Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
algemene regelvoortvloeit die inhoudt dat het niet is toegestaan om rechters te vervangen zonder partijen daarover op voorhand te informeren en zonder opgave van een reden, terwijl er ook geen kenbare reden is voor de rechterswisselingen. Het onderdeel getuigt, voor zover het op een dergelijke algemene regel is gebaseerd, dan ook van een onjuiste rechtsopvatting en faalt mitsdien. Voor zover het onderdeel ziet op de specifieke aspecten van deze zaak met een volledige wisseling van rechters na een op de mondelinge behandeling volgend tussenarrest en een raadsheer-commissaris die niet aan de bewijswaardering heeft deelgenomen komt dit in de bespreking van de onderdelen II, III en IV aan bod.
onderdelen III en IVzien met name op de vervanging van de raadsheer-commissaris ten overstaan van wie het bewijs is bijgebracht voor het wijzen van het eindarrest. Onderdeel III betoogt dat het hof heeft miskend dat art. 155 Rv Pro ook in appel als hoofdregel voorschrijft dat de raadsheer-commissaris ten overstaan van wie bewijs is bijgebracht dient mee te werken aan het wijzen van het eindarrest en partijen daarvan, bij gebreke van een mededeling van de rechtswisseling, konden en mochten uitgaan bij de afweging of een nadere mondelinge behandeling gewenst was (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, NJ 2019/145). Onderdeel IV voegt daar nog een motiveringsklacht aan toe en voert aan dat uit het arrest van het hof zonder nadere motivering onduidelijk is, waarom aan het eindarrest niet kon worden meegewerkt door de drie raadsheren ten overstaan van wie het eerste pleidooi plaatsvond.