Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
In eerste aanleg
het bestreden arrest) [4] over deze bezwaren als volgt geoordeeld:
schadeopstelling infraschade d.d. 19-11-2018’ met bijlagen in het geding gebracht (productie E7 bij haar ‘
akte overlegging producties, tevens aanvulling gronden’). Bij conclusie van antwoord merkte GKB daarover op dat zij deze schadopstelling heeft laten beoordelen door [expertisebureau] . Zij verwees daarbij naar een door haar als productie 5 overgelegde brief d.d. 1 mei 2019 van [expertisebureau] . [expertisebureau] schrijft daarin dat de door Evides gekozen herstelmethode – het door middel van een gestuurde boring ondergronds aanbrengen van een nieuwe leiding met een lengte van ruim 40 meter – aanzienlijk duurder is dan het terugbrengen van de oude situatie, door [expertisebureau] aangeduid als plaatselijk herstel. De kosten daarvan raamt zij op € 10.582,36. Een specificatie van dat bedrag is te vinden in bijlage 2 bij de brief van 1 mei 2019 van [expertisebureau] , waarin [expertisebureau] correcties heeft toegepast op de posten uit de schadeopstelling van Evides. Wat [expertisebureau] in die brief niet schrijft, is dat de door Evides gepresenteerde schadeopstelling niet deugt, want (aanzienlijk) hoger uitvalt/meer omvat dan de naar objectieve maatstaven berekende kosten van de door Evides gekozen herstelmethode. GKB heeft dat in de eerste aanleg zelf evenmin aangevoerd. Terecht dan ook overwoog de rechtbank (rov. 4.17) dat
‘[n]iet in geschil is dat Evides het bedrag van €34.860,67 daadwerkelijk heeft gemaakt […]’. Voor het eerst in haar memorie van grieven betwist GKB dat de in de schadeopstelling gespecificeerde kosten daadwerkelijk in die omvang zijn gemaakt. Die betwisting is echter vrij summier en niet steeds navolgbaar. Zo stelt GKB dat het bedrag van € 12.968,85, dat in verband met de werkzaamheden van [de aannemer] is begroot, inclusief BTW is, terwijl het volgens de schadeopstelling en de daarin genoemde bijlage 2 gaat om een optelsom van twee bedragen exclusief BTW (€1.250 + €11.718,85). Naar aanleiding van deze betwisting heeft Evides er – op zichzelf genomen terecht – op gewezen dat bij een abstracte begroting van zaakschade niet bepalend is of er daadwerkelijk herstel heeft plaatsgevonden en herstelkosten zijn gemaakt. Daarnaast heeft Evides verscheidene posten van een nadere toelichting voorzien. Daar is door GKB – bij gelegenheid van de nadien gehouden mondelinge behandeling – niet meer op gereageerd; zij heeft volstaan met de opmerking dat het debat niet is gebaat bij een verdere welles-nietes discussie over de hoogte van individuele schadeposten en dat het er op de keper beschouwd om gaat wat een bekwaam reparateur voor het (tijdelijk en definitief) herstel van de zinker in rekening zou hebben gebracht. Daargelaten dat het standpunt van Evides, inclusief haar nadere toelichting, meer omvat dan een simpel ‘welles’, mag uit deze reactie van GKB worden afgeleid dat zij niet langer betwist dat een bekwaam reparateur voor de herstelwijze waarvoor Evides heeft geopteerd een bedrag van € 34.860,67 in rekening zou hebben gebracht. Mocht GKB haar betwisting wel hebben willen handhaven, dan wordt die wegens onvoldoende gemotiveerdheid ervan verworpen. Dat geldt dus ook voor de betwisting van de post consignatiekosten ad € 2.350. Evides heeft die kostenpost – voor het permanent beschikbaar houden van een storingsdienst – bij memorie van antwoord (in prod. G6) nader toegelicht. Die toelichting betreft onder meer de samenstelling van het bedrag, de verhouding tot de andere schadeposten en het verband met de onderhavige schadevaring. Als gezegd is GKB hier vervolgens niet meer gemotiveerd op ingegaan; meer in het bijzonder heeft zij niet aangevoerd dat en waarom de nadere toelichting niet volstaat en waarom die haar betwisting onverlet laat.
Onderdeel 1bevat een inleiding en geen klachten.
Onderdeel 2bevat een motiveringsklacht tegen r.o. 7.3.3, waarin het hof het verweer van GKB bespreekt dat de herstelkosten hoogstens € 15.652,45 bedragen.
Onderdeel 3komt met een aantal rechts- en motiveringsklachten op tegen r.o. 7.4, 7.5.1, 7.5.2 en 7.5.3, waarin het hof samengevat oordeelt dat op de door Evides geleden schade 30% aan door Evides genoten voordeel in mindering moet worden gebracht, en tegen de daarop voortbouwende onderdelen 7.6 en 8 en tegen het dictum.
