Conclusie
Nummer20/00213
De procedure in cassatie
“passieve niet-ambtelijke omkoping, meermalen gepleegd”,
“valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”,
“gewoontewitwassen”,
“medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”en
“medeplegen van gewoontewitwassen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27(a) lid 1 Sr.
Het eerste middel
“samen werken, samen bouwen, samen delen”. In het kader van die afspraak heeft de verdachte het [project 1] ingebracht bij [A] , zodat [A] geld kon verdienen met het detacheren van financials aan SNSPF. Voor zijn werkzaamheden voor [A] ontving de verdachte een standaard maandelijkse vergoeding van € 25.000,- c.q. € 23.000,-. Hier bovenop wenste de verdachte – in het kader van de gemaakte afspraak ‘samen delen’ – tevens 50% van de (winst)marge uit dit [project 1] te ontvangen. Daartoe heeft de verdachte (via mails) de druk bij [betrokkene 1] opgevoerd toen die niet wilde leveren. Een aanvankelijk aanbod van [betrokkene 1] van € 30.000,- als vergoeding voor eventueel gemaakte meeruren/indirecte uren heeft de verdachte afgeslagen onder het dreigement weg te lopen bij [A] als hem niet (meer) tegemoet werd gekomen. Onder die druk is [betrokkene 1] uiteindelijk gezwicht, mede omdat zijn bedrijf [A] de (lucratieve) samenwerking met SNSPF niet wilde of kon verliezen. Van de marge op de detacheringen van drie door de verdachte aangebrachte financials voor het [project 1] heeft de verdachte van [A] uiteindelijk – en met gebruikmaking van negen valse facturen – 50% ontvangen, in totaal een (omkopings)bedrag van € 347.101,-. Bovenstaande belangenverstrengeling is door de verdachte niet gemeld aan zijn lastgever, SNSPF, noch heeft de verdachte aan SNSPF gemeld dat hij van [A] geldelijke vergoedingen ontving voor het aanbrengen bij SNSPF van [A] als detacheerder van (uiteindelijk drie) financials voor het [project 1] .
Het tweede middel
valsefacturen in een
legalebedrijfsadministratie bij uitstek een handeling is die niet alleen (objectief gezien) gericht is op het onttrekken van het zicht op de herkomst van het geld, maar ook uitermate geschikt is om zulk een schijnwerkelijkheid te bewerkstelligen, behoeft volgens mij verder geen betoog. [14]
Het derde middel
“ [betrokkene 7] 56 wachtdagen in rekening heeft gebracht”. Bovendien is het de steller van het middel niet duidelijk waarop het hof de verklaring van [betrokkene 7] heeft gebaseerd, inhoudende dat [betrokkene 7] niet wist dat [B] meer wachtdagen in rekening bracht bij SNSPF dan hij bij [B] declareerde. Tot slot zou de bewijsconstructie lijden aan innerlijke tegenstrijdigheid nu het hof enerzijds heeft overwogen geen geloof te hechten aan de voorziening die [B] heeft getroffen in het boekjaar 2012, maar anderzijds het betreffende bewijsmiddel wel heeft opgenomen in de bewijsconstructie.
“Voor u verrichtte diensten door [betrokkene 7] in de maand november 2011: 17 dagen (10 uur) à € 1.200,00”. Uit de frase ‘voor u verrichte diensten’ kon het hof afleiden dat SNSPF mocht begrijpen dat [betrokkene 7] het aantal in de factuur opgenomen dagen volledig ter beschikking heeft gestaan voor SNSPF. Zie ook de aanvullende bewijsoverweging van het hof op pagina 25 van het bestreden arrest:
“schoentje zetten”(bewijsmiddel 67);
Het vierde middel
verzwijgenvan de ontvangst van de in de bewezenverklaring bedoelde bedragen tegenover SNSPF, is inderdaad niet met zoveel woorden terug te vinden in de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het bestreden arrest. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting kan dat verzwijgen wel worden afgeleid. Volgens de verdachte bestond er in het feitencomplex [B] namelijk geen rechtsverhouding tussen SNSPF en hemzelf. Er was louter een rechtsverhouding tussen [betrokkene 10] en SNSPF. [22] Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte omtrent de ontvangst van een beloning aan SNSPF niets heeft gemeld. Waarom zou je (in zijn opvatting) die melding doen? [23]
Het vijfde middel
.”
