Conclusie
In het incidenteel cassatieberoep wordt volgens mij terecht een punt gemaakt van de afgewezen hoofdelijke proceskostenveroordeling van Sporttrading c.s. De andere klachten van het incidenteel cassatieberoep zien op de afwijzing van de gevorderde opgave en kunnen in mijn ogen niet tot cassatie leiden.
“I am informed and believe that the shoes I examined and analysed were, according to the declarations and receipts attached as Exhibit B, purchased by or on behalf of Kesbo Sports BV at different retail stores in the Netherlands, and that one shoe of each pair purchased was forwarded to me by Kesbo Sports B.V. (…) for examination and analysis. (…) In conclusion, I confirm that each of the shoes I examined was not produced by or with the authorization of the Company and is therefore counterfeit.”
Vice President Legalvan Converse heeft vervolgens in maart en april 2009
affidavitsafgegeven, onder meer inhoudende:
“As a result of [betrokkene 3] ’s detailed examination, we have concluded that the shoes are counterfeit (…)”.
counterfeit) onder zich had. Van de 355 pallets Converse-schoenen bleken volgens Converse c.s. 161 pallets
counterfeitschoenen te bevatten. De overige schoenen waren originele schoenen. Deze schoenen (ongeveer 30.000 paar) zijn door Converse c.s. vrijgegeven. Op 15 oktober 2019 heeft [betrokkene 3] schriftelijk verklaard dat hij de schoenen op 25 en 26 mei 2009 heeft onderzocht en heeft hij aangegeven welke schoenen naar zijn mening
counterfeitzijn.
“Wij stellen vast dat de in de rapportage van 3 augustus 2009 genoemde 478.107 paar door Sporttrading ingekochte Converse-schoenen uiteindelijk afkomstig zijn van officiële Europese Converse distributeurs of een partij die anderszins handelde met instemming van of namens Converse (Brand Search International Ltd.). (…)De herkomst van de door Sporttrading ingekochte Converse-schoenen kan als volgt worden gespecificeerd:
direct afkomstig zijn van Borol, een eveneens in de EER gevestigde onderneming;
dan wel via Pelham Sport (een aan Ressokd-Rings gelieerde onderneming) van Borol afkomstig zijn;
Borol de schoenen geleverd heeft gekregen van Infinity.
“In de rechtsoverwegingen is (on)geoorloofde parallelimport enkele keren genoemd. Ook wordt in het dossier gesproken van het al dan niet met/zonder toestemming van Converse op de markt brengen van goederen/schoenen. Ik heb geen nader onderzoek gedaan naar (on)geoorloofde parallelimport en het al dan niet met/zonder toestemming van Converse op de markt brengen van goederen/schoenen, omdat ik in het dossier onvoldoende definiëring en onvoldoende normenkader betreffende deze begrippen aanwezig acht.”Op de eerste vraag van de rechtbank heeft de deskundige (p. 22 van het rapport) onder meer geantwoord:
“(…) Ik ben van mening dat in genoemde periode een Organisatie heeft bestaan, bestaande uit meerdere personen en rechtspersonen, die gedurende de periode 1 januari 2008 tot aan de datum van uitspreken van de faillissementen van Sporttrading c.s. (A-G: 25 mei 2010 resp. 3 juni 2010) Converse-schoenen van buiten de EER heeft ingevoerd.”De deskundige heeft de helft van de in de [A] -rapporten besproken zendingen in zijn onderzoek betrokken. Een zestal daarvan voldoet - blijkens zijn antwoord op vraag 6 van de rechtbank, p. 38 van het rapport - volgens hem aan de criteria dat deze blijkens de ‘bill of lading’ uit Singapore afkomstig zijn en als bestemming EER hebben en levering op basis van CMR en mailverkeer en facturering plaatsvond aan Sporttrading . Het gaat om de zendingen met de nummers 015, 017, 062, 066, 067 en 068.
I. een verklaring voor recht dat Sporttrading c.s. inbreuk op de merkrechten van Converse heeft gemaakt;
II. een verklaring voor recht dat de curator inbreuk op de merkrechten van Converse heeft gemaakt en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade;
III. veroordeling van Sporttrading c.s. tot staken van inbreuk op de merkrechten van Converse;
IV. een bevel tot opgave van gegevens door de curator en FM met betrekking tot door Sporttrading c.s. van 1 januari 2008 tot aan de faillissementen verhandelde inbreukmakende schoenen;
V. een bevel tot opgave van gegevens door de curator met betrekking tot na de faillissementen verhandelde inbreukmakende schoenen;
VI. een bevel aan de curator en FM tot het sturen van een brief aan afnemers over terugname van inbreukmakende schoenen;
VII. een bevel aan de curator en FM tot afgifte van de inbreukmakende schoenen die onder beslag liggen;
VIII. een bevel aan de curator en FM tot het verstrekken van inzage aan een forensisch accountant in de bescheiden waarop beslag ligt;
IX. een bevel aan de curator en FM tot publicatie van het vonnis;
X. veroordeling van de curator tot vergoeding van schade door verkoop van inbreukmakende schoenen na het uitspreken van de faillissementen;
XI. een verklaring voor recht dat de curator en FM te kwader trouw inbreuk hebben gemaakt op de merkrechten van Converse.
Converse c.s. vorderde verder dat dwangsommen zouden worden verbonden aan de onder III. t/m IX. genoemde vorderingen en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard.
I. hoofdelijke veroordeling van Converse c.s. tot opheffing van de beslagen en tot teruggave van de schoenen en afgifte van de in beslag genomen administratie;
II. een verbod aan Converse c.s. om gebruik te maken van de informatie die zij in het kader van de beslagleggingen heeft verkregen;
III. een bevel aan Converse c.s. tot publicatie van het vonnis;
IV. hoofdelijke veroordeling van Converse c.s. tot vergoeding van schade, op te maken bij staat.
Zij vorderden verder dat dwangsommen zouden worden verbonden aan de onder I t/m III genoemde vorderingen en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard.
De curator en FM hebben ieder afzonderlijk een conclusie van repliek in reconventie genomen. FM heeft daarbij haar eis onder I gewijzigd. Deze kwam te luiden ‘te verklaren voor recht dat Converse zich jegens FM Fashion B.V. schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW Pro’.
I. de op 6 tot en met 9 april 2019, 13 en 26 november gelegde beslagen opgeheven en de teruggave van de in beslag genomen schoenen en (al dan niet digitale kopieën van) de financiële administratie bevolen;
II. Converse c.s. hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de door de curator en FM geleden schade, nader op te maken bij staat;