Onderdeel 3bestaat uit een inleiding (3.) en 11 subonderdelen (3.1-3.11), waarvan er enkele nader zijn onderverdeeld (subonderdeel 3.6 bevat na een inleiding een nadere nummering 1-9; 3.7 bevat na een inleiding een nadere onderverdeling in 3.7-I-3.7-III en subonderdeel 3.8 bevat na een inleiding (3.8) een nadere onderverdeling in 3.8-I).
4.Juridische kader
Begroting van zaakschade
condicio sine qua non-verband met de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis rusten op de aangesproken partij. [12] Beantwoording van de derde vraag (of toerekening redelijk is) is geen kwestie van bewijs, maar van argumentatie. Mij dunkt dat de aard van voordeelstoerekening meebrengt dat het niettemin aan de aangesprokene is om te bepleiten dat en waarom toerekening in het concrete geval redelijk is. Voor zover in dit verband aangevoerde argumenten berusten op feiten, zal daarvan uiteraard ook bewijs aan de orde kunnen zijn. Wanneer een genoten voordeel slechts gedeeltelijk in mindering wordt gebracht, lijkt mij dat een billijkheidsoordeel dat in hoge mate steunt op intuïtieve inzichten van de rechter, zodat daaraan slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld. [13]
condicio sine qua non-verband te bestaan. Dat kan worden gelezen in het woord ‘opgeleverd’ in art. 6:100 BW Pro. Waar Uw Raad in het verleden in de woorden ‘een zelfde gebeurtenis’ een nadere causaliteitseis heeft gelezen, en daarin in feite het oordeel over de redelijkheid van de toerekening liet opgaan, [23] is die zienswijze in de hiervoor onder 4.2 weergegeven overweging 4.4.3 verlaten.
nadelenop grond van art. 6:98 BW Pro de aansprakelijkheidslast van de aansprakelijke vergroot, terwijl toerekening van
voordelenop grond van art. 6:100 BW Pro die aansprakelijkheidslast juist verkleint, doordat het voordeel ‘ten goede komt’ aan de aansprakelijke. Gaat het om voordelen die het gevolg zijn van handelen van de benadeelde na het schadetoebrengende feit, dan moet de redelijkheid van (de gevolgen van) dat handelen bovendien worden beoordeeld tegen het licht van het feit dat de aansprakelijke hem in deze positie heeft gebracht. [27]
weltoerekenen van voordelen zekere motiveringseisen moeten worden gesteld. Ik wijs erop dat Uw Raad blijkens de hiervoor onder 4.2 geciteerde r.o. 4.4.5 ook vergt ‘dat in beide benaderingen [kort gezegd: schadebegroting c.q. toepassing van art. 6:100 BW Pro, A-G] de wijze waarop de rechter toepassing geeft aan de in art. 6:98 BW Pro besloten maatstaf, controleerbaar dient te zijn voor partijen en derden, onder wie de hogere rechter’.
welkeomstandigheden bij de vaststelling van schade mag of moet worden geabstraheerd. Gaat het om
fixatievan de omvang van de vergoeding, zoals bij wettelijke rente, dan wordt van vrijwel alle omstandigheden ‘geabstraheerd’ en staat dat volgens de hiervoor vermelde rechtspraak aan voordeelstoerekening in de weg.
is uitgangspuntdat de eigenaar van de beschadigde zaak door die beschadiging een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waardevermindering die de zaak heeft ondergaan. Volgens vaste rechtspraak zal het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt,
in het algemeengelijk zijn aan de – naar objectieve maatstaven berekende – kosten die met het herstel zijn gemoeid. [cursiveringen van mij, A-G]’ laat dat overigens ook toe. [46] De stelling dat ‘abstracte schadebegroting’ bij zaakschade in de weg staat aan voordeelstoerekening is dus veel te algemeen, en daarom onjuist. [47] Het hangt ervan af van welke omstandigheden bij de begroting is geabstraheerd (en, zo leert het arrest TENNET/ABB, of daarbij reeds de materiële toetsing aan art. 6:100 BW Pro in acht is genomen).
5.Bespreking van het cassatiemiddel
ad 7.1 (iii) – voordeelstoerekening/vergoedingsplicht
subonderdeel 3.6 onder 3 en 4gesteld dat het hof ten onrechte essentiële stellingen onbesproken heeft gelaten. Onder 3 wordt betoogd dat Evides afdoende heeft gesteld dat de nieuwe leiding haar geen financieel en geen functioneel voordeel biedt, [51] niet bij herstel en niet bij vervanging. [52] Onder 4 wordt vervolgens gewezen op de stellingen van Evides dat er met de beschadigde leiding niets mis was: i) met 44 jaar was de leiding nog niet op de helft van haar technische levensduur van 100 jaar; [53] ii) de leiding voldeed aan haar doel, te weten transporteren van drinkwater; [54] iii) de leiding viel buiten de keurvoorschriften, omdat die van latere datum zijn en eerbiedigende werking hebben; [55] iv) dat de leiding niet meer in of op de slootbodem lag, doet niets af aan de functionaliteit ervan; [56] v) het ‘hangen’ van de leiding is het gevolg geweest van het steeds dieper uitbaggeren: de leiding is niet gestegen, de slootbodem is gedaald. [57]
NJ2002/122 volgt dat slechts sprake is van een voordeel dat kan worden toegerekend als het voordeel daadwerkelijk is genoten of naar redelijke verwachting zal worden genoten. Het oordeel is bovendien onbegrijpelijk, omdat niets is gesteld over de wijze waarop en de kans waarmee zo’n gebeurtenis zich zou hebben kunnen voltrekken. Voor zover het hof de toerekening in de sleutel van de schadevaststelling heeft geplaatst, geldt hetzelfde bezwaar, namelijk als toekomstige (negatieve) schade.
condicio sine qua non-verband tot enige verbetering en ze zijn ook voor wat betreft de aard van de schade ten onrechte in de toerekening betrokken.
subonderdeel 3.1wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat bij abstracte schadevaststelling geen plaats is voor toerekening van voordeel dat als gevolg van het daadwerkelijk herstel optreedt. Bij abstracte schadeberekening wordt geabstraheerd van het daadwerkelijk herstel, zodat de vraag of herstel heeft plaatsgevonden en zo ja, op welke wijze, niet ter zake doet. Bij de beoordeling is daarom niet relevant dat Evides door de wijze van het daadwerkelijk herstel een voordeel heeft genoten.
uitgangspunt isdat de eigenaar van de beschadigde zaak door die beschadiging een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waardevermindering die de zaak heeft ondergaan en dat het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt,
in het algemeengelijk zal zijn aan de – naar objectieve maatstaven berekende – kosten die met het herstel zijn gemoeid. De in het subonderdeel vervatte klacht miskent dat dit niet impliceert dat voor toepassing van art. 6:100 BW Pro geen plaats is. Het subonderdeel faalt daarom.
subonderdeel 3.2betoogd dat het hof heeft miskend dat de bij abstracte schadevaststelling te hanteren objectieve herstelkosten worden gevonden in het bedrag dat een bekwame reparateur voor herstel zou rekenen. De herstelwijze is dus essentieel en zal daarom aan het objectieve criterium moeten voldoen dat de keuze daarvoor redelijk is, afgemeten aan de maatstaven van een bekwame reparateur voor deugdelijk herstel. Evides heeft uiteengezet dat zij haar schade abstract begroot en dat het door haar gevorderde bedrag overeenkomt met de objectieve herstelkosten. De juistheid van Evides gestelde objectieve herstelkosten staat vast, nu het hof heeft geoordeeld dat zij onvoldoende zijn betwist door GKB. Hieruit volgt eveneens de juistheid van de herstelwijze die voor de becijfering van de kosten is gehanteerd, zodat voor toerekening van enig voordeel uit die herstelwijze geen plaats kon zijn.
in concretogehanteerde herstelmethode aan als reden om een beroep op art. 6:100 BW Pro uit te sluiten. Ook deze klacht faalt: de juistheid van de gehanteerde herstelmethode impliceert niet dat een beroep op art. 6:100 BW Pro is uitgesloten. Met de keuze voor een concrete herstelmethode is immers niet gezegd dat van eventuele door die herstelmethode veroorzaakte voordelen moet worden geabstraheerd.
subonderdeel 3.4wordt betoogd dat het hof heeft miskend dat de toegepaste herstelwijze niet alleen naar objectieve maatstaven de juiste was, maar zelfs de enige mogelijke (zie ook r.o. 7.3.3 van het bestreden arrest). Indien uit het herstel al een rechtens relevant voordeel voor Evides mocht voortvloeien, is dit onafwendbaar aan haar opgedrongen en kan het uit dien hoofde in beginsel niet ten nadele van haar worden toegerekend. [65]
voor de benadeeldenaast schade tevens voordeel heeft opgeleverd. Evides heeft in de onderhavige zaak nadeel, namelijk de waardevermindering van de aangevaren waterleiding die in beginsel is te begroten op de objectieve kosten van herstel. Dat de door Evides gekozen herstelwijze goedkoper was dan het door GKB voorgestelde alternatief, doet daar niet aan af.