Conclusie
1.Inleiding en vraagstelling
Staat/Appels [9] . Eén van de vragen in dit verband is of in de onderhavige zaak een (voldoende) vergelijkbare problematiek speelt. Voor de beantwoording van de vragen is het verder noodzakelijk in te gaan op de bijzondere maatschappelijke positie van een bank. Een bank is niet alleen onderworpen aan publiekrechtelijke regels (zoals bepaalde (gedrags)normen uit de Wft), maar op haar rust ook een privaatrechtelijke (bijzondere) zorgplicht. De vraag die in dit kader rijst, is of de niet-bank (op de een of andere manier en in enige vorm) ook met deze publiekrechtelijke regels en privaatrechtelijke (bijzondere) zorgplicht wordt geconfronteerd na overdracht van een vordering van de bank aan deze niet-bank (en zo niet, of dat dan leidt tot onoverdraagbaarheid van de vordering). In dat verband wordt hierna ook het publiekrechtelijke regime van de Wft besproken. Daarbij wordt allereerst onderzocht welke regels de Wft oplegt voor het ‘aanbieden’ van krediet; gelden deze zowel voor banken als niet-banken en betreffen zij niet alleen het aanbieden van consumentenkrediet maar ook het aanbieden van zakelijk krediet? Ook aan de privaatrechtelijke (bijzondere) zorgplicht wordt aandacht besteed. Wat houdt deze zorgplicht voor de bank in? En kan deze zorgplicht na overdracht ook op enige wijze op de niet-bank komen te rusten?
.). Nadat vervolgens antwoorden op de prejudiciële vragen zijn geformuleerd (onder 5.), volgt ten slotte de slotsom (onder 6.).
2.Feiten
Rente:- 5 jaar vast à 4,2%, per maand achteraf te voldoen.
- 3 maands euribor + 1,2%, per maand achteraf te voldoen.
(…)
Aflossing:per kwartaal met EUR 28.334,00, voor het eerst op 31 januari 2004 gedurende 15 jaar tot 75% van de executiewaarde.”
Zoals al aangekondigd in mijn brief van 23 februari 2015 dient Van Lanschot in het kader van de beoordeling van het kredietrisico verbonden aan de relatie met Immobile te beschikken over financiële informatie met betrekking tot Immobile.
Van Lanschot kan genoemd kredietrisico thans niet meer beoordelen aan de hand van de beschikbare gegevens en zou om die reden graag ook nog de volgende stukken van Immobile ontvangen:
1. gecontroleerde jaarrekeningen over 2013 (...);
2. een recent taxatierapport van Villa Endymion en Villa Hippocrates (...)
3. een recent huurdersoverzicht met kopieën van de huurcontracten met betrekking tot Villa Endymion en Villa Hippocrates.
(...)
Van Lanschot ziet de hiervoor gevraagde informatie graag binnen twee weken tegemoet en kijkt uit naar een bestendige voortzetting van de relatie en samenwerking met Immobile.”
Bijgaand treft u als bijlage 1 de dagafschriften aan waaruit volgt dat de huurbetalingen daadwerkelijk door de Society aan Immobile zijn voldaan.
Als bijlage 2 treft u het taxatierapport van Villa Endymion aan conform de verzochte richtlijnen.
Bijgaand treft u de jaarrekening 2014 met samenstellingsverklaring aan. De cijfers over het jaar 2013 blijken ook uit de jaarrekening 2014.
Transferoren Promontoria als
Transfereeworden aangeduid:
Transferred Assets) will be transferred by way of transfer of contract (contractsovememing) to the Transferee subject to the terms set out herein; and
RenteherzieningMet ingang van 31 december 2015 had het afgesproken rentepercentage van de geldlening 53000002 aangepast kunnen worden. Tot nu toe heeft Promontoria u het bestaande rentepercentage doorberekend. Promontoria deelt u hierbij mede dat zij nu gebruik zal maken van de renteherzieningsmogelijkheid.
• Ondanks diverse verzoeken van Promontoria, heeft Immobile Securities geen informatie verstrekt aan Promontoria over de aan Promontoria in zekerheid gegeven onroerende zaken en/of financiële gegoedheid van haar debiteur, zijnde Immobile Secur[it]ies.
(...)
Kortom, bij Van Lanschot sprak men steeds over het aangaan van een persoonsgebonden multigenerationele totaalrelatie en expliciet werd mij door vertegenwoordigers van Van Lanschot toegezegd dat de bank met mij en mijn gezin een relatie wenste aan te gaan waarbij niet alleen ik maar ook mijn kinderen en hun kinderen op Van Lanschot konden rekenen voor kwesties als fiscaal advies bij gewijzigde omstandigheden, erfopvolging, en conservatief en veilig beleggen ook wanneer de wereldeconomie in moeilijke periodes kwam te verkeren. Dit sprak mij zeer aan en ik besloot over te stappen naar een dergelijke relatie met Van Lanschot waarvan een langlopende financiering voor Villa Endymion deel ging uitmaken.
Het grootste euvel was echter dat rond 2011/2012 een of ander directielid van Van Lanschot blijkbaar besloot dat de bank meer kon verdienen als zij het aan mijn gezin uitgeleend geld terug zou ontvangen en op andere wijze zou herinvesteren. Ineens begonnen wij namelijk de ene brief na de andere te ontvangen van afdelingen genaamd Juridische Zaken of Bijzonder Beheer waarin wij er min of meer van werden beschuldigd dat wij vast geen nette mensen zouden zijn, enkel en alleen omdat wij het waagden als Nederlanders buiten Nederland te wonen (...) en ons werd verzocht de lening per ommegaande af te lossen.
Recent hebben mijn adviseurs en ik echter vernomen, nota bene van een medewerker van Cerberus, dat de reden dat onze lening in 2015 door Van Lanschot aan Cerberus is meeverkocht een geheel andere is! Door enkele wel perfect presterende leningen aan vermogende partijen (wij waren dus niet de enige, wel een van de weinigen) mee te verkopen in het portfolio wanpresterende leningen waarvan de debiteuren in moeilijkheden verkeerden, kon Van Lanschot namelijk “rijp en rot” door elkaar mengen en daarmee Cerberus overtuigen een hogere gemiddelde prijs per lening te betalen. Wij, en enkele andere cliënten, waren dus de lokeenden op de jacht van Van Lanschot naar de hoogst mogelijke winst - en daarbij was noch de wanprestatie die Van Lanschot pleegde noch de schade die wij daardoor leden, van enig belang voor Van Lanschot.
In het Nederland van 2019, waarin mijn oude relaties bij ING Bank al lang met pensioen zijn gegaan en Fortis niet eens meer bestaat, kunnen wij Villa Endymion onmogelijk herfinancieren. Niet alleen is Villa Endymion eigendom van een Antilliaanse vennootschap waarvan vijf niet in Nederland wonende jonge Nederlanders (mijn kinderen zijn inmiddels 23, 22, 18, 16 en 15 jaar oud en zitten nog op de middelbare school cq. studeren) de aandeelhouders zijn, doch daar komt nog bij dat onze reputatie geleden heeft onder de negatieve publiciteit die Van Lanschot heeft veroorzaakt. Immers door in weerwil van de werkelijkheid overal rond te bazuinen dat zij in 2016 uitsluitend wanpresterende leningen aan Cerberus heeft verkocht, heeft Van Lanschot het er toe geleid dat iedere andere financier ons, geheel ten onrechte, bij voorbaat als probleemgeval ziet.”
contractsoverneming, waarvoor de cliënten van Van Lanschot bij voorbaat toestemming hebben gegeven op grond van het bepaalde in artikel 36 van Pro de ABV. [20] De cliënten betwisten dat. Promontoria stelt daarnaast dat indien geen sprake zou zijn van contractsovememing de vorderingen op in de overeenkomst tussen Van Lanschot en Promontoria genoemde cliënten aan haar zijn
gecedeerd. Ook die cessie wordt door de cliënten betwist.
private bankerdaar nauw bij betrokken. Van Lanschot adviseerde ook om Villa Endymion niet in privé te verwerven, maar in een aparte rechtspersoon onder te brengen. Daartoe adviseerde Van Lanschot in eerste instantie gebruik te maken van een Nederlandse stichting, vervolgens een Nederlandse B.V. om toch uiteindelijk te adviseren het vastgoed onder te brengen in een Curaçaose entiteit (Immobile), aldus Immobile. Immobile voert aan dat de overeenkomsten werden opgesteld door en afkomstig waren van “de afdeling Private Banking” en dat F. Van Lanschot Trust Company B.V. (op
private bankingadvies van Van Lanschot) jarenlang bestuurder was van Immobile. Volgens Immobile moet er daarom van worden uitgegaan dat een stilzwijgend beding geldt dat de leningen niet overdraagbaar zijn. [24] Immobile stelt daarnaast dat de vorderingen van Van Lanschot op Immobile onoverdraagbaar zijn wegens de aard van de vordering, waarbij zij zich beroept op het arrest
Staat/Appels [25] . Net zo min als de Staat zijn krediet met een schuldenaar vanwege de bijzondere aard van de relatie kon overdragen aan een private partij, omdat die private partij niet de rechten, bevoegdheden en verplichtingen uit het krediet kon uitoefenen, kan Van Lanschot volgens Immobile het krediet overdragen aan Promontoria omdat die niet de rechten, bevoegdheden en verplichtingen uit het krediet kan nakomen. Immobile stelt dat Promontoria geen bank is en niet wil financieren, en juist het tegenovergestelde nastreeft van hetgeen de aard van de langdurige relatie en de aard van het krediet met zich meebrengt. Volgens Immobile wil Promontoria (snel) geld en forceert zij oneigenlijke executie. Immobile wijst ook op de volgende verschillen tussen Van Lanschot (die een bank is) en Promontoria (die dat niet is):
Coface/Intergamma [28] . [29]
Coface/Intergamma– worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben. Dat geldt volgens de rechtbank eens te meer voor een stilzwijgend beding. Er kan immers niet van uit worden gegaan dat Promontoria van de gestelde hoogstpersoonlijke relatie tussen Immobile en Van Lanschot op de hoogte was of had kunnen zijn, zodat er geen grond is aan te nemen dat zij daar ook aan gebonden zou zijn doordat het beding zakelijke werking zou toekomen. [31]
- de zorgplicht van financiële instellingen in het kader van totstandkoming van overeenkomsten inzake beleggingsproducten met particulieren, HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2822, NJ 2012/184 (GeSP/Aegon) [34] ;
Staat/Appels. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat het mogelijk is dat een krediet zozeer gebonden is aan de persoon die het krediet verstrekt, dat de aard van het krediet zich tegen overdracht verzet. Het is echter de vraag, zo heeft de rechtbank overwogen, of de positie van de overheid in verhouding tot de in dat geval ondersteunde bedrijven in die zaak zozeer met de positie van banken jegens hun cliënten is te vergelijken, dat ook van door banken verstrekte kredieten in het algemeen gezegd kan worden dat de aard van deze kredieten zich tegen overdracht aan een niet-bank verzet. [39] De rechtbank heeft als volgt overwogen:
Promontoria c.s.houdt (in essentie) in dat in het stelsel van de wet besloten ligt dat de vordering van een bank op een cliënt overdraagbaar is en dat de inhoud van de vordering die op de cessionaris overgaat, mede wordt bepaald door de bancaire zorgplicht. Bovendien rust volgens Promontoria c.s. op de cessionaris een verplichting om zich overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid te gedragen (art. 6:2 BW Pro), welke verplichting mede wordt ingevuld door de bancaire zorgplicht die op de overdragende bank rustte, en kan de schuldenaar zich jegens de cessionaris op de naleving van de bancaire zorgplicht beroepen in de vorm van een verweermiddel (art. 6:145 BW Pro). Volgens Promontoria c.s. is hierbij niet van belang of de bankrelatie al dan niet is opgezegd, zij het dat de concrete invulling van de zorgplicht zal worden beïnvloed door het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een opgezegde kredietrelatie. Promontoria c.s. verzoeken Uw Raad af te zien van de beantwoording van de vierde prejudiciële vraag, nu de verhouding tussen de cliënt en de overdragende bank voor (de uitkomst van) de onderhavige procedure, waarin de overdragende bank geen partij is, geheel niet van belang is.
Van Lanschotbrengt de aard van een kredietvordering van een bank op een cliënt niet mee dat dit recht onoverdraagbaar is, indien wordt beoogd de vordering over te dragen aan een niet-bank. Ook bepleit Van Lanschot dat voor de cessionaris en de bank dezelfde zorgvuldigheidsverplichtingen gelden – het feit dat de gecedeerde vordering voortkomt uit een bancaire relatie kleurt de open normen die gelden voor de niet-bank (art. 6:2 BW Pro, art. 6:162 BW Pro en art. 3:13 BW Pro) volgens Van Lanschot in. Ook geldt volgens Van Lanschot dat de schuldenaar op grond van art. 6:145 BW Pro alle verweermiddelen die hij vóór de cessie tegen de bank kon inroepen na de cessie kan inroepen tegen de cessionaris. Het maakt daarbij volgens Van Lanschot geen verschil of de cliënt zijn verplichtingen is nagekomen en/of de kredietrelatie is opgezegd. Deze omstandigheden hebben volgens Van Lanschot wel gevolgen voor welke bevoegdheden een cessionaris zou willen uitoefenen, maar steeds blijven op de uitoefening van die bevoegdheden dezelfde normen van toepassing, ongeacht of deze worden uitgeoefend door de bank of niet. De vierde prejudiciële vraag voldoet volgens Van Lanschot niet aan art. 392 lid 1 Rv Pro, omdat deze vraag niet van belang is voor de uitkomst van de procedure waarin de prejudiciële vraag is gesteld. Indien Uw Raad toch toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van deze vraag, is Van Lanschot van mening dat indien de cessionaris niet naar behoren handelt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden, daardoor geen vordering op de cederende bank ontstaat. Uitgangspunt is volgens Van Lanschot dat de bank na cessie geen invloed meer heeft op, en dus niet aansprakelijk kan worden gesteld voor, het handelen van de cessionaris.
NVBin haar schriftelijke opmerkingen aandacht aan de gevolgen van onoverdraagbaarheid van bancaire vorderingen (uit kredieten) – dit zou Nederland in vergaande mate isoleren, met zeer fundamentele repercussies voor in Nederland opererende financiële instellingen en daarmee, uiteindelijk, vooral ook voor de cliënt en de maatschappij als geheel. De NVB meent dat de aard van een vorderingsrecht van een bank op een cliënt niet meebrengt dat dit vorderingsrecht onoverdraagbaar is in de zin van art. 3:83 lid 1 BW Pro indien wordt beoogd de vordering over te dragen aan een niet-bank. Voor het antwoord op deze vraag is niet van belang of de cliënt de kredietovereenkomst al dan niet volledig is nagekomen en of de bank de bankrelatie heeft opgezegd. Ook bepleit NVB (kort gezegd) als
primairstandpunt dat op de (niet-bancaire) verkrijger van kredietvorderingen een zorgplicht rust, waarvan de inhoud contextafhankelijk is. Het
subsidiairestandpunt van de NVB is dat de op een bancaire of andere professionele kredietverstrekker rustende zorgplicht kan overgaan met de cessie van een vordering uit een kredietovereenkomst, omdat sprake is van een ‘kwalitatieve verplichting’ die onverbrekelijk is verbonden met het overgedragen vorderingsrecht. Art. 6:144 lid 1 BW Pro bepaalt in dat geval dat de oude schuldeiser instaat voor de nakoming van deze verplichtingen. Voor het bestaan van een zorgplicht voor de verkrijger is niet van belang of de cliënt de kredietovereenkomst al dan niet volledig is nagekomen en of de bank de bankrelatie heeft opgezegd, hoewel de inhoud van de zorgplicht daardoor mogelijk wel wordt beïnvloed. Volgens de NVB is de bank na overgang van de vordering niet verantwoordelijk voor de wijze waarop de verkrijger zijn schuldeisersrechten (inclusief nevenrechten) uitoefent. Dit betekent echter niet dat banken en andere professionele kredietverstrekkers geheel vrij zijn in hun keuze van de partij aan welke zij een portefeuille
non-performing loans(hierna: ‘NPL’s’) overdragen. Uit de op hen rustende zorgplicht jegens hun cliënten kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat zij onderzoek doen naar aspirant-kopers en/of bedingen dat een koper in staat is om passende zorg te betrachten jegens de schuldenaren van de overgedragen vorderingen.
4.Algemeen kader
wetoverdraagbaarheid uitsluiten. Het moet daarbij gaan om een wet in formele zin. [55] Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan art. 7:633 lid 1 BW Pro dat bepaalt dat overdracht, verpanding of elke andere handeling waardoor de werknemer enig recht op zijn loon aan derden toekent, slechts in zoverre geldig is als een beslag op zijn loon geldig zou zijn. Een ander voorbeeld is art. 3:226 lid 4 BW Pro dat de overdraagbaarheid van het recht op gebruik en bewoning uitsluit. [56]
aardvan het recht zich tegen overdracht verzetten. Dit is met name het geval bij afhankelijke rechten op zaken, zoals het recht van erfdienstbaarheid en de rechten van pand en hypotheek. Deze rechten zijn naar hun aard niet voor afzonderlijke overdracht vatbaar. Zij kunnen alleen op een ander overgaan tezamen met het recht waaraan zij zijn verbonden (het ‘hoofdrecht’), zo volgt uit art. 3:7 BW Pro. [57] Zo kwalificeert bij een recht van erfdienstbaarheid het eigendomsrecht van het heersende erf als hoofdrecht en bij de rechten van pand en hypotheek is het vorderingsrecht tot zekerheid waarvan deze beperkte rechten zijn gevestigd het hoofdrecht. Vorderingsrechten zijn daarnaast niet overdraagbaar indien zij
een persoonlijk karakterhebben, zoals wanneer de te verrichten prestatie verband houdt met persoonlijke eigenschappen van de schuldeiser of wanneer de aard van de aan de vordering ten grondslag liggende rechtsverhouding zich tegen overdracht verzet. [58] In de literatuur worden onder meer het recht op levensonderhoud en het recht op pensioen [59] als ook het recht op kost en inwoning op grond van een pensionovereenkomst [60] genoemd als vorderingen die naar hun aard onoverdraagbaar zijn. In deze gevallen houdt de door de schuldenaar te verrichten prestatie verband met persoonlijke eigenschappen van de schuldeiser. [61] Een ander (klassiek) voorbeeld is de verplichting van een kunstschilder om een portret te vervaardigen. De vordering op deze kunstschilder om door hem te worden geportretteerd, is op grond van haar aard niet (althans niet zonder meer) overdraagbaar. Voor de (artistieke inspiratie van de) kunstschilder (de schuldenaar) zal het veel kunnen uitmaken wie hij dient te schilderen. Dit geeft het vorderingsrecht daartoe een dusdanig persoonlijk karakter dat toestemming van de kunstschilder noodzakelijk is om overdracht van de vordering om door hem te worden geportretteerd mogelijk te maken. [62] Een ander voorbeeld van een vordering die gezien haar bijzondere aard niet voor overdracht vatbaar is, is het vorderingsrecht van de curator in faillissement op grond van art. 2:248 BW Pro. [63] Op deze vordering wordt nader ingegaan in randnummers 4.22-4.24 van deze conclusie waarin het arrest
H.A. den Toom Onroerend Goed BV/mr. De Kreek q.q. [64] wordt besproken.
bedingworden uitgesloten. [65] De achterliggende gedachte is dat partijen in beginsel de vrijheid hebben om bij overeenkomst de inhoud en de grenzen van het vorderingsrecht zelf te bepalen, en daarmee ook de overdraagbaarheid ervan. [66] Of een dergelijk contractueel onoverdraagbaarheidsbeding goederenrechtelijke werking heeft, dient te worden vastgesteld naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de
Haviltex-maatstaf, [67] zo volgt uit het arrest
Coface/Intergamma. [68] Daarbij moet als uitgangspunt worden aangenomen dat contractuele bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW Pro is beoogd. [69]
aardvan het vorderingsrecht van een bank op een cliënt meebrengt dat dit vorderingsrecht onoverdraagbaar is in de zin van art. 3:83 lid 1 BW Pro, indien wordt beoogd deze vordering over te dragen aan een niet-bank. Ten behoeve van deze vraag ga ik hierna verder (slechts) in op de tweede uitzondering op het beginsel van overdraagbaarheid van vorderingen waarbij het de aard van het recht is die zich tegen overdracht verzet. In dit verband ga ik niet nader in op afhankelijke rechten, omdat dit onderwerp voor de beantwoording van de onderhavige vragen niet relevant is, maar concentreer ik mij op onoverdraagbaarheid van een vordering wegens het persoonlijke karakter ervan. [71]
schuldenaarwijzigt, de inhoud van de vordering door de cessie verandert. [74] Ook wordt wel betoogd dat een vordering naar haar aard niet vatbaar is voor overdracht, indien de wijziging van de persoon van de
schuldeisereen wijziging van de inhoud van de verbintenis met zich meebrengt. [75] Gelet op deze wijziging van inhoud die bij overdracht zou plaatsvinden, is de vordering (hoogst)persoonlijk en naar haar aard niet vatbaar voor overdracht. Of een vordering naar haar aard onoverdraagbaar is, zou, zo wordt in dit kader gesteld, naar objectieve criteria kunnen worden bepaald; een vordering is naar haar aard onoverdraagbaar, wanneer zij door overdracht een andere inhoud zou verkrijgen. [76]
Staat/Appelsen
H.A. den Toom Onroerend Goed BV/mr. De Kreek q.q.(die hierna zullen worden besproken (randnummers 4.22 e.v.)) volgt dat de (bijzondere) aard van de vorderingen in kwestie meebrengt dat de bevoegdheid tot inning ervan niet kan worden toegekend aan een ander dan de oorspronkelijk schuldeiser. [78]
Staat/Appels.
securitisationen
factoring. Over het algemeen zal het bij dergelijke transacties gaan om vorderingen uit commerciële rechtsverhoudingen, zoals geldvorderingen uit overeenkomst, waarbij niet snel sprake zal zijn van vorderingen die vanwege de wet of hun aard onoverdraagbaar zijn.
Staat/Appels.
mr. Van Schaik q.q./ABN Amro,
mr. Dekker q.q./Lutèce BV,
H.A. den Toom Onroerend Goed BV/mr. De Kreek q.q.en
Staat/Appels.
mr. Van Schaik q.q./ABN Amro [84] dat een vordering uit hoofde van een zogenoemde G-rekening [85] nietnaar haar aard onoverdraagbaar is. Het betrof hier een G-rekening aangehouden door een onderaannemer, waarnaar de hoofdaannemers een deel van het geld dat zij de onderaannemer verschuldigd waren (het G-gedeelte) overmaakten. De onderaannemer had al zijn vorderingen aan de bank verpand. In cassatie werd aangevoerd (door de curator van de failliete onderaannemer) dat de cessie niet rechtsgeldig was, omdat de aard van de vorderingen van de onderaannemer op de hoofdaannemers, voor zover het het G-gedeelte daarvan betreft, zich tegen overdracht van deze vorderingen verzette. Aan dit betoog legde de curator ten grondslag dat de hoofdaannemers in verband met hun hoofdelijke aansprakelijkheid voor door de onderaannemer verschuldigde loonbelasting en premie een eigen recht en belang hadden het G-gedeelte van de vordering op de G-rekening van de onderaannemer te voldoen en dat zij derhalve cessie daarvan ook na betekening konden negeren. Uw Raad liet het (kennelijke) oordeel van het hof dat een enkel belang van (in dit geval) de hoofdaannemer om het G-gedeelte van de vordering op de G-rekening van de onderaannemer te betalen, onvoldoende is om de vordering niet vatbaar te maken voor cessie in stand. [86]
mr. Dekker q.q./Lutèce BV [87] dat de vordering die een curator tegen derden instelt ten behoeve van de schuldeisers wegens (betrokkenheid bij) benadeling van de schuldeisers (een zogenaamde
Peeters/Gatzen-vordering [88] ) naar haar aard niet overdraagbaar is. Uw Raad oordeelde (ten overvloede [89] ) dat een dergelijke vordering, die de curator ontleent aan de hem in art. 68 lid 1 Faillissementswet Pro gegeven opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel, toekomt aan de gezamenlijke faillissementsschuldeisers en niet in de boedel valt. De opbrengst van de vordering valt echter wel in de boedel, teneinde via de uitdelingslijst tot verdeling te komen. Daarom brengt de wettelijke opdracht aan de curator tot beheer en vereffening van de failliete boedel volgens Uw Raad mee dat hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers deze vordering kan innen en dus ook de voldoening daarvan in rechte kan vorderen. Aangezien de vordering zelf niet in de boedel valt, omvat deze bevoegdheid tot inning niet de bevoegdheid over de vordering zelf te beschikken door haar aan een derde over te dragen. Daartoe behoeft de curator last, toestemming of volmacht van de gezamenlijke schuldeisers. [90] , [91]
H.A. den Toom Onroerend Goed BV/mr. De Kreek q.q. [92] werd door Uw Raad geoordeeld dat sprake was van een vordering die naar haar aard onoverdraagbaar was. Het betrof hier een op art. 2:248 BW Pro gegronde vordering van een curator in het faillissement van een vennootschap tegen de bestuurder van die vennootschap. Een concurrente crediteur wenste de vordering van de curator ex art. 2:248 BW Pro over te nemen. Het hof oordeelde dat de aard van het in art. 2:248 BW Pro aan de curator verleende vorderingsrecht zich tegen cessie van de vordering aan een ander verzet. Uw Raad liet dit oordeel in stand.
wettelijkestelsel c.q. de
wettelijkeopdracht aan de curator volgt dat de vordering (naar haar aard) onoverdraagbaar is. Het oordeel van Uw Raad ziet specifiek op dit wettelijke stelsel zoals opgenomen in de Faillissementswet. Deze wet biedt de (onder toezicht staande) curator (doelgebonden) bevoegdheden die niet zomaar kunnen worden overgedragen aan een derde die niet in de hoedanigheid van curator optreedt. Deze arresten zijn mijns inziens dan ook niet relevant voor de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag, die een casus aan de orde stelt waarbij het systeem van de Faillissementswet geen rol speelt en waarbij tussen de bank (die wel is onderworpen aan het regime van de Wft) en de cliënt
contractueleafspraken zijn gemaakt. [96]
Staat/Appels [97] is beter vergelijkbaar met de casus die ten grondslag ligt aan de onderhavige zaak.
Staat/Appelswas door de Staat een zogenaamd N-krediet [98] verleend aan Appels (een aantal vennootschappen werkzaam op het gebied van internationaal vervoer). Dergelijke N-kredieten werden destijds op tamelijk grote schaal door de overheid verleend aan individuele bedrijven die ten gevolge van de economische teruggang in moeilijkheden verkeerden en in verband daarmee geen bankkredieten meer konden krijgen. Deze verleende overheidssteun had vooral ten doel de werkgelegenheid te behouden. Daartegenover stonden veelal een belangrijke zeggenschap en een ingrijpende controlebevoegdheid van de overheid met betrekking tot het ondersteunde bedrijf, om de overheid in staat te stellen het ondersteunde bedrijf onder meer ten aanzien van de wijze waarop het krediet werd besteed, te sturen en te controleren en waar nodig ook te corrigeren. [99]
H.A. den Toom Onroerend Goed BV/mr. De Kreek q.q.) de conclusie dat een verslechtering van de (rechts)positie van de schuldenaar als gevolg van de overdracht, aan overdracht van het vorderingsrecht in de weg kan staan. [104] Immobile voert daartoe aan dat de bescherming van de rechtspositie van de schuldenaar tegen een wisseling van de schuldeiser, waardoor waarborgen in het kader van de inning van de vordering ontbreken, een reden kan zijn om een vordering niet voor overdracht vatbaar te verklaren vanwege de aard van de vordering. Het gaat daarbij volgens Immobile niet om de rechten en bevoegdheden van de schuldeiser, maar om bijzondere normen waaraan de schuldeiser is gebonden en/of het bijzondere toezicht waaraan de schuldeiser is onderworpen in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden. [105]
Staat/Appelsniet de algemene conclusie worden getrokken dat een verslechtering van de (rechts)positie van de schuldenaar als gevolg van de overdracht, aan deze overdracht in de weg staat. Uw Raad oordeelde immers slechts (in rov. 3.4) dat ’s hofs oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en verder, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. [106] Uit
Staat/Appelsvolgt mijns inziens slechts dat een vordering naar haar aard onoverdraagbaar kan zijn als de vordering zo sterk gebonden is aan de persoon van de schuldeiser, dat de rechten die uit die vordering voortvloeien niet door een ander dan de oorspronkelijke schuldeiser moeten kunnen worden uitgeoefend (zoals in de literatuur ook naar voren komt, zie randnummer 4.12).
Staat/Appelsen de onderhavige casus, die maken dat geen conclusies kunnen worden getrokken uit dat arrest voor de onderhavige casus.
Staat/Appelsbetrof het een krediet verstrekt door de Staat in het kader van een publiekrechtelijke regeling. De Staat wenste de vorderingen die verband hielden met dit krediet over te dragen aan een private partij. Dit (publiekrechtelijke) krediet was door de Staat verstrekt om specifieke publiekrechtelijke doelstellingen te realiseren, te weten het bevorderen van de werkgelegenheid. Daarnaast beschikte de Staat over ingrijpende bevoegdheden waarmee hij invloed kon uitoefenen op het beleid van Appels (zoals genoemd in randnummer 4.29). Deze ingrijpende bevoegdheden waren onlosmakelijk met het krediet verbonden en dienden slechts door de overheid te worden uitgeoefend, zo valt af te leiden uit het arrest. Deze bijzondere omstandigheden (zoals ook aangehaald door A-G Mok, zie randnummer 4.34) maakten dat de vorderingen die verband hielden met het (publiekrechtelijke) krediet naar hun aard niet konden worden overgedragen aan een private partij, die na overdracht de daaraan verbonden ingrijpende bevoegdheden zou kunnen uitvoeren. [107]
Staat/Appelssprake was. Er is immers sprake van (gewone) kredietverlening en niet van een vorm van overheidssteun om de werkgelegenheid te behouden (en daarmee dus ook niet van een crediteur die zich mede laat leiden door zorg voor de werkgelegenheid). Een zodanige parallel met
Staat/Appelsdat op grond daarvan ook in het onderhavige geval sprake is van een naar zijn aard niet overdraagbaar krediet, kan naar mijn opvatting dan ook niet getrokken worden.
Staat/Appelsniet dat gebondenheid van de Staat aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op zichzelf aan overdracht van de kredietvordering in de weg staat. Bovendien zou ik menen dat het onderworpen zijn van een bank aan de (publiekrechtelijke (Wft) en privaatrechtelijke) zorgplicht(en) niet maakt dat de vordering onoverdraagbaar wordt. Mocht de verkrijgende entiteit niet rechtstreeks onderworpen zijn aan de zorgplicht dan kan zij na overdracht op andere wijze alsnog met deze zorgplicht geconfronteerd worden. In onderdeel C. van deel 4 van deze conclusie ga ik nader in op de (inhoud en reikwijdte van de) privaatrechtelijke (bijzondere) zorgplicht(en) die rust(en) op de bank, en op de vraag of op de niet-bank aan welke een vordering wordt overgedragen enige zorg(ver)plicht(ing) komt te rusten.
Staat/Appelsin de
ABop dat het mogelijk is met behulp van de werking van de goede trouw hetzelfde resultaat te bereiken als met toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De overdracht hoeft dan ook niet noodzakelijk mee te brengen dat een privé (rechts)persoon aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gebonden is. In plaats van aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is de rechtsopvolger gebonden aan de goede trouw, zo bepleit Van Ommeren. Wat de goede trouw met zich brengt, hangt mede af van de aard van de rechtsverhouding; daarbij zal meewegen dat de overheid de oorspronkelijke kredietverlener was. [108] Rongen onderschrijft dit standpunt en meent dat uit het arrest
Staat/Appelsblijkt dat ook Uw Raad in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als zodanig geen beletsel ziet voor de overdracht van vorderingen van de Staat. [109]
Staat/Appelsals zodanig) een beletsel hoeft te zijn voor de overdracht van deze vordering aan een entiteit die niet (rechtstreeks) aan deze zorgplicht(en) onderworpen is. De entiteit die de vordering overgedragen krijgt, kan immers ook op andere wijze aan een met deze zorgplicht(en) corresponderend regime worden onderworpen, bijvoorbeeld door specifieke inkleuring van de open normen waaraan deze entiteit rechtstreeks is gebonden (zoals art. 6:2 BW Pro).
private bankingrelatie, waarbij mogelijk meer geduld verwacht kan worden van de betreffende bank dan van een derde, is hiertoe volgens de voorzieningenrechter onvoldoende. De uitzonderlijke situatie waarvan sprake was in het arrest
Staat/Appelsdoet zich hier volgens de voorzieningenrechter niet voor. [111]
special purpose vehicle), zodat de opbrengsten van de activa uitsluitend ten goede komen aan de investeerders en niet aan de schuldeisers van degene tot wiens vermogen de activa behoren. [115] Als reden voor het overgaan tot securitisatie wordt genoemd dat voor kredietinstellingen de securitisatie van financiële activa een methode is om te voldoen aan de solvabiliteitsrichtlijnen van DNB. Daarbij wordt opgemerkt dat DNB heeft onderschreven dat de verhandeling van portefeuilles voordelen heeft, zoals verbetering van het balans- en risicobeheer, diversificatie en vermindering van het kapitaalbeslag. [116] Bij deze moderne vormen van risicomanagement bleek het mededelingsvereiste voor cessie problematisch. De financieringspraktijk zocht vervolgens haar toevlucht tot ingewikkelde constructies in de gevallen dat grote hoeveelheden vorderingen moesten worden verhandeld. Deze constructies komen doorgaans neer op een onmiddellijke effectuering van de economische overdracht van alle vorderingen door de vervreemder aan de verkrijger, gecombineerd met een uitgestelde effectuering van de juridische levering van alle vorderingen door het niet terstond doch eerst in een later stadium doen van mededeling aan de debiteur. Om de verkrijger van de vordering zoveel mogelijk te beschermen tegen een faillissement van de vervreemder, wordt onmiddellijk een stil pandrecht ten behoeve van de verkrijger op de lening gevestigd. Een dergelijk pandrecht kan worden gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling aan de debiteur, maar kan niet dezelfde bescherming bieden als overdracht van de vordering bij authentieke of onderhandse akte zonder mededeling aan de debiteur. Het werd niet wenselijk geacht de praktijk te dwingen om van het pandrecht gebruik te maken om het mededelingsvereiste bij cessie te ontgaan, terwijl wat partijen in werkelijkheid zouden willen bereiken juist een cessie is die de vordering volledig op de verkrijger doet overgaan. [117]
special purpose vehiclesin het kader van de securitisatiepraktijk voor ogen gehad.
ten minste één van de partijenbehoort tot een van de in art. 7:52 lid 1 onder Pro a tot en met d BW genoemde categorieën. Het betreft steeds partijen die een band hebben met de financiële markt. [121] De wederpartij mag daarnaast geen consument zijn, zo volgt uit lid 2 van art. 7:52 BW Pro. [122]
aan een derdeworden overgedragen, de consument jegens de verkrijger alle verweermiddelen kan inroepen die hem jegens de oorspronkelijke kredietgever ten dienste stonden, met inbegrip van de bevoegdheid tot verrekening. [124] Een ‘kredietgever’ is volgens art. 7:57 lid 1 onder Pro b ‘een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten krediet verleent of toezegt’. Een bank kwalificeert dus ook als kredietgever in de zin van deze titel indien de bank krediet verleent of toezegt aan een consument. Uit deze bepaling volgt (i) dat in geval van een consumentenkredietovereenkomst wordt verondersteld dat een dergelijke vordering door een bank kan worden overgedragen aan een niet-bank (als ‘derde’) en (ii) dat de consument zijn verweermiddelen in geval van een overdracht niet verliest.
nemo plus-regel). [127] Het gaat bij de in de bepaling genoemde verweermiddelen om de verweermiddelen die de schuldenaar ook jegens de oude schuldeiser had kunnen inroepen, indien de vordering niet op een ander was overgegaan. Het gaat dus om de ten tijde van de overgang bestaande verweermiddelen, waaronder ook de verweermiddelen worden begrepen die weliswaar pas na overdracht ontstaan, maar voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding. [128]
retail-sector) de mogelijkheid tot overdracht of verpanding van vorderingsrechten contractueel op grootschalige wijze wordt uitgesloten. Deze praktijk leidt tot de nodige economisch ongewenste neveneffecten: “
Het gevolg is namelijk dat vorderingen en kredietportefeuilles de facto niet meer ingezet worden als dekking voor kredietverlening.” [130] Dit (bedrijfs)economische averechtse effect wordt nog versterkt door het feit dat in ons omringende landen, zoals Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk, de werking van contractuele onoverdraagbaarheids- en niet-verpandingsbedingen al wel is beperkt of afgeschaft. Dat leidt tot verstoring van het
level playing fieldten nadele van het Nederlandse bedrijfsleven. [131] Het wetsvoorstel beoogt een einde te maken aan deze ongewenste contractuele praktijken. Uit de opmerking van de regering dat kredietportefeuilles niet meer ingezet worden als dekking voor kredietverlening, kan ook worden afgeleid dat dergelijke portefeuilles in beginsel (zolang overdracht niet contractueel is uitgesloten in de zin van art. 3:83 lid 2 BW Pro) overdraagbaar zijn, zonder dat daarvoor relevant is aan welke entiteit deze portefeuilles worden overgedragen. [132]
securitisation special purpose entity(de SSPE) de eigendom van de onderliggende blootstellingen (waaronder kredietvorderingen) verwerft met behulp van een
true sale, een cessie of een overdracht met dezelfde rechtsgevolgen (art. 20 lid Pro 1). [139] Een SSPE is een vennootschap, trust of andere entiteit die is opgericht voor een of meer securitisaties en waarvan de activiteiten beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor het verwezenlijken van dit doel (art. 2 lid Pro 2). Een SSPE, die kredietvorderingen overgedragen krijgt, kwalificeert derhalve niet als bank. [140]
non-performing loansgeïntroduceerd. [141] NPL’s zijn (kort gezegd) leningen waarbij al meer dan 90 dagen niet wordt voldaan aan de overeengekomen betalingsverplichtingen. [142] Als gevolg van de crisisjaren hebben Europese banken veel van deze NPL’s op hun balansen staan. Zij hebben een negatief effect op de winstgevendheid en levensvatbaarheid van banken en belemmeren kredietverlening. [143] De Europese Commissie heeft in mei 2017 de aanzet gegeven voor een Europese strategie voor NPL’s, omdat de Europese banken tot nu toe onvoldoende in staat zijn gebleken om het aantal NPL’s op hun balans te verminderen. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de ontwerprichtlijn. [144]
covered bonds-transacties, (ii) de invloed op de NPL-problematiek, (iii) de belemmeringen voor de uitvoering van het monetaire beleid en (iv) de belemmeringen voor het afwikkelen van banken in resolutie. [149] Ik loop deze vier punten zoals zij zijn toegelicht door DNB kort langs.
covered bondsom hun kredietverstrekking te financieren (vooral ten behoeve van woonhypotheken), aldus DNB. Voor deze structuren is de overdracht van vorderingen een wettelijk vereiste. Wanneer banken hypothecaire vorderingen niet langer kunnen securitiseren of kunnen overdragen als onderdeel van een
covered bond-transactie, ontstaat een financieringsgat dat zich zou vertalen in lagere kredietverlening met potentieel fors hogere bancaire rentes tot gevolg. Bovendien verliezen Nederlandse banken daardoor aan concurrentiekracht ten opzichte van andere Europese banken. Securitisaties en
covered bonds-programma’s zijn daarnaast manieren waarop banken liquiditeiten kunnen genereren. Momenteel houden met name Nederlandse grootbanken een
poolvan vorderingen aan die eenvoudig door middel van securitisatie kunnen worden omgezet in
asset backed securities, om in tijden van liquiditeitsstress over voldoende en door het Eurosysteem geaccepteerd onderpand te beschikken. DNB wijst ook nog op mogelijke gevolgen van bevestigende beantwoording van de eerste prejudiciële vraag voor reeds uitgevoerde securitisaties en
covered bonds-transacties. Mogelijk moeten deze ongeldig worden geacht, wat zou meebrengen dat de waarde van de uitgegeven obligaties aanzienlijk lager of zelfs nihil is waardoor het vertrouwen in de financiële sector ernstig geschaad zou kunnen worden. Ten slotte zou een bevestigende beantwoording van de eerste prejudiciële vraag het streven naar een meer weerbare financiële structuur in Europa (zoals uitgedrukt in de plannen voor een Europese Kapitaalmarktunie) kunnen ondermijnen.
fundingmixvan banken, die geld moeten aantrekken om rentedragend te kunnen uitzetten, en bij beide figuren vormt (stille) cessie een onmisbare stap. Ten slotte is het voor de financierbaarheid van banken in het algemeen van essentieel belang dat zij over hun vorderingen kunnen beschikken; als dit niet het geval is, heeft dit een desastreus effect op de waardering van banken en de mogelijkheid om financiering aan te trekken. De NVB benadrukt dat een bevestigend antwoord op de eerste prejudiciële vraag rampzalig zou zijn voor Nederlandse financiële instellingen, hun klanten en alle daarbij betrokken maatschappelijke en macro-economische belangen.
Staat/Appels. Omdat de casus die zich voordeed in
Staat/Appelswezenlijk verschilt van de onderhavige, kan mijns inziens uit
Staat/Appelsniet de conclusie worden getrokken dat ook in een geval als het onderhavige de kredietvordering van de bank op een cliënt onoverdraagbaar is indien deze wordt overgedragen aan een niet-bank. De kredietvordering is in dit geval niet zozeer gebonden aan de persoon van de bank als crediteur dat de rechten en bevoegdheden uit het krediet slechts door de bank kunnen worden uitgeoefend en evenmin wijzigt de inhoud van de kredietvordering doordat de bank niet langer de schuldeiser is (maar de niet-bank aan welke de kredietvordering wordt overgedragen). Daarbij speelt wat mij betreft overigens mee dat de publiekrechtelijke positie van de bank en die van de niet-bank niet wezenlijk van elkaar verschillen en dat de niet-bank op andere wijze aan een met de (bancaire) zorgplicht(en) corresponderend regime kan worden onderworpen, bijvoorbeeld door specifieke inkleuring van de open normen waaraan de niet-bank rechtstreeks is gebonden (zoals art. 6:2 BW Pro). Op deze aspecten ga ik in de hierna volgende onderdelen verder in.
consumentenkredietovereenkomsten en kredietovereenkomsten gesloten met een
niet-consument.
aanbiedt, die adviseert over een ander financieel product dan een financieel instrument of die
bemiddelt, herverzekeringsbemiddelt, optreedt als gevolmachtigd agent of optreedt als ondergevolmachtigde agent’ (onderstrepingen van mij, A-G). Aanbieders van krediet vallen onder deze definitie. [155] Ook een bemiddelaar die assisteert bij het beheer en de uitvoering van een overeenkomst inzake krediet kwalificeert in beginsel als financiëledienstverlener. [156]
aanbieden:
consumentinzake een financieel product dat geen financieel instrument, premiepensioenvordering of verzekering is of het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan,
beherenof
uitvoerenvan een dergelijke overeenkomst;
consumentenis ofwel degene die het krediet is aangegaan (dan wel een voldoende bepaald voorstel heeft gedaan om dit krediet aan te gaan), beheert dan wel uitvoert (de aanbieder) dan wel de kredietbeheerder waaraan deze entiteit het beheer en/of de uitvoering van het krediet uitbesteedt, vergunningsplichtig. [165] , [166] Om een dergelijke vergunning te verkrijgen, dient de aanvrager aan te tonen dat zal worden voldaan aan (specifieke) bepalingen uit Deel 4 van de Wft (Gedragstoezicht financiële ondernemingen).
financiëledienstverlenersaan welke het ingevolge hoofdstuk 2.2 van de Wft is toegestaan in Nederland financiële diensten te verlenen. Zowel de vergunningsplicht voor het aanbieden van krediet (art. 2:60 Wft Pro, opgenomen in afdeling 2.2.6 ‘Aanbieden van krediet’) als de vergunningsplicht voor het bemiddelen (art. 2:80 Wft Pro, opgenomen in afdeling 2.2.9 ‘Bemiddelen’) zijn opgenomen in hoofdstuk 2.2.
gerechtvaardigdebelangen van de consument. Dit zijn belangen die al dan niet rechtstreeks door de financiële dienstverlening worden geraakt en wier behartiging in redelijkheid van een financiëledienstverlener kan worden verwacht. [184]
niet-consumentenis in Nederland in beginsel niet gereguleerd. Als kredietverstrekking wordt gecombineerd met het aantrekken van opvorderbare gelden, kunnen de regels inzake banken van toepassing zijn. [200] In de casus die in deze zaak voorligt (overdracht van een kredietvordering door een bank aan een niet-bank, waarbij de niet-bank deze vordering gaat beheren, al dan niet via een kredietbeheerder), is van het aantrekken van opvorderbare gelden echter geen sprake.
Staat/Appelszou volgen dat de (bijzondere) aard van de vordering in kwestie meebrengt dat de rechten voortvloeiend uit deze vordering zozeer aan de persoon van de schuldeiser gebonden is, dat zij slechts door deze behoren te kunnen worden uitgeoefend en niet kunnen worden toegekend aan een ander dan de oorspronkelijk schuldeiser.
consumentbetreft – gebonden aan de gedragsregels zoals neergelegd in Deel 4 van de Wft. Hoewel een niet-bank die een kredietvordering beheert of uitvoert niet onderhevig is aan prudentieel toezicht, zal deze vorm van toezicht als zodanig niet van belang zijn voor de wijze van beheer of uitvoering van de kredietvordering door de schuldeiser. Wanneer het een krediet aangegaan door een
niet-consumentbetreft, zijn de gedragsregels zoals neergelegd in (Deel 4 van de) Wft niet van toepassing, zodat ook in dat geval het publiekrechtelijke normenkader dat van toepassing is op de bank niet wezenlijk verschilt van het regime dat van toepassing is op de niet-bank dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt (voor geen van deze entiteiten is dan gedragstoezicht aan de orde (Deel 4 van de Wft is immers niet van toepassing)). Enkel voor de bank is prudentieel toezicht aan de orde (Deel 3 van de Wft)). Vanuit het perspectief van het publiekrechtelijke normenkader (de toezichtsregels) kan mijns inziens dan ook niet gezegd worden dat de inhoud van de vordering verandert door de wijziging van de bank als schuldeiser in een niet-bank als schuldeiser en evenmin dat de kredietvordering zo sterk gebonden is aan de bank als schuldeiser dat dit de vordering naar haar aard onoverdraagbaar maakt op een niet-bank.
Rabobank Graftdijk-De Rijp/Everaars [206] en is nadien in vele arresten benadrukt. [207] In
Rabobank Graftdijk-De Rijp/Everaarsbetrof het de handel in (aandelen)opties. Vanuit de beleggingsdienstverlening hebben zorgplichten hun weg gevonden naar vele andere bancaire producten en diensten. [208]
contractuelerenteverhogingsmogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, zullen vooral de zorgverplichtingen die voortvloeien uit de (op de contractuele rechtsverhouding tussen de bank en de cliënt van toepassing zijnde) ABV en deze wettelijke bepalingen (die van toepassingen zijn op – bijzondere – overeenkomsten) relevant zijn.
Hypinvest, [220] dat betrekking heeft op (bescherming tegen) overkreditering, oordeelde Uw Raad dat de civielrechtelijke bijzondere zorgplicht niet alleen geldt voor banken maar ook voor andere professionele kredietverstrekkers. Uw Raad oordeelde in rov. 3.4.2 van dit arrest (onderstrepingen van mij, A-G):
De civielrechtelijke zorgplicht van de kredietaanbieder kan verder reiken dan de gedragsregels die in publiekrechtelijke regelgeving, zoals art. 51 Wfd Pro (oud) [thans art. 4:34 Wft Pro, A-G], of in zelfregulering zijn neergelegd.
Hypinvest-arrest expliciet een specifieke (immers op bescherming tegen overkreditering gerichte) civielrechtelijke bijzondere zorgplicht aan te nemen voor andere professionele krediet
verstrekkers, waarbij wordt verwezen naar (thans) art. 4:34 Wft Pro waarin wordt gesproken over een ‘aanbieder van krediet’. Uw Raad oordeelt immers dat de bijzondere zorgplicht niet alleen rust op banken, “maar ook op andere professionele kredietverstrekkers”. Een niet-bank aan welke een kredietvordering wordt overgedragen door een bank, kwalificeert doorgaans niet als professionele kredietverstrekker (Promontoria verstrekt bijvoorbeeld zelf geen krediet). Een niet-bank die een kredietvordering overgedragen krijgt (zoals Promontoria) kwalificeert echter wel als
aanbiedervan krediet in de zin van de Wft (zie hierover randnummer 4.78 van deze conclusie). De vraag is of uit
Hypinvestook kan worden afgeleid dat op een dergelijke
aanbiedervan krediet (in de zin van de Wft) een civielrechtelijke bijzondere zorgplicht rust. In rov. 3.4.2 heeft Uw Raad het immers ook (in de eerste alinea) over ‘de civielrechtelijke zorgplicht van de krediet
aanbieder’, waarbij wordt vermeld dat deze verder kan reiken dan de gedragsregels die in de publiekrechtelijke regelgeving zijn neergelegd. In dit verband wordt ter illustratie wederom verwezen naar (het huidige) art. 4:34 Wft Pro (welke bepaling zich zoals gezegd in het jargon van de Wft richt tot de aanbieder van krediet). [221] Verderop in dezelfde rechtsoverweging wordt echter gesproken over de bijzondere zorgplicht die ook rust op andere professionele krediet
verstrekkers(waarbij echter wederom wordt verwezen naar een bepaling die geldt voor aanbieders van krediet). Niet duidelijk is of Uw Raad het oordeel in dit arrest heeft willen beperken tot professionele kredietverstrekkers, of heeft willen aansluiten bij de terminologie zoals gebruikt in de aangehaalde bepaling uit de Wft (aanbieders van krediet). Dit maakt wel verschil. Hiervoor is uiteengezet dat aanbieden van krediet in de zin van de Wft verder gaat dan het werkelijk verstrekken van het krediet. Ook het beheren en uitvoeren van een krediet valt onder aanbieden van krediet. Gezien het feit dat het in
Hypinvestging over overkreditering, en de bijzondere zorgplicht van een bank in dat verband (onder meer) meebrengt dat zij
voorafgaandaan het sluiten van de overeenkomst tot hypothecair krediet met een consument inlichtingen diende in te winnen over zijn inkomens- en vermogenspositie teneinde overkreditering van de consument te voorkomen (zie rov. 3.4.2 zoals hiervoor geciteerd), is het niet waarschijnlijk dat Uw Raad deze zorgplicht ook heeft willen toepassen op aanbieders van krediet (in de zin van de Wft) die slechts een krediet beheren en uitvoeren (en het krediet dus niet afsluiten). In de onderhavige zaak is het
Hypinvest-arrest slechts relevant indien daarin een civielrechtelijke zorgplicht zou zijn aangenomen voor de entiteit die krediet aanbiedt in de zin van de Wft. Ook wanneer dat het geval is, moet overigens nog steeds worden bedacht dat de relevantie voor de onderhavige zaak beperkt is, omdat de in het
Hypinvest-arrest aan de orde zijnde bijzondere zorgplicht specifiek gericht is op het voorkomen van overkreditering.
Hypinvestop dat het opmerkelijk is dat Uw Raad in dit arrest onopvallend overstapt van een zorgplicht voor banken naar een zorgplicht voor kredietaanbieders in het algemeen. [222] Het lijkt hem niet waarschijnlijk dat Uw Raad zo terloops een bijzondere zorgplicht wil leggen op alle kredietverstrekkers (of zelfs alle financiële dienstverleners) die net zo ver gaat als de bijzondere zorgplicht die voor banken geldt. [223] Het ligt zijns inziens meer voor de hand dat Uw Raad bedoelt dat op alle financiëledienstverleners (waaronder banken en kredietverstrekkers) een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang dan vervolgens afhangt van de omstandigheden. [224] Volgens Tjong Tjin Tai volgt uit dit arrest dat in het geval van kredietverstrekking jegens consumenten die bijzondere zorgplicht met zich brengt dat de kredietverstrekker, of het nu een bank of een andere instelling is, onderzoek moet doen om te beschermen tegen overkreditering. Zo’n toepassing van de zorgplicht is volgens hem niet per se zelf een zorgplicht. Door een dergelijke op specifieke categorieën toegespitste toepassing van de zorgplicht kan enige uniformiteit worden bereikt, maar blijft het mogelijk waar nodig sommige verplichtingen te beperken tot bijvoorbeeld alleen banken, aldus Tjong Tjin Tai. [225] Busch merkt op dat de bijzondere zorgplicht onderhevig is aan uitbreiding in die zin dat ook andere financiële instellingen dan banken onderworpen worden aan bijzondere zorgplichten. Als voorbeeld noemt hij dat beleggingsdiensten ook kunnen worden verleend door niet-banken, die dan logischerwijs aan dezelfde bijzondere zorgplichten zijn onderworpen als banken die deze diensten aanbieden. Hij vervolgt dat hetzelfde geldt voor het aanbieden van krediet aan consumenten door professionele aanbieders die geen bank zijn. [226]
Hypinvest-arrest al zou kunnen worden geoordeeld dat een civielrechtelijke zorgplicht rust op Promontoria als
aanbiedervan krediet (hetgeen dus maar de vraag is gezien de onduidelijkheid in de aangehaalde rechtsoverweging uit het arrest), merk ik op dat deze zorgplicht alleen van toepassing is indien sprake is van een kredietovereenkomst gesloten met een consument (deze beperking ligt besloten in de definitie van aanbieden in de Wft). Voor de onderhavige zaak is dit arrest daarom sowieso minder relevant, omdat Immobile niet kwalificeert als consument en er dus geen sprake is van aanbieden in de zin van de Wft.
Hypinvest-arrest aan de orde was). Daarbij kan de kanttekening worden geplaatst dat maar de vraag is wat de invulling van zó’n zorgplicht in het onderhavige geval zou inhouden, nu sprake is van een eenvoudig product (een krediet) en een zakelijke cliënt (Immobile) die toch geacht kan worden in voldoende mate over zijn eigen belangen te kunnen waken. De concrete bescherming die de zakelijke cliënt door een bijzondere zorgplicht zou genieten, zou in het geval van een overdracht van een (simpele) kredietvordering waarschijnlijk beperkt zijn.
contractuelerechtsverhouding tussen de cliënt en de niet-bank, gaan mijns inziens de zorgverplichtingen of zorgplichten die zijn gebaseerd op artikel 2 van Pro de ABV, de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:248 lid 1 BW Pro dan wel art. 7:401 BW Pro, welke bepalingen steeds betrekking hebben op (partijen met) een contractuele relatie, ook niet mee over bij overdracht van (slechts) de kredietvordering.
nevenrechtin de zin van art. 6:142 BW Pro is geen sprake. Nevenrechten zijn rechten of bevoegdheden die zo nauw verbonden zijn met de vordering dat het gerechtvaardigd is om aan te nemen dat deze bij overgang van de vordering van rechtswege mee overgaan. [235] Het eerste lid van art. 6:142 BW Pro noemt bijvoorbeeld de rechten van pand en hypotheek als nevenrechten. Het tweede lid bepaalt dat onder de nevenrechten tevens zijn begrepen het recht van de vorige schuldeiser op bedongen rente of boete of op een dwangsom, behalve voor zover de rente opeisbaar of de boete of dwangsom reeds verbeurd was op het tijdstip van de overgang. Aangenomen wordt dat nevenrechten moeten worden onderscheiden van de rechten die niet zijn verbonden aan een vordering, maar die deel uitmaken van de
gehele rechtsverhoudingtussen de schuldenaar en de oorspronkelijke schuldeiser. [236] Voorbeelden van die laatste categorie rechten zijn het recht op ontbinding, het recht op vernietiging op grond van een wilsgebrek of het recht tot het opzeggen van de overeenkomst. [237] Zoals hiervoor is uiteengezet, maken de zorgverplichtingen en een eventuele zorgplicht van de bank mijns inziens deel uit van de gehele rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de oorspronkelijke schuldeiser (de bank), zodat zij niet als nevenrecht kwalificeren.
kwalitatieve verplichtingin de zin van art. 6:144 lid 1 BW Pro (zoals de NVB subsidiair bepleit in haar schriftelijke opmerkingen, zie hiervoor randnummer 3.29). Art. 6:144 lid 1 BW Pro bepaalt dat als de overdracht van een vordering meebrengt dat verplichtingen die uit het schuldeiserschap (of uit nevenrechten) voortvloeien, overgaan op de nieuwe schuldeiser, de vorige schuldeiser dan instaat voor de nakoming van deze verplichtingen. Deze bepaling beoogt de schuldenaar te beschermen tegen cessie van de vordering aan een minder solvente schuldeiser. [238] Komt de cessionaris deze verplichtingen niet na, dan is de cedent naast de cessionaris tot schadevergoeding gehouden. [239]
Allereerstbehoort de zorgplicht naar mijn mening niet tot de schuldeisersverplichtingen zoals bedoeld in art. 6:144 lid 1 BW Pro. [240] In de parlementaire geschiedenis worden als voorbeelden van kwalitatieve verplichtingen die voor de schuldeiser uit het schuldeiserschap of uit nevenrechten voortvloeien, genoemd de verplichting van de pandhouder als een goed pandhouder voor de zaak zorg te dragen, de pandgever kennis te geven van de verkoop van het verpande goed en het overschot na executie uit te keren aan de pandgever. [241] Met Rongen [242] ben ik van mening dat niet alle verplichtingen die in enig opzicht (mede) verband houden met het schuldeiserschap (of met nevenrechten) per definitie dusdanig kwalitatief van aard zijn dat zij in geval van cessie de vordering volgen. Hiervoor (randnummer 4.131) heb ik reeds uiteengezet dat de zorgplicht mijns inziens geen onderdeel uitmaakt van de inhoud van de kredietvordering en daarom niet mee overgaat bij overdracht van deze vordering aan een niet-bank. De (bijzondere bancaire) zorgplicht is gekoppeld aan de hoedanigheid van bank (en niet zozeer de hoedanigheid van schuldeiser), wordt ingekleurd door de omstandigheden van het geval en is verbonden aan de (gehele) rechtsverhouding tussen de bank en de cliënt. De verplichting van de overdragende bank om zich bij de uitoefening van haar schuldeisersrechten overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid te gedragen (waarop de civiele zorgplicht van deze overdragende bank mede kan worden gebaseerd) is naar mijn mening dan ook geen kwalitatieve verplichting in de zin van art. 6:144 lid 1 BW Pro. [243] Hierover wordt echter ook wel anders gedacht. [244]
ten tweededat art. 6:144 lid 1 BW Pro (slechts) beoogt de schuldenaar te beschermen tegen cessie van de vordering aan een minder solvente schuldeiser. [245] De overdragende bank staat dus alleen in voor de nakoming van de verplichtingen ter zake waarvan de cliënt een insolventierisico loopt op de (verkrijgende) niet-bank. Wanneer door de cliënt jegens de niet-bank een beroep wordt gedaan op (schending van) de zorgplicht, zal waarschijnlijk door de cliënt worden aangevoerd dat de niet-bank maatregelen treft waartoe de niet-bank volgens hem niet bevoegd is (zoals bijvoorbeeld het – excessief – verhogen van de rente of het treffen van ‘agressieve’ incassomaatregelen). In dergelijke gevallen is van een insolventierisico echter geen sprake en speelt art. 6:144 lid 1 BW Pro dus geen rol. [246]
het rechtop coulance is ontstaan). [253]
overgaan, komen we nu toe aan bespreking van de vraag of de niet-bank eventueel langs andere weg gehouden kan raken tot het in acht nemen van zorg die met die van een bank vergelijkbaar is. Een voor de hand liggende mogelijkheid is dat open normen die als zodanig ook voor de niet-bank gelden op een specifieke wijze worden ingevuld.
Staat/Appelsook al uitging van de doorwerking van (in dat geval) algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het kader van de werking van de goede trouw waaraan de verkrijger in dat geval gebonden zou zijn. Hij merkte op dat de overdracht niet noodzakelijk hoeft mee te brengen dat een privé (rechts)persoon aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is gebonden. Deze rechtsopvolger is echter wel gebonden aan de goede trouw (redelijkheid en billijkheid) en wat de goede trouw (redelijkheid en billijkheid) met zich zou brengen, hangt onder meer af van de aard van de rechtsverhouding. Daarbij zal volgens Van Ommeren meewegen dat (in het geval dat aan de orde was in
Staat/Appels) de overheid de oorspronkelijke kredietverlener was. [262]
bij de overdrachtzo goed mogelijk rekening dient te houden met de belangen van de cliënt wiens vordering wordt overgedragen. Dit geldt des te meer nu bij een overdracht van een kredietvordering (anders dan bij contractsoverneming) geen medewerking van de cliënt is vereist. De cliënt kan in geval van cessie niet voor zijn eigen belangen opkomen door bijvoorbeeld zijn medewerking te weigeren of daaraan voorwaarden te verbinden (zoals bij contractsoverneming in theorie wel het geval is). [268] Ook indien de kredietvordering wordt overgedragen aan een niet-bank nadat de contractuele relatie tussen de bank en de cliënt reeds is beëindigd, zou mijns inziens op de bank een zorgplicht moeten (blijven) rusten ten opzichte van zijn (voormalige) cliënt. Nu de bank geacht wordt in alle fases die de kredietovereenkomst doorloopt (bij het ontstaan, gedurende de looptijd en bij het einde van de kredietverlening) een zorgplicht in acht te nemen, ligt het voor de hand dat dit ook het geval is bij overdracht van de kredietvordering. [269]
Hypinvest-arrest dat op (bescherming tegen) overkreditering ziet. Hoe ver deze specifieke zorgplicht, die gelet op de definitie van ‘aanbieden’ alleen betrekking heeft op kredietovereenkomsten gesloten met consumenten, strekt, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. De niet-bank is in ieder geval gebonden aan diverse open normen, waaronder in het bijzonder art. 6:2 BW Pro. De zelfstandige verplichting die rust op de niet-bank om zich tegenover de schuldenaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 BW Pro), wordt ingekleurd door alle omstandigheden van het geval. Daartoe behoort wat mij betreft ook de omstandigheid dat de niet-bank de vordering overgedragen heeft gekregen van een bank voor wie een bijzonder regime geldt. De concrete invulling van de open normen voor de niet-bank kan afwijken van het bijzondere regime dat geldt voor de bank, niet alleen omdat de gerechtvaardigde belangen van een niet-bank niet noodzakelijk steeds samenvallen met die van een bank, maar ook omdat de niet-bank het krediet slechts beheert en uitvoert en niet over alle bevoegdheden beschikt waarover de bank wél beschikt (zoals het aantrekken van opvorderbare gelden (verschaffing aanvullend krediet)). Hier stuiten we op de grenzen die uit de Wft voortvloeien.
Staat/Appels. Ook Immobile heeft haar geld gezet op dit arrest.
Staat/Appelsen de onderhavige, kan mijns inziens uit
Staat/Appelsechter niet de conclusie worden getrokken dat ook in dit geval de kredietvordering van de bank op een cliënt onoverdraagbaar is, indien deze wordt overgedragen aan een niet-bank. De kredietvordering is in dit geval niet zozeer gebonden aan de persoon van de bank als crediteur dat de rechten en bevoegdheden uit het krediet slechts door de bank kunnen worden uitgeoefend. Ook verandert de inhoud van de kredietvordering niet doordat de schuldeiser niet langer een bank is maar een niet-bank. De publiekrechtelijke positie van de bank en die van de niet-bank verschillen immers niet wezenlijk van elkaar en op de niet-bank rust in feite – via de open normen die op haar rusten (waaronder art. 6:2 BW Pro) – ook een zekere zorgplicht.
consumentbetreft – gebonden aan de gedragsregels die zijn neergelegd in (Deel 4 van) de Wft. Hoewel een niet-bank die een kredietvordering beheert of uitvoert niet onderhevig is aan prudentieel toezicht, is dat hier minder van belang omdat deze vorm van toezicht minder impact heeft op de wijze van beheer of uitvoering van de kredietvordering door de schuldeiser. Wanneer het, zoals in het onderhavige geval, een krediet aangegaan met een
niet-consumentbetreft, zijn de gedragsregels neergelegd in (Deel 4 van) de Wft voor de niet-bank net zo min als voor de bank van toepassing, zodat ook in dat geval het publiekrechtelijke normenkader dat van toepassing is op de bank en op de niet-bank niet wezenlijk (namelijk slechts voor wat betreft het prudentieel toezicht) verschilt. Vanuit het perspectief van het publiekrechtelijke normenkader kan mijns inziens dan ook niet gezegd worden dat de kredietvordering zo sterk gebonden is aan de bank als schuldeiser dat dit de vordering naar haar aard onoverdraagbaar maakt, en evenmin dat de inhoud van de vordering wijzigt door het inwisselen van de bank als schuldeiser voor een niet-bank.
Hypinvest-arrest (dat ziet op (bescherming tegen) overkreditering) zou kunnen worden afgeleid dat op de niet-bank als aanbieder van krediet (dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt) wellicht wel een specifieke (bijzondere) zorgplicht zou kunnen rusten, indien zij krediet aanbiedt in de zin van de Wft. Hoe ver deze specifieke zorgplicht, die gelet op de definitie van ‘aanbieden’ alleen betrekking heeft op kredietovereenkomsten gesloten met consumenten, strekt, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. De niet-bank is in ieder geval gebonden aan diverse open normen, waaronder in het bijzonder art. 6:2 BW Pro. De zelfstandige verplichting die rust op de niet-bank om zich tegenover de schuldenaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 BW Pro), wordt ingekleurd door alle omstandigheden van het geval. Daartoe behoort wat mij betreft ook de omstandigheid dat de niet-bank de vordering overgedragen heeft gekregen van een bank voor welke een bijzonder regime geldt. De concrete invulling van de open normen voor de niet-bank kan afwijken van het bijzondere regime dat geldt voor de bank, niet alleen omdat de gerechtvaardigde belangen van een niet-bank niet noodzakelijk steeds samenvallen met die van een bank, maar ook omdat de niet-bank het krediet slechts beheert en uitvoert en niet over alle bevoegdheden beschikt waarover de bank wél beschikt (zoals het aantrekken van opvorderbare gelden (verschaffing aanvullend krediet)). Hier stuiten we op de grenzen die uit de Wft voortvloeien.
inhoudvan de zorgverplichtingen die op de niet-bank rusten (doordat de niet-bank onderworpen is aan diverse open normen waaronder art. 6:2 BW Pro), maakt het mogelijk wel verschil of de cliënt de kredietovereenkomst al dan niet volledig is nagekomen en/of de bank de bankrelatie heeft opgezegd, nu deze inhoud wordt bepaald door alle omstandigheden van het geval.
Immobileen
Dantom c.s., die opkomen voor de belangen van de schuldenaar, voor alle mogelijke ankers gaan liggen (de zorgplicht is onlosmakelijk verbonden met de vordering, de zorgplicht van de bank gaat over op de niet-bank, voor de schuldenaar gunstige inkleuring van open normen die gelden voor de niet-bank, beroep op de verweermiddelenregel (art. 6:145 BW Pro)), maar ook andere insprekers haasten zich te benadrukken dat de verschillen voor de schuldenaar tussen het hebben van de bank als schuldeiser of de niet-bank beperkt zijn. Dat hun onderbouwing daarbij niet geheel identiek is (randnummer 3.29 hiervoor), doet daar niet aan af.
Promontoria c.s.niet alleen dat de inhoud van de vordering die op de cessionaris overgaat, mede wordt bepaald door de bancaire zorgplicht, maar bovendien dat op de cessionaris een verplichting rust om zich overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid te gedragen (art. 6:2 BW Pro), welke verplichting mede wordt ingevuld door de bancaire zorgplicht die op de overdragende bank rustte. Daar komt dan nog bij dat de schuldenaar zich jegens de cessionaris op de naleving van de bancaire zorgplicht beroepen in de vorm van een verweermiddel (art. 6:145 BW Pro).
Van Lanschotgelden voor de cessionaris en de bank dezelfde zorgvuldigheidsverplichtingen; het gegeven dat de gecedeerde vordering voortkomt uit een bancaire relatie kleurt de open normen die gelden voor de niet-bank zoals art. 6:2 BW Pro in. Ook kan de schuldenaar volgens Van Lanschot op grond van art. 6:145 BW Pro alle verweermiddelen die hij vóór de cessie tegen de bank kon inroepen na de cessie inroepen tegen de cessionaris. Wanneer de cessionaris niet naar behoren handelt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden, ontstaat daardoor echter geen vordering op de cederende bank. Uitgangspunt is volgens Van Lanschot dat de bank na cessie geen invloed meer heeft op, en dus niet aansprakelijk kan worden gesteld voor, het handelen van de cessionaris.
5.Beantwoording van de prejudiciële vragen
acte clair, zodat beantwoording van de eerste prejudiciële vraag niet achterwege kan blijven. [282]
eerste prejudiciële vraagdient mijns inziens negatief te worden beantwoord. De aard van het vorderingsrecht van een bank op een cliënt verzet zich niet tegen overdracht aan een niet-bank, anders gezegd, het vorderingsrecht van de bank op een cliënt is niet vanwege zijn aard onoverdraagbaar in de zin van art. 3:83 lid 1 BW Pro, indien wordt beoogd de vordering over te dragen aan een niet-bank.
tweede prejudiciële vraagzou ik aldus willen beantwoorden dat op de niet-bank aan welke de vordering wordt overgedragen een publiekrechtelijke zorgplicht rust op grond van de Wft, indien zij krediet aanbiedt in de zin van de Wft (tenzij de niet-bank het beheer en de uitvoering van de vordering overlaat aan een kredietbeheerder, die dan zelf vergunningsplichtig is en onderworpen is aan de gedragsregels uit Deel 4 van de Wft waaronder de publiekrechtelijke zorgplicht). Ook indien door de niet-bank geen krediet wordt aangeboden in de zin van de Wft (waarbij het gaat om – het aangaan, beheren en uitvoeren van – een overeenkomst inzake krediet met een consument), is deze entiteit overigens gebonden aan open normen (waaronder art. 6:2 BW Pro). Deze open normen worden ingevuld aan de hand van alle omstandigheden van het geval en daarmee wat mij betreft mede door het feit dat de vordering die de niet-bank heeft verkregen afkomstig is van een bank voor wie een bijzonder (onder meer publiekrechtelijk) regime geldt.
derde prejudiciële vraagzou wat mij betreft aldus moeten worden beantwoord dat het voor de antwoorden op de vorige vragen in beginsel niet uitmaakt of de cliënt de kredietovereenkomst al dan niet volledig is nagekomen en/of de bank de bankrelatie heeft opgezegd. Voor de concrete
inhoudvan de zorg(ver)plicht(ing) die (via de op de niet-bank van toepassing zijnde open normen) op de niet-bank rust, maakt dit mogelijk wel verschil, nu deze inhoud wordt bepaald aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
vierde prejudiciële vraagbehoeft mijns inziens geen beantwoording. [285] Op grond van art. 392 lid 1 Rv Pro kan de rechter (ambtshalve of op verzoek van een partij) de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. Daarvoor is (onder meer) vereist dat een antwoord op deze vraag nodig is om op de vordering of het verzoek te beslissen. De onderhavige zaak betreft een procedure tussen Immobile (als (voormalig) cliënt van Van Lanschot en schuldenaar) en Promontoria c.s. (als niet-bank die de vordering die Van Lanschot op Immobile had, heeft verkregen respectievelijk als de door Promontoria ingeschakelde
servicer). Van Lanschot is bij deze procedure niet betrokken. De vorderingen van Immobile in de onderhavige procedure zijn vanzelfsprekend dan ook gericht tegen Promontoria c.s. en zijn gebaseerd op handelingen van Promontoria c.s. Om op deze vorderingen van Immobile te kunnen beslissen, is niet relevant welke rechten Immobile kan uitoefenen jegens Van Lanschot als overdragende bank, indien het handelen van Promontoria c.s. afwijkt van wat zou mogen worden verwacht van een bank op grond van de voor een bank geldende publiekrechtelijke regels of de op een bank rustende zorgplicht. [286]