NJ2021/169 m.nt. Jörg. Met dit arrest heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op vragen die omtrent de toepassing van artikel 359a Sv in de rechtspraktijk leefden, mede aan de hand van beschouwingen van mijn voormalige ambtgenoot Bleichrodt in zijn aan dat arrest voorafgaande conclusie. [31]
het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen.” [34] Met andere woorden, de sanctionering van een vormverzuim kan slechts betrekking hebben op de strafvervolging ten aanzien van het strafbare feit bij het onderzoek waarvan dat verzuim zich heeft voorgedaan. [35]
uitoefeningvan die vrijheidsbenemende dwangmiddelen betoogde ik zojuist dat zij onderdeel zijn van de opsporing. Moeten de
beslissingen het bevel tot aanhouding of inverzekeringstelling daarvan worden afgezonderd? Zo ja, dan zou dat betekenen dat er wat betreft de reikwijdte van het begrip ‘opsporing’ een grens wordt getrokken tussen strafvorderlijke handelingen enerzijds en strafvorderlijke beslissingen tot het verrichten van die handelingen anderzijds. Dat komt mij gewrongen voor. Maar als bepaalde strafvorderlijke beslissingen van de officier van justitie wél door het opsporingsbegrip worden bestreken, en dientengevolge ook door het begrip ‘voorlopig onderzoek’, waarom dan zijn vervolgingsbeslissingen niet?
fasevan de strafprocedure die aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting voorafgaat. [46] In vervolg op de door mij gestelde vraag, citeer ik uit het Leidse commentaar van (niemand minder dan) Melai zelf:
Zoals hierboven werd gesteld kan de term 'voorbereidend onderzoek' ook betrekking hebben op handelingen. Dit is het geval wanneer zich handelingen afspelen in de zin van art. 1 van Pro het wetboek in de procesrechtelijke fase die aan het onderzoek ter terechtzitting voorafgaat. Het gaat alsdan in het bijzonder om: het opsporingsonderzoek door opsporingsambtenaren; de beslissingen van vervolgende ambtenaren (art. 167) of het gerechtshof (art. 12) omtrent het instellen van een vervolging; de toepassing van voorlopige hechtenis vóór de behandeling ter terechtzitting; het vorderen door de officier van justitie van een gerechtelijk vooronderzoek (art. 181); het instellen door de rechter-commissaris van een gerechtelijk vooronderzoek; de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek (art. 237); handelingen van de rechter-commissaris na de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek in opdracht van de rechtbank (art. 241); beslissingen van het openbaar ministerie, de rechtbank of het gerechtshof omtrent eventuele verdere vervolging (art. 242 e.v., art. 12); het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting door middel van een dagvaarding (art. 258 e.v.); beslissingen van de rechtbank ten aanzien van bezwaarschriften tegen beslissingen van het openbaar ministerie omtrent verdere vervolging en tegen dagvaardingen (artt. 250-252, 262).”
Schutznorm), brengt mee dat het in de regel gaat om (1) nadeel dat is ingetreden bij de verdachte, en dan alleen (2) nadeel dat de verdachte daadwerkelijk heeft getroffen in enig rechtens te respecteren belang. [50] Vormfouten kunnen leiden tot (dreigende) schade aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, maar ook tot fysieke schade (inbreuken op de lichamelijke integriteit), materiële schade of immateriële schade, bijvoorbeeld doordat onrechtmatig inbreuk is gemaakt op de door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde persoonlijke levenssfeer van de verdachte.
het wettelijk systeem in de kern geraakt” zou zijn – treft het middel evenmin doel. Dit criterium is door de Hoge Raad slechts éénmaal toegepast. [56] In het arrest van 30 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2732,
NJ2002/8 m.nt. Schalken, heeft de Hoge Raad die enkele uitspraak als volgt toegelicht: