Conclusie
1.Inleiding
Volgens [eiseres] hebben de bindend adviseurs daarbij ernstige fouten gemaakt met als resultaat dat de waarde van de aandelen te laag is vastgesteld. Dit heeft ertoe geleid dat [eiseres] zich genoodzaakt heeft gevoeld om met de andere 36,25%-aandeelhouder te onderhandelen over een overnameprijs, waarna zij haar aandelenpakket tegen een – hogere – prijs (voor ruim ƒ 15 miljoen) dan de door de bindend adviseurs vastgestelde waarde (van ruim ƒ 13 miljoen) heeft verkocht. [eiseres] stelt daardoor schade te hebben geleden en vordert van twee van de drie bindend adviseurs ( [verweerder] ) vergoeding van die schade.
In navolging van de rechtbank wijst het hof de vorderingen van [eiseres] jegens [verweerder] af. Het causaal verband tussen de veronderstelde fouten van [verweerder] en de door [eiseres] gestelde schade is niet komen vast te staan. Dat oordeel houdt m.i. stand in cassatie.
2.Feiten
hof). [2] De verwijzingen in noot 3 hierna zijn door mij toegevoegd.
[B]) en Wegener Arcade N.V. (hierna:
Wegener) hebben gezamenlijk aandelen gehouden in het kapitaal van [A] B. V. (hierna:
[A]). [A] bestond uit een groep drukkerijen, die zowel kranten als folders en bladen drukte.
[bestuurder 1]). Bestuurder van [B] is [bestuurder 2] (hierna ook:
[bestuurder 2]). [bestuurder 1] en [bestuurder 2] waren commissaris van [A] .
RvC) van [A] bij wege van bindend advies zal worden beslist welke aandeelhouder haar aandelen aan de ander dient te verkopen. Bij gebreke van overeenstemming over de koopprijs, dient de waarde van de over te nemen aandelen bij wege van bindend advies te worden vastgesteld door drie registeraccountants, van wie [eiseres] en [B] allebei een mogen benoemen en de aldus benoemde bindend adviseurs gezamenlijk de derde bindend adviseur mogen benoemen.
[betrokkene 1]), destijds werkzaam bij Greenfield Capital Partners, als bindend adviseur aangewezen. [B] heeft [verweerder 1] (hierna:
[verweerder 1]), destijds werkzaam bij Ernst & Young Accountants, als bindend adviseur aangewezen. [betrokkene 1] en [verweerder 1] hebben samen [verweerder 2] (hierna:
[verweerder 2]), destijds werkzaam bij Pricewaterhouse Coopers Accountants N.V. (hierna:
PwC) en controlerend accountant van [A] , als derde lid en tevens voorzitter van de bindend adviescommissie benoemd.
PwC) om op basis van de managementprognoses, de
discounted cash flow-methode en markt
comparablesde waarde van het totale aandelenkapitaal van [A] te berekenen. In het daartoe opgestelde waarderingsrapport heeft PwC de waarde van het totale aandelenkapitaal van [A] vastgesteld op circa ƒ 64.100.000,--.
[verweerder 2] deelt voorts mede dat de 3 deskundigen van mening zijn dat voor het geval Wegener haar aandelen (al dan niet verplicht) aanbiedt c.q. de cumulatief preferente aandelen (na aflossing van de achtergestelde leningen) worden geconverteerd in gewone aandelen, een verrekenclausule (voor een tevoren vastgestelde periode) zou moeten worden opgesteld. De agioreserve komt op het moment van converteren aan de gewone aandeelhouders toe. Zou geen verrekenclausule worden opgesteld, dan is nl. sprake van bevoordeling van de thans kopende aandeelhouder. Tenslotte menen de 3 deskundigen dat nader invulling gegeven zou moeten worden aan artikel 6 van Pro de aandeelhoudersovereenkomst van 2 juni 1997, hoewel zij van mening zijn dat de aldaar genoemde periode andere/kortere herinvulling verdient (betreffende vervreemding van aandelen en verrekening in geval van meerwaarde).
• Daarenboven is sprake van twee – niet getaxeerde – te verrekenen onzekere toekomstige gebeurtenissen, te weten:
NB
Coopers N.V. Management Consultants.
N.V. en [eiseres] B. V. en [B] B. V.
incassoprocedure). [eiseres] heeft tegen de vordering verweer gevoerd dat – kort gezegd – erop neerkomt dat zij de overeenkomst van opdracht met de bindend adviseurs heeft ontbonden omdat dezen ernstig zijn tekortgeschoten in de nakoming daarvan, aangezien zowel wat betreft de totstandkoming van het rapport als in de berekening van de waarde van de aandelen ernstige fouten zijn gemaakt door de bindend adviseurs.
rechtbank), die een deskundigenbericht door drs. C.F. Mateijsen RA (hierna:
Mateijsen) heeft bevolen, vervolgens bij het hof, de Hoge Raad, het gerechtshof Den Haag en ten slotte nogmaals bij de Hoge Raad. [3] Zeer kort samengevat en voor zover relevant is de slotsom van de incassoprocedure dat de vorderingen die PwC heeft ingesteld zijn afgewezen, omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de bindend adviseurs nakoming van [eiseres] vorderen van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van opdracht. Hiertoe is redengevend geweest dat de bindend adviseurs hebben miskend dat [verweerder 2] met betrekking tot de vaststelling van de naverrekeningsclausule niet meer de voor zijn taakuitoefening noodzakelijke onpartijdigheid bezat, dat bij het vaststellen van de voor de waardering van de aandelen zeer wezenlijke naverrekeningsclausule het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, en dat [eiseres] als gevolg van de fouten omtrent die naverrekeningsclausule ernstig nadeel heeft ondervonden.
Indigo) van 12 februari 2004 en een waardeberekening van 17 mei 2004 in het geding gebracht, waarin Indigo heeft geconcludeerd dat de waarde van het pakket van de uittredende aandeelhouder ƒ 24.113.000,-- bedraagt.
Wingman) in het geding gebracht, waarin Wingman heeft geconcludeerd dat de waarde van het pakket van de uittredende aandeelhouder ƒ 52.700.000,-- bedraagt.
FVC) in het geding gebracht, waarin FVC heeft geconcludeerd dat de waarde van het pakket van de uittredende aandeelhouder ƒ 9.100.000,-- bedraagt.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
Onder het kopje “causaliteit” heeft de rechtbank hiertoe het volgende overwogen:
4.26. Ten aanzien van het tweede in rov. 4.24 genoemde causaliteitsverweer geldt dat [eiseres] zich op het standpunt heeft gesteld dat [B] wel in staat was de aankoop van de aandelen van [eiseres] tegen een hogere koopsom te financieren. Gelet op het gemotiveerde verweer van [verweerder] zal [eiseres] , op wie de bewijslast rust van het bestaan van feiten of omstandigheden waaruit het condicio sine qua non-verband tussen de tekortkoming en de door haar gestelde schade volgt, tot bewijs daarvan worden toegelaten.
[…]”
De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen over de vraag of [eiseres] in haar bewijsopdracht is geslaagd:
zonderfinanciering heeft geen van de getuigen iets in concrete zin gezegd. Over de mogelijkheid van overname tegen een hogere koopsom
metfinanciering heeft partijgetuige [bestuurder 1] weliswaar verklaard dat [B] hoe dan ook had moeten afnemen op grond van de afspraken en een hogere koopsom (in geval de bindend adviseurs geen fouten hadden gemaakt) had kunnen (en naar de rechtbank begrijpt: had moeten) financieren, maar dat maakt nog niet dat die financiering ook zonder meer mogelijk was geweest. Voor dit laatste bevat de verklaring van de partijgetuige geen aanknopingspunt(en). De enkele feiten dat [bestuurder 2] in persoon een onderneming in bouwmaterialen had en dat [B] de aandelen in de [A] had, zoals [bestuurder 1] verklaart, zijn onvoldoende om het bewijs geleverd te achten. Bovendien dragen de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op dit punt (en ook overigens) niets wezenlijks ter ondersteuning bij.
[cursivering in origineel, A-G]
Aan deze beslissing van het hof ligt de volgende beoordeling ten grondslag.
grieven 3 en 11). Zij kan daarin niet worden gevolgd. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro moet de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, die feiten of rechten bewijzen, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. [eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere bewijslastverdeling aanleiding geven. Haar stelling dat de door [eiseres] geleden schade tot het kenmerkend gevolg van de normschending behoort, is niet een zodanige omstandigheid. Het gaat er immers juist om óf [eiseres] schade heeft geleden.
dezelfde rechtsbetrekking in geschilbetrof. Dat is hier niet het geval.
arrest). [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep, kosten rechtens. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiseres] heeft gerepliceerd en [verweerder] heeft gedupliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Het hof overweegt in r.o. 4.10 voorts dat het oordeel dat sprake is van een zuivere betwisting van de stellingen van [eiseres] ook geldt voor de toelichting op het verweer van [verweerder] , die erop neerkomt dat [B] niet in staat en bereid was een hoger bedrag te betalen dan zij heeft gedaan. Het hof onderkent in dat verband uitdrukkelijk dat “[d]e omstandigheid dat deze stelling betrekking zou hebben op een in die situatie gedaan beroep van [B] op een ontbindende voorwaarde – wat daarvan ook zij –, dit niet anders [maakt]”. Dat oordeel komt mij eveneens juist voor. [15] Ik wijs in dit verband ook op de memorie van antwoord van [verweerder] , onder 57:
Hierop strandt het subonderdeel.
3.6 Opmerking verdient nog dat aan de bewijslevering in de onderhavige procedure eveneens andere eisen dienen te worden gesteld dan de eisen die daarvoor zouden hebben gegolden in de eerste procedure tussen (onder meer) […] en […] Bij de waardering van het bewijs zal immers ook rekening moeten worden gehouden met de verschillen tussen beide procedures, waaronder het verschil in bewijsrisico en eventuele verschillen in bewijsmogelijkheden.”
Voor zover het subonderdeel tot uitgangspunt neemt dat het hof ten onrechte ‘toegespitst bewijs’ van [eiseres] heeft verlangd, berust het bovendien op een verkeerde lezing van het arrest en faalt het daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof geeft in r.o. 4.12 eerst weer dat [verweerder] heeft aangevoerd, kort gezegd, dat [B] er niet in zou zijn geslaagd een financier bereid te vinden. Vervolgens overweegt het hof dat “ [eiseres] [daartegenover] geen bewijs [heeft] aangeleverd waaruit volgt dat een financier zou zijn gevonden die tegen redelijke voorwaarden een hoger bedrag had willen financieren.” Dat is volgens mij iets anders dan (te) toegespitst bewijs verlangen, maar komt erop neer dat [eiseres] te weinig tegen het gemotiveerde verweer van [verweerder] heeft ingebracht. Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de voorgaande subonderdelen, deelt het in het lot van die subonderdelen.
Hierop stuit het subonderdeel af.
condicio sine qua non-verband bestaat tussen die fouten en de nadelige situatie waarin [eiseres] is komen te verkeren. Het had volgens het subonderdeel daarom in de rede gelegen dat het hof een inschatting had gemaakt van de kans dat [eiseres] in de hypothetische situatie zonder de fouten haar aandelen wél tegen een hogere prijs aan [bestuurder 2] had kunnen verkopen en de vordering van [eiseres] enkel af te wijzen als die kans zeer klein zou zijn. Dit laatste stelt het hof volgens het subonderdeel niet vast.
Althans had het hof volgens het subonderdeel duidelijk moeten maken waarom het de schade niet begrootte op basis van de door [eiseres] gemiste kans op een meer profijtelijke verkoop van haar aandelen, hetgeen zonder motivering onbegrijpelijk is.
NJ2010/3;
[…] / […]). Dit is wat mij betreft alleen aan de orde als de aard van de zaak zich hiervoor leent. Dit is, zoals Langemeijer opmerkt, met name het geval bij het soort zaken waarin vrijwel nooit met zekerheid kan worden vastgesteld wat de uitkomst bij een ander verloop der dingen zou zijn geweest, zoals in geval van het niet tijdig instellen van een rechtsvordering of van hoger beroep. Zie ook
Deloitte Belastingadviseurs/H&H Beheer(HR 21 december 2012,
NJ2013/237, m.nt. S.D. Lindenbergh). Tevens dienen de in het geding gestelde feiten de rechter ofwel in staat te stellen om, in plaats van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding, aanstonds een vergoeding ter hoogte van de verloren gegane kans toe te wijzen (zoals hiervoor vermeld), dan wel dienen deze feiten voor de rechter aanknopingspunten te bieden om de mogelijkheid van kansschade aan partijen voor te houden en hen eventueel in de gelegenheid te stellen met het oog hierop nadere informatie aan te dragen. Het voert (ook) mij te ver ter zake initiatieven van de rechter te verwachten als het processuele debat hiertoe in het geheel geen aanknopingspunten biedt.
[…]
Voor het leerstuk van de kansschade gelden bij afwijzing van de vordering van een partij tot toepassing hiervan de gewone motiveringseisen die in het algemeen gelden voor rechterlijke beslissingen. Als de rechter deze optie ambtshalve in zijn beoordeling van de zaak heeft betrokken, maar geen grond aanwezig acht om tot toepassing van het leerstuk van de kansschade te besluiten, behoeft hij dit mijns inziens niet in zijn uitspraak te verantwoorden.” [29]
verplichtingvoor het hof ambtshalve toepassing te geven aan het leerstuk van de kansschade en behoefde het hof ook niet te motiveren waarom het geen grond aanwezig acht om dat leerstuk toe te passen.
Ik merk nog op dat de grootte (‘hoegrootheid’) van de kans en de omvang van een bedrag boven de betaalde prijs van ƒ 15.680.000,-- communicerende vaten zijn; de hoegrootheid van de kans neemt steeds verder af naarmate van een hogere prijs boven de van [B] ontvangen prijs van ƒ 15.680.000,-- wordt uitgegaan. [31] [eiseres] heeft in feitelijke instanties wel gesubstantieerd wat de waarde van het pakket van de uittredende aandeelhouder volgens haar zou zijn; eerst ƒ 24.113.000,-- en later zelfs ƒ 52.700.000,-- (zie onder 2.18-2.19 hiervoor). In het oordeel van het hof ligt m.i. besloten dat aan [eiseres] niet een reële kans (dat wil zeggen: een niet zeer kleine kans) op een dermate hogere prijs is ontnomen. [32] Voor zover de vaststaande feiten al aanleiding zouden hebben moeten geven tot ambtshalve toepassing van het leerstuk van de kansschade, wordt de ondergrens voor de toewijzing van de vordering op deze grondslag (dus) niet gehaald. [33] Het hof was, zoals ook blijkt uit het hiervoor opgenomen citaat van Klaassen, niet gehouden te motiveren dat het geen grond aanwezig acht om op grond van het leerstuk van kansschade een deel van de vordering toe te wijzen.
Hierop stuit het subonderdeel af.
De door de rechtbank gegeven bewijsopdracht, die het hof noemt in r.o. 4.11 (“te bewijzen dat zij in de situatie zonder fout haar aandelenpakket had verkocht tegen de correct gewaardeerde waarde, althans een hoger bedrag dan het ontvangen bedrag”), stelt het subonderdeel niet ter discussie. Het hof vat het betoog van [eiseres] hierover in r.o. 4.11 (door het subonderdeel eveneens onbestreden) als volgt samen:
Wat de stellingen onder (i) t/m (vi) betreft wijs ik nog op het volgende.
Onder (i)wordt gesteld dat [B] bij het ingaan van het uitkoopproces nog rekening moest houden met een onvoorwaardelijke verplichting om de overnamesom te betalen en toen ook rekening moest worden gehouden met een veel hogere koopprijs dan zij uiteindelijk heeft betaald. Daarom was het volgens deze stelling zeer aannemelijk dat [B] veel hogere bedragen kon betalen dan de later getaxeerde waarde. De relevantie van deze stellingen voor het oordeel van het hof ontgaat mij. Deze stellingen doen immers niet af aan het oordeel van het hof in r.o. 4.12 dat de afnameverplichting met instemming van de beide aandeelhouders is komen te vervallen. Dat aanvankelijk ook hogere bedragen zijn genoemd, maakt ook niet (zeer) aannemelijk dat [B] in de situatie zonder de fout in staat en bereid was geweest een hoger bedrag te betalen dan het daadwerkelijk door haar betaalde bedrag van ƒ 15.680.000,--.
De stellingen
onder (ii) t/m (v)heeft het hof in r.o. 4.12 gemotiveerd verworpen. Deze stellingen hebben achtereenvolgens betrekking op vermogensbestanddelen waarover [B] zou beschikken, dat [bestuurder 2] over een onderneming in bouwmaterialen beschikte, dat een betalingsregeling opgelegd had kunnen worden door de RvC, en dat [eiseres] zelf had kunnen voorfinancieren. Ik zie niet in waarom het hof daarbij de eisen aan de stelplicht van [eiseres] zou hebben miskend.
Dan resteert nog de stelling
onder (vi), die inhoudt dat [B] nu juist als gevolg van de te lage waardebepaling door de bindend adviseurs de mogelijkheid tot financiering van een hogere koopsom niet heeft hoeven onderzoeken en dat zij dit dus ook niet heeft gedaan. De stelling van [verweerder] dat [B] niet meer zou hebben kunnen betalen omdat zij geen financiering had kunnen krijgen, zou daarom volgens het subonderdeel slechts een blote stelling zijn. Ook in het licht van deze stelling valt niet in te zien dat het hof te hoge eisen zou hebben gesteld aan de stelplicht van [eiseres] . Van een blote stelling van [verweerder] is ook geen sprake. De desbetreffende stelling van [verweerder] vindt immers haar grondslag in de getuigenverklaring van [bestuurder 2] waar het hof in r.o. 4.12 ook naar verwijst (“ [bestuurder 2] heeft als getuige verklaard dat hij niet bereid en in staat was tegen een hoger bedrag te kopen. Hij heeft verklaard dat hij zelfs nog privégeld heeft moeten aanwenden om de aandelen te kunnen overnemen voor het bedrag dat hij met [bestuurder 1] is overeengekomen.”). [36] Het subonderdeel is tevergeefs voorgesteld.
Het subonderdeel is ongegrond.
onder (i)dat het hof de in subonderdeel 1.5 onder (i) genoemde stellingen van [eiseres] niet kenbaar in zijn oordeel betrekt. Dit had het hof volgens het subonderdeel wel moeten doen, omdat de omstandigheid dat [B] kennelijk niet terugschrok voor een onvoorwaardelijke verplichting om een aanzienlijk hogere koopprijs te betalen erop wijst dat [B] wel degelijk in staat was om een hogere koopprijs te voldoen. Nu het hof aan de desbetreffende stellingen voorbijgaat, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
onder (ii)een motiverings- en rechtsklacht tegen r.o. 4.12, zesde volzin. Als het hof aldaar bedoelt dat [bestuurder 1] als getuige zou hebben verklaard dat de afnameverplichting feitelijk is komen te vervallen in de zin dat geen sprake meer zou zijn geweest van een ‘harde’ verplichting tot afname van de aandelen met als enige uitzondering het daadwerkelijk niet rond krijgen van de financiering, is dat volgens het subonderdeel onbegrijpelijk. Als het hof niet is uitgegaan van een enkel door de voorwaarde van financiering geclausuleerde, daadwerkelijke afnameverplichting is het volgens het subonderdeel ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en/of heeft het art. 24 Rv Pro geschonden.
onder (iii)dat, gelet op deze afnameverplichting, voor het oordeel van het hof niet redengevend is dat [B] niet bereid zou zijn geweest tegen een hoger bedrag te kopen. Dat het hof zijn oordeel toch op die ontbrekende bereidheid baseert, is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk. Het subonderdeel leest ook in de eerste volzin van r.o. 4.13 dat het hof de bereidheid van [B] om tegen de correct vastgestelde waarde af te nemen van belang heeft geacht, hetgeen volgens het subonderdeel onbegrijpelijk is.
Hierop strandt het subonderdeel.
onder (iv)een motiveringsklacht tegen de tiende volzin van r.o. 4.12. Volgens het subonderdeel is dat oordeel niet begrijpelijk, omdat [B] , als de waarde van de aandelen hoger zou zijn vastgesteld dan het bedrag dat [B] heeft betaald, enkel een financier bereid zou hebben hoeven vinden om het meerdere ter beschikking te stellen. Het subonderdeel wijst er bovendien nog een keer op dat [B] beschikte over vermogensbestanddelen die financiering van dit meerdere mogelijk zouden hebben gemaakt.
Hierop stuit het subonderdeel af.
onder (v)is gericht tegen de twaalfde volzin van r.o. 4.12. Het subonderdeel stelt dat het hof, door aldaar de stelling van [eiseres] dat zij zelf had kunnen voorfinancieren, te verwerpen op de grond dat uit niets zou blijken dat [eiseres] daartoe bereid en in staat was, te hoge eisen stelt aan de stelplicht van [eiseres] . Volgens het subonderdeel kan in de gegeven omstandigheden van [eiseres] niet worden gevergd dat zij meer concreet en/of verdergaand stelt of onderbouwt dat zijzelf bereid was geweest om een gedeelte van de koopsom te financieren door middel van een lening of uitgestelde betaling. Dat [eiseres] daartoe niet in staat en bereid zou zijn geweest, is volgens het subonderdeel, zonder nadere toelichting, niet begrijpelijk. Het subonderdeel stelt dat niet is in te zien waarom [eiseres] niet tot het betrachten van enig geduld in staat zou zijn geweest en waarom zij daartoe niet bereid zou zijn geweest. Zij zou dan immers alsnog een hogere koopprijs kunnen ontvangen. Het subonderdeel stelt voorts nog dat het hof met dit oordeel buiten de rechtsstrijd van partijen treedt en/of art. 24 Rv Pro schendt, omdat [verweerder] aan zijn verweer niet ten grondslag heeft gelegd dat [eiseres] niet in staat zou zijn geweest tot (voor)financiering.
onder (vi)dat, voor zover het hof bij zijn oordeel mede in aanmerking neemt dat volgens de eigen stellingen van [eiseres] [B] en zijzelf het bindend advies terzijde hebben gelegd en dat onderhandeling heeft geleid tot het ontvangen bedrag, het hof onvoldoende inzicht geeft in zijn gedachtegang. Volgens het subonderdeel is niet in te zien hoe deze omstandigheid bijdraagt aan de slotsom van het hof dat het bewijs dat [eiseres] – in de situatie zonder fout – de aandelen, kort gezegd, voor een hoger bedrag had verkocht, niet is geleverd.
Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat volgens de eigen stellingen van [eiseres] [B] en zijzelf beide op de hoogte waren van het feit dat het bindend advies niet deugde, en dat zij daarom het advies terzijde hebben gesteld en tot onderhandeling zijn overgegaan en dat deze onderhandeling heeft geleid tot het ontvangen bedrag.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Hierop strandt het subonderdeel.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Hierop stuit het subonderdeel af.
De motiveringsklacht ziet voorbij aan hetgeen [verweerder] in de memorie van antwoord, par. 2.4.3 (“Waarde is geen schade”) heeft aangevoerd.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel noemt in dit verband voorts een drietal (in het subonderdeel onder (i) t/m (iii) vermelde) stellingen die erop zouden wijzen dat [eiseres] in het hypothetische scenario zonder de fouten van [verweerder] , haar aandelen wel degelijk had kunnen verkopen voor een correct vastgestelde waarde, althans een hogere prijs dan de prijs die zij in werkelijkheid heeft ontvangen. Volgens het subonderdeel is ’s hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu het hof deze stellingen niet kenbaar in zijn oordeel betrekt. In deze stellingen ligt volgens het subonderdeel bovendien besloten dat [eiseres] (dan) wel degelijk in staat zou zijn geweest om haar aandelen aan een derde te verkopen tegen een hogere prijs dan het ontvangen bedrag. Het oordeel van het hof dat [eiseres] dit niet (kennelijk: ook niet subsidiair) heeft gesteld, is daarom onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel.
heeft zij niet gesteld[…]” [mijn onderstreping, A-G].
onder (i)wordt een beroep gedaan op de volgende passage uit de pleitnota in hoger beroep van [eiseres] :
11.5 Uit het voorgaande volgt niet alleen dat in ieder geval [bestuurder 2] en [verweerder 1] er in een vroeg stadium op preludeerden dat [bestuurder 2] de aandelen van [eiseres] zou gaan overnemen en dat de prijs van de over te nemen aandelen gedrukt moest worden (dat blijkt immers uit het memo van [bestuurder 2] aan [verweerder 1] , waarbij [bestuurder 2] bevreesd was dat [eiseres] derde (externe) kopers kon vinden, die bovendien een bedrag voor het aandelenpakket konden betalen. Het kan welhaast niet anders zijn dan dat [bestuurder 2] al in een veel eerder stadium in onderhandeling was getreden met de Telegraafgroep en alles in het werk heeft gesteld om het bindend advies in een zo gunstig mogelijke zin voor haar in te richten. Het heeft er – minst genomen – alle schijn van dat de bindend adviseurs naar de wensen van [bestuurder 2] hebben toegewerkt. Dat verdiend in rechte geen honorering.” [47]
Hierop strandt het subonderdeel.
onder (ii)wordt een beroep gedaan op een passage uit de memorie van grieven van [eiseres] en op een passage uit de memorie van antwoord van [verweerder] waaruit volgens het subonderdeel blijkt dat de bindend adviseurs de waarde van de aandelen “in belangrijke mate” hebben bepaald aan de hand van de
discounted cashflow-methode. [48] Het oordeel van het hof zou in zoverre onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd, nu dit erop is gebaseerd dat een eventuele koper slechts een minderheidsbelang zou verkrijgen. Ook dit betoog gaat niet op. Ik wijs er in de eerste plaats op dat uit de vaststaande feiten blijkt dat de bindend adviseurs ook andere overwegingen bij hun
discounted cashflow-waardering hebben betrokken (zie het citaat weergegeven onder 2.15 hiervoor, onder Verantwoording). Ik wijs er voorts op dat in de memorie van antwoord van [verweerder] is gewezen op de omstandigheid dat een derde met het belang van [eiseres] een minderheidsbelang in de [A] zou verwerven en [B] daarmee een controlerend belang kon verwerven:
81. In het niet-aannemelijke geval dat een externe partij toch geïnteresseerd zou zijn geweest in de aankoop van het [eiseres] Belang, zou dat in ieder geval niet zijn voor een hoger bedrag dan dat [B] heeft betaald, nu (i) er slechts sprake was van een (incourant) aandelenbelang waarvoor een externe partij (substantieel) minder geld zou willen betalen dan [B] (die met de koop haar eigen aandelenbelang vergrootte) […].”
