Conclusie
vice versa
Overzicht
check-the-boxregels.
Euro credit facility(
ECF) bij een bankensyndicaat. Aflossing werd gegarandeerd door [D] . Het geld is gebruikt voor leningen aan en kapitaalstortingen in groepsvennootschappen ten behoeve van externe maar voornamelijk interne overnames die allemaal hebben plaatsgevonden vóór juni 2009.
ECFuitstaande externe schuld ad € 482 miljoen is in die maand geherfinancierd met een publieke obligatielening ad € 500 miljoen, uitgegeven door de Luxemburgse groepsvennootschap [E] SA ( Luxco ). Luxco heeft € 482 miljoen in US dollar dooruitgeleend (valutarisico extern
hedged) aan belanghebbendes moeder US Inc, die dat bedrag in euro’s heeft dooruitgeleend aan de belanghebbende, die het geld heeft gestort in haar gevoegde middellijke
cash managementdochter BV 5. BV 5 heeft dat bedrag in twee leningen ad € 191 miljoen respectievelijk € 291 miljoen verstrekt aan BV 2 en BV 3. Bij een herschikking in december 2010 zijn deze leningen rechtstreeks door Luxco aan BV 2 en BV 3 verstrekt, dus zonder US Inc, belanghebbende en BV 5 ertussen.
ECF-inlening was – vóór juni 2009 - op groepsniveau voor de volgende bedragen gebruikt voor de volgende rechtshandelingen:
2006€ 195 miljoen geleend onder
ECFen dit bedrag gestort in BV 2, die op haar beurt samen met BV 3 een (kennelijk door hen) nieuw opgerichte Ierse Ltd 1 heeft gekapitaliseerd. Ltd 1 heeft het kapitaal gebruikt om de in Ierland gevestigde Ltd 2 te kopen van een groepsmaatschappij.
2007een Franse SNC opgericht, die naar Nederlandse maatstaven fiscaal transparant is, maar niet naar Franse maatstaven. SNC is in 2008 gefuseerd met haar Franse deelneming SA 1, waardoor ze een bankschuld van € 45 miljoen aan de door BV 2 beheerde cashpool (
[H] Pool) kreeg, i.e. het restant van een (kennelijk externe) financiering die in 1998 door SA 1 was aangetrokken voor externe acquisities en die in 2004 was geherfinancierd uit de
[H] Pool. BV 3 heeft in
2008onder de
ECF€ 65.000 doorgeleend aan SNC en SNC heeft zelf onder de
ECF€ 240 miljoen geleend waarmee zij de bankschuld ad € 45 miljoen bij de
[H] Poolafloste en verschillende deelnemingen overnam van BV 3 en BV 2.
2008) onder de
ECF€ 191 miljoen geleend voor (i) kapitaalstortingen in dochters in Noorwegen, Singapore en Zwitserland, (ii) (kennelijk externe) overname van [J] BV en (kennelijk interne) overnames van [K] . Ltd. 1005 en [L] Ltd. en (iii) (kennelijk eveneens interne) uitbreiding met 8,71% van haar via een transparante Spaanse SC gehouden belang van 86,96% in [M] SpA.
2009heeft Luxco onder de
ECF€ 291 miljoen geleend, die zij onder dezelfde voorwaarden doorleende aan BV 3, die deze onder dezelfde voorwaarden doorleende aan SNC. SNC loste hiermee haar eigen
ECFschuld ad € 240 miljoen af en leende het restant ad € 51 miljoen door aan haar nieuwe Franse deelneming SA 2 voor de acquisitie van SA 3 die in mei 2009 plaatsvond tegen schuldigerkenning. SA 2 heeft deze lening deels afgelost; het restant is omgezet in aandelenkapitaal.
Rechtbank Den Haagheeft het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen, en aftrek van de rente op de door US Inc verstrekte lening in beginsel uitgesloten geacht door art. 10a Wet Vpb omdat de belanghebbende geen tegenbewijs ex art. 10a(3) Wet Vpb heeft geleverd. De interne en externe schulden lopen volgens de Rechtbank nl. niet voldoende parallel, gegeven (i) het valutarisico en (ii) belanghebbendes fiscale onzichtbaarheid in de VS. Doel en strekking van art. 10a Wet Vpb nopen er volgens de Rechtbank toe dat alle stappen tussen de externe financiering en de belastingplichtige worden onderzocht, en vanuit US Inc bezien is er
fiscaalrechtelijk geen lening aan de belanghebbende. De belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de rechtshandelingen in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag lagen. De compenserende-heffingstoets heeft de Rechtbank aangelegd bij US Inc, en daar wordt geen ontvangen rente waargenomen omdat de debiteur (de belanghebbende) aldaar fiscaal onzichtbaar is.
Groupe Stéria-rechtspraak van het HvJ EU).
BNB2017/156 meebrengt dat ter zake van die leningen (wel) aan de dubbele zakelijkheidstoets van art. 10a(3)(a) Wet Vpb is voldaan. Op des Inspecteur’s beroep op
fraus legisheeft de rechtbank overwogen dat volgens HR
BNB2017/162 een fiscaal gemotiveerde
Bosalgat-structuur doel en strekking van de Wet Vpb alleen schendt voor zover rente wordt afgezet tegen aangekochte winsten, hetgeen in casu niet aannemelijk is. Dat de rente ook bij de Franse SNC aftrekbaar is, levert geen strijd met doel en strekking van de Nederlandse belastingwet op.
Hof Den Haagheeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, maar deels op andere gronden. Hij achtte de rentelasten niet onzakelijk omdat (i) uit HR
BNB2016/197 (Italiaanse Telecom) volgt dat een concern vrij is in de keuze van financiering van een deelneming én in de keuze om economische belangen en (financiële) middelen onder te brengen in een Nederlandse vennootschap, ook als die keuze fiscaal gemotiveerd is; (ii) de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetrokken financiering elke redelijke grond mist, en (iii) belanghebbendes handelen in het concernbelang geacht moeten worden te zijn verricht met het oog op de zakelijke belangen van haar eigen onderneming, dus niet gezien kan worden als bevrediging van persoonlijke behoeften van de aandeelhouder in de zin van HR
BNB2002/290 (
Renpaarden). HR
BNB2017/162 (
Crédit Suisse) brengt volgens het Hof mee dat – buiten het geval van afzetten van nieuw gecreëerde rentelasten tegen ‘gekochte’ winst – het
Bosal-gat als deel van het systeem van de Wet Vpb moet worden aanvaard. Het
Bosal-gat is in casu voldoende verklaring voor het fiscale voordeel uit de litigieuze financierings-omleidingen langs Nederlandse vennootschappen.
[H] -Pool, omdat ook de verwerving van Ltd 2, de externe verwerving van SA 3 en de acquisities door SA 1 op hun beurt weer besmette rechtshandelingen zijn in de zin van art. 10a(1)(c) Wet Vpb. Het geval van [M] SpA daarentegen zou in een binnenlands geval van voeging niet worden getroffen door art. 10a Wet Vpb, zodat de belanghebbende op grond van EU-recht de aan US Inc en Luxco verschuldigde rente kan aftrekken voor zover de leningen zien op [M] SpA. Wat de overige - ook na denkbeeldige voeging nog steeds besmette - rechtshandelingen betreft, heeft de belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de rente zowel op de lening van US Inc aan de belanghebbende als op de lening van Luxco aan BV 2 en BV 3 materieel verschuldigd was aan derden, zodat tegenbewijs ex art. 10a(3)(a) Wet Vpb is geleverd (zie HR
BNB2017/156). Valutaverschil acht het Hof niet relevant bij de beoordeling van parallellie tussen interne en externe financiering, zoals de Staatssecretaris ook uitdraagt. [2] Een hybride tussenschakel zoals de belanghebbende doet evenmin afbreuk aan schuldparallellie, evenmin als de enkele vervanging van de ene interne lening door de andere, als de interne leningen maar steeds te herleiden zijn tot de externe lening.
Ministerstelt
principaalvier cassatiemiddelen voor:
BNB1989/217, en (b) handelingen in antifiscaal concernbelang ziet als handelingen met het oog op de zakelijke belangen van belanghebbendes eigen onderneming.
Bosal-gat als voldoende verklaring gezien voor het fiscale voordeel uit de financieringsomleidingen langs Nederland, nu het in wezen om een antifiscale holdingconstructie gaat zoals mislukt in HR
BNB1989/217, en in zo’n geval doet het onderscheid tussen eigen en aangekochte winsten minder ter zake.
iddel (iii): art. 49 VwEU Pro is geschonden doordat het Hof ten onrechte, met name in strijd met de HvJ-arresten
T Danmarke.a. (C-116/16 en C-117/16), beroep op die bepaling heeft gehonoreerd zonder te onderzoeken of de
triple dipconstructie van belanghebbendes concern gericht is op oneigenlijk belastingvoordeel.
belanghebbendestelt, als onderdeel b of c van principaal cassatiemiddel (iv) tot cassatie leidt,
voorwaardelijk incidenteelcassatieberoep in, inhoudende dat:
BNB2019/17 volgt dat de vergelijking met werkelijke voeging niet wordt doorgevoerd tot andere elementen van de hypothetische voeging van de buitenlandse dochter. Besmette rechtshandelingen door een niet-ingezeten groepsvennootschap vallen volgens haar overigens hoe dan ook buiten art. 10a Wet Vpb omdat geen sprake is van Nederlandse grondslaguitholling;
overzichtelijk te houden, merk ik het volgende op. Uit het dossier maak ik op dat op één na alle art. 10a-rechtshandelingen (externe maar vooral interne overnames) vóór 2009 hebben plaatsgevonden, en dat SA 3 in mei 2009 is verworven, dus eveneens vóór de herfinanciering in juni 2009. Ik maak er verder uit op dat de fiscus tot juni 2009 de aftrek van de rente op de financiering van die rechtshandelingen (de
ECF-leningen) heeft aanvaard. De aftrek is kennelijk pas vanaf juni 2009 geweigerd, toen de
ECF-financiering werd vervangen door de eveneens externe obligatielening uitgegeven door de gelieerde Luxco en aanvankelijk omgeleid langs US Inc. In grote lijnen zijn in juni 2009 dus twee dingen veranderd: (i) tussen de externe financiering en de belanghebbende werd Luxco geplaatst en (ii) tussen Luxco en de belanghebbende werd US Inc geplaatst, waarbij de belanghebbende
checkedwerd als fiscaal transparant in de VS. Kennelijk veranderden noch de omvang van de externe financiering, noch hetgeen ermee werd gefinancierd wezenlijk. De vraag rijst daardoor waarom renteaftrek vanaf juni 2009 (wél) werd geweigerd. Ik maak uit het dossier op dat de fiscus vanaf de tussenschuiving van Luxco in juni 2009 art. 10a Wet Vpb van toepassing achtte (tot die tijd werd rechtstreeks extern geleend onder de
ECF) en zich realiseerde dat door de tussenschuiving van US Inc, de
box checkvan de belanghebbende, de bestaande tussenschuiving van de SNC en dier hybride karakter, de in Nederland afgetrokken rente ook in de VS en ook in Frankrijk werd afgetrokken.
doubleof
triple dip) ertoe dat aftrek in Nederland
fraus legisoplevert? (ii) leiden de tussenschuivingen/herfinancieringen vanaf juni 2009 ertoe dat art. 10a Wet Vpb in de weg komt te staan aan de voorheen aanvaardbare aftrek? Het antwoord op vraag (i) luidt mijns inziens ontkennend, gegeven het
Australische-RPS-arrest HR
BNB2014/79 en het financieringsvrijheidsarrest HR
BNB2016/197 (Italiaanse telecom): het was in 2009 en 2010 op zichzelf niet in strijd met doel en strekking van de Nederlandse belastingwet dat de belastingplichtige een internationale
mismatchconstrueerde, tenzij de rentelast ook los van die internationale
mismatch, dus op zichzelf al, gekunsteld zou samenhangen met een lening(-omweg) die geen reële functie in de ondernemingsfinanciering van het concern vervult. Ook het antwoord op vraag (ii) luidt volgens mij ontkennend - ook los van eventuele toepassing van EU-recht en ook als de gefinancierde en na denkbeeldige voeging nog zichtbare rechtshandelingen besmet zijn - mits op basis van art. 10a(3)(a) Wet Vpb bewijs wordt geleverd van voldoende parallellie tussen de door Luxco uitgegeven publieke obligatielening en de interne leningen waarop de omstreden rente werd betaald.
BNB2016/197 (Italiaanse telecom) en
Bosalgat-arrest HR
BNB2017/162 (
Crédit Suisse), en ad (ii) geoordeeld dat voldoende schuldparallellie aannemelijk is gemaakt. Mede gezien uw Australische-RPS-arrest HR
BNB2014/79 lijken mij beide oordelen gebaseerd op correcte rechtskundige maatstaven. Voor het overige gaat het mijns inziens om feitelijke en daarmee in cassatie onaantastbare, want voldoende gemotiveerde oordelen.
principaal middel (i):niet in geschil is dat de voorwaarden van de leningen
at arm’s lengthzijn. Dan speelt art. 8b Wet Vpb mijns inziens geen rol. Uit HR
BNB2016/197 (Italiaanse Telecom) volgt dat belastingplichtigen vrij zijn in hun keuze van financiering van hun deelnemingen en ook de vrijheid hebben om (financiële) middelen onder te brengen in een Nederlands groepsvennootschap, ook om fiscale redenen. Die vrijheid wordt slechts beperkt door art. 10a Wet Vpb en bij
fraus legisen onttrekkingen (bevoordeling van aandeelhouder(s) als zodanig). Met het Hof meen ik dat onderlinge handelingen van groepsvennootschappen in (mogelijk verwerpelijk antifiscaal) concernbelang geen bevrediging is van de privébehoeften van aandeelhouders aan renpaarden, Cessnas of Bentleys (zie bijvoorbeeld HR
BNB2002/290), zodat de leningen niet zijn aangetrokken op grond van onzakelijke (in de zin van aandeelhouders)motieven en ook art. 8 Wet Pro Vpb dus niet is geschonden.
principaal middel (iv)meen ik dat het Hof kon oordelen dat art. 10a Wet Vpb de renteaftrek evenmin beperkt. Uit HR
BNB2017/156 volgt dat als een verbonden schuld in feite is verschuldigd aan een derde, het tegenbewijs ex art. 10a(3)(a) Wet Vpb is geleverd. Bij de vraag of voldoende schuldparallellie bestaat, moeten de looptijden, aflossingsschema’s, rentevergoedingen, leningomvang en tijdstippen van aangaan in samenhang worden bezien en dat heeft het Hof gedaan. Uit HR
BNB2019/98 volgt dat het antwoord op die vraag voor het overige een oordeel over feiten is waar u in beginsel vanaf blijft, en dat ook slechts boekhoudkundige dekking van de interne door de externe lening voldoende tegenbewijs kan zijn. Het Hof heeft de juiste rechtskundige maatstaf toegepast en zijn voor het overige feitelijke parallellie-oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Principaal middel (ii)is in wezen een beroep op
fraus legis(de fiscus ziet een antifiscale holdingconstructie), zodat de vraag rijst of daarvoor nog ruimte is als (a) beroep op art. 10a Wet Vpb faalt wegens voldoende schuldparallellie, (b) mede fiscaal gestuurde concern-financiering via Nederland op zichzelf geen misbruik is (HR
BNB2016/197; Italiaanse telecom) en (c) het
Bosalgat moet worden aanvaard als onderdeel van het systeem van de Wet Vpb (HR
BNB2017/162;
Crédit Suisse). Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat de rentelasten niet worden afgezet tegen gekochte winsten. Niet gesteld is dat bij de uiteindelijke renteontvanger oneigenlijke fiscaal verlies is opgehoopt. ’s Hofs oordeel dat voldoende schuldparallellie bestaat, impliceert dat uiteindelijk voldoende over de rente wordt geheven c.q. dat de vraag naar compenserende heffing niet meer ter zake doet. Daarin ligt besloten het niet-onbegrijpelijke oordeel dat de belanghebbende het
Bosalgat niet naar eigen inzicht kon oppompen. Het Hof heeft verder feitelijk geoordeeld dat geen sprake is van – kort gezegd – flauwekulleningen zonder redelijke niet-fiscale grond, zodat de leningen kennelijk niet vergelijkbaar zijn met de schuldig gebleven koopsom in de door de fiscus bedoelde holdingconstructie in HR
BNB1989/217, die geen enkele ondernemingsfinancieringsfunctie had en niets veranderde aan vermogensverhoudingen en zeggenschap. Gegeven tenslotte dat in Nederland wezenlijk dezelfde renteaftrek al bestond in 2006 t/m 2008 voordat de financiering in juni 2009 werd omgeleid langs Luxemburg en de VS om (ook)
dipsbuiten Nederland te creëren én dat ’s Hofs parallellie-oordeel mijns inziens in cassatie stand houdt, lijkt mij dat het Hof niet anders kon dan constateren dat de overwegende verklaring voor belanghebbendes voordeel zit in het - ten onrechte door het HvJ veroorzaakte -
Bosalgat.
principaal middel (iii): zou art. 10a Wet Vpb of
fraus legiswél aan renteaftrek in de weg staan, dan meen ik met de Minister dat beroep op de EU-verkeersvrijheden faalt. Uit HR
BNB2012/213 en HR
BNB2017/162 volgt dat antifiscaal misbruik niet beschermd wordt door de EU-verkeersvrijheden. Voor zover al sprake zou zijn van ongelijke behandeling - anders dan het HvJ meent, zijn fiscaal onderworpen personen niet vergelijkbaar met niet-onderworpen personen, en is onjuist zijn opmerkelijke veronderstelling in C-398/16 (Italiaanse telecom) dat Nederland winstdrainage grensoverschrijdend wel bestrijdt maar binnenslands zou laten lopen als een fiscale eenheid wordt aangegaan - wordt die gerechtvaardigd door de ook EU-rechtelijk beleden noodzaak om misbruik van recht te voorkomen. Principaal middel (iii) lijkt mij dus gegrond, maar leidt niet tot cassatie omdat mijns inziens art. 10a Wet Vpb noch
fraus legisde renteaftrek verhindert.
incidenteel middel (i)strandt omdat het Hof mijns inziens terecht bij denkbeeldige voeging van de niet-ingezeten deelnemingen vergeleken heeft met een binnenlandse fiscale eenheid; dan zijn volgens ’s Hofs vaststellingen nog steeds besmette rechtshandelingen zichtbaar. Ook
incidenteel middel (ii)mist volgens mij doel omdat het Hof bij de vraag of de belanghebbende redelijkerwijs uitlatingen van de inspecteur als toezegging van een bepaalde strekking kon opvatten, uw rechtspraak daarover niet heeft miskend, terwijl het voor het overige om een voldoende gemotiveerd oordeel over feiten gaat, waar u niet in treedt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
entity classification election, beter bekend als
check-the-box.
