956,--.
terzake de vennootschap( [B] ) zich vertalen in een gelijk bedrag
aan schade voor de aandeelhouder( [eiseres] ). Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad [54] heeft [betrokkene 1] zich erop beroepen dat een aandeelhouder in beginsel niet de schade kan vorderen die de vennootschap heeft geleden. Hij heeft zich jegens [eiseres] dan ook op het standpunt gesteld dat de aandeelhouder alleen zijn eigen (definitieve) schade als gevolg van een specifieke normschending kan vorderen, zoals in dit geval de schade die voortvloeit uit de schending van de balansgaranties uit hoofde van de Koopovereenkomst. In verband met deze aspecten zou volgens [betrokkene 1] in art. 1.3 van de Koopovereenkomst zijn vastgelegd dat de schade moet worden betaald aan de aandeelhouder en dat deze strekt in mindering op de koopprijs van de aandelen.
in beginselniet meer is dan de koopprijs en dat (andere) omstandigheden die zouden kunnen meebrengen dat in dit geval aanleiding is voor vergoeding van
een hoger bedrag dan het bedrag van € 90.956,--door [eiseres] niet zijn gesteld. Nu het subonderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van ’s hofs arrest, dient het te falen.
volledigevergoeding van de schade en dat
dezevergoeding wordt aangemerkt als een correctie op de Koopprijs Aandelen, die volgens art. 2.1 van de Koopovereenkomst € 90.756 bedraagt (de context waarin art. 1.3 moet worden gelezen). Vervolgens weegt het hof nadrukkelijk mee – zo blijkt uit het vervolg van rov. 9.5.1 – dat [eiseres] onvoldoende (andere) omstandigheden heeft gesteld die zouden kunnen meebrengen dat in dit geval aanleiding is voor een vergoeding van een hoger bedrag dan het bedrag van € 90.956,-- (met andere woorden dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat de daadwerkelijk door haar geleden schade een hoger bedrag bedraagt). Op grond van al deze argumenten komt het hof tot de uitleg dat de volledige schade van [eiseres] in beginsel niet meer is dan deze koopprijs. Dit oordeel, dat sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard en daarom in beginsel is voorbehouden aan het hof als feitenrechter, is niet onbegrijpelijk. Voor zover het subonderdeel klaagt dat het oordeel niet kan worden gedragen door het onjuiste of onbegrijpelijke (zie subonderdeel 3.1) oordeel van het hof dat een koper van aandelen in het algemeen nooit méér schade kan lijden dan de koopprijs die zij heeft betaald voor de aandelen (zie subonderdeel 3.2 onder a) mist het feitelijke grondslag.
(i) bij de door partijen beoogde uitputtende regeling van rechten en verplichtingen niet past dat [betrokkene 1] naast deze afspraken om niet een vermogensbestanddeel van € 230.000,- (de kosten van de nieuwbouw) zou inbrengen, maar dat een dergelijke verplichting zou kunnen worden aangenomen indien juist is de stelling van [eiseres] dat deze inbreng in feite een ruil was voor de bezittingen van [B] te Adana, die na de splitsing van Albal aan Albal zou toekomen (rov. 9.11.7 van Tussenarrest I);
(ii) [eiseres] zich dient uit te laten over haar vordering ter zake van de nieuwbouw, omdat zij alleen haar eigen schade kan vorderen (rov. 9.11.8 van Tussenarrest I);
(iii) zonder nadere bewijslevering niet kan worden aangenomen dat het beding omtrent de nieuwbouw dient te worden uitgelegd in de door [eiseres] gestelde zin, onder meer omdat het verlies van de kweekcapaciteit door het vertrek uit Adana niet zonder meer valt aan te merken als verlies van vermogensbestanddelen (rov. 3 van Tussenarrest II); en
(iv) moet worden geconcludeerd dat de vordering van [eiseres] die is gebaseerd op de stelling dat de nieuwe kwekerij voor rekening van [betrokkene 1] kwam, niet toewijsbaar is (rov. 3.3 van Tussenarrest III).
onder toepassing van de zogeheten Haviltex-maatstaf” dient te geschieden. Het hof heeft de Haviltex-maatstaf vervolgens toegepast door te beoordelen wat partijen in de gegeven omstandigheden met de bepaling hebben
beoogd. Daarbij heeft het hof [eiseres] in de gelegenheid gesteld om de door haar voorgestane uitleg van de bepaling te bewijzen. Na in rov. 3 van Tussenarrest III onder meer te hebben overwogen dat de door [eiseres] voorgebrachte getuigen weliswaar verklaard hebben dat de overeenkomst dient te worden uitgelegd in de door [eiseres] gestelde zin, doch dat zij onvoldoende hebben verklaard
over feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat [betrokkene 1] die overeenkomst zo heeft moeten opvatten, oordeelt het hof dat [eiseres] in die bewijslevering niet is geslaagd. Deze oordelen van hof geven geen blijk van een miskenning van de Haviltex-maatstaf.