III. de overige vorderingen van de curator en FM afgewezen.
Verder heeft de rechtbank Converse c.s. in conventie en in reconventie veroordeeld in de kosten van de procedure volgens art. 1019h Rv. De rechtbank heeft deze kosten aan de zijde van de curator begroot op € 201.510,00 aan salaris advocaat en aan de zijde van FM op € 265.866,73, waarvan € 265.604,73 aan salaris advocaat. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
I. te verklaren voor recht dat Sporttrading c.s. en FM in de periode van 1 januari 2008 tot aan de datum van uitspreken van de faillissementen van Sporttrading , Ferro , Sport Concept en Brandustry zonder toestemming van Converse gebruik heeft gemaakt van de merkrechten van Converse in de zin van artikel 2.20 lid 1 aanhef en sub a BVIE (oud), en dat zij aldus inbreuk heeft gemaakt op de merkrechten van Converse;
II. Sporttrading c.s. en FM te veroordelen om met onmiddellijke ingang na betekening van het te dezen te wijzen vonnis (hetgeen het hof begrijpt als ‘arrest’ en ook zo verder heeft gelezen en opgenomen) elke inbreuk op de merkrechten van Converse te staken en gestaakt te houden, waaronder begrepen maar niet uitsluitend te staken en gestaakt te houden het bestellen, de aankoop, distributie, het aanbieden, verkopen, de opslag, het leveren, in de handel brengen of daartoe in voorraad houden, het invoeren en/of uitvoeren van producten onder de Converse-merken, een en ander op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 voor iedere dag dat, danwel van € 5.000,00 voor ieder product waarmee – ter keuze van Converse c.s. – door Sporttrading c.s. en FM na betekening van het te dezen te wijzen arrest aan deze veroordeling in het geheel of gedeeltelijk geen gevolg is gegeven;
III. Sporttrading c.s. en FM te veroordelen om op eigen kosten binnen 10 dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest aan de advocaat van Converse c.s., mr. M.W. Mulder, een op basis van zelfstandig onderzoek door een onafhankelijke accountant – door Converse c.s. aan te wijzen – opgestelde, gecontroleerde en gecertificeerde schriftelijke en gedetailleerde opgave te doen – ter staving daarvan vergezeld van door die accountant gecontroleerde en gecertificeerde kopieën van alle relevante documenten, facturen, paklijsten, vrachtbrieven, orders, orderbevestigingen, voorraadadministratie, douanestukken, e-mails en/of andere bewijsstukken – van:
a. de leverancier(s), maker(s), producent(en), distributeur(s), verkoper(s), vervoerder(s) en afnemer(s) niet zijnde consumenten van alle inbreukmakende schoenen waaronder counterfeit schoenen (zoals omschreven in punt 18 van het lichaam van de dagvaarding in eerste aanleg) die Sporttrading c.s. vanaf 1 januari 2008 tot aan de datum van uitspreken van de faillissementen van Sporttrading , Ferro , Sport Concept en Brandustry heeft besteld, aangekocht, gedistribueerd, aangeboden, verkocht, geleverd en/of verhandeld, alles in de ruimste zin des woords, onder mededeling van de volledige na(a)m(en), adres(sen), telefoon- en faxnummer(s);
b. de aan Sporttrading c.s. en FM geleverde aantallen, prijzen en leverdata van de inbreukmakende schoenen waaronder counterfeit schoenen (zoals omschreven in punt 18 van het lichaam van de dagvaarding) die Sporttrading c.s. vanaf 1 januari 2008 tot aan de datum van uitspreken van de faillissementen van Sporttrading , Ferro , Sport Concept en Brandustry heeft besteld, aangekocht, gedistribueerd, aangeboden en/of verhandeld, alles in de ruimste zin des woords, zulks gerangschikt per type/soort/kleur product en per leverancier, producent of distributeur, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende bestelformulieren en facturen;
c. de door Sporttrading c.s. en FM vanaf 1 januari 2008 tot aan de datum van uitspreken van de faillissementen van Sporttrading , Ferro , Sport Concept en Brandustry aan afnemers verkochte en/of geleverde aantallen, verkoopprijzen en leverdata van alle inbreukmakende schoenen waaronder counterfeit schoenen (zoals omschreven in punt 18 van het lichaam van de dagvaarding), evenals de door Sporttrading c.s. aan afnemers verkochte en/of geleverde aantallen van de onder b hiervoor bedoelde overige partijen counterfeit schoenen (zoals omschreven in punt 18 van het lichaam van de dagvaarding), zulks gerangschikt per partij/type/soort/kleur product en per afnemer, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende correspondentie en facturen en onder mededeling van de volledige na(a)m(en), adres(sen), telefoon- en faxnummer(s);
één en ander op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 voor iedere dag dat door Sporttrading c.s. en FM na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan deze veroordeling in het geheel of gedeeltelijk geen gevolg is gegeven;
IV. Sporttrading c.s. en FM te gebieden om binnen 14 dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest alle inbreukmakende schoenen waaronder counterfeit schoenen (zoals omschreven in punt 18 van het lichaam van de dagvaarding) en waaronder begrepen de verpakkingen, waarop conservatoir beslag ligt aan Converse c.s. op een door Converse c.s. te bepalen plaats over te dragen ter vernietiging op kosten van Sporttrading c.s. , een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag dat door Sporttrading c.s. en FM aan deze veroordeling in het geheel of gedeeltelijk geen gevolg is gegeven;
V. Sporttrading c.s. en FM te bevelen om met onmiddellijke ingang na betekening van het te dezen te wijzen arrest te gedogen dat, op kosten van Sporttrading c.s. en FM, een door Converse c.s. aangewezen onafhankelijke forensische accountant, inzage krijgt in de op 13 en 26 november 2009 en/of de op 23 juli 2018 in conservatoir beslag genomen bescheiden voor zover dit ziet op documenten dan wel digitale bestanden waaruit de door Sporttrading c.s. bestelde en geleverde Converse-schoenen blijken, inclusief alle onderliggende relevante administratie, documentatie en correspondentie, één en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag dat door Sporttrading c.s. en FM aan deze veroordeling in het geheel of gedeeltelijk geen gevolg is gegeven;
VI. Sporttrading c.s. te veroordelen tot de integrale publicatie van het te dezen te wijzen arrest, althans een door dit hof in goede justitie te bepalen andersluidende tekst, tezamen met de afbeeldingen van de originele Converse-schoenen en de inbreukmakende schoenen waaronder counterfeit schoenen, in de eerste weekendeditie na betekening van het te dezen te wijzen arrest van De Telegraaf en De Volkskrant steeds in de standaardlettertypen en –grootte, één en ander volledig voor eigen rekening en op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat door Sporttrading c.s. en FM na betekening van het te dezen te wijzen arrest aan de bovenstaande veroordeling in het geheel of gedeeltelijk geen gevolg is gegeven;
VII. te verklaren voor recht dat Sporttrading c.s. en FM te kwader trouw inbreuk heeft gemaakt op de merkrechten van Converse;
VIII. Sporttrading c.s. en FM hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Converse binnen 7 dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest van de door Converse c.s. gemaakte proceskosten ex artikel 1019h Rv, inclusief alle kosten gemaakt in het kader van het in de lichaam van de dagvaarding vermelde ex parte bevel, althans zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal bepalen;
IX. Sporttrading c.s. en FM hoofdelijk te veroordelen om hetgeen Converse c.s. ter uitvoering van de bestreden vonnissen heeft voldaan, aan Converse c.s. terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.
I. Converse c.s. niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen of Converse c.s. haar vorderingen te ontzeggen, althans die vorderingen af te wijzen door te bevestigen de vonnissen van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant waarvan appel en met inachtneming van de eiswijziging van de curator, de vordering van de curator (opnieuw) integraal toe te wijzen;
II. alle door Converse c.s. tot aan dit arrest ten laste van Sporttrading gelegde beslagen op te heffen en Converse c.s. en de gerechtelijk bewaarder(s) te bevelen tot teruggave, aan de curator van de in beslag genomen en in bewaring gegeven schoenen en (digitale) (kopieën van de) (financiële) administratie en andere bescheiden, binnen vijf werkdagen na betekening van dit arrest aan Converse c.s. en de respectievelijke gerechtelijke bewaarder(s);
III. Converse c.s. hoofdelijk te veroordelen tot opheffing van eventuele na de datum van dit arrest jegens Sporttrading c.s. en/of de curator gelegde beslagen ter zake het onderhavige feitencomplex, en teruggave van hetgeen in beslag is genomen, binnen 48 uur na betekening van dit arrest en onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat Converse en/of Kesbo geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan deze veroordeling, waarbij de verbeurde dwangsom dient te worden vermeerderd met wettelijke rente indien de dwangsom(men) niet binnen veertien dagen na iedere datum van verbeuren worden voldaan;
IV. Converse c.s. hoofdelijk te bevelen om zich te onthouden van het leggen van nieuwe beslagen ten laste van Sporttrading c.s. en/of ten laste van de curator, binnen 48 uur na betekening van dit arrest, bij gebreke waarvan Converse c.s. hoofdelijk een dwangsom verbeurt, van € 25.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat Converse en/of Kesbo geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan deze veroordeling, waarbij de verbeurde dwangsom dient te worden vermeerderd met wettelijke rente indien de dwangsom(men) niet binnen veertien dagen na iedere datum van verbeuren worden voldaan;
V. Converse c.s. te verbieden om in welke zin dan ook gebruik te maken van de informatie die zij hebben verkregen in het kader van de beslagleggingen bij gebreke waarvan Converse c.s. hoofdelijk een dwangsom verbeuren van € 50.000,00 per overtreding en van € 25.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat Converse en/of Kesbo de overtreding geheel of gedeeltelijk laat voortduren, waarbij de verbeurde dwangsom dient te worden vermeerderd met wettelijke rente indien de dwangsom(men) niet binnen veertien dagen na iedere datum van verbeuren worden voldaan;
VI. Converse c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door Sporttrading c.s. geleden schade, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente sedert het geldend maken van de onderhavige aanspraak;
VII. Converse c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg, in conventie en reconventie, een en ander op basis van artikel 1019h Rv;
VIII. Converse c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding in hoger beroep ex artikel 1019h Rv, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro daarover, te rekenen vanaf de 15e dag na dagtekening van dit arrest.