Euro Credit Facility(
ECF). BV 1 heeft dit bedrag in 2007 als agio gestort in BV 2, die het grootste deel als kapitaal heeft doorgestort in BV 3. BV 2 en BV 3 hebben de in totaal € 195 miljoen als kapitaal gestort in een nieuw opgerichte Ierse houdstervennootschap [Ltd 1] Ltd (Ltd 1), die daarmee de in Ierland gevestigde [Ltd 2] Ltd. (Ltd 2) heeft gekocht van een Britse groepsvennootschap voor £ 130.851.772,71.
cashpoolvan [A] bij [H] (
Pool). Die bankschuld is het restant van een financiering, in 1998 aangetrokken door SA 1 voor externe acquisities, en in 2004 geherfinancierd uit de
[H] Pool. BV 3 heeft op 6 februari 2008 € 65 miljoen geleend onder de
ECFen dat bedrag doorgeleend aan SNC. SNC heeft op 6 februari 2008 in totaal € 240 miljoen onder de
ECFgeleend in twee leningen: één van € 195 miljoen en één van € 45 miljoen. SNC heeft daarmee onder meer haar restschuld ad € 45 miljoen aan de
[H]afgelost.
ECF-lening en de € 65 miljoen geleend van BV 3) en € 5 miljoen additionele participatie. Uit die € 255 miljoen heeft BV 3 haar
ECF-schuld ad € 60 miljoen afgelost en op 7 februari 2008 € 195 miljoen uitgeleend aan BV 1, die daarmee eveneens in februari 2008 haar
ECF-schuld heeft aflost. BV 2 heeft op 7 februari 2008 de (kennelijk alle) aandelen in een Marokkaanse en een Tunesische entiteit aan SNC verkocht voor € 5.088.000.
ECFvoor (i) kapitaalstortingen in dochters in Noorwegen (€ 10 miljoen), Singapore (P.M.) en Zwitserland (P.M.), (ii) (externe) aankoop van [J] BV (€ 73,4 miljoen) en (interne) aankopen van [K] . Ltd. 1005 (€ 53.997.000) en [L] Ltd. (€ 13.568.000) en (iii) op 10 december 2008 (kennelijk eveneens interne) uitbreiding met 8,71% van haar via een transparante Spaanse SC gehouden belang van 86,96% in [M] SpA (€ 12.115.000).
ECFgeleend. Zij heeft dat bedrag onder dezelfde voorwaarden doorgeleend aan BV 3, die het onder dezelfde voorwaarden heeft doorgeleend aan SNC. SNC heeft daarmee haar eigen
ECF-schuld ad € 240 miljoen afgelost en het restant ad € 51 miljoen tegen schuldigerkenning doorgeleend aan haar dochter [SA 2] SA (nieuw) (SA 2) voor de acquisitie, op 25 mei 2009, van [SA 3] SA [3] (SA 3). SA 2 heeft die € 51 miljoen deels aan SNC afgelost met liquide middelen verkregen uit SA 3; het overige van SA 2’s schuld aan SNC is omgezet in kapitaal.
hedge. US Inc heeft het geleende bedrag terug-omgewisseld in euro’s en op 1 juli 2009 € 482 miljoen aan de belanghebbende uitgeleend, die dat bedrag als kapitaal heeft gestort in haar gevoegde middellijke dochter [BV 5] BV (BV 5), waardoor zij een direct belang van 99,996% in BV 5 kreeg. BV 5 heeft uit deze storting twee leningen verstrekt binnen de fiscale eenheid: € 191 miljoen aan BV 2 en € 291 miljoen aan BV 3. BV 2 en BV 3 hebben daarmee hun
ECF-schuld respectievelijk schuld aan Luxco afgelost. Luxco heeft op 1 juli 2009 haar
ECF-schuld afgelost.
ECFen daarmee hun schulden aan BV 5 afgelost. BV 5 heeft de netto rentebaten als dividend uitgekeerd en voor € 482 miljoen kapitaal terugbetaald aan de belanghebbende, die nog steeds op 14 december 2010 haar schuld aan US Inc heeft afgelost inclusief openstaande rente. US Inc heeft, nog steeds op 14 december 2010, haar schuld aan Luxco afgelost. Luxco heeft, nog steeds op 14 december 2010, de
hedgeafgewikkeld en € 191 miljoen uitgeleend aan BV 2 en € 291 miljoen aan BV 3.
Groupe Stéria); (iv) zo ja, of aftrek dan toch geweigerd kan worden wegens
fraus legis; en (v) of het vertrouwensbeginsel wordt geschonden als geen aftrek wordt toegestaan.
Groupe Stéria-arrest van het HvJ EU over de mogelijkheid voor belastingplichtigen om zich op alleen onderdelen van het fiscale-eenheidsregime te beroepen in grensoverschrijdende situaties. Voor zover de verwerving van deelnemingen is geherfinancierd met de US Inc lening en die deelnemingen bij binnenlandse vestiging gevoegd hadden kunnen worden, is de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb bij de huidige stand van de rechtspraak van het HvJ niet verenigbaar met EU-recht, aldus de Rechtbank.
BNB2017/156 betekent dit dat aan de dubbele zakelijkheidstoets van art. 10a(3)(a) Wet Vpb is voldaan en de renteaftrek niet wordt beperkt door art. 10a Wet Vpb.
fraus legisoverwoog de Rechtbank op basis van HR
BNB2017/162 dat zich in een geval als dit alleen strijd met doel en strekking van de Wet Vpb voordoet voor zover de rente wordt afgezet tegen gekochte winsten, hetgeen niet het geval is. Dat de rente ook bij de SNC in Frankrijk aftrekbaar is, levert geen strijd met doel en strekking van de Nederlandse belastingwet op omdat in zoverre slechts gebruik wordt gemaakt van het
Bosal-gat, hetgeen volgens HR
BNB2017/162 niet in strijd is met doel en strekking van het stelsel van de Wet Vpb.
BNB2016/197 (Italiaanse telecom) volgt dat een belastingplichtige keuzevrijheid heeft bij de financiering van een deelneming en ook vrij is om haar economische belangen en (financiële) middelen onder te brengen in een in Nederland gevestigde vennootschap, ook als die keuze wordt bepaald door fiscale overwegingen. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aangetrokken financiering elke redelijke grond ontbeert. Belanghebbendes handelen in concernbelang moet volgens het Hof gezien worden als handelen met het oog op de zakelijke belangen van haar eigen onderneming; het kan niet worden gelijkgesteld met bevrediging van persoonlijke behoeften van een aandeelhouder zoals bedoeld in HR
BNB2002/290 (Renpaarden).
BNB2017/162 dat – buiten gevallen van gecreëerde rentelasten tegenover ‘gekochte’ winst – moet worden aanvaard dat het gebruiken van het
Bosal-gat niet in strijd is met het systeem van de Wet Vpb. Het
Bosal-gat is volgens het Hof ook bij de litigieuze financieringsomleidingen langs Nederland de verklaring voor belanghebbendes renteaftrekvoordeel. Nu vast staat dat geen rente is afgezet tegen ‘gekochte’ winsten maar alleen tegen eigen operationele winsten van de eenheid, ziet het Hof geen ruimte voor toepassing van
fraus legis.
Groupe Stéria. Het Hof stelt vast dat het HvJ in de Italiaanse telecomzaak (gevoegde zaken C-398/16 (Italiaanse telecom) en C-399/16 (
X BV en N BV, BNB 2018/92; eindarrest HR
BNB2019/17)) een beperking van de vestigingsvrijheid slechts door de noodzaak van misbruikbestrijding gerechtvaardigd acht als die beperking specifiek dat misbruik beoogt te verijdelen, waarvan in die zaak geen sprake was omdat het verschil in renteaftrek tussen interne en grensoverschrijdende gevallen niet slechts voortvloeide uit art. 10a Wet Vpb, maar mede uit art. 15 Wet Pro Vpb, dat geen antimisbruikdoel heeft, zodat renteaftrek niet kon worden geweigerd op basis van misbruikbestrijding. Het HvJ-arrest
T Danmarken
Y Denmark Asp., gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, doet daar volgens het Hof niet aan af omdat die zaak niet ging over misbruikbestrijding als rechtvaardiging voor een vestigingsvrijheidsbeperking.
BNB2019/17 leidt het Hof af dat een ingezeten moeder met ingezeten dochter, die gevoegd kan worden, en een ingezeten moeder met niet-ingezeten dochter, die niet gevoegd kan worden, moeten worden vergeleken uitgaande van een geheel interne situatie, zodat onderzocht moet worden of (i) de niet-ingezeten dochter, indien binnenlands gevestigd, gevoegd had kunnen worden, en (ii) de gelieerde lening door die niet-ingezeten dochter voor een besmette rechtshandeling zoals bedoeld in art. 10a Wet Vpb is gebruikt. Het Hof verwerpt dus belanghebbendes stelling dat niet ter zake zou doen of de virtueel gevoegde niet-ingezeten vennootschap zelf ook weer besmette rechtshandelingen heeft verricht. Het Hof acht aannemelijk dat Ltd 1, SA 2 en SpA, indien binnenslands gevestigd, gevoegd hadden kunnen worden. Niettemin faalt belanghebbendes beroep op EU-recht voor wat betreft de (i) kapitaalstorting in Ltd 1, (ii) de lening aan/kapitaalstorting in SA 2 en (iii) de aflossing aan de
[H] pool, omdat de verwerving van Ltd 2, de externe verwerving van SA 3 en de acquisities door SA 1 op hun beurt besmette rechtshandelingen waren, die niet konden worden ontsmet door de verworven deelnemingen na verwerving te voegen.
fraus legisbestreden zou worden, acht het Hof onvoldoende om te oordelen dat de rente niet in aftrek zou zijn toegelaten, zodat hij de aan US Inc en Luxco verschuldigde rente aftrekbaar acht voor zover betaald op leningen die zien op de SpA.
[H] pool). Dat is niet het geval als de interne financiering parallel loopt aan externe inlening. Het Hof heeft die parallellie onderzocht veronderstellende dat de litigieuze leningen volledig verband houden met besmette rechtshandelingen. De belanghebbende heeft volgens het Hof het door art. 10a(3)(a) Wet Vpb vereiste tegenbewijs geleverd door aannemelijk te maken dat de rente op zowel haar schuld aan US Inc als die op de schulden van BV 2 en BV 3 aan Luxco materieel verschuldigd was aan derden volgens de maatstaf van HR
BNB2017/156. Het Hof acht verschil in valuta tussen de interne en de externe lening voor de parallellie niet relevant, zoals de Staatssecretaris ook zelf uitdraagt. [6] Ook een hybride schakel in de financieringsketen neemt volgens het Hof de parallellie niet weg. Evenmin gaat door de enkele vervanging van de ene door de andere interne lening het verband met de externe obligatielening verloren, zolang de interne leningen maar steeds te herleiden zijn tot de externe lening.
3.Het geding in cassatie
BNB2016/197 (Italiaanse telecom) kan zijns inziens niet worden opgevat als willekeurvrijheid en kan niet worden gebruikt om in Nederland om antifiscale redenen met onzakelijke rechtshandelingen een rentelast te creëren, zoals in casu. ’s Hofs oordeel is daardoor onverenigbaar met HR
BNB1989/217.
arm’s lengthbeginsel van art. 8b Wet Vpb (ook) van belang is of de onderdelen van een concern hun eigen zakelijke belangen dienen. Hij acht het niet zakelijk dat een Nederlandse vennootschap via onzakelijke rechtshandelingen Nederlandse belasting ontwijkt om dat fiscale voordeel aan het concern ten goede te doen komen. De Minister wijst op de annotatie van Van Sonderen bij HR
BNB2015/165 (Mauritius) tot steun van zijn opvatting dat het niet in het systeem van de Wet Vpb past om rentelasten op concernfinanciering in aftrek toe te laten die binnen het concern kunstmatig en enkel om antifiscale redenen zijn omgeleid langs onder meer Nederland.
Bosal-gat bij de omleidingen via Nederlandse vennootschappen een voldoende verklaring voor het door de belanghebbende genoten fiscale voordeel acht. Het Hof heeft zijn inziens HR
BNB2017/162 (r.o. 3.2.3.5) verkeerd uitgelegd door ervan uit te gaan dat elke constructie waarbij rentelasten tegenover
niet-gekochte, dus
eigenwinsten worden gezet steeds in overeenstemming met doel en strekking van de wet zou zijn. HR
BNB2017/162 betrof aankoop van winstvennootschappen, terwijl in casu helemaal geen sprake is van (externe) aankoop, zodat het onderscheid tussen ‘eigen’ en ‘gekochte’ winsten irrelevant is. In casu wordt het
Bosal-gat veroorzaakt door louter interne verhangingen, die de Minister vergelijkbaar acht met de frauslegiaanse holdingconstructie in HR
BNB1989/217.
triple dipconstructie wezenlijk slechts gericht is op belastingvoordeel. Het gaat om de vraag of de specifieke feiten en omstandigheden zo zijn dat het algemene EU-rechtelijke verbod van misbruik van recht een beroep op de vestigingsvrijheid uitsluit. Het HvJ heeft zijns inziens in de
T Danmarkarresten [7] geoordeeld dat het Unierecht een algemeen rechtsbeginsel omvat volgens hetwelk justitiabelen zich niet tot steun voor fraude of misbruik kunnen beroepen op het Unierecht.
BNB2019/98, r.o. 4.2.1. De Minister meent overigens dat schuldparallellie pas aan de orde kan zijn als de belanghebbende eerst een reële financieringsbehoefte aannemelijk maakt, zodat die parallellie in beginsel alleen onderdeel van de zakelijkheidstoets is bij externe acquisities; hij verwijst daartoe naar de conclusie van A-G Wattel van 6 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1358, onderdeel 6.12.
BNB2002/290 (Renpaarden) vast staat dat kosten gemaakt door een vennootschap aftrekbaar zijn, tenzij een wettelijke bepaling zich daartegen verzet. Niet betwist is dat de gedane investeringen
at arm’s lengthzijn gefinancierd. De ingeleende gelden zijn door het concern voor zakelijke doelen gebruikt. Door de Nederlandse concern vennootschappen is altijd extern geleend. De door de Staatssecretaris gestelde internationale
mismatcheszijn een gevolg van kwalificatie-verschillen die de Nederlandse heffing niet raken (HR
BNB2006/82). Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de belanghebbende in het concernbelang heeft gehandeld en dat dat gezien moet worden als handelen met het oog op de zakelijke belangen van haar onderneming. Fiscaalrechtelijk bestaat de vrijheid om binnen een concern de financiering zo in te richten als gewenst, en HR
BNB2002/210 bevestigt dat een beperking van de vrijheid alleen in uitzonderlijke situaties gerechtvaardigd kan zijn.
Ad middel (i) sub (b)acht de belanghebbende correct ’s Hofs oordeel dat ook vanuit de belanghebbende zelf bezien, haar handelen niet van redelijke grond is ontbloot. Uit HR
BNB2016/197 (Italiaanse telecom) volgt dat handelen in het belang van het concern kan gelden als handelen met het oog op de zakelijke belangen van de eigen onderneming, zodat op Nederlands niveau zakelijk wordt gehandeld. Er bestaat geen discussie over de zakelijkheid van de tussen de betrokken concernvennootschappen overeengekomen voorwaarden en er is geen schuld gecreëerd.
BNB2017/162, waaruit haars inziens volgt dat gebruik maken van het
Bosal-gat slechts onaanvaardbaar is voor zover met het doorslaggevende oogmerk van belastingverijdeling een rentaftrek wordt gecreëerd die in strijd is met het stelsel van de Wet Vpb, en dat daarvan sprake is als rentelasten worden gecreëerd en verrekend met aangekochte winsten. Daarvan is in casu geen sprake. Volgens de belanghebbende kan in casu niet toegekomen worden aan
fraus legisomdat de renteaftrek duidelijk onder art. 10a Wet Vpb valt, voldoende tegenbewijs is geleverd in de zin van art. 10a(3) Wet Vpb en er niet om art. 10a Wet Vpb heen is gestructureerd. HR
BNB1989/217 is gewezen vóór invoering van art. 10a Wet Vpb en die bepaling is onder meer een codificatie van dat arrest. Anders dan in HR 1989/217 bestaat in belanghebbendes zaak wél een reële financieringsbehoefte en zijn er wél reële economische transacties. De inspecteur, op wie de bewijslast rust, heeft niet aangegeven welke specifieke rechtshandelingen in strijd zouden zijn met doel en strekking van de belastingwet.