en tegen de achtergrond van de tussen partijen gesloten overeenkomsten, niet aannemelijk voorkomt. [62] Dit zou naar het oordeel van het hof slechts anders kunnen zijn indien juist is de stelling van [eiseres] dat de inbreng om niet van een vermogensbestanddeel van meer dan € 230.000 in feite een ruil was voor de bezittingen van [B] te Adana. Het hof heeft [eiseres] daarom in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten en haar toegelaten tot bewijslevering, waarna geoordeeld is dat [eiseres] niet geslaagd is in de bewijslevering. Dit oordeel, dat berust op waarderingen van feitelijke aard en daarom is voorbehouden aan de feitenrechter, is niet onbegrijpelijk.
aan [B]en dat deze ook door [B] aan [eiseres] zijn terugbetaald. [72] Dit is door [eiseres] niet betwist. Wel heeft [eiseres] gesteld dat zij met haar eis tot terugbetaling van de voorschotten vóór de overnamedatum aangaf niets van doen te willen hebben met financiering van zaken van vóór de overnamedatum. Het hof heeft deze, niet nader onderbouwde stelling, van [eiseres] – gelet op de in rov. 9.11.7 van Tussenarrest I, rov. 3 van Tussenarrest II en rov. 3.3 van Tussenarrest III genoemde feiten en omstandigheden – kennelijk van onvoldoende gewicht c.q. niet relevant beschouwd voor de door [eiseres] voorgestane uitleg dat de nieuwbouwkwekerij niet voor rekening van [betrokkene 1] kwam. Dit is geenszins onbegrijpelijk.
jaarwinstprognose van [B]heeft verworpen. Het hof is immers ervan uitgegaan dat de koopprijs van de aandelen is bepaald op basis van
de waarde van de onderneming. Die was destijds NLG 4.000.000,--. Voor 51% van de aandelen, voor grofweg de helft, zou [eiseres] NLG 2.000.000,-- dienen te betalen. Aangezien [eiseres] voor een eerdere verwerving van 10% van de aandelen al NLG 50.000,-- had betaald en bij de overdracht van de 41% van de aandelen een bedrag van NLG 200.000 (€ 90.756,--) ineens had voldaan, resteerde een koopprijs van NLG 1.750.000,-- (€ 794.115,--). De winstprognose van [B] was naar het oordeel van het hof slechts van belang voor de tussen partijen overeengekomen
wijze van betaling(in termijnen; door middel van royalties gekoppeld aan de levering van forel) van een deel van de koopprijs van de aandelen. Dat het hof de hiervoor onder iii vermelde stelling niet heeft betrokken bij de uitleg van de garantiebepaling ter zake van de nieuwbouw, is dus niet onbegrijpelijk.
an sichniet zonder meer tot het oordeel kan leiden dat de nieuwe kwekerij voor rekening van [betrokkene 1] zou dienen te komen. Wel achtte het hof van belang of de afgestoten kwekerijen in Adana een relevant vermogensbestanddeel van [B] opleverden, hetgeen uiteindelijk niet is komen vast te staan (zie rov. 9.11.7 van Tussenarrest I en rov. 3.3 van Tussenarrest III).
aansprakelijk is voor de kosten die met de voltooiing van de nieuwbouw gemoeid waren. Volgens [eiseres] is [betrokkene 1] daarom gehouden die betalingen te doen aan [eiseres] die nodig zijn om [eiseres] in de positie te brengen waarin zij zou zijn geweest indien de schending zich niet zou hebben voorgedaan (art. 1.3 Koopovereenkomst aandelen). Zij stelt
in dat verbanddat een bedrag van € 232.000,- aan kosten ten onrechte ten laste van [B] is gebracht.
[eiseres] stelt dat deze nieuwbouw op 31 maart 2003 niet gereed was en dat de kosten van de (af)bouw door [betrokkene 1] ten onrechte bij [B] in rekening zijn gebracht.” Ook uit rov. 9.11.4 valt op te maken dat het hof de hiervoor bedoelde stelling van [eiseres] in zijn beoordeling heeft betrokken. Het hof overweegt: “
[betrokkene 1] heeft gegarandeerd dat de nieuwbouw op 31 maart 2003 gereed zou zijn. Indien dit niet het geval was, is zonder dat ingebrekestelling is vereist, sprake van verzuim en is [betrokkene 1] schadeplichtig.” Anders dan [eiseres] is het hof echter van oordeel dat de garantiebepaling zo dient te worden uitgelegd dat de kosten van de (af)bouw van de nieuwe kwekerij voor rekening van [B] kwamen. Naar het oordeel van het hof heeft [eiseres] in zoverre dan ook geen schade heeft geleden als gevolg van de schending van de garantie (het niet op tijd gereed zijn van de nieuwbouw). [B] diende de nieuwbouw immers toch al te betalen. Anders dan de s.t. zijdens [eiseres] punt 5.4. wil doen laten geloven, is in de hiervoor genoemde vindplaatsen in de gedingstukken
nietgesteld, althans behoefde het hof daaruit niet af te leiden, dat [eiseres] (tevens) gederfde winst vanwege het onbenut blijven van de niet tijdig gerealiseerde productiecapaciteit heeft gevorderd. Er wordt slechts gesproken over de kosten van de (af)bouw.
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
zonder meerop de beëindiging van de Leveringsovereenkomst door [B] kan beroepen, vanwege het verstrekkende gevolg dat zij dan ontslagen zou zijn van de verplichting tot betaling van het nog openstaande deel van de koopprijs. Het hof overweegt om die reden terecht dat [eiseres] zich dient in te spannen de situatie waarin [betrokkene 1] aanspraak kan maken op royalties te handhaven (rov. 7.5.2).
onaanvaardbaaris. Daarmee is kennelijk bedoeld toepassing te geven aan het
tweedelid van art. 6:248 BW Pro. Aldus is onduidelijk welke maatstaf het hof precies heeft toegepast bij de beoordeling van de vraag of [eiseres] zich kon beroepen op de opzegging van de Leveringsovereenkomst door [B]
aanvullende werkingvan de redelijkheid en billijkheid.
Art. 6:248 lid 2 BW Pro bepaalt dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit wordt ook wel de
derogerende of beperkende werkingvan de redelijkheid en billijkheid genoemd. Deze werking van de redelijkheid en billijkheid is tevens te vinden in art. 6:2 lid 2 BW Pro, dat bepaalt dat een tussen schuldeiser en schuldenaar krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Met het woord “onaanvaardbaar” is in de genoemde artikelen tot uitdrukking gebracht dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid terughoudend dient te worden toegepast. [77] De Hoge Raad heeft deze terughoudendheid diverse malen bevestigd en daartoe onder meer overwogen dat niet moet worden getoetst of sprake is van een enkele strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid, maar dat de toets verder gaat: het moet gaan om onaanvaardbaarheid, en voorts dat “niet redelijk” een andere maatstaf vormt dan die in de meer terughoudende woorden “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar” tot uitdrukking is gebracht in art. 6:248 lid 2 BW Pro. [78] Gelet op de terughoudende toetsing die in het kader van art. 6:248 lid 2 BW Pro dient plaats te vinden, betekent de onduidelijkheid over de maatstaf die het hof heeft toegepast, dat niet zeker is of het hof de vraag of [eiseres] zich op de opzegging kon beroepen op de juiste wijze heeft beoordeeld.
rechtbankin zijn stellingen een beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro heeft gelezen (vonnis 16 juni 2010, rov. 8.22). Ik lees daarin echter (ook) een beroep op lid 1, nu [betrokkene 1] steeds hamert op de samenhang van de verschillende overeenkomsten waarin volgens hem besloten dat [eiseres] zich niet zonder meer op de opzegging door [B] kan beroepen. Dat het in een geval als het onderhavige gaat om de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid, sluit ook aan bij het arrest
Stichting Alcatel-Lucent Pensioenfonds/Alcatel-Lucent c.s., waarin de Hoge Raad als volgt overwoog: [79]
4.4.2 Voor de opzegging van een uitvoeringsovereenkomst als de onderhavige gelden geen andere regels dan in het algemeen gelden voor de opzegging van duurovereenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan. Opzegging is dus in beginsel mogelijk, ongeacht of wet en overeenkomst voorzien in een regeling van de opzegging. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685; HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163, NJ 2013/341). Dit neemt niet weg dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst (die niet voorziet in een regeling van de opzegging), naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kan zijn, met dien verstande dat de wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, onder omstandigheden daartegen een beroep kan doen op, kort gezegd, de art. 6:248 lid 2 BW Pro en 6:258 BW (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660).
De Ronde Venen/Stedin [81] en
Auping/Beverslaap [82] geformuleerde regel, dat indien in wet en overeenkomst
nietis voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Ook die regel is, zo wordt algemeen aangenomen, gebaseerd op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW Pro). [83] Zo schrijft Schelhaas het volgende: [84]
onderde marktprijs lag. In feite betekende dit dat de hele constructie, zoals geschetst door de rechtbank, niet meer aantrekkelijk was
voor [eiseres]. [eiseres] zou immers een hogere prijs voor de vis moeten gaan betalen aan [B] en daarnaast ook de royalties verschuldigd blijven aan [betrokkene 1] . Daarmee was de opzegging van de Leveringsovereenkomst door [B] vooral in het voordeel
van [eiseres].
als gevolgvan de ongunstige voorwaarden van de Leveringsovereenkomst, was dit immers een door zowel [eiseres] als [betrokkene 1] én [B] bewust opgezette constructie. Daarmee strookt niet dat het hof in het midden laat of de resultaten van [B] negatief waren al dan niet als gevolg van de ongunstige voorwaarden van de Leveringsovereenkomst.
tot aan de opzegging in 2007een positief resultaat heeft geboekt. [eiseres] heeft dit niet betwist en maakt zelf melding van een positief resultaat van [B] over 2005 van € 57.162,-- [86] en over 2006 van € 57.369,--. [87] Voorts is in de door de rechtbank vastgestelde feiten - waarvan, zoals gezegd, de juistheid op zichzelf niet is betwist - melding gemaakt van de volgende passage in de jaarrekening 2006 (rov. 3.14), waarnaar in het onderdeel wordt verwezen:
vanaf 2007negatief is geweest. Gelet op het feit dat de opzegging door [B] plaatsvond op 16 januari 2007 en tot dan sprake was van positieve resultaten, is echter niet in te zien waarom het onvoldoende weersproken zijn door [betrokkene 1] van negatieve resultaten van [B] ná de opzegging, als een (valide) bedrijfseconomisch argument voor opzegging kunnen worden beschouwd. De verwijzing door het hof naar de stelling van [eiseres] 'dat deze passage (in de jaarrekening 2006 - AG) niet geheel juist is', is daarvoor in ieder geval niet toereikend. Die mededeling baseerde het hof kennelijk, zo vermeldt het onderdeel, op een uitlating die ter zitting in hoger beroep is gedaan namens [eiseres] . [88]
vanaf 2007negatief is geweest, terwijl de opzegging door [B] plaatsvond op 16 januari 2007. Daarmee is niet in te zien hoe in de resultaten vanaf 2007 een rechtvaardiging kan worden gevonden voor die opzegging, zeker nu in de voorafgaande jaren sprake was van winst. In de tweede plaats lijkt het hof onvoldoende oog te hebben gehad voor de gevolgen van de door [eiseres] opgezette constructie. Die constructie hield in (zoals ook [eiseres] erkent, zie s.t. [eiseres] onder 6.8.3) dat [eiseres] haar vordering op [B] aan Tlos cedeerde. Ter voldoening van die vordering heeft [B] vis geleverd – dus via Tlos – aan [eiseres] zonder dat er royalties verschuldigd waren aan [betrokkene 1] .
handelsovereenkomsten. De Hoge Raad heeft in 2013 geoordeeld dat de verplichting tot vergoeding van schade daartoe niet kan worden gerekend. [89] Dit blijkt ook uit de considerans onder 13 van Richtlijn 2000/35/EG, waarop art. 6:119a BW stoelt, alsmede
Kamerstukken II2001-2002, 28 239, nr. 3, p. 10). [90] Dit brengt mee dat de tegen rov. 7 gerichte rechtsklacht slaagt en dat, na vernietiging van de bestreden beslissing op dit punt, het bedrag van € 36.853,33 dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro in plaats van de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW. [91]
als lasthebber van [B]zijn evenmin aan te merken als vorderingen uit hoofde van een handelsovereenkomst als bedoeld in art. 6:119a BW.
primaire betalingsverbintenisuit de handelsovereenkomst. De regeling van de wettelijke handelsrente ziet naar mijn mening niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe een zodanige overeenkomst (zoals in dit geval de Koopovereenkomst) aanleiding kan geven. [93] Dit brengt mij tot de conclusie dat ook de tegen rov. 8 gerichte rechtsklacht slaagt en dat, na vernietiging van de bestreden beslissing op dit punt, het bedrag van € 35.397,-- dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro in plaats van de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW.