Conclusie
eerste middelvalt uiteen in twee klachten. Allereerst klaagt het dat de afwijzing van het verzoek van de verdediging om [betrokkene 10] , [betrokkene 11] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 7] , [betrokkene 12] , [betrokkene 13] en [betrokkene 14] als getuigen te horen ontoereikend is gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is. [1]
tweede middelvalt uiteen in twee klachten. Allereerst klaagt het dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de inleidende dagvaarding nietig te verklaren nu de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is omschreven en daardoor niet voldoet aan de eisen van art. 261 Sv Pro. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat in de tenlastelegging niet is aangegeven welk onderdeel van de aangifte onjuist zou zijn ingevuld en welk belastbaar bedrag of belastbare bedragen te laag zou(den) zijn opgegeven.
derde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet in strijd met de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten 2010 (hierna: ATV-richtlijnen 2010) heeft gehandeld door tot strafvervolging over te gaan, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
vierde middelvalt uiteen in drie klachten. Allereerst klaagt het dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat de verdachte een te laag belastbaar bedrag heeft opgegeven.
Op 13 december 2007 was een koopovereenkomst gesloten tussen [C] – waarvan de verdachte indirect alle aandelen hield – en [betrokkene 1] , waarbij [C] de onroerende zaak aan de [a-straat 1] te Nijmegen kocht. Op 30 januari 2008 is deze koopovereenkomst ontbonden en is een koopovereenkomst gesloten tussen de verdachte en [betrokkene 1] , waarbij de verdachte de onroerende zaak kocht. Door het ontbinden van de eerdere koopovereenkomst en het sluiten van de nieuwe koopovereenkomst heeft zich een vermogensverschuiving van [C] naar de verdachte voorgedaan, aangezien de waarde van de onroerende zaak, gelet op de prijs die [betrokkene 4] bereid was te betalen en waarvan de verdachte op 30 januari 2008 op de hoogte was, hoger was dan de met [betrokkene 1] overeengekomen koopsom.
Omdat de verdachte en [C] met het ontbinden van de koopovereenkomst en het sluiten van een nieuwe koopovereenkomst de bedoeling hadden de verdachte te bevoordelen ten koste van [C] bedroeg het belastbaar inkomen van verdachte uit aanmerkelijk belang over het jaar 2008 gelet op de onherroepelijke beslissing van de belastingkamer van het hof [15] € 400.000. In de aangifte voor de inkomstenbelasting over 2008 is echter geen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang opgegeven. Door het opgeven van een belastbaar bedrag uit aanmerkelijk belang van nihil is een te laag belastbaar bedrag opgegeven en is de aangifte onjuist en onvolledig gedaan.
Tegenwoordig wordt voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het onjuist en onvolledig doen van de aangifte – in de rechtspraak aanwezig geacht indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden heeft aanvaard. [17] De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. [18]
vijfde middelklaagt dat de strafoplegging, meer in het bijzonder de (hoogte van de) door het gerechtshof opgelegde geldboete, onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.