Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
3.De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen
Vervolgens ging [verdachte] weg en liep hij richting [Schiphol] Plaza en naar de parkeerautomaat bij de walk-away. Wij zagen [verdachte] betalen bij de parkeerautomaat en richting het World Trade Centre lopen. Voor de ingang van het World Trade Centre stond [verdachte] plotseling stil bij de uitgang naar PI. Wij zagen [verdachte] onrustig om zich heen kijken. Over de porto (het hof: portofoon) hoorden wij op dat moment dat twee personen waren aangehouden bij de G-Pier, die vermoedelijk verdovende middelen in hun lichaam hadden.
Tijdens de staandehouding (het hof: van [verdachte] ) zag ik, [verbalisant 1] , dat [verdachte] WhatsApp-berichten aan het verwijderen was van zijn telefoon. Wij hoorden [verdachte] zeggen dat hij een ticket wilde kopen bij de KLM-balie, maar dat ze geen ticket meer hadden voor Curaçao en dat hij toen weer weg is gegaan. Wij wisten dat [verdachte] zich meerdere uren had opgehouden in Aankomsthal 4. [verdachte] heeft zijn rijbewijs uit zijn voertuig gehaald. Wij zijn om 12:30 uur overgegaan tot aanhouding (het hof: van [verdachte] ). Na de aanhouding heb ik, [verbalisant 2] , [verdachte] gefouilleerd en zijn telefoon in beslag genomen. [verdachte] wilde zijn telefoon niet afgeven en wilde hier niet aan meewerken. Toen ik, [verbalisant 1] , de telefoon onder mij hield, reageerde [verdachte] agressief en geagiteerd.
Voorts kan naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat de verdachte de “ [verdachte] ” is die deze WhatsApp-gesprekken met [betrokkene 1] heeft gevoerd: de verdachte gebruikt op “ [verdachte] ” gelijkende bijnamen (“ [verdachte] ”, “ [verdachte] ” en “ [verdachte] ), op de aan [betrokkene 1] door “ [verdachte] ” verzonden afbeelding van een geldtransactie van 200 euro via Western Union staat de verdachte als afzender vermeld, de verdachte heeft, toen hij werd geconfronteerd met delen van de WhatsApp-gesprekken, niet te kennen gegeven dat hij niet de gesprekspartner van [betrokkene 1] was en hij heeft, nadat hem voormelde afbeelding was getoond, verklaard dat [betrokkene 1] hem om 200 euro had gevraagd.Uit het voorgaande leidt het hof af dat - anders dan de raadsman heeft betoogd en in tegenstelling tot de politierechter - de verdachte wist dat [betrokkene 1] 'slikkersbollen met cocaïne naar Nederland vervoerde en dat hij daarbij zo nauw en bewust heeft samengewerkt met [betrokkene 1] , dat sprake is van medeplegen. Het hof acht dan ook het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.”