Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof het namens de verdachte gevoerde verweer dat het samenspel van de diverse staandehoudingen en controles dient te worden beschouwd als stelselmatige observatie, ten onrechte, althans onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
Tref je ze in de wijk, probeer zoveel mogelijk te noteren, kleding, voertuigen, met wie ze omgaan’. Ook Wiss en Van de Velde gaven een overeenkomstige taakomschrijving: ‘
het aanspreken van de leden van de jeugdgroep teneinde verbinding te krijgen met leden van de jeugdgroep, alsmede het aanspreken op hun gedrag, bekeuringsgesprekken, aanhouden, het verhoren van de verdachten en hetobserverenvan de jeugdgroepen.’ Ook; ‘
weten waar ze zich dagelijks ophielden, waar ze zich mee bezig hielden, wat voor kleding ze droegen, met wie ze omgingen en contacten onderhielden, welke vervoersmiddelen ze gebruikten en wat hun bijnamen zijn’(p. 4151)
.
Ad d. stelselmatige observatie?
hotspotsin het verzorgingsgebied van politiebureau Beresteinlaan afspeelde. Buiten dit verzorgingsgebied bestond geen opdracht tot het doen van waarnemingen in het kader van intensieve surveillance.
kennen en gekend worden. Het beperkte aantal leden van het HIT, meestal in uniform, was bekend bij de verdachte(n). Dit blijkt ook uit het hebben van bijnamen voor sommige opsporingsambtenaren, en het onderling waarschuwen als ze in zicht waren. De verdachte verkeerde op de betreffende momenten dan ook niet, of in mindere mate in een situatie waarin hij meende onbevangen zichzelf te kunnen zijn. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is daarmee beperkt gebleven.
tweedeen het
derde middelkomen met bewijsklachten op tegen het onder 8 bewezenverklaarde feit. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Feit 8: zaak 2.28 – oplichting verzekeringsmaatschappij [A]
‘bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels in de kern [gaat] om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen’. [10] Een enkele leugenachtige mededeling van de verdachte is derhalve onvoldoende. Meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens, maar ook een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie, volstaan echter voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels. [11]
naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf”. [14] Van een poging tot oplichting kan worden gesproken op het moment dat één of meer oplichtingsmiddelen worden aangewend met het oogmerk zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, terwijl de voltooiing van die oplichting mislukt of wordt afgebroken. [15]
Zaak 2.28
vierdeen
vijfde middelklagen over het onder 19 bewezenverklaarde feit.
Feit 19: zaak 2.44 - [b-straat 1] te Den Haag
“ding”is waarop [medeverdachte 2] antwoordt dat ze het kunnen komen halen. Vervolgens wordt door [medeverdachte 3] en een andere medeverdachte, [betrokkene 4] , ingebroken aan de [b-straat 1] te Den Haag door het verbreken/ forceren van de achterdeur van die woning. Aldus is het hof van oordeel dat de verdachte en [medeverdachte 2] inbrekerswerktuig, de “pastie”, oftewel een passe partout/bouwsleutel bestemd voor het plegen van een inbraak, hebben geregeld en dat [medeverdachte 3] dit werktuig daarna bij [medeverdachte 2] heeft opgehaald. Voor zover het middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte de “pastie” daadwerkelijk heeft geleverd, faalt het dus. Daarbij acht ik mede van belang dat een dergelijke, op feiten en omstandigheden gebaseerde conclusie van feitelijke aard in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden onderzocht. [25]
“Gezien de voorafgaande bewezen verklaarde feiten zij hebben geweten dat het ter beschikking stellen van inbrekerswerktuig aan Achabouni meebrengt dat dit gereedschap gebruikt wordt bij een inbraak”.Ik wijs daartoe bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, op hetgeen het hof inzake het onder 1 bewezenverklaarde feit overweegt (met weglating van voetnoten):
vijfde middelklaagt dat het hof ten onrechte, dan wel onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat een “pastie” een inbrekerswerktuig is. Dat is immers geen feit van algemene bekendheid, noch heeft het hof heeft hieraan een nadere motivering gewijd, aldus het middel.
zesde middelklaagt dat het hof bij de bewezenverklaring van het onder 1 bewezenverklaarde feit ten onrechte heeft betrokken de feiten waarvan het hof de verdachte heeft vrijgesproken.
Feit 1: criminele organisatie
zevende middelklaagt dat het hof in de onderhavige zaak vervangende hechtenis heeft verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, waardoor het bestreden arrest in zoverre niet in stand kan blijven. Het middel slaagt om de redenen die uiteen zijn gezet in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.