Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [...] /Staat) [23] , waarin onder meer het volgende werd overwogen:
NJ1997/341).
[...] /Staatheeft Asser betoogd dat art. 155 Rv Pro een voorschrift is waaraan het onmiddellijkheidsbeginsel ten grondslag ligt. [25] Ook De Groot meent dat het wettelijk voorschrift van art. 155 Rv Pro, inhoudende dat de uitspraak en daarmee de bewijswaardering zo veel mogelijk (mede) worden gedaan door de rechter ten overstaan van wie bewijs is bijgebracht, als uitvloeisel van dit onmiddellijkheidsbeginsel kan worden beschouwd. [26] Overigens is volgens De Groot het onmiddellijkheidsbeginsel niet absoluut en kent het EHRM aan de burgerlijke rechter de nodige speling toe bij de naleving van de eis van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro, omdat in burgerlijke zaken geen voorschriften gelden zoals die van de leden 2 en 3 van art. 6 EVRM Pro. [27]
[...] /Staatbevestigd [30] en vervolgens met betrekking tot art. 155 Rv Pro (ten overvloede) het volgende overwogen (rov. 3.7):
[...] /Staat) dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, behoudens bijzondere omstandigheden, in acht moet worden genomen indien een getuigenverhoor wordt gecombineerd met een mondelinge behandeling (in de bodemprocedure, of bij een voorlopig getuigenverhoor met toepassing van art. 191 lid 1 Rv Pro). [35]
Feniks BV) (art. 81 RO Pro) [36] heb ik geschreven dat de consequentie van het arrest van 31 oktober 2014 (en van 15 april 2016 [37] ) is dat het niet vermelden van een rechterswissel na een bewijsverrichting die op een zitting heeft plaatsgevonden kan leiden tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod op grond van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De Hoge Raad heeft dit beginsel immers vooropgesteld in zijn uitgangspunten in rov. 3.4.1 van het arrest van 2014. M.i. bestond in het in de zaak van 12 oktober 2018 aan de orde zijnde geval evenwel geen reden voor het hof om de vervanging van twee raadsheren na een tussenarrest aan partijen te melden omdat er geen sprake was van mondelinge interactie tussen partijen en de rechter tijdens de bewijsverrichting: er was een schriftelijk deskundigenbericht ingediend en partijen hebben daarop schriftelijk gereageerd. [38] Daarnaast geldt meer in algemene zin dat tijdens getuigenverhoren vaak geen uitwisseling van partijstandpunten plaatsvindt en het bij de beoordeling van de bewijskracht van afgelegde getuigenverklaringen niet of veel minder aankomt op interactie tussen partij en rechter en beïnvloeding van de rechter. [39]
[...] /Staatstelt hij zich op het standpunt dat de Hoge Raad de rechterswisseling heeft verheven tot een onderwerp van een fundamenteel karakter en dat niet valt in te zien waarom dat karakter niet zou gelden voor de wisseling van de zaaksrechter voor wie bewijs is geleverd, zodat schending van de regels die de Hoge Raad in het arrest heeft gegeven, tot doorbreking van de uitsluiting in art. 155 lid 2 Rv Pro van elke hogere voorziening leidt. [42] In zijn deel in de Asser Procesrechtreeks schrijft hij dat aangenomen moet worden dat in elk geval de laatste zin van het tweede lid van art. 155 Rv Pro die elke voorziening tegen de afwijking van het eerste lid uitsluit, door het arrest
[...] /Staatis achterhaald voor zover wordt afgeweken van het eerste lid zonder dat blijkt dat de procedure is gevolgd die het arrest voorschrijft, want dan is er, gelet op het fundamentele karakter van die procedure, sprake van een grond die de uitsluiting van de hogere voorziening doorbreekt. Het resultaat is dat in geval van een rechterswisseling na bewijsverrichtingen door een zaaksrechter, in de uitspraak nauwkeurig moet worden vermeld dat en op welke wijze die procedure is nageleefd waaruit moet blijken dat de rechter de juiste belangen heeft afgewogen die zijn genoemd in het arrest. [43]