Samenvatting en gevolgen voor de bestreden beslissingen
Van Doren/Lifestylevan 8 april 2003 (C-244/00) heeft het Europees Hof van Justitie als volgt geoordeeld. Een bewijsregel op grond waarvan de uitputting van het merkrecht in principe moet worden bewezen door de derde die zich op uitputting beroept, is toegestaan. De vereisten van de bescherming van het vrije verkeer van goederen kunnen echter tot een wijziging van deze bewijsregel nopen. Wanneer de derde erin slaagt aan te tonen dat er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd wanneer hij uitputting moet bewijzen, moet de merkhouder aantonen dat de waren aanvankelijk door hemzelf of met zijn toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht. Dit is met name aan de orde wanneer de merkhouder zijn waren binnen de EER in de handel brengt door middel van een exclusief distributiesysteem. Indien dat bewijs door de merkhouder wordt geleverd, is het dan aan de derde om aan te tonen dat de merkhouder met het daarna in de handel brengen van betreffende waren binnen de EER heeft ingestemd.
“Converse-distributeurs in feite (…) bestelden wat zij maar wilden. De Converse-fabrieken in Azië produceerden vervolgens de schoenen en de Converse-distributeurs konden de schoenen binnen Europa vrij verhandelen. Infinity heeft daar gretig gebruik van gemaakt (en wellicht Sportland ook) maar door Converse werd daar (anders dan het opleggen van een incidentele boete) niet tegen opgetreden.”(conclusie van antwoord na deskundigenbericht d.d. 2 augustus 2017 onder 176) en ook dat
“Converse haar distributeurs niet onder controle had – en dat wist – maar daartegen niet daadwerkelijk optrad.”(mva 8.6.12), hetgeen op gespannen voet lijkt te staan met zijn stellingen omtrent het reële gevaar voor marktafscherming.
bearing the Converse Marks outside the Territory without prior written authorisation from Converse”.Artikel 4.8 ziet op levering en export naar Territory Pan Regional Accounts”. Uit appendix A (“Definitions”) bij dit contract blijkt wat dit zijn:
“Territory Pan Regional Accounts” shall mean pan regional accounts which are based in the Territory and have an outlet in one or moreadditional countries[onderstreping hof]
outside the Territory”.
(…)
(…)
- In het geschil Converse c.s. – (mr. Hermsen in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van) Ferro
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Inleiding
Onderdeel 1ziet op de vraag of omkering van de bewijslast aan de orde is op grond van
Van Doren/Lifestyle.
Onderdeel 2bestrijdt het oordeel in rov. 3.83 dat nu de bronnen van wie de schoenen volgens de curator afkomstig zijn al zijn geopenbaard, ook op deze grond de reden om de bewijslast eventueel om te keren ontvalt.
Onderdeel 3keert zich tegen het oordeel in rov. 3.84 dat de redelijkheid en billijkheid er niet toe nopen om Converse c.s. in afwijking van de hoofdregel met het bewijs te belasten.
Onderdeel 4komt op tegen het oordeel in rov. 3.108 dat ook wanneer zou moeten worden geoordeeld dat Converse c.s. de partij is op wie de bewijslast rust, geen andere uitkomst zou volgen.
Onderdeel 5klaagt dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het betoog van de curator dat Converse c.s. misbruik heeft gemaakt van haar merkenrechtelijke bescherming, althans in de gegeven omstandigheden geen beroep kan doen op bescherming van haar merkrechten omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Onderdeel 6bestrijdt het oordeel in rov. 3.92 dat de curator weliswaar stelt dat alle schoenen voorzien waren van tonglabels waarop codes staan vermeld die verwijzen naar Europese distributeurs van Converse c.s., maar deze stelling door Converse c.s. wordt betwist.
Onderdeel 7betoogt dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, de vorderingen tegen Brandustry moeten worden afgewezen.
Onderdeel 8bevat een louter voortbouwende klacht.
Onderdeel 9ziet op het hofoordeel in rov. 3.171 over de proceskostenveroordeling in het geschil tussen Converse c.s. en (mr. Hermsen in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van) Ferro .
Van Doren/Lifestyledie in de onderhavige procedure centraal staat. Het gaat om deze overwegingen uit dit arrest:
altijdsprake is van een reëel gevaar voor afscherming van nationale markten als gevolg waarvan de bewijslast moet worden omgekeerd in de zin van
Van Doren/Lifestyle [21] , zelfs als dat exclusieve distributiesysteem in potentie de mogelijkheid van marktafscherming biedt; het gaat erom of dat in de praktijk ook concreet zo is, wat vaak moeilijk aan te tonen zal zijn. Een bekend mededingingsrechtelijk gezichtspunt of sprake is van daadwerkelijke marktafscherming is daarbij of ook
passieve verkopenbuiten het exclusieve territoir juridisch of feitelijk worden belemmerd. Als dat niet zo is, is er in beginsel geen mededingsrechtelijk bezwaar en valt ook niet in te zien waarom dan de bewijslast zou moeten worden omgekeerd ten nadele van de merkhouder volgens
Van Doren/Lifestyle. Blijkens rov. 3.82 is dat ook een centrale toetssteen voor het hof geweest in onze zaak.
Honda/David Silver Spares:
the Court is giving an example of a situation in which there may be a risk of partitioning of national markets but is not determining that this must necessarily be the case. The question whether there is such a risk is one of fact and it is only according to the answer given by the ECJ to the question referred for a preliminary ruling where the defendant succeeds in establishing that such a real risk exists that the burden of proof is reversed.
This does not appear to be an easy test to apply in practice and it scarcely seems satisfactory that there should, potentially, need to be a preliminary issue tried before it is known who bears the burden of proof. But this is, as I see it, the effect of the ECJ's ruling in Van Doren + Q.” [22] (Onderstrepingen A-G)
Bundesgerichtshof(BGH) oordeelde in
Converse Ien
IIdat het enkele bestaan van een exclusief distributiesysteem niet voldoende is voor omkering van de bewijslast, ook al geeft de merkhouder dit de mogelijkheid van marktafscherming; er moet ook het daadwerkelijke risico/reëel gevaar zijn dat de nationale markten worden afgesloten [23] .
Oberster Gerichtshofin
Paco Rabanne:
Converse I(Rn 38)
maßgeblich auf dietatsächlicheMöglichkeit einer Marktabschottung ab und verneint diese im konkreten Fall trotz eines ausschließlichen Vertriebssystems, weil die Generalimporteure vertraglich nicht gehindert gewesen seien, an Zwischenhändler außerhalb ihres Absatzgebiets zu liefern(Rn 33). Darin fügt sich, dass auch nach der Rechtsprechung des BGH
das Vorliegen eines bestimmten Vertriebssystems für eine Beweislastumkehr nicht ausreicht, selbst wenn dieses die Möglichkeit einer Marktabschottung eröffnet. Hinzutreten muss die tatsächliche Gefahr, dass eine derartige Abschottung auch eintreten könne(BGH I ZR 137/10
, Converse II, Rn 29). Diese tatsächliche Gefahr ist vom Beklagten zu behaupten und zu beweisen (17 Ob 16/09b), wobei alleine die Berufung auf ein bestimmtes Vertriebssystem diesen Anforderungen nicht entspricht (HK-MarkenR/
Eke§ 24 Rz 100; BGH I ZR 99/11, Rn 10).
Wenn schließlich der Senat in 4 Ob 170/15a ausgesprochen hat, dass ein selektives Vertriebssystem eine Marktabschottung bewirkenkann, besagt dies nicht, dass dies stets der Fall seinmuss.” [24] (Onderstrepingen A-G)
Converse/Schoenenreusoordeelde het Bossche hof als volgt over de vraag of met het bewijs van de kant van Schoenenreus dat Converse een gesloten, exclusief distributiestelsel zou hanteren al gegeven is dat er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd wanneer zij zelf moet bewijzen dat het merkrecht van Converse is uitgeput, bijvoorbeeld als gevolg van legale parallelimport:
Converse/Scapino:
Van Doren/Lifestyleschrijft Drijber:
Van Doren/Lifestyleweliswaar stelt dat de parallelimporteur een marktafscheidingsgevaar zou kunnen bewijzen
“met name wanneer de merkhouder zijn waren binnen de EER in de handel brengt door middel van een exclusief distributiesysteem”, maar hij betoogt dat de ruimere, neutralere en genuanceerdere maatstaf uit eerdere arresten: dat de uitoefening van het merkrecht in strijd komt met (thans) art. 36 VWEU Pro
“wanneer komt vast te staan dat de wijze waarop de gerechtigde zijn merkrecht gebruikt,zijn afzetsysteem in aanmerking genomen, tot kunstmatige afscherming van de markten zal bijdragen” [31] , duidelijk de voorkeur heeft. De formulering van het HvJEU in rov. 39
(“Zoals de verwijzende rechter opmerkt, bestaat er een reëel gevaar van afscherming van nationale markten bijvoorbeeld in situaties waarin, zoals in het hoofdgeding, de merkhouder zijn waren binnen de EER in de handel brengt door middel van een exclusief distributiesysteem”)is volgens Van Hezewijk alleen begrijpelijk als
“exclusief distributiesysteem”gelezen wordt in de zeer strikte zin vaneen
enkelexclusief (niet tevens selectief) distributienetwerk. De formulering van het HvJEU is volgens Van Hezewijk wat ongenuanceerd; het HvJEU plaatst het exclusieve distributienetwerk bij voorbaat in het beklaagdenbankje en dat is volgens hem lang niet altijd terecht. Het zou dan ook beter zijn geweest als het hof had vastgehouden aan het
in aanmerking nemen van het afzetsysteemvan de merkhouder, de formulering die in eerdere arresten is gebruikt.
Van Doren/Lifestyle(rov. 39) dat er bij exclusieve distributie een reëel gevaar voor marktafscherming bestaat. Hij pleit er voor om als regel niet automatisch aan te nemen dat er sprake is van een
“reëel gevaar van afscherming van markten”wanneer er sprake is van een stelsel van exclusieve distributie, maar te eisen dat er naast het distributiestelsel aanvullende omstandigheden zijn die erop wijzen dat de merkhouder absolute gebiedsbescherming beoogt te bewerkstelligen of dat de concurrentie daadwerkelijk wordt beperkt:
De reden voor het Hof in de Van Doren-zaak om het gebruik van een
stelsel van exclusieve distributie te noemen als voorbeeld van een situatie waarin een reële dreiging van marktverdeling bestaat, lijkt te zijn het risico dat de merkhouder naast actieve verkoop ook passieve verkoop door haar distributeurs aan afnemers buiten het exclusieve territoir kan beletten. Daarmee worden echter alle merkhouders die zich bedienen van een dergelijk distributiesysteem
‘guilty until proven innocent’verondersteld en in een nadelige bewijspositie gebracht. Zij zullen in beginsel moeten bewijzen dat de goederen in kwestie eerst buiten de EER op de markt zijn gebracht, hetgeen niet altijd eenvoudig is. De merkhouder heeft de goederen immers op de markt aangetroffen en kan niet zonder meer de oorsprong van deze goederen vaststellen of aantonen. Het uitsluiten van passieve verkoop is echter, zoals gezegd, in strijd met het mededingingsrecht. Hiervoor bestaan al de sancties die het mededingingsrecht biedt.
Het ligt dan ook meer voor de hand de uitwassen van exclusieve distributiestelsels via het mededingingsrecht te bestrijden in plaats van via een bewijslastomkering in het merkenrecht, nu in het laatste geval ook de merkhouders die geen oneigenlijk gebruik maken van het exclusieve distributiesysteem getroffen worden. Wanneer de merkhouder zich keurig aan de regels van het mededingingsrecht houdt, is er geen reëel gevaar voor afscherming van markten en dus ook geen reden om de bewijslast om te keren. Het zou dan ook beter zijn, als regel niet automatisch aan te nemen dat er sprake is van een ‘reëel gevaar van afscherming van markten’ wanneer er sprake is van een stelsel van exclusieve distributie, maar te eisen dat er naast het distributiestelsel aanvullende omstandigheden zijn die erop wijzen dat de merkhouder absolute gebiedsbescherming[14] beoogt te bewerkstelligen[15] of dat de concurrentie daadwerkelijk wordt beperkt. Vóór deze benadering pleit ook het arrest STM/Maschinenbau Ulm,[16] waarin het Hof van Justitie bepaalde dat exclusieve distributieovereenkomsten niet als doel hebben de concurrentie te beperken en dat zij in hun marktcontext moeten worden beschouwd teneinde te beoordelen of zij daadwerkelijk een concurrentiebeperkend effect hebben.
Merkhouders die de rechter ervan willen overtuigen dat er geen aanleiding is tot omkering van de bewijslast enkel op grond van de omstandigheid dat gebruik wordt gemaakt van exclusieve distributie, zullen echter van goeden huize moeten komen. De letterlijke bewoordingen van het Hof in het Van Doren-arrest lijken er althans geen ruimte voor te bieden.[17]” [32] (Onderstrepingen A-G)
Kruidvat/Lancōme c.s.oordeelde Uw Raad over de eventuele omkering van de bewijslast in de zin van
Van Doren/Lifestyleter zake het
selectievedistributiesysteem van Lancôme c.s. [33] Het hof oordeelde dat uit de bepalingen van het door Lancôme c.s. gehanteerde dépositairecontract volgt dat het erkende wederverkopers uit de EER is toegestaan te kopen en verkopen van/aan andere erkende wederverkopers, zodat van een gevaar voor afscherming van nationale markten niet blijkt. Het hof overwoog verder dat Kruidvat geen (andere) feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd wanneer Kruidvat zelf zou moeten bewijzen dat de waren door de merkhouder of met diens toestemming in de EER in het verkeer zijn gebracht, en dat derhalve de bewijslast op Kruidvat blijft rusten. Uw Raad verwierp de tegen dat oordeel gerichte klachten met de volgende overweging (rov. 3.3.2):
de juiste uitleg aan het Van Dorenarrest heeft gegeven: het is niet zo dat aan ieder systeem van 'gerestringeerde' distributie het vermoeden moet worden verbonden, dat zich (reëel gevaar van) afscherming van de markten voordoet (waardoor de bewijslast ten aanzien van de herkomst van de betreffende producten althans voor een deel naar de merkhouder wordt verlegd); en het is dus, als het om distributiesystemen gaat waaraan 'afscherming' niet inherent is, aan de partij die zich op het bestaan van (een reëel gevaar voor) afscherming van de markten beroept — in de onderhavige zaak dus: aan Kruidvat — om te stellen en waar vereist aannemelijk te maken, dat daarvan wél sprake is.” [34] (Onderstreping A-G)
Van Doren/Lifestyle [35] . Het richt zicht tegen het hofoordeel in rov. 3.82 dat de curator niet voldoende heeft gesteld om de conclusie te dragen dat er een reëel gevaar voor marktafscherming bestaat als hij met het bewijs wordt belast. Het onderdeel heeft vijf subonderdelen.
ten eersteaangevoerd dat op grond van
Van Doren/Lifestyleeen reëel gevaar van afscherming van nationale markten (al) bestaat in situaties waarin de merkhouder zijn waren binnen de EER in de handel brengt door middel van een exclusief distributiesysteem, althans een dergelijk gevaar in zulke situaties kan bestaan, te meer in gevallen waarin van prijsverschillen tussen nationale markten sprake is [36] . Voor zover in het bestreden hofoordeel een ander oordeel besloten ligt, getuigt dat volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting.
De bewijsregel uit
Van Doren/Lifestylebesprak ik hiervoor in 2.10 e.v. Deze regel houdt in dat wanneer de vermeende inbreukmaker erin slaagt aan te tonen dat er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd wanneer hij zelf moet bewijzen dat van uitputting sprake is, de merkhouder moet aantonen dat de waren aanvankelijk door hemzelf of met zijn toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht [37] .
Naar het oordeel van het hof wordt aan toepassing van deze bewijsregel in onze zaak niet toegekomen, omdat de curator niet voldoende heeft gesteld om de conclusie te dragen dat er een reëel gevaar voor marktafscherming bestaat als hij met het bewijs wordt belast. Dat lijkt mij juist en van miskenning van de bewijsregel uit
Van Doren/Lifestyleis volgens mij dan ook geen sprake.
altijdsprake is van een reëel gevaar voor afscherming van nationale markten, als gevolg waarvan de bewijslast moet worden omgekeerd in de zin van
Van Doren/Lifestyle, is niet zoals de regel uit het arrest in de binnen- en buitenlandse rechtspraak en de hoofdstroom van de literatuur wordt begrepen, zoals we hebben gezien. Weliswaar laat zich dit arrest inderdaad ook in de door de klacht bedoelde zin lezen, maar dat lijkt te losgezongen van de mededingingsrechtelijke achtergrond, zodat ik het er op houd dat in geval van een exclusief distributiesysteem niet
altijdsprake is van een reëel gevaar voor afscherming van nationale markten als gevolg waarvan de bewijslast moet worden omgekeerd. In de kern genomen is de maatstaf uit
Van Doren/Lifestyleof een reëel gevaar voor afscherming van nationale markten bestaat, en niet of al dan niet sprake is van een exclusief distributiesysteem. Dat laatste kan blijkens het arrest weliswaar relevant zijn voor de vraag of er marktafscherming optreedt, maar bij exclusieve distributie is daar niet per definitie sprake van (als passieve verkopen niet juridisch of praktisch worden belemmerd, zoals het hof ook aangeeft in rov. 3.82). Anders geformuleerd: het gaat om het daadwerkelijke gevaar voor marktafscherming waarvan sprake
kanzijn in geval van een exclusief distributiesysteem. Een andere opvatting zou de feitenrechter ook onvoldoende ruimte bieden voor maatwerk. Als in geval van een exclusief distributiesysteem
altijdsprake is van een reëel gevaar voor afscherming van nationale markten dat tot omkering van de bewijslast moet leiden, dan doet dat geen recht aan de afweging die feitenrechters moeten maken om te beoordelen of daadwerkelijk een reëel gevaar voor marktafscherming bestaat. Het woord
“reëel”in de maatstaf
“dat er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd wanneer hij zelf moet bewijzen dat van uitputting sprake is”vergt immers een bepaalde mate van waardering van het gevaar. Voor die waardering is bij uitstek een door feitenrechters te maken afweging vereist [38] .
“althans een dergelijk gevaar in zulke situatieskanbestaan”(eigen onderstreping) wel uitgaat van de juiste rechtsopvatting, dat in geval van een exclusief distributiesysteem sprake
kanzijn van een reëel gevaar voor afscherming van nationale markten, als gevolg waarvan de bewijslast moet worden omgekeerd de zin van
Van Doren/Lifestyle, mist deze volgens mij feitelijke grondslag. In rov. 82 heeft het hof immers getoetst of het distributiesysteem van Converse c.s. zodanig is vormgegeven dat sprake is van een reëel gevaar voor afscherming van nationale markten. Het hof komt, na beoordeling van de stellingen van de curator over het distributiesysteem van Converse c.s. en de overeenkomsten met de licentienemers Kesbo en Infinity, tot het oordeel dat uit een en ander niet volgt dat daarvan sprake is.
in de tweede plaatsaan dat de curator in dit verband uitdrukkelijk heeft gesteld dat:
Ad i: het hof heeft deze stelling besproken en verworpen in rov. 3.82, waar het hof ingaat op de stellingen over de licentieovereenkomsten met Kesbo en Infinity. Aan de hand van uitleg van de stellingen van partijen (waaronder de door hof geciteerde stellingen van de curator dat Converse c.s. niet optrad tegen haar distributeurs die de schoenen vrij verhandelden) en de tekst van de licentieovereenkomsten komt het hof tot het oordeel dat de stellingen van de curator over de licentieovereenkomsten niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een reëel gevaar van afscherming van nationale markten. Dit is een in hoge mate feitelijk oordeel, dat is voorbehouden aan het hof.
Ad ii:in de door het middel aangehaalde vindplaatsen heeft de curator alleen in een inleidende paragraaf over parallelhandel terloops de stelling betrokken dat er aanzienlijke prijsverschillen tussen de verschillende landen waren. De curator heeft deze algemene stelling niet onderbouwd en ook niet toegespitst in zijn marktafschermingsgevaarbetoog of omkering van de bewijslast volgens
Van Doren/Lifestyle. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof deze enkele algemene stelling niet heeft meegenomen in zijn beoordeling of sprake is van een reëel gevaar voor marktafscherming.
Ad iii: het eerste deel van deze stelling is als hiervoor besproken volgens mij onjuist en het ‘te meer’ gedeelte nuanceert dat in mijn ogen onvoldoende.
“in voorkomend geval”aan de gemaakte afspraken hield. Deze overweging is volgens de klacht onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat uit de verklaringen zou blijken namelijk dat officiële Converse-distributeurs niet buiten hun territorium mochten verkopen. In het bijzonder wijst de curator op:
“op een gegeven moment bijvoorbeeld teveel codes van een licentienemer uit een ander territoir aantrof”en dat om die reden licentienemer Infinity onderzocht is in 2008/2009 [43] ; en
“in voorkomend geval”haar licentienemers aan “de gemaakte afspraken” hield, waarmee naar ik aanneem wordt gedoeld op de stelling dat Converse-distributeurs niet buiten hun territorium zouden mogen verkopen (dus: ook geen ‘passieve verkopen’ in de hiervoor bedoelde zin). Uit de verklaringen blijkt volgens de klacht veeleer dat Converse haar licentienemers steevast aan de gemaakte afspraken hield, althans probeerde te houden.
“In mijn periode ben ik slechts op de hoogte van één incident, namelijk die in Polen want Polen hield zich niet aan de overeenkomst en verkocht bewust aan derden binnen zijn territoir wetende dat die derden het zouden doorverkopen buiten zijn territoir. Toen is er een voorbeeld gesteld.” [46] ) en [betrokkene 9] (
“Our group had business dispute with Converse only about one thing, that we have supplied to Boral Kft a Hungarian copany shoes, which later popped up in several Western European markets. (...)” [47] volgt dat beiden slechts één geval hebben meegemaakt waarin Converse c.s. optrad tegen licentienemers vanwege het niet voldoen aan de afspraken uit de licentieovereenkomst. [betrokkene 8] verklaart niet over een
concreetgeval [48] . Dit is in lijn met het bestreden oordeel van het hof dat uit de verklaringen slechts blijkt dat Converse
“in voorkomend geval”licentienemers aan de afspraken hield. Uit de verklaringen blijkt in mijn ogen in ieder geval niet “
dat Converse haar licentienemers steevast aan de gemaakte afspraken hield, althans probeerde te houden”, zoals de klacht poneert. Gelet hierop mist de klacht feitelijke grondslag [49] .
“volledige marktafscherming door middel van het merkenrecht”,rechtens onjuist is. Volgens
Van Doren/Lifestylevolstaat het voor de gedagvaarde derde om aan te tonen “
dat er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd wanneer hij zelf moet bewijzen dat de waren door de merkhouder of met diens toestemming in de EER in de handel zijn gebracht”.Als de derde daarin slaagt, moet de merkhouder aantonen dat de waren aanvankelijk door hemzelf of met zijn toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht. Op grond van
Van Doren/Lifestylewordt, voor toepassing van de bewijsregel uit dat arrest, van de gedagvaarde derde niet gevergd dat hij “
volledige marktafscherming door middel van het merkenrecht”aantoont. Dit heeft het hof volgens de klacht miskend.
Van Doren/Lifestylevooropgesteld, waartegen de curator terecht geen cassatieklacht heeft gericht. In rov. 3.82 heeft het hof die maatstaf vervolgens toegepast, waarbij het hof het volgende heeft overwogen: “
Wat de curator over dit gevaar heeft gesteld, is niet voldoende om de conclusie te dragen dat er een reëel gevaar voor marktafscherming bestaat als hij met het bewijs wordt belast”.Het hof heeft zijn beslissing dus op basis van de juiste maatstaf genomen en in de bestreden slotzin van rov. 3.82 brengt het hof slechts tot uitdrukking dat hetgeen de curator heeft aangevoerd onvoldoende is om het vereiste reëel gevaar voor marktafscherming aan te nemen.
“counterfeit”(namaak) zou gaan [51] , terwijl dat in deze (en andere) [52] procedures niet is komen vast te staan.
“met enig gewicht”te beroepen op verklaringen van
de “Converse-expert”[betrokkene 3] , Senior Director Brand Protection [betrokkene 10] en Brand Protection Coördinator Northern Europe [betrokkene 11] , die het hof in rov. 3.28-3.29 uitdrukkelijk als
“onwaar”en
“onjuist”heeft gekwalificeerd [53] .
Deze vier omstandigheden op zichzelf bezien maken zonder nadere, maar niet in de procesinleiding in cassatie gegeven toelichting, niet inzichtelijk waarom dit af zou kunnen doen aan de bestreden overweging dat de (ook) door de curator ingenomen stelling
dat niet tegen de Converse-distributeurs werd opgetreden(sec) op gespannen voet lijkt te staan met zijn stellingen omtrent het reële gevaar voor marktafscherming. Daar loopt deze motiveringsklacht al op stuk.
iii.inhoudt dat het hof ten onrechte de vaststelling dat Converse c.s. art. 21 Rv Pro heeft geschonden niet als omstandigheid in rov. 3.82 heeft betrokken, faalt de klacht zodoende ook, omdat deze gebaseerd is op een onjuiste lezing van het arrest en bij gebrek aan belang, omdat het hof hierover in rov. 3.29 al heeft geoordeeld en dit oordeel daardoor zelfstandig wordt gedragen. De curator kan zich er dan ook niet op beroepen dat het hof deze omstandigheid op een andere manier in de beoordeling had moeten betrekken [55] .
iv.inhoudt dat het hof niet heeft onderkend dat de licentieovereenkomsten met verschillende licentienemers, waaronder Infinity, zijn beëindigd, mist de klacht feitelijke grondslag. Uit de passage
(“(… ) want hij haalt ter onderbouwing van het gestelde gevaar voor marktafscherming de licentieovereenkomsten aan die met Infinity en met Kesbo zijn gesloten, terwijl als onbetwist gesteld vaststaat dat zij geen van beide nu nog licentienemer zijn.”) volgt dat het hof dit expliciet onder ogen heeft gezien. Overigens heeft het hof niets vastgesteld over de reden van beëindiging.
“althans”)in rov. 3.82 onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd waarom het hanteren van een exclusief distributiesysteem, het bestaan van aanzienlijke prijsverschillen tussen de verschillende landen, de licentieovereenkomsten met Kesbo en Infinity en de verschillende verklaringen van eigen werknemers van Converse en distributeurs/licentienemers niet aantonen dat er een reëel gevaar op marktafscherming bestaat. De motivering van het hof bestaat volgens de klacht in wezen eruit dat de marktafscherming niet absoluut is, maar dat is ook niet vereist. Zonder nadere, maar ontbrekende motivering, is volgens de klacht niet te volgen dat er geen reëel gevaar op marktafscherming bestaat, omdat (i) passieve verkoop en verkoop buiten het eigen territorium in bepaalde gevallen wel zijn toegestaan en (ii) Converse haar licentienemers in voorkomend geval aan de gemaakte afspraken hield. In dit verband miskent het hof volgens de klacht met zijn overweging dat “
contractuele beperkingen (in de vorm van een distributiestelsel) tot op zekere hoogte zijn toegestaan”bovendien dat deze omstandigheid niet eraan afdoet dat zulke contractuele beperkingen juist bijdragen aan (het reële gevaar voor) de marktafscherming als bedoeld in
Van Doren/Lifestyle. Zo kan een exclusief distributiesysteem weliswaar toelaatbaar zijn (indien het voldoet aan de voorwaarden uit de Groepsvrijstellingsverordening Verticalen [56] voor een vrijstelling van het kartelverbod), maar dat neemt niet weg dat, blijkens
Van Doren/Lifestyle, juist in zo'n exclusief distributiesysteem, dat het voortbestaan van eventueel tussen de lidstaten bestaande prijsverschillen bevordert, een reëel gevaar van afscherming van nationale markten kan bestaan.
Ten eersteis de overweging van het hof
dat “de bronnen van wie de schoenen volgens de curator afkomstig zijn, reeds zijn geopenbaard”, onbegrijpelijk, omdat de curator over de herkomst van de in rov. 3.83 bedoelde Converse-schoenen niets anders heeft gesteld dan dat deze (uiteindelijk) afkomstig zijn van officiële Converse-distributeurs [57] . Converse c.s. heeft dit betwist en het hof heeft de curator hierin niet gevolgd [58] . Nu het hof niet met de curator heeft willen aannemen dat de desbetreffende Converse-schoenen inderdaad (uiteindelijk) afkomstig zijn van officiële Converse-distributeurs, is volgens de klacht onbegrijpelijk dat het hof tegelijkertijd in rov. 3.83 wel aanneemt dat de bronnen van wie de schoenen volgens de curator afkomstig zijn – de officiële Converse-distributeurs – al zijn geopenbaard. Het arrest van het hof is in dit opzicht innerlijk tegenstrijdig. Deze klacht tast volgens de curator ook rov. 3.96, slotzin, aan.
Ten tweedeblijkt een uitzondering op de bewijsregel uit
Van Doren/Lifestyleals door het hof in rov. 3.83 aangenomen niet uit dat arrest en vindt zij geen steun in het recht.
Ten derdekan, ook als de bronnen zijn geopenbaard, er nog steeds belang bestaan bij omkering van de bewijslast, bijvoorbeeld om te voorkomen dat de derde daadwerkelijk bewijs levert dat de merkhouder vervolgens kan gebruiken om het lek in het distributiesysteem te dichten [59] .
eerste klachtkan niet tot cassatie leiden.
In de eerste volzin van rov. 3.83 verwijst het hof klaarblijkelijk [60] naar de volgende stelling van Converse c.s.:
In de tweede volzin stelt het hof vast dat door de curator niet de stelling van Converse c.s. is weersproken dat
allebeweerdelijk parallel handelende distributeurs al zijn genoemd. Dit oordeel is voorbehouden aan de feitenrechter. In cassatie worden tegen deze vaststelling door het hof ook geen (voldoende kenbare) klachten gericht [64] .
Uit het voorgaande leidt het hof vervolgens in rov. 3.83 slotzin af dat, omdat de bronnen van wie de schoenen volgens de curator afkomstig zijn al zijn geopenbaard, ook daarin geen reden kan zijn gelegen om de bewijslast om te keren. Nu Converse c.s. onder verwijzing naar de door de curator genoemde distributeurs heeft gesteld dat
allebeweerdelijk parallel handelende distributeurs reeds zijn genoemd en de curator deze stelling (naar de onbestreden vaststelling door het hof) niet heeft weersproken, kon het hof hier tot het oordeel komen dat de bronnen van wie de schoenen volgens de curator afkomstig zijn al bekend waren. Dit oordeel, dat dus in samenhang moet worden gelezen met de overige overwegingen van rov. 3.83, is in mijn ogen niet onjuist of onbegrijpelijk. Daar stuit de eerste klacht op af.
tweede klachtmist volgens mij feitelijke grondslag.
Converse c.s. heeft gesteld dat de bewijsregel uit
Van Doren/Lifestyledient ter bescherming van aan de merkhouder nog niet bekende informatie over parallel handelende distributeurs, die de merkhouder vervolgens in staat zou stellen in de toekomst de markten af te schermen [65] en dat die ratio voor omkering van de bewijslast in onze zaak ontbreekt ,omdat alle beweerdelijk parallel handelende distributeurs al genoemd zijn [66] .
Gelet op deze stellingname begrijp ik rov. 3.83 zo dat het hof de omstandigheid dat de bronnen van wie de schoenen volgens de curator afkomstig zijn al bekend waren in zijn beoordeling heeft meegenomen en tot het oordeel is gekomen dat door die openbaarmaking (ook) de ratio voor omkering van de bewijslast/de bewijsregel uit
Van Doren/Lifestylein onze zaak niet speelt. Anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt, heeft het hof in rov. 3.83 in mijn ogen dus geen
uitzonderingop de bewijsregel uit
Van Doren/Lifestyleaangenomen.
derde klachtkan niet tot cassatie leiden wegens gebrek aan belang.
De klacht doet een beroep op de theoretische mogelijkheid dat, ook als de bronnen zijn geopenbaard, nog steeds belang zou kunnen bestaan bij omkering van de bewijslast. De curator heeft echter niet gesteld dat een dergelijk belang in onze zaak daadwerkelijk bestaat na openbaarmaking van de bronnen (althans vindplaatsen hiervan ontbreken). In de door de klacht aangehaalde vindplaats blijft het bij een algemeen betoog, zonder concrete toepassing op onze zaak. Bij gebreke van een concrete stellingname op dit punt in feitelijke instanties ontbreekt het belang bij deze klacht, omdat het slagen van de klacht niet tot een andere uitkomst kan leiden.
In eerste aanleg heeft de rechtbank
“In het feit dat Converse c.s. het bestaan van de door Sporttrading c.s. gestelde legale goederenstroom erkent, maar betwist dat de merkinbreukmakende schoenen uit deze legale goederenstroom afkomstig zijn”aanleiding gezien om Converse c.s. te belasten met het bewijs van haar stelling dat de door Sporttrading c.s. verhandelde schoenen afkomstig zijn van een organisatie die zich bezighoudt met grootschalige fraude [70] .
Het hof komt tot een ander oordeel. Het hof stelt, anders dan de rechtbank had overwogen, vast dat Converse c.s. niet de hele, maar slechts een deel van de gestelde legale goederenstroom heeft erkend, terwijl zij de rest van die goederenstroom heeft betwist. Vervolgens merkt het hof op dat ook als zou blijken dat een deel van de door Sporttrading van Ressokd-Rings gekochte schoenen inderdaad via Borol van Infinity afkomstig zou zijn (lees: dat een deel van de gestelde legale goederenstroom inderdaad zou blijken te bestaan), dat nog niet voldoende zou zijn, omdat voor een geslaagd beroep op uitputting is vereist dat
elk exemplaarvan de gemerkte waren met toestemming van de merkhouder in de EER in de handel is gebracht. Anders dan de rechtbank acht het hof de door de curator gestelde feiten niet voldoende om af te wijken van de hoofdregel dat de bewijslast op de curator rust. Dat feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering, zoals we in 2.42 hebben gezien.
Mecadox [74] .
Ad ii: Deze grond heeft het hof behandeld in rov. 3.26-3.29. In rov. 3.29 oordeelt het hof dat, anders dan de curator had bepleit als reactie op de schendingen van de waarheidsplicht, een omkering van de bewijslast in onze zaak te ver gaat.
Ad i. en iii.: Ter onderbouwing van deze grond(en) heeft de curator vooral [75] betoogd dat hij geen toegang heeft tot de in beslag genomen schoenen en dat hij die toegang van Converse c.s. ook niet krijgt, zodat de curator niet bij de tonglabelcodes kan en dus ook niet kan aantonen dat de merkrechten ten aanzien van de inbeslaggenomen schoenen zijn uitgeput (mva 9.5.14). Blijkens rov. 3.94 (
“Het argument van de curator dat hij geen bewijs kan leveren omdat Converse c.s. weigert toegang te geven tot de schoenen die onder beslag liggen, wat overigens door Converse c.s. ten aanzien van de in 2018 gelegde beslagen wordt betwist, kan hem dus niet baten.”) heeft het hof de stelling van de curator dat hij door toedoen van Converse c.s. geen bewijs kan leveren uitdrukkelijk onder ogen gezien. Kennelijk heeft het hof (ook) daarin geen aanleiding gezien om de bewijslast anders te verdelen dan volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro. Dit feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk, en behoefde ook geen nadere motivering, vgl. hiervoor in 2.42.
Mecadoxgaat dat evenmin op.
In
Mecadoxheeft het BenGH geoordeeld dat de bewijslast met betrekking tot de omstandigheid dat het merk wordt gebruikt voor waren 'die de merkhouder of zijn licentiehouder onder het bedoelde merk in het verkeer heeft gebracht', in beginsel rust op de wederpartij van de merkhouder, maar dat dat de rechter niet belet om, rekening houdend met de stellingen van partijen en de omstandigheden van het geval, de merkhouder geheel of gedeeltelijk met bewijs te belasten.
In rov. 3.84 heeft het hof onderkend dat de omstandigheden van het geval kunnen nopen tot een omkering van de bewijslast, maar geoordeeld dat deze omstandigheden zich in onze zaak niet voordoen. Van strijd met
Mecadoxlijkt mij dan ook geen sprake.
“Het hof overweegt ten overvloede dat (…)”).
Voor zover daar niettemin aan zou worden toegekomen, bespreek ik de klachten ook inhoudelijk.
dat, zoals in rov. 3.87-3.97 is besproken, voor veel zendingen de concrete onderbouwing van het uitputtingsverweer ontbreekt, terwijl die wel van de curator mocht worden verlangd”heeft miskend dat de omkering van de bewijslast, althans de van de hoofdregel afwijkende bewijsregel uit
Van Doren/Lifestyle, meebrengt dat het aan Converse c.s. is om te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen dat de waren aanvankelijk door haarzelf of met haar toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht en het dus – anders dan het hof volgens de klacht in rov. 3.87-3.97 tot uitgangspunt heeft genomen – niet aan de curator is om het uitputtingsverweer te onderbouwen. De curator hoeft volgens de klacht slechts (gemotiveerd) te betwisten dat de waren aanvankelijk door Converse c.s. zelf of met haar toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht. Dit heeft het hof volgens de rechtsklacht miskend.
Bovendien geldt ten aanzien van de drie onder 3.98.-3.107. besproken zendingen dat Converse c.s. uitgebreid heeft laten zien en met bewijsstukken heeft onderbouwd dat de schoenen niet door haar of met haar toestemming zijn ingevoerd en in de handel gebracht in de EER. De reactie daarop van de curator levert geen voldoende gemotiveerde weerspreking op, waardoor (verdere) bewijslevering niet aan de orde is”volgt volgens mij dat het hof juist niet heeft miskend dat de omkering van de bewijslast volgens
Van Doren/Lifestylemeebrengt dat Converse c.s. moet stellen en zo nodig bewijzen dat de waren aanvankelijk door haar of met haar toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht en de curator (in zoverre) slechts (gemotiveerd) hoeft te betwisten dat de waren aanvankelijk door Converse c.s. zelf of met haar toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht. De strekking van de overweging van het hof is hier dat in deze hypothetische situatie de betwisting door de curator onvoldoende gemotiveerd wordt geoordeeld om aan bewijslevering toe te komen; de zaak blijft in de fase van stellen/betwisten hangen.
“in rov. 3.108 jo 3.104 dat Converse c.s. met de in rov. 3.98-3.107 besproken zendingen uitgebreid heeft laten zien en met bewijsstukken heeft onderbouwd dat de schoenen niet door haar of met haar toestemming zijn ingevoerd en in de handel zijn gebracht in de EER”. Volgens de klacht is dit oordeel kennelijk gebaseerd op rov. 3.104 waar het hof
“heeft vastgesteld dat de beweging van de goederen begint in Singapore”. De klacht is dat dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van de stellingen van de curator dat:
“dat de reactie daarop van de curator geen voldoende gemotiveerde weerspreking oplevert”volgens de klacht niet als voldoende (begrijpelijke) verwerping van deze stellingen van de curator.
betwistdat de waren aanvankelijk door Converse c.s. zelf of met haar toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht, dit oordeel onjuist is in het licht van de beperkte eisen die (in dit geval) aan een gemotiveerde betwisting mogen worden gesteld. Althans is de klacht dat dit niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is in het licht van de stelling van de curator dat Converse c.s. in dit geval op iedere schoen een code heeft aangebracht die aantoont dat de schoen in kwestie voor de Europese markt is geproduceerd en verwijst naar de Converse distributeur [78] . Met de stelling dat in alle schoenen tonglabels zitten en dat daarmee de Europese herkomst kan worden aangetoond, heeft de curator immers wel degelijk (voldoende) gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stelling dat de waren aanvankelijk door Converse c.s. zelf of met haar toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht. Deze stelling is ook in lijn met de stelling van Converse c.s. dat zij aan de hand van de productcodes (tonglabels) kan constateren of bepaalde op de markt aangetroffen producten al dan niet door of met toestemming van Converse zijn geproduceerd en op de markt gebracht en van welke ‘Europese Converse wederverkoper’ (licentiehouder) de Converse schoen afkomstig is [79] .
De curator heeft de stellingen
i.en
ii.betrokken in par. 8.6 mva met
als titel “Misbruik van recht van Converse en strijd met de goede procesorde”. Zoals Converse c.s. volgens mij met juistheid aanvoert bij s.t. 72 bevat deze paragraaf weliswaar de tussenkopjes
“Misbruik van recht” en “Converse handelt in strijd met de goede procesorde”,wat suggereert dat een onderscheid tussen deze onderwerpen is aangebracht, maar van een dergelijk onderscheid is feitelijk helemaal geen sprake. De stellingen
i.en
ii.zijn in wezen terug te vinden onder beide tussenkopjes. Dit volgt ook uit mva 8.6.20, de slotalinea van par. 8.6, onder het kopje
“Converse handelt in strijd met de goede procesorde”,waar de curator het volgende heeft aangevoerd:
namaak' handel - terwijl onafhankelijk onderzoek naar of sprake is van '
namaak' door Converse onmogelijk gemaakt wordt. Het is evenmin uit te leggen dat de onderneming van Sporttrading (en andere betrokkenen) enorme schade toegebracht is omdat volgens Converse
'de Benelux overspoeld zou worden met duizenden paren counterfeit schoenen' die afkomstig zouden zijn van Sporttrading terwijl Converse het nu slechts nog wil hebben over in ieder geval één paar schoenen waarvan thans, na 10 jaar procederen, wellicht niet (meer) vast te stellen is dat deze 'met medewerking of toestemming van Converse' de EER binnengebracht is. De curator is ook van mening dat de diverse schendingen van artikel 21 Rv Pro door Converse eenvoudigweg door uw Hof niet getolereerd zouden moeten worden. Het voorgaande moet er volgens de curator toe leiden dat uw Hof Converse haar vorderingen ontzegt. Uw Hof heeft naar de curator meent diverse handvaten om deze gevolgen aan het proces verstorend gedrag van Converse te verbinden (artikel 20 lid Pro 1, 21, 22 Rv). Tot slot wijst de curator erop dat het proces verstorend gedrag van Converse ook kwalificeert als misbruik van recht zodat Converse ook op die grond de door haar gepretendeerde rechten niet meer kan inroepen.”
De wijze van procederen van Converse c.s.”. Ik licht dat toe.
Volgens de curator en FM heeft Converse c.s. in strijd gehandeld met dit artikel en met de goede procesorde en misbruik van recht gemaakt. (…).”
waaruit volgens hen blijkt dat Converse c.s. - kort gezegd - in strijd met de goede procesorde en met de waarheidsplichthandelt, danwel misbruik maakt van het merkrecht.Het hof zal deze voorbeelden niet allemaal bespreken. Voor een deel gaat het om de verschuiving die Converse c.s. in hun visie heeft gemaakt van een beroep op counterfeit, naar ongeoorloofde parallelimport naar opnieuw (ook) counterfeit. Dat Converse c.s. het accent heeft verlegd, is op zichzelf toelaatbaar en ook te verklaren door de ontwikkelingen in de loop van de procedure. Een deel van de gegeven voorbeelden heeft betrekking op zaken die Converse in andere procedures in strijd met de waarheid zou hebben gepresenteerd. Of dat zo is, laat het hof in het midden; dat levert immers geen schending van de waarheidsplicht in deze, door het hof te beoordelen procedure op.”
Voor zover het onderdeel gebaseerd is op stellingen over de wijze van procederen van Converse c.s., moet het oordeel van het hof zo worden gelezen dat het hof deze stellingen in de hiervoor besproken rov. 3.26-3.30 heeft behandeld en afgewezen, zodat de klacht als gezegd feitelijke grondslag mist [83] .
Voor zover de klacht (mede) inhoudt dat het hof ten onrechte het beroep van de curator op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet heeft beoordeeld, faalt de klacht eveneens bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het betoog van de curator voor wat betreft het gestelde misbruik van recht en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is blijkens mva 8.6.10-8.6.14, gebaseerd op dezelfde feitelijke stellingen. Het hof kon dan ook volstaan met de gezamenlijke beoordeling in het kader van de wijze van procederen van Converse c.s. als hiervoor weergegeven [84] .
counterfeit.
ten eerste(onder a.) dat, indien het hof met de in rov. 3.92 bedoelde betwisting het oog heeft gehad op de stellingen van Converse c.s. over tonglabels in nader genoemde vindplaatsen [85] dat oordeel onbegrijpelijk is. In deze vindplaatsen heeft Converse volgens de klacht namelijk niet aangevoerd dat de gestelde tonglabels zouden ontbreken, maar dat de desbetreffende schoenen namaak (
counterfeit) betreffen, terwijl het hof: (a) die stelling heeft laten
“rusten”(rov. 3.94), zodat ook de overweging in rov. 3.93 het hofoordeel niet kan dragen, en (b) in rov. 3.28 nog heeft geoordeeld dat Converse in strijd met de waarheidsplicht van art. 21 Rv Pro zich op
counterfeitheeft beroepen.
ten tweede(onder b.) dat, indien het hof met de in rov. 3.92 bedoelde betwisting het oog heeft op de opmerking zijdens Converse c.s. tijdens het appelpleidooi 3.3.1 (eerste opsommingsteken), zijn oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of dat onvoldoende begrijpelijk is. In dat geval miskent het hof volgens de klacht: (a) dat Converse c.s. niet, als in strijd met de tweeconclusieregel, voor het eerst bij appelpleidooi kan aanvoeren dat de gestelde tonglabels zouden ontbreken, en (b) dat Converse c.s. in genoemde vindplaats een dergelijk verweer ook niet heeft gevoerd. Converse c.s. heeft volgens de klacht niet gemotiveerd betwist dat de gestelde tonglabels op de desbetreffende schoenen zijn aangebracht, maar zij heeft volstaan met de opmerking dat het verweer van de curator
“op geen wijze geconcretiseerd is”. Die opmerking houdt geen gemotiveerde betwisting in, aldus de klacht.
“De curator stelt weliswaar dat alle schoenen voorzien waren van tonglabels waarop codes staan vermeld die verwijzen naar Europese distributeurs van Converse c.s., maar deze stelling wordt door Converse c.s. betwist”) heeft vastgesteld dat Converse c.s. heeft betwist dat alle schoenen waren voorzien van tonglabels met codes. Dat lijkt mij niet; het hof stelt hier vast dat Converse c.s. heeft betwist dat de betreffende tonglabels codes bevatten die verwijzen naar Europese distributeurs van Converse c.s..
“Het hof heeft de curator ten tijde van het pleidooi gevraagd waaruit blijkt dat al die schoenen voorzien waren van tonglabels met verwijzing naar Europese distributeurs van Converse. Alleen voor de schoenen die Sporttrading van Brand Search had gekocht, blijkt dat volgens de curator uit lijsten waarop die codes zijn vastgelegd. De van Brand Search gekochte schoenen vallen niet onder de 733.186 paar waar het nu nog om gaat. Voor de overige schoenen had de curator geen antwoord op deze vraag. Hij heeft zijn stelling daarmee onvoldoende onderbouwd. Dit onderdeel van het uitputtingsverweer is daarmee te algemeen gebleven en onvoldoende onderbouwd.”). Met Converse c.s. [86] begrijp ik deze overwegingen zo dat het in onze zaak volgens het hof niet gaat om de vraag óf er tonglabels met codes in de schoenen zitten, maar om de vraag of op die tonglabels codes staan die verwijzen naar Europese distributeurs van Converse c.s.. Dat laatste heeft Converse c.s. volgens het hof betwist en de curator heeft voor de op die codes gerichte vragen van het hof tijdens het pleidooi onvoldoende geantwoord, zodat het hof oordeelt dat de curator zijn stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd.
“Daarbij komt nog dat Converse c.s. gemotiveerd heeft betwist dat als de schoenen voorzien zijn van tonglabels waarop een code is vermeld die verwijst naar een Europese distributeur, dit ook betekent dat de schoenen met haar toestemming in de EER in de handel zijn gebracht. Converse c.s. heeft in dit verband rapporten overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat onderzochte schoenen weliswaar zijn voorzien van een dergelijk tonglabel, maar dat uit onderzoek, waaronder vergelijking van die tonglabels met de gegevens uit de database van Avery Dennison blijkt dat het om counterfeit gaat. De curator heeft dat laatste op zijn beurt betwist.”). Dit betreft een bespreking van het verweer van Converse c.s. dat – zelfs als op de tonglabels codes staan die verwijzen naar Europese distributeurs – dat op zichzelf dan nog niet betekent dat de schoenen met toestemming van Converse c.s. in de EER in de handel zijn gebracht.
“Grief III ( Sporttrading heeft niet ter zake van alle Converse-schoenen uitputtingsverweer gevoerd)”(onderstreping A-G):
Voor de overige schoenen beroepen geïntimeerden zich voor uitputting uitsluitend in algemene zin op tonglabelcodes. Dit algemene beroep op de tonglabelcodes snijdt geen hout:
-
Allereerst is het verweer op geen enkele wijze geconcretiseerd en evenmin gekoppeld
Pro arguendo, dat al deze zendingen enkel Converse schoenen hebben bevat tonglabelcodes die verwijzen naar Infintity – wat Sporttrading stelt noch bewijst –dan levert dat dus nog steeds geen bewijs of vermoeden van uitputting op.”
In de eerste plaats omdat dit betoog zelf tardief is. Anders dan bij repliek 4.2 wordt aangevoerd
(“zoals onderdeel 6.1 onder b van het principale cassatiemiddel klaagt”) houdt de (tweede) klacht (onder b.) niet in dat deze betwisting van Converse c.s. te laat is, maar dat de door de klacht veronderstelde betwisting (de stelling dat de tonglabels zouden ontbreken) te laat is; hetgeen verband houdt met de in mijn ogen verkeerde lezing van het arrest.
In de tweede plaats, en gelet op het vorenstaande dus ten overvloede, omdat van strijd met de tweeconclusieregel geen sprake is:
Het hof heeft (in rov. 3.87 resp. 3.88 onbestreden) vastgesteld: (i) dat Converse c.s. heeft betoogd dat de curator het beroep op uitputting voor slechts een beperkