Conclusie
De huurverplichting van [verweerder]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
als er al sprake is van een huurverplichting,deze lager moet zijn dan door het hof is vastgesteld, namelijk € 18.955,- voor de periode van 28 mei 1985 tot 14 mei 2014 vermeerderd met € 54,55 per maand voor de periode van 14 mei 2014 tot 20 mei 2015, dan wel verzoekt hij het hof de hoogte van deze vergoeding vast te stellen op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag. Dat is redelijkerwijs te begrijpen als een primaire, subsidiaire en meer subsidiaire grondslag. Dat het hof dit mede gelet op het debat in eerste aanleg, zo begrijpt dat [verweerder] zijn verweer handhaaft – en wel in nog steeds in primaire zin – dat hij, onder meer omdat van meet af aan duidelijk was dat hij de woning toebedeeld zou krijgen en vanwege de slechte staat van onderhoud, helemaal geen achteraf vast te stellen huurbetalingsverplichting heeft die moet worden betrokken in de verdeling van de nalatenschap van vader, hetgeen voortvloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, is gelet op de hiervoor weergegeven cursieve passage volgens mij juist en goed te volgen. De rechts- en motiveringsklachten van subonderdeel 2.1-I ketsen hier al op af. Ik zou het daarbij kunnen laten.
in strijd met de redelijkheid en billijkheidis dat hij achteraf nog een huurprijs moet betalen, ten onrechte ambtshalve rechtsgronden heeft aangevuld.
Spector/Fotoshop 2000),dat het de rechter niet vrijstaat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd (rov. 3.6) [35] , kan de klacht ook niet slagen. Dat deel van de klacht miskent dat [verweerder] wel een beroep heeft gedaan op de feitelijke gronden (dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat de woning aan hem zou worden toebedeeld en dat de woning door tekort aan financiële middelen in slechte staat verkeert) en het daarop gebaseerde gevolg (dat hij in het geheel geen huurpenningen is verschuldigd).
subonderdeel 2.1-IIde klacht dat het hof het debat van partijen heeft miskend.
[…] / […](HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154).
nietzo is geeft het hof hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd en is het oordeel bovendien zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Waar immers expliciet wordt opgekomen tegen een ingangsdatum van 28 mei 1985 door expliciet huur vanaf 1 augustus 1978 te vorderen, valt de uitleg van het hof niet te begrijpen”, zo is deze cassatieklacht geformuleerd.
[…] /NOM [45] en
[…] / […] [46] heeft Uw Raad de mogelijkheid tot wijziging of aanvulling van feitelijke of juridische stellingen in beginsel beperkt tot het eerste processtuk dat partijen in hoger beroep mogen nemen [47] . Dit houdt in dat de eiswijziging niet later dan in memorie van grieven of van antwoord mag plaatsvinden [48] . Verder heeft Uw Raad in
/NOMde ruime uitleg van het begrip grief vooropgesteld: een grief is elke grond die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, en dus niet slechts een bezwaar tegen een door de rechtbank genomen beslissing.
[…] / […]is dit nader uitgewerkt. Toegevoegd is dat een verandering of vermeerdering van eis in beginsel in het eerste processtuk in hoger beroep moet worden aangevoerd,
ook als deze niet als een grief moet worden aangemerkt [49] .Op deze in beginsel strakke regel kunnen volgens Uw Raad onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. Dat kan met name als de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken of dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, dan wel de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden [50] . Snijders vraagt zich in zijn noot onder dit arrest af welke verandering of vermeerdering van eis niet als een grief in de daaraan door Uw Raad gegeven zin kan worden beschouwd. Het zou volgens hem dan moeten gaan om een verandering of vermeerdering van eis die niet gericht is op de verkrijging van een andere uitspraak dan de uitspraak waarvan beroep [51] .
technicalityte moeten casseren, spreekt mij niet aan.