onder (iii)een beroep op een andere passage uit de pleitnota in hoger beroep van [eiseres] :
5.9 De bindend adviseurs laten daarbij evenwel onvermeld dat het bedrijf na vertrek van [bestuurder 1] sterk is afgeweken van de strategische uitgangspunten die zeer zorgvuldig waren ontwikkeld. Ook ten tijde van de formulering van de strategie was duidelijk dat de grafische industrie sterk zou veranderen, daarmee was bij de opstelling van de strategische uitgangspunten rekening gehouden. De strategie hield kort gezegd in: focus op grafische dienstverlening en terugtrekking uit de meest kapitaalintensieve druktechnieken. Na diens vertrek zijn echter bedrijven gekocht die geheel niet in deze strategie pasten. Zo, onder meer, het bedrijf [C] , dat in productie 7 MvA wordt genoemd, waar grote saneringen moesten worden doorgevoerd.
5.10 Dat [bestuurder 1] de besluitvorming sterk zou hebben kunnen beïnvloeden blijkt uit artikel 3 van Pro de overeenkomst van 1999, waarin Wegener ook partij was. Daaruit blijkt dat alle belangrijke besluiten bij unanimiteit door aandeelhouders moesten worden goedgekeurd. [bestuurder 1] zou nimmer goedkeuring hebben gegeven aan voorgenomen besluiten die niet in lijn waren met de strategie. Dit betekent dat het bedrijf zich dan heel anders zou hebben ontwikkeld.” [49]
Het subonderdeel is ongegrond.
Onderdeel 3: gezag van gewijsde
Het onderdeel stelt voorts dat als het hof is uitgegaan van een andere uitleg van de beslissing in de incassoprocedure dat in het licht van de gedingstukken niet begrijpelijk is.
dezelfde rechtsbetrekking in geschilbetrof, zoals het hof ook terecht in die tweede alinea van r.o. 4.15 constateert. In een arrest uit 2020, waar het onderdeel ook naar verwijst, [51] heeft de Hoge Raad hierover onder meer het volgende overwogen:
[…]
3.5.7. Door de door de rechtbank benoemde deskundige, C.F. Mateijsen RA, die (het hof merkt dit ten overvloede op) met betrekking tot de naverrekeningsclausule concludeerde tot een door de bindend adviseurs in dit opzicht als ‘matig ernstig’ aan te merken fout, is het totale bruto nadeel dat appellante als gevolg van deze fout heeft geleden berekend op circa ƒ 4.000.000 en het totale netto nadeel op ƒ 1,8 miljoen. Het hof concludeert dat door appellante (zeer) relevant nadeel is geleden.
10. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de bindend adviseurs, alles bij elkaar genomen, ernstig verwijtbaar hebben gehandeld en dat hen grove schuld kan worden verweten. […]” [54]
22. Kortom, voor wat betreft de hoogte van de in de Schadeprocedure gevorderde schade bindt het rapport uit de Incassoprocedure zoals dat door Mateijsen is opgesteld, [eiseres] niet. Voor wat betreft de vaststelling door het Hof Den Haag, dat als gevolg van de fout zijdens de bindend adviseurs door [eiseres] (zeer) relevant nadeel is geleden, bindt dat partijen in deze Schadeprocedure wel. […]”
48. Dat dit causale verband nooit aan de orde is geweest in de Incassoprocedure, is ook logisch, want het ging als gezegd immers alleen om de vraag of het gerechtvaardigd was dat PwC (als penvoerder en lasthebber van de Commissie) de (volledige) facturen betaald zou krijgen. Het ging om de vraag wat de ernst van Fout 1 en Fout 2 was en wat het mogelijke effect was op de waardering van het aandelenpakket.
Het ging niet om de vraag wat in de hypothetische situatie zou zijn gebeurd indien Fouten 1 tot met 3 niet in het Rapport hadden gezeten, en of [eiseres] de aandelen daadwerkelijk had kunnen verkopen tegen een hogere (vastgestelde) prijs. Dat was juist het onderwerp van de onderhavige Schadeprocedure die indertijd (in 2005) reeds was geëntameerd.
[mijn onderstreping, A-G]