T Danmarken
Y Denmark Asp. over weigering van EU-Moeder-dochterrichtlijnvoordelen gaat, terwijl het in haar zaak gaat om een beroep op de vrijheid van vestiging. Zou al sprake zijn van misbruik, dan neemt dat volgens de rechtspraak van HvJ EU niet de toegang tot de vrijheid van vestiging weg. De belanghebbende wijst op zaak C-417/10,
3M Italia Spa, ECLI:EU:C:2012:184, die volgens haar vergelijkbare problematiek betrof en inhield dat het EU-recht geen algemeen beginsel kent dat lidstaten verplicht om misbruik op het gebied van de directe belastingen te bestrijden en zich evenmin verzet tegen toepassing van een gunstige nationale bepaling als de belastbare handeling op misbruik berust. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat bij beroep op de vestigingsvrijheid misbruik alleen aan de orde komt als mogelijke rechtvaardigingsgrond. Uit HR
BNB2019/17 (Italiaanse telecom, eindarrest na HvJ
X BV en X NV) volgt dat een verschil in renteaftrekmogelijkheden niet kan worden gerechtvaardigd door de doelstelling van misbruikbestrijding.
BNB2019/98 voorschrijft, is onjuist, omdat HR
BNB2019/98 verwijst naar het toetsingskader opgenomen in HR
BNB2017/162 en het Hof heeft juist met dat toetsingskader de schuldparallellie beoordeeld. De stelling dat parallellie alleen van belang is bij externe acquisities is onjuist. De belanghebbende wijst op de parlementaire geschiedenis van art. 10a Wet Vpb [8] , de literatuur [9] en het besluit van 23 december 2005, nr. CPP2005/2662M,
BNB2006/90. Ook de stelling dat het verband tussen de externe lening en de interne financiering, voor zover het überhaupt heeft bestaan, in elk geval verloren is gegaan vanaf de herfinanciering op 14 december 2010, acht de belanghebbende onjuist.
incidenteel middel (i)is art. 49 VwEU Pro geschonden doordat het Hof ten onrechte de per-elementbenadering afwijst bij (i) de kapitaalstorting in Ltd 1, (ii) de lening aan en kapitaalstorting in SA 2 en (iii) de
[H] -pool, nu ook bij ‘virtueel gevoegde’ dochters, net als bij binnenlandse gevoegde dochters, niet ter zake doet of de kapitaalstortingen/leningen zijn gebruikt voor rechtshandelingen die
stand alonebesmet zouden zijn. Uit HR
BNB2019/17 volgt immers dat de vergelijking met een echte voeging niet wordt doorgevoerd naar andere elementen van de hypothetische situatie waarin de buitenlandse dochter zou zijn gevoegd in een fiscale eenheid. Besmette rechtshandelingen door een buitenlandse groepsvennootschap vallen volgens de belanghebbende overigens per definitie buiten art. 10a Wet Vpb omdat daarmee geen Nederlandse grondslag wordt uitgehold.
BNB2019/17 verkeerd en onvolledig citeert, nu uit de niet-geciteerde tweede volzin van r.o. 2.4.2 slechts volgt dat de
Groupe Steria-rechtspraak van het HvJ geen vaste inrichting doet ontstaan waarop de objectvrijstelling van toepassing is. Het Hof heeft wel degelijk een juiste maatstaf aangelegd door bij de vergelijking met een binnenlandse voeging niet de fiscale winst van de virtueel te voegen buitenlandse dochter te betrekken, maar wel de gevolgen van denkbeeldige voeging voor het art. 10a(1) Wet Vpb-verband te betrekken. R.o. 2.4.2. van HR
BNB2019/17 sluit niet uit dat van belang blijft of de virtueel gevoegde vennootschappen zelf besmette rechtshandelingen hebben verricht. Ook in een puur binnenlandse situatie zou dat worden onderzocht. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat internationale concerns besmette rechtshandelingen kunnen laten verrichten door een buitenlandse groepsvennootschap en daarmee, anders dan binnenlandse vennootschappen, art. 10a Wet Vpb kunnen uitschakelen. Ook besmette rechtshandelingen door buitenlandse groepsvennootschappen, zoals in casu, hebben Nederlandse grondslag-uitholling tot gevolg.
BNB2016/197 onjuist uitgelegd en miskent de belanghebbende dat de financieringsvrijheid binnen het systeem van de wet grenzen kent. Die grenzen blijken uit HR
BNB1989/217 en gelden ook als de gefinancierde rechtshandelingen zakelijk zouden zijn (HR
BNB2017/162, r.o.3.2.3.5) en onafhankelijk van de vraag of die rechtshandelingen vanuit het concern bezien met eigen of vreemd vermogen zijn gefinancierd (HR
BNB2015/165). De belanghebbende heeft niet bewezen dat de financiering een ondernemingsbeslissing was. Anders dan in HR
BNB2017/162 vindt in casu geen effectieve heffing over litigieuze rentebaten plaats.
3M Italia SpA, waarnaar belanghebbende verwijst, is achterhaald door de HvJ-arrest
T Danmarken
Y Denmark Asp., C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 en verplicht tot toepassing van het ook in de litigieuze jaren al bestaande leerstuk
fraus legis, dus om de belanghebbende beroep op EU-recht te ontzeggen.
fraus legis, ook als art. 10a Wet Vpb strikt genomen niet van toepassing is, maar diens norm wordt geschonden. Het Hof heeft zich bij de toepassing van art. 10a Wet Vpb en
fraus legisten onrechte vooral gericht op de strikt juridische context en te weinig op beoordeling van het geheel van alle rechtshandelingen, dat op gekunstelde belasting-ontwijking wijst, mede gegeven dat geen sprake is van compenserende heffing. Het Hof had bij die toepassing van art. 10a Wet Vpb en
fraus legismoeten nagaan of commercieel zinloze tussenstappen zijn genomen.
BNB2016/197 een concern keuzevrijheid heeft bij de wijze van financiering van een deelneming en dat fiscale redenen voor de inschakeling van een Nederlandse vennootschap niet van belang is voor de beoordeling van de beweegredenen in het kader van art. 10a(3)(a) Wet Vpb. Zij herhaalt ook dat internationale
mismatchesniet bestreden worden door art. 10a Wet Vpb en geen
fraus legiszijn. Ten slotte herhaalt zij dat de (uiteindelijke) rentebaten wel degelijk in de heffing zijn betrokken.
BNB2016/197 onjuist zou hebben uitgelegd, valt volgens de belanghebbende buiten de rechtsstrijd in cassatie en is op z’n minst gemengd feitelijk en juridisch. Volgens de belanghebbende zijn ook de vennootschappen die (indirect) onder US Inc vallen onderdeel van hetzelfde concern als de belanghebbende. Zij herhaalt dat haar geval niet vergelijkbaar is met HR
BNB1989/217 omdat zich in haar geval wél een reële financieringsbehoefte voordoet en wél sprake is van reële economische transacties. De stelling van de Staatssecretaris dat, anders dan in HR
BNB2017/162, de litigieuze rentebate niet effectief belast zou zijn, is onjuist en overigens irrelevant voor de beantwoording van de vraag of voldaan wordt aan de dubbele zakelijkheidstoets van art. 10a(3)(a) Wet Vpb.
T Danmarken
Y Denmark Asp., C-116/16 en C-117/16, niet relevant zijn omdat de vraag niet is of misbruikelijk beroep op de EU-Moeder-dochterrichtlijn wordt gedaan, maar of de vrijheid van vestiging wordt belemmerd. Uit
T Danmarken
Y Denmark Asp. blijkt niet dat
3M Italia Spais achterhaald en evenmin dat aan de nationale rechter de verplichting wordt opgelegd om misbruik te bestrijden. Zou zo’n verplichting al bestaan, dan geldt die voor de lidstaat, die toepassing van Unierechtelijke bepalingen moet weigeren als door middel van fraude of misbruik getracht wordt om een Unierechtelijk voordeel te verkrijgen.
BNB2016/197 om een commercieel zinloze tussenstap als
fraus legiste zien. Nu in casu niet kunstmatig om art. 10a Wet Vpb heen gestructureerd is, zijn de opmerkingen van de A-G Wattel daarover in diens conclusie van 31 januari 2020 in casu niet van belang. Van strijd met doel en strekking van de Wet Vpb kan geen sprake zijn omdat het tegenbewijs bedoeld in art. 10a(3) Wet Vpb is geleverd.
BNB2019/17 volgt dat voor de vraag of sprake is van strijd met EU-recht niet bij de ‘virtueel gevoegde’ dochtermaatschappijen hoeft te worden onderzocht waarvoor die het geld hebben gebruikt. Zij verwijst naar de noot van Marres in
BNB2019/17. Zij meent dat het HvJ EU niet gevoelig was voor het risico van
cherry pickingdat een per-elementbenadering van de fiscale eenheid mee zou kunnen brengen. Zou wel rekening worden gehouden met de rechtshandelingen verricht door de ‘virtueel gevoegde’ dochters, dan wordt volgens de belanghebbende in strijd met HvJ
Kolpinghuis Nijmegen(C-80/86) en het Nederlandse legaliteitsbeginsel (zie HR
BNB2003/122) een belastingplicht gecreëerd door toepassing van de EU-verdragsvrijheden.
T Danmarken
Y Denmark Asp. aan te halen. Uit r.o. 82 t/m 88 volgt dat ook nationale rechterlijke instanties verplicht zijn om zelfstandig te toetsen of het EU-recht wordt misbruikt.
4.Voor het overzicht
ECFgeleende, nog niet afgeloste bedrag ad € 482 miljoen extern geherfinancierd. De
ECF-opnamen waren gebruikt voor leningen aan en kapitaalstortingen in groepsvennootschappen voor externe maar vooral interne overnames. Door tussenschuiving van een in Nederland fiscaal transparante Franse SNC en tot december 2010 US Inc (die de belanghebbende in de VS heeft ge
checkedals fiscaal transparant) zijn fiscale
mismatchesgecreëerd waardoor belanghebbendes concern de kosten van de financiering van die overnames kennelijk drie keer kon aftrekken (
triple dip: aftrek in Frankrijk; geen
pick upin Nederland; aftrek in Nederland; geen
pick upin de VS; aftrek in de VS).
Bosal-gat te kunnen profiteren naast (dubbele) aftrek elders: de leningen zijn volgens de fiscus slechts om antifiscale redenen langs Nederland geleid. Hij acht de rente daarom niet aftrekbaar, omdat (i) de leningen daarmee op onzakelijke, nl. antifiscale gronden zijn verstrekt (uitsluitend om haar concern in staat te stellen belasting te ontwijken), zodat de art. 8 en Pro 8a Wet Vpb aftrek verhinderen, of (ii) de leningen en de daarmee gefinancierde besmette rechtshandelingen onder art. 10a Wet Vpb vallen, of (iii) belanghebbende(’s concern) in
fraudem legisheeft gehandeld, en (iv) geen toegang tot de EU-vrijheden bestaat omdat het EU-recht geen misbruikelijke praktijken dekt.
ECF-leningen) heeft aanvaard. [10] De aftrek is kennelijk pas vanaf juni 2009 geweigerd, toen de externe
ECF-financiering werd vervangen door de eveneens externe obligatielening uitgegeven door de gelieerde Luxco en aanvankelijk omgeleid langs US Inc.
checkedwerd als fiscaal transparant in de VS. Voor zover ik kan zien, wijzigden echter noch de omvang van de externe financiering, noch hetgeen ermee gefinancierd werd wezenlijk. De vraag rijst daardoor waarom de fiscus dan vanaf juni 2009 de renteaftrek (wél) ging weigeren. Heel duidelijk wordt mij dat niet uit de processtukken, maar ik neem aan dat de fiscus vanaf de tussenschuiving van Luxco in 2009 art. 10a Wet Vpb van toepassing achtte (tot die tijd werd rechtstreeks extern geleend onder de ECF) en zich bovendien realiseerde dat door (i) de tussenschuiving van US Inc, (ii) de
box checkvan de belanghebbende als transparant in de VS, (iii) de reeds bestaande tussenschuiving van de SNC en (iv) het hybride karakter van die SNC, de in Nederland afgetrokken rente ook in de VS en ook in Frankrijk werd afgetrokken, hetgeen de voor de hand liggende reactie opgeroepen zal hebben: aftrek is best, maar niet van rente die je ook elders al (twee keer) aftrekt.
doubleof
triple dip) ertoe dat renteaftrek in Nederland
fraus legisoplevert? (ii) leiden de tussenschuivingen/herfinancieringen vanaf juni 2009 ertoe dat art. 10a Wet Vpb in de weg komt te staan aan de renteaftrek? Het antwoord op vraag (i) luidt mijns inziens ontkennend, gegeven uw
Australische-RPS-arrest HR
BNB2014/79 en uw financieringsvrijheidsarrest HR
BNB2016/197 (Italiaanse telecom): het is op zichzelf niet in strijd met doel en strekking van de Nederlandse belastingwet dat de belastingplichtige een internationale
mismatchorganiseert als de rentelast niet samenhangt met een gekunstelde lening of omweg die geen reële – anders dan antifiscale – functie in de ondernemingsfinanciering van het concern vervult. Het antwoord op vraag (i) luidt eveneens ontkennend, ongeacht EU-recht (HvJ
Groupe Stéria) en ongeacht of ook de na denkbeeldige voeging van de buitenlandse dochters resulterende rechtshandelingen besmet zijn, mits het door art. 10a(3)(a) Wet Vpb vereiste bewijs wordt geleverd van voldoende parallellie tussen de door Luxco uitgegeven publieke obligatielening en de interne leningen waarop de litigieuze rente wordt betaald.
Bosalgatarrest HR
BNB2017/162 (
Crédit Suisse)en uw financieringsvrijheidsarrest HR
BNB2016/197 (Italiaanse telecom), en ad (ii) geoordeeld dat de belanghebbende voldoende schuldparallellie aannemelijk heeft gemaakt. Beide oordelen lijken mij gebaseerd op de juiste rechtskundige maatstaven en voor het overige feitelijk en daarmee in cassatie onaantastbaar, want niet onvoldoende gemotiveerd, al is de fiscus begrijpelijkerwijs niet overtuigd. Het lijkt ook mij maatschappelijk niet uit te leggen dat een wereldwijd concern in het holst van de staatsbudgettencrisis, die veroorzaakt werd door de noodzaak om onverantwoordelijke bedrijven overeind te houden, zijn enkelvoudige rentelasten drie keer aftrekt en nergens belasting betaalt, maar naar de toenmalige stand van het Nederlandse recht kan de Nederlandse rechter dat niet verhelpen, hetgeen de noodzaak van internationale regelgevende samenwerking onderstreept, zoals inmiddels onder meer resulterend in de EU ATAD 1 en 2, [11] die onder meer internationale
mismatcheszoals de litigieuze bestrijden.
arm’s lengthbeginsel dat voorschrijft dat intraconcerntransacties fiscaal worden verantwoord op basis van prijzen en voorwaarden die zouden zijn overeengekomen door vergelijkbare maar ongelieerde marktpartijen, zulks om een grote(re) mate van gelijkheid te bereiken in de fiscale behandeling van gelieerde en ongelieerde ondernemingen. [13]
at arm’s lengthzijn en dat (dus) ook geen sprake is van onzakelijke leningen in de zin van HR
BNB2012/37. [14] Ik zie dan niet welke rol art. 8b Wet Vpb nog zou kunnen spelen. Als de lening een antifiscale flauwekul-lening is, zoals de Staatssecretaris in wezen stelt, gaat het niet om de zakelijkheid of de onzakelijkheid van de voorwaarden van de transactie, maar om een als geheel frauslegiaanse rechtshandeling, waar art. 8b Wet Vpb mijns inziens niet op ziet. Daartegen zijn art. 10a Wet Vpb en het ongeschreven verbod van rechtsmisbruik (
fraus legis) gericht, waarover de andere middelen gaan.
Bosalgat, uitsluitend om dat gat (renteaftrek op deelnemingsfinanciering zonder daartegenoverstaande belastbaarheid van deelnemingsopbrengsten) antifiscaal te exploiteren, hoewel dezelfde rentekosten ook al in twee andere landen ten laste van de winst van het concern worden gebracht.
BNB2016/197 (Italiaanse telecom): in het systeem van de Wet Vpb ligt besloten ligt dat een belastingplichtige, ook een concern, keuzevrijheid heeft bij de financiering van deelnemingen én de vrijheid heeft om (financiële) middelen onder te brengen in een Nederlandse concernvennootschap, ook als die keuze fiscaal is gemotiveerd. Wel maakt art. 10a Wet Vpb een inbreuk op die vrijheid als een intraconcern-financieringsstructuur weliswaar uiteindelijk een zakelijk doel dient, maar de wijze van financiering onzakelijk (antifiscaal) gemotiveerd is:
fraus legis, financieringskeuzevrijheid geniet, alsmede de vrijheid om (financiële) middelen onder te brengen in een Nederlandse concernvennootschap. Het arrest is (dus) relevanter bij de principale middelen die zien op de toepassing van art. 10a Wet Vpb en
fraus legis
BNB2014/80 [16] opmerkt, kan op de ondernemingsbeleids- en financieringsvrijheid van een ondernemer en zijn aandeelhouder(s) alleen inbreuk worden gemaakt bij excessieve kosten die de persoonlijke behoeften van de ondernemer/aandeelhouder dienen. Gebruik maken van internationale
mismatchesmaakt rentekosten niet onzakelijk in de zin van art. 8 Wet Pro Vpb juncto art. 3.8 Wet IB:
Prêt participatifarrest en in de aanhangige zaak over de Australische Redeemable preference shares.”
BNB2002/290 (
Renpaarden). [17] Die zaak betrof een BV die een uitzendbureau in de metaalbranche exploiteerde en die kosten voor het houden van renpaarden en van hun deelname aan drafwedstrijden ten laste van de winst wilde brengen. U oordeelde dat uitgaven van een vennootschap slechts dan een zakelijk karakter missen als zij zijn gedaan tot bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s):
triple dipimpliceert mijns inziens niet dat de leningen persoonlijke behoeften van aandeelhouder bevredigden zoals in
Renpaarden(of in het
Cessna-arrest HR
BNB2002/210 [18] ). Met het Hof meen ik dat handelen in het fiscale concernbelang niet kan worden gelijkgesteld met het bevredigen van privébehoeften van aandeelhouders/natuurlijke personen die van Duindigt of turboprops houden. ’s Hofs oordeel dat de financiering niet elke redelijke grond ontbeert, lijkt mij feitelijk en niet onvoldoende gemotiveerd, nu de bewijslast dat zij die grond wél ontbeert, op de fiscus rust.
BNB1989/217 [19] (holdingconstructie;
fraus legis) lijkt mij niet accuraat in het kader van het zuiveren van de verhouding tussen deelneming en aandeelhouder van de invloed van privé-aandeelhoudersbehoeften. Die zaak betrof een BV die in december 1978 met van haar in Curaçao gevestigde aandeelhouder geleend geld de aandelen in een groepsvennootschap had gekocht. Vanaf 1 januari 1979 vormde de BV met die deelneming een fiscale eenheid, waardoor de naar Curaçao stromende rentelasten op de lening de fiscale winst van de deelneming draineerde. De inspecteur weigerde de renteaftrek. U overwoog:
fraus legis-arrest over een geval waarin in wezen niets gebeurde behalve een antifiscaal effect, volgt mijns inziens niet dat als een reële ondernemingsfinanciering zonder financieringsnoodzaak binnen een concern door Nederland wordt geleid, daarmee privébehoeften van bepaalde aandeelhouder(s) zouden worden bevredigd (dus dat sprake zou zijn van onttrekkingen; van een verkapt dividend dus). De verwijzing naar HR
BNB1989/217 hoort mijns inziens niet in middel (i), maar in middel (ii) thuis.
Mauritius-arrest HR
BNB2015/165. [20] Het onzakelijke van de ‘onzakelijke omleiding’ in die zaak zag op de dubbele zakelijkheidstoets in de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(a) Wet Vpb en niet op de
arm’s lengthstandaard van art. 8b Wet Vpb. Dat een financiering mogelijk om antifiscale redenen wordt omgeleid, zegt niet dat de voorwaarden van die financiering niet zakelijk in de zin van
arm’s lengthzijn. Zou het wél om een beprijzingsprobleem gaan, dan zou de fiscus in belanghebbendes geval zijn doel niet bereiken, want hij wil de prijs (de rente) immers niet corrigeren, maar helemaal schrappen. Dat is geen art. 8 of Pro 8b-argument, maar een beroep op
fraus legisof art. 10a Wet Vpb.
6.Principaal middel (iv): staat art. 10a Wet Vpb in de weg aan de renteaftrek?
4.2.2 Externe financiering; parallelliteit lening verbonden lichaam (en verbonden natuurlijke personen)
mismatches, gezien het doel van art. 10a Wet Vpb (voorkoming van
Nederlandsegrondslaguitholling) niet afdoen aan de
safe havenvan uiteindelijk externe inlening: [25]
mogelijk (cursivering JvS/FE)geen sprake (
is, JvS/FE) van in overwegende mate zakelijke overwegingen’.
BNB2017/156 (
Zustervennootschaparrest) [28] stelde u de keuzevrijheid van aandeelhouders om hun deelnemingen met eigen of vreemd vermogen te financieren voorop en leidde u uit dat uitgangspunt af dat de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb beperkt moet worden uitgelegd. Dat betekent dat als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat een schuld in feite is verschuldigd aan een derde, aan de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(a) Wet Vpb is voldaan: de zakelijkheid van de rechtshandeling hoefde volgens u bij voldoende schuldparallellie niet meer afzonderlijk aannemelijk gemaakt te worden. Bij de vraag wanneer voldoende schuldparallellie bestaat, moet in elk geval in samenhang gelet worden op de looptijden, aflossingsschema’s, rentevergoedingen, omvang en tijdstip van aangaan:
BNB 2014/79, en HR 5 juni 2015, nr. 14/00343, ECLI:NL:HR:2015:2167,
BNB 2015/165). Voor zover artikel 10a, lid 1, van de Wet, in samenhang gelezen met lid 3, letter a, van dat artikel, een inbreuk vormt op deze systematiek door het niet in aftrek toelaten van verschuldigde rente, moet deze regeling, mede gelet op de wetsgeschiedenis en de daarin gebruikte voorbeelden, beperkt worden uitgelegd.
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, blz. 20-21, en
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 8, blz. 27, zoals aangehaald in de uitspraak van het Hof onder 4.3.3.4 en in de conclusie van de Advocaat‑Generaal, in de onderdelen 4.4 en 4.6. Indien de belastingplichtige de feiten stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, die de conclusie rechtvaardigen dat een schuld die rechtens is verschuldigd aan een verbonden lichaam in feite is verschuldigd aan een derde, heeft die belastingplichtige voldaan aan de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, letter a, van de Wet. Dat geldt dan ten aanzien van zowel de schuld als de daarmee verband houdende rechtshandeling, zoals bedoeld in die bepaling. Evenals bij de toepassing van het eerste en het derde lid, letter b, van artikel 10a van de Wet moeten bij de beoordeling van de vraag of een dergelijk geval zich voordoet in ieder geval worden betrokken looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan van de leningen (vgl. HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, ECLI:NL:HR:2016:1350,
BNB 2016/197, rechtsoverweging 2.7.3). Het gaat om beoordeling van deze omstandigheden in onderlinge samenhang (zie de memorie van toelichting,
Kamerstukken II1995/96, 24 696, nr. 3, blz. 17-18, geciteerd in onderdeel 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).
BNB2017/156 kon volgens de regering tot ongewenste gevolgen leiden, [29] reden om art. 10a Wet Vpb aan te passen. Bij het Belastingplan 2018 is in art. 10a(3)(a) Wet Vpb toegevoegd dat aannemelijk gemaakt moet worden dat zakelijke redenen ten grondslag liggen aan de schuld en - ongeacht of zij in feite is verschuldigd aan een derde - ook aan de daarmee verband houdende rechtshandeling.
FED2017/123 op dat u met uw vijf parallelliecriteria (looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan) liberaler bent dan de Staatssecretaris in het Besluit van 25 maart 2013 en gaat vervolgens in op gevallen waarin een kwalificatieconflict leidt tot dubbele renteaftrek of aftrek zonder compenserende heffing. Hij meent dat art. 10a Wet Vpb die niet bestrijdt:
BNB2017/162 (
Crédit Suisse) [30] nog impliceerde dat slechts boekhoudkundige traceerbaarheid van de interne lening tot de externe lening (boekhoudkundige-dekkings-parallellie) onvoldoende tegenbewijs was in de zin van art. 10a(3)(a) Wet Vpb was, lijkt u in HR
BNB2019/98 [31] een dergelijke traceerbaarheidsparallellie wel voldoende tegenbewijs te achten. In HR
BNB2019/98 herhaalde u dat bij de beoordeling van schuldparallellie in elk geval looptijden, aflossingsschema’s, rentevergoedingen, omvang en tijdstip van aangaan in onderlinge samenhang moeten worden vergeleken. De feitenrechter had die maatstaf niet miskend en de toepassing ervan achtte u verweven met waardering van feiten die door u niet op juistheid kan worden getoetst. U preciseerde dat de verstrekte zekerheden bij de beoordeling van de parallellie niet van belang zijn:
BNB2017/156; PJW] laat die makkelijke weg toe en volgt zelf die weg.”
BNB2019/98 ten aanzien van de vraag of de schuld in feite is aangetrokken van een derde het volgende op: [33]
BNB2019/98 die de Staatssecretaris wenst, is door u niet overgenomen en dus kennelijk verworpen. Evenmin heeft u uit de Besluiten van de Staatssecretaris criteria als ‘fiscaalrechtelijke parallellie’ en afwezigheid van internationale
mismatchesovergenomen. Daarmee lijkt mij ’s Hofs parallellie-oordeel in cassatie onaantastbaar, tenzij u van de geciteerde rechtspraak zou willen terugkomen, hetgeen mij niet waarschijnlijk lijkt. U wilt parallelliebeoordelingen kennelijk aan de feitenrechter overlaten, die daarbij slechts blijk hoeft te geven van aandacht voor minstens de genoemde vijf leningkenmerken in onderlinge samenhang bezien. Meer hoeft niet. Dat een valutarisico bestaat, dat de financiering door hybride lichamen heen stroomt, dat de ene interne lening door een andere is vervangen en dat de belanghebbende voor haar eigen onderneming geen financieringsbehoefte had ter grootte van de uiteindelijk extern aangetrokken lening, hoefde het Hof op basis van uw rechtspraak niet te weerhouden van het aannemen van voldoende schuldparallellie.
7.Principaal middel (ii): fraus legis?
Bosal-gat het fiscale voordeel uit de financieringsgeleiding langs Nederlandse vennootschappen voldoende verklaart. Het gaat volgens de Staatssecretaris in wezen om een holdingconstructie zoals in HR
BNB1989/217.
fraus legis, zodat de vraag rijst of daarvoor nog ruimte is als een beroep op art. 10a Wet Vpb faalt doordat voldoende schuldparallellie bestaat, en bovendien (a) de financieringsvrijheid bedoeld in HR
BNB2016/197 (Italiaanse telecom) bestaat en (b) uit HR
BNB2017/162 (
Crédit Suisse) volgt dat het – mijns inziens ten onrechte door het HvJ EU veroorzaakte –
Bosalgat moet worden aanvaard als onderdeel van het systeem van de Wet Vpb. Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat de rentelasten niet kunstmatig worden afgezet tegen gekochte winsten zoals in HR
BNB2017/162 (
Crédit Suisse). Niet gesteld is dat bij de uiteindelijke ontvanger sprake is van oneigenlijk opgehoopte verliezen. ’s Hofs oordeel dat voldoende schuldparallellie bestaat, impliceert dat uiteindelijk voldoende over de rente wordt geheven c.q. dat compenserende heffing niet meer ter zake doet. In ‘s Hofs oordeel ligt daarmee besloten dat het
Bosalgat niet naar eigen inzicht kon worden opgepompt door de belanghebbende. Het Hof heeft bovendien feitelijk geoordeeld dat geen sprake is van – kort gezegd – flauwekul-leningen waaraan elke redelijke niet-fiscale grond ontbreekt, zodat de leningen kennelijk niet vergelijkbaar zijn met de schuldig gebleven koopsom in de door de Staatssecretaris bedoelde holdingconstructie in het boven (r.o. 5.10) geciteerde arrest HR
BNB1989/217, die geen enkele functie in de ondernemingsfinanciering had en niets wijzigde in vermogensposities en zeggenschapsverhoudingen. Dat kan van de litigieuze leningen niet gezegd worden: die veranderden in elk geval de vermogensposities.
dipsbuiten Nederland te creëren) én dat ’s Hofs parallellie-oordeel mijns inziens in cassatie stand houdt, lijkt mij dat het Hof niet anders kon dan constateren dat de overwegende verklaring voor belanghebbendes renteaftrekvoordeel zit in het – geheel ten onrechte door het HvJ EU veroorzaakte -
Bosalgat.
Bosalgat aanvaard moet worden en omdat HR
BNB2016/197 (Italiaanse telecom) financieringsvrijheid en onderbrenging van financieringsmiddelen in een Nederlandse concernvennootschap akkoord bevindt, is ook geen sprake van een samenstel van rechtshandelingen met een uiteindelijk zakelijk doel waarin een stap (omweg) zit die – buiten zijn anti-fiscale effect – overbodig is en tot willekeurige en voortdurende belastingverijdeling kan leiden, zoals in HR
BNB1996/4. [40] Anders gezegd: de belanghebbende kan het
Bosalgat niet naar eigen inzicht manipuleren, zoals de belanghebbende in HR
BNB2017/162 (
Crédit Suisse) dat wel kon.
mismatches) in de kwalificatie van geldverstrekkingen of van rechtsvormen tot strijd met doel en strekking van de Nederlandse belastingwet. HR
BNB2014/79 [41] betrof een in Nederland ontvangen vergoeding op door een Australische groepsvennootschap uitgegeven
redeemable preference shares(RPS) die in de plaats kwam van een vordering van onder meer de belanghebbende op die Australische vennootschap. De vergoeding op de RPS werd in Australië gezien als aftrekbare rente en in Nederland als vrijgesteld deelnemingsdividend. Dat door het kwalificatieverschil een
double dipontstond, leverde geen strijd met doel en strekking van de Nederlandse Wet Vpb op:
8.Principaal middel (iii) en incidenteel middel (i): de EU-vestigingsvrijheid
fraus legis. Middel (iii) komt mijns inziens daarom niet aan snee. Ik ga er niettemin op in voor het geval u er aan toekomt.
fraus legisde renteaftrek (wel) verhindert, dan meen ik met de Minister dat de EU-verkeersvrijheden dat niet anders maken. In de zaak HR
BNB2012/213 [42] overwoog u dat als renteaftrek niet wordt verhinderd door art. 10a Wet Vpb, aftrek alsnog verhinderd kan worden door
fraus legis, en bevestigde u HR
BNB2004/142, waarin u oordeelde dat bij de ontduiking van de nationale belastingwet niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op de EU-vrijheid van kapitaalverkeer:
Credit Suissezaken, HR
BNB2017/162, bevestigde u ’s Hofs oordeel dat geen beroep kan worden gedaan op de EU-verkeersvrijheden door een frauslegisaans handelende belastingplichtige:
fraus legisstrookt met de wijze waarop het HvJ EU antimisbruikrechtvaardigingen beoordeelt bij EU-vrijverkeersbelemmerende nationale maatregelen, gegeven uw arrest HR BNB 2013/137. [43] Overigens meen ik dat zich geen ongelijke behandeling voordoet van de grensoverschrijdende situatie (geen voeging mogelijk) en de interne situatie (voeging mogelijk): anders dan het HvJ kennelijk meent, zijn fiscaal onderworpen personen niet vergelijkbaar met niet-onderworpen personen en is onjuist zijn – curieuze - veronderstelling in HvJ C-398/16 (Italiaanse telecom,
BNB2018/92) dat Nederland grondslagerosie wél zou bestrijden in grensoverschrijdende gevallen maar niet zou bestrijden in binnenlandgevallen als een fiscale eenheid wordt aangegaan. Het HvJ had kennelijk niet door dat het door art. 10a Wet Vpb in dat geval bestreden misbruik zich (vrijwel) alleen grensoverschrijdend kon voordoen of geloofde niet dat het om misbruik ging (zie de onderdelen 1.9, 1.12, 1.13 en 1.14 van de conclusie voor HR
BNB2019/17). Principaal middel (iii) lijkt mij dus gegrond, maar het komt mijns inziens niet aan snee omdat helaas art. 10a Wet Vpb noch
fraus legisde renteaftrek verhinderen.
Groupe Stériaheeft afgewezen ter zake de renteaftrek op de leningen voorzover gebruikt voor de kapitaalstorting in Ltd 1, de lening aan/kapitaalstorting in SA 2 en de aflossing aan de
[H] -pool. Uit HR
BNB2019/17 volgt volgens de belanghebbende dat bij de op basis van
Groupe Stéria‘virtueel gevoegde’ niet-ingezeten dochters niet hoeft te worden onderzocht of zij de geldverstrekkingen hebben gebruikt voor besmette handelingen, nu uit dat arrest volgt dat de vergelijking met een binnenlandse fiscale eenheid niet zo ver wordt doorgevoerd dat een buitenlandse vaste inrichting wordt aangenomen na denkbeeldige voeging van een buitenlandse dochter. Bovendien zou volgens de belanghebbende bij niet-ingezeten dochters geen sprake kunnen zijn van Nederlandse grondslagerosie. Volgens mij wordt met deze argumentatie gepoogd van twee wallen te eten. Dat u in HR
BNB2019/17 – mijns inziens ten onrechte – geen vaste inrichting aannam bij de denkbeeldige voeging van niet-ingezeten dochters (waardoor de interne schuld – mijns inziens ten onrechte - niet aan die vaste inrichting gealloceerd werd) impliceert geenszins dat bij EU-rechtelijke denkbeeldige voeging niet relevant zou zijn wat de virtueel gevoegden met het geld hebben gedaan. Dat is immers bij geheel binnenlandse fiscale eenheden – waarmee vergeleken moet worden om de EU-rechtelijk vereiste nationale behandeling te geven - wel degelijk relevant. Met het Hof meen ik dat HR
BNB2019/17 niet meer betekent dan dat geen buitenlandse v.i. wordt aangenomen (denkelijk om toerekenings- en voorkomingscomplicaties te vermijden c.q. aan de wetgever over te laten), en dat voor het overige wel degelijk
nationalebehandeling wordt verleend, dus dezelfde behandeling die in een geheel binnenlands geval van (echte) voeging zou worden verleend, inclusief toepassing van art. 10a Wet Vpb op besmette rechtshandelingen van de gevoegden.
9.Voorwaardelijk incidenteel middel (ii): schending vertrouwensbeginsel?
contra legemontleend kan worden [44] correct toegepast, zoals met name de standaardarresten HR
BNB1979/311 [45] en HR
BNB1984/240 [46] en uw meest recente arrest HR ECLI:NL:HR:2020:1069. [47]