Conclusie
Het bewijs
“Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij de feiten 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 en 7 primair heeft gepleegd als feitelijk leidinggever dan wel opdrachtgever van/aan [A ] BV respectievelijk [B] BV. De rechtbank zal daarom eerst de feitelijke en juridische verhouding tussen verdachte en deze twee vennootschappen weergeven. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op elk van de ten laste gelegde feiten.
III. Het tweede middel en de bespreking daarvan
Het middel
De bewezenverklaring van feit 3 en de bewijsvoering
Het bewijs
Het verweer van de verdediging en de verwerping daarvan
2. Gevolgen niet horen getuigen
noodzaakscriteriumheeft ook uw Hof de 'decisiveness' van de verklaring van [betrokkene 3] in feite onderkend. De verdediging is daarenboven van mening dat ook de rol van getuige/medeverdachte [betrokkene 5] doorslaggevend (decisive) is, in deze zaak (waarover hierna meer). Het niet kunnen horen van deze getuigen zou daarom tot gevolg moeten hebben dat het proces als geheel als ‘unfair’ moet worden aangemerkt. Dat zou betekenen dat een niet-ontvankelijkheid moet worden uitgesproken.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
eerste deelklachtwordt aangevoerd dat het hof in de bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3 de verklaring van [betrokkene 3] redengevend heeft geacht voor het bewezenverklaarde, terwijl de gebezigde bewijsmiddelen niets inhouden omtrent deze verklaring en het gerechtshof niet (voldoende) heeft aangegeven aan welk wettige bewijsmiddel het die verklaring heeft ontleend.
tweede deelklachthoudt in dat het hof “ten bewijze van het onder 3 bewezenverklaarde (mede) gebruik heeft gemaakt van de (belastende) verklaring van [betrokkene 3] , zulks terwijl de verdediging deze persoon niet ten overstaan van een rechter heeft kunnen ondervragen, die verklaring van significant belang is voor de bewezenverklaring en voor het niet kunnen horen in de procedure overigens geen compensatie is geboden” en/of dat het hof het verweer, dat van die verklaring voor het bewijs geen gebruik mag worden gemaakt met het oog op uit art. 6 EVRM Pro voortvloeiende eisen met betrekking tot de eerlijkheid van de procedure, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes – onder meer het volgende overwogen:
NJ2017/447, m.nt. Kooijmans brengt naar het mij voorkomt het volgende mee. De rechter die de bewezenverklaring mede baseert op een verklaring van een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige eerder een belastende verklaring heeft afgelegd, dient bij zijn beoordeling of in een dergelijk geval wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces verschillende factoren kenbaar te betrekken. Dat betekent dat de rechter in een dergelijk geval dient te motiveren dat het gebruik van de eerder afgelegde belastende getuigenverklaring in de bewijsvoering in overeenstemming is met de uit art. 6 EVRM Pro voortvloeiende eisen, gelet op, in onderling verband beschouwd, (i) de aan- of afwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de belastende getuige, (ii) het gewicht van de betreffende belastende getuigenverklaring in de bewijsconstructie, en (iii) het bestaan van compenserende factoren. Anders dan wat mogelijk uit HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016,
NJ2017/447, m.nt. Kooijmans zou kunnen worden afgeleid, lijkt de rechter aan het oordeel dat is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces niet enkel ten grondslag te kunnen leggen dat de door de verdachte betwiste verklaring van een belastende getuige voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. [18]
welis toegewezen, er
weleen goede reden bestond voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht en is – zoals ik hiervoor heb uiteengezet – ook begrijpelijk het oordeel van het hof dat de bewezenverklaring
nietin beslissende mate op de verklaring van de niet-ondervraagde getuige berust. Er is dus sprake van een apert ander geval dan dat in de zaak die leidde tot het arrest van 12 oktober 2021. Bij die stand van zaken rijst de vraag of niet in de overwegingen van het hof kan worden ingelezen dat de eisen van een eerlijk proces niet nopen tot compensatie. Het ontbreken van een uitdrukkelijke overweging over compenserende maatregelen behoeft dan, gelet op de overige overwegingen van het hof, niet dwingend te leiden tot de conclusie dat ontoereikend is gemotiveerd het kennelijke oordeel dat de eisen van een eerlijk proces niet in de weg staan aan het in de bewijsvoering betrekken van de verklaring [betrokkene 3] .
derde deelklachtkeert de steller van het middel zich tegen de afwijzing van het verzoek om [getuige] als getuige à décharge te horen. Zij voert daartoe aan dat de afwijzing “in casu een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro met zich mee brengt”. Ter onderbouwing van deze klacht wordt in de toelichting gewezen op het arrest van het EHRM van 19 januari 2021, nr. 2205/16 (
Keskin tegen Nederland), par. 42-43 en het daar geformuleerde “drie stappen schema” met betrekking tot verzoeken ten aanzien van “defence witnesses”.
Keskin tegen Nederlandwordt vaste rechtspraak van het Straatsburgse Hof herhaald. Daar wordt onder meer het uitgangspunt van het Hof bevestigd dat het als regel aan de nationale rechter is om te beoordelen of een bepaalde niet-belastende getuige dient te worden gehoord. Ook wordt daar onderstreept dat van strijd met het EVRM pas sprake is als de beslissing om een dergelijke getuige niet te horen “the overall fairnesss of the proceedings” ondermijnt (zie par. 43).
vierde deelklachthoudt in dat het hof de door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring heeft gedenatureerd door de wijze waarop het hof deze in bewijsmiddel 1 heeft weergegeven.
IV. Het derde middel en het vierde middel en de bespreking daarvan
Het derde en het vierde middel
De bewezenverklaring van de feiten 4 en 6 en de bewijsoverwegingen
Het bewijs
Het bewijsverweer van de verdediging (uitdrukkelijk onderbouwde standpunten)
6. De 'valse' kilometeradministratie
NJ2016/22, rov. 3.2). Dat – zoals het hof in de onderhavige zaak heeft vastgesteld – het overleggen van een onjuiste kilometeradministratie aan de Belastingdienst geschikt is om te bewerkstelligen dat onvoldoende belasting wordt geheven, lijkt mij evident.
NJ2021/110, m.nt. Vellinga. Volgens de steller van het middel wordt in de onderhavige zaak, net als in de zaak die leidde tot voormeld arrest, gebruik gemaakt van een proces-verbaal waarin de redengevende feiten en omstandigheden ontbreken. In de toelichting wordt gesteld: “De vermelding in het tot bewijs gebezigde proces-verbaal van relaas bevat ten aanzien van de omstandigheid dat daaruit zou moeten blijken dat er géén privégebruik plaats vindt (en dus sprake is van opzettelijk in valse vorm ter beschikking stellen) een ontoelaatbare conclusie. Met slechts de vermelding van deze uit andere bron afkomstige omstandigheid in een proces-verbaal is niet voldaan aan het vereiste dat het gerechtshof de wettige bewijsmiddelen waaraan het de redengevende feiten en omstandigheden voor die gevolgtrekking heeft ontleend, in de bewijsmiddelen opneemt, in casu de voor het bewijs van het tenlastegelegde essentiële omstandigheid van de overhandiging van een (valse) kilometeradministratie.”
NJ2021/110, m.nt. Vellinga (rov. 2.3) heeft de Hoge Raad de uit art. 359, derde lid, Sv volgende vereisten nog eens vooropgesteld. Deze overweging luidt: