Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”, 2. “
medeplegen van van witwassen een gewoonte maken” (kort gezegd: medeplegen van gewoontewitwassen) en 3. “
als bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest.
middelklaagt over de kwalificatie van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen.
onmiddellijkuit
eigenmisdrijf afkomstig waren. Als gevolg daarvan had het hof volgens hem de kwalificatie-uitsluitingsgrond bij witwassen moeten toepassen. Voor zover het hof daarnaast heeft bewezen verklaard dat de verdachte de voorwerpen ook heeft overgedragen en/of omgezet stelt hij zich op het standpunt dat dit heeft plaatsgevonden onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van het enkele verwerven of voorhanden hebben van die voorwerpen.
onmiddellijk uit een door hemzelf begaan misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als ‘witwassen’ kunnen worden gekwalificeerd. In dergelijke gevallen zal het meerdere erin moeten bestaan dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Dit moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid. De kwalificatie van witwassen is niet toegestaan indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. Met deze uitsluitingsgrond beoogt de Hoge Raad te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. [5]
nietvan toepassing als naast het ‘voorhanden hebben’ dan wel ‘verwerven’ óók (of slechts) ‘overdragen’, ‘gebruikmaken’ of ‘omzetten’ bewezen is verklaard. Die gedragingen hebben immers een nadrukkelijker verhullend karakter dan verwerven of voorhanden hebben. Toch is dat anders als het bijzondere geval zich voordoet dat zulk overdragen, gebruikmaken of omzetten van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. [6]
in de regelsprake is van zo’n bijzonder geval als hiervoor bedoeld in gevallen waarin het ‘omzetten’ of ‘overdragen’ heeft bestaan uit het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Ook hier geldt weer dat een dergelijk geval (dus) slechts de kwalificatie van ‘witwassen’ kan dragen als de gedraging – of, zo is mijns inziens niet uitgesloten, het geheel van de gedragingen – een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft. [7]
(i) naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
verwervenof
voorhanden hebbenvan een in de tenlastelegging omschreven voorwerp dat (2)
onmiddellijk afkomstig is (3) uit
eigenmisdrijf, (4) uit de motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Indien de onderdelen 1 tot en met 3 van toepassing zijn op de zaak, maar de rechter niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht als bedoeld onder 4, én als vaststaat dat het enkele voorhanden hebben of verwerven niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, dan is de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing. Indien het geval zich voordoet waarin (naast ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp, ook) ‘omzetten’, ‘gebruikmaken’ of ‘overdragen’ is bewezen verklaard, dan is toepassing van de kwalificatie-uitsluitingsgrond afhankelijk van de vraag of dat ‘omzetten’, ‘gebruikmaken’ of ‘overdragen’ op hetzelfde neerkomt als ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’. Doorgaans zal dat niet het geval zijn, maar blijkt daarvan toch, dan geldt dezelfde motiveringseis als bij het ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’ en zal de rechter dus in de uitspraak moeten laten zien waaruit het verhullende karakter blijkt.
Toepassing van de beschouwingen op de zaak
onmiddellijkvan eigen misdrijf afkomstig zijn. Het hof heeft dit in het midden gelaten door bewezen te verklaren dat het voorwerp “
middellijk of onmiddellijk” afkomstig is uit enig misdrijf. Uit de op de vaststellingen van het hof gebaseerde samenvatting en de bewezen verklaarde gedragingen kan evenwel worden afgeleid dat de opbrengsten uit de door de verdachte en zijn medeverdachten gepleegde misdrijven
nietrechtstreeks in handen van de verdachte zijn gekomen. Onderdeel van het opgetrokken rookgordijn is dat de Duitse – en dus nota bene in het buitenland gevestigde – brievenbusfirma’s de feitelijk uitvoerende bedrijven aan het zicht onttrokken en dat anderen dan de feitelijk verantwoordelijken (de katvangers dus) aan het hoofd van die bedrijven stonden. De opbrengsten die via die constructie werden gegenereerd door (kort gezegd) het tewerkstellen van personeel zonder de daarvoor benodigde vergunning en het frauderen met verzekeringspremies en belastingen, kwam ook pas na een omweg bij de verdachte terecht. Voor zover de inlenende bedrijven niet al contant hadden betaald, werd de op de rekeningen van de brievenbusfirma’s gestorte opbrengst contant opgenomen en (nadat loonkosten daarvan waren afgetrokken) kwam het restant van deze opbrengst via één of meer (menselijke) schakels uiteindelijk op de eindbestemming over de grens in Nijmegen terecht bij onder meer de verdachte. Deze gang van zaken die met name volgt uit hetgeen het hof heeft overwogen onder de kopjes ‘Werkwijze’ en ‘Witwassen’, behelst een vaststelling waarin besloten ligt dat de gedragingen gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen die zijn verworven en voorhanden gehad. In die vaststelling ligt daardoor eveneens besloten dat het ‘omzetten’ en ‘overdragen’ van de geldbedragen plaatsvond onder zodanige omstandigheden dat het niet gelijkgesteld kan worden met het enkele ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’ van voorwerpen die rechtstreeks van eigen misdrijf afkomstig zijn.
het in Duitsland zonder vergunning uitlenen en tewerkstellen van een of meer personen met een andere dan de Duitse nationaliteit”. Ten aanzien van dit gronddelict ontbreekt de dubbele strafbaarheid die wordt vereist alvorens de bepalingen van artikel 420bis Sr dan wel artikel 420ter Sr kunnen worden toegepast, aldus de steller van het middel.