Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
3.Het geding in cassatie
In de informatiebeschikking wordt vastgesteld dat belanghebbende ten onrechte informatie niet heeft verstrekt, die hij op basis van artikel 47 AWR Pro wel had moeten verstrekken. Gelet op bovenstaande feiten is dat een juiste vaststelling. Dat belanghebbende mogelijk later niet meer in staat is dat te doen, neemt niet weg dat terecht is vastgesteld dat hij dat ten tijde van de situatie dat hij daar nog wel toe in staat was, had kunnen en moeten doen.
4.Wet- en regelgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wet- en regelgeving
Obersonover het begrip ‘criminal tax matters’ opgemerkt: [53]
strafwettenvan de
verzoekendePartij. Wat wordt bedoeld met 'strafwetten' is aangegeven in art. 3, eerste lid, vijfde alinea, zie aant. 2.5. Zie voor de definitie van 'verzoekende partij' onder aant. 2.15. Belangrijke voorwaarde is dat het gaat om opzettelijke gedragingen (intentional conduct). Schulddelicten vallen dus niet onder deze definitie. De verzoekende Partij is niet gehouden om aan de aangezochte Partij bewijs te leveren van de opzettelijke gedraging die (volgens haar strafwetten) onder deze definitie valt. De definitie beoogt een groot aantal categorieën gedragingen te treffen: het opzettelijk niet doen van aangifte, het opzettelijk niet aangeven van belastbaar inkomen, het doen van valse verklaringen waardoor de belastingheffing wordt gefrustreerd, bewuste omissies in boekhoudingen, het bewust opnemen van valse gegevens in de boeken, e.d.
De Withop dat bij een vermoeden van een strafrechtelijk verwijtbaar vergrijp om informatie kan worden verzocht: [57]
whether before or after entry into force of this agreement’ (cursivering PW).
WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., art. 27 Sv Pro, aant. 14). De verdachte hoeft niet bekend te zijn, het vooronderzoek is dan gericht tegen NN.
Bosmanbij de uitspraak van het Hof verschenen:
5.Beoordeling
Inleiding
jegens de belanghebbendeop onrechtmatige wijze is verkregen. Bovendien moet, als tweede, het gebruik van het materiaal in strijd zijn met enig beginsel van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. Van dit laatste is in principe geen sprake, indien van het bewijsmateriaal ook zonder wettelijke belemmeringen kennis had kunnen worden genomen. Gebruik van deze bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan (bewijsuitsluiting), indien de bewijsmiddelen ‘zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht’. [85]
magvertegenwoordigen en in alle zaken en namens belanghebbende alle rechtshandelingen
magverrichten, onder andere op het gebied van het belastingrecht.
magdie bevoegdheden uitoefenen naar - nog redelijk te achten - eigen inzicht. De strekking van de volmacht is niet om rechten te verlenen aan derden die buiten de contractuele relatie staan. Niettemin lijkt het mij in het maatschappelijk verkeer redelijk te achten dat de gemachtigde informatie die hij voorhanden heeft of op eenvoudige wijze kan verkrijgen, desverzocht geeft aan de Inspecteur.