Conclusie
1.Feiten en procesverloop
nieuwewrakingsgrond wijzen: In een vergelijkbare procedure is de zaak van het Hof Den Haag naar het Hof Amsterdam verwezen. Het Hof Den Haag achtte in de herroepingszaak voor gezag en erkenning “de mogelijkheid reëel aanwezig dat raadsheren van de afdeling civiel recht, team familie van dit hof zullen worden opgeroepen als getuigen (Beschikking Hof Den Haag d.d. 12 december 2018, zaaknummer 200.140.989/03, r.o. 4.6) (…)”
30 januari 2019(ECLI:NL:GHDHA:2019:190) heeft het hof een beschikking in de hoofdzaak gegeven. Na te hebben overwogen dat de beslissing als gevolg van het verzoek tot wraking bij herhaling is aangehouden, laatstelijk tot 30 januari 2019 (zie rov. 2.15), besprak het hof het door verzoeker gedane verzoek tot verwijzing:
“de mogelijkheid reëel aanwezig dat raadsheren van de afdeling civiel recht, team familie van dit hof zullen worden opgeroepen als getuigen”. (Beschikking Hof Den Haag d.d. 12 december 2018, zaaknummer 200.140.989/03, r.o. 4.6)’
19 februari 2019heeft de wrakingskamer een beslissing gegeven. De wrakingskamer leest de brief van verzoeker van 28 december 2018 aldus, dat hij daarin een
voorwaardelijkverzoek heeft gedaan tot wraking van de drie genoemde leden van het gerechtshof ( [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ). De wrakingskamer overweegt dat de voorwaarde waaronder het verzoek werd gedaan − het
nietverwijzen van de zaak naar een ander hof − in vervulling is gegaan. De wrakingskamer heeft vervolgens beslist dat verzoeker in zijn verzoek tot wraking niet-ontvankelijk is. De wrakingskamer overwoog daartoe:
2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
that does not immediately appear to be manifestly devoid of merit”, gelet op art. 6 EVRM Pro, niet achterwege mag worden gelaten, aangezien anders (i) onvoldoende is gewaarborgd dat een partij haar aanspraak op een onpartijdige behandeling van de zaak kan verwezenlijken, en (ii) het vertrouwen dat de rechtzoekende in de gerechten moet kunnen stellen, in het geding zou kunnen komen. [8] Hierin lees ik een beroep op schending van het beginsel van
fair trial. Het
fair trial-beginsel staat niet eraan in de weg dat de indiener van een wrakingsverzoek op procesrechtelijke gronden – zoals in dit geval: het ontbreken van een door een advocaat ondertekend wrakingsverzoek − in zijn verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Hetgeen in de punten 19 en 20 wordt aangevoerd kan daarom niet
zonder meerleiden tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 39 lid 5 Rv Pro; wel in combinatie met hetgeen in punt 23 naar voren is gebracht.
nietop het handelen van de wrakingskamer, maar heeft betrekking op een (vermeend) verzuim van het hof in de hoofdzaak. Zij kan daarom niet leiden tot een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod ten aanzien van de beslissing van de wrakingskamer. Onder de genoemde punten wordt verder geklaagd dat het verzoek tot wraking niet “zo spoedig mogelijk” is behandeld, hetgeen wordt voorgeschreven in art. 39 lid 1 Rv Pro. Die klacht ziet eraan voorbij dat verzoeker in zijn wrakingsverzoek op processuele gronden niet-ontvankelijk is verklaard, zodat de wrakingskamer niet is toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de wrakingsgronden.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
that does not immediately appear to be manifestly devoid of merit” niet achterwege mag worden gelaten, aangezien anders i) onvoldoende is gewaarborgd dat een partij haar aanspraak op een onpartijdige behandeling van de zaak kan verwezenlijken, en ii) het vertrouwen dat de rechtzoekende in de gerechten moet kunnen stellen, in het geding zou kunnen komen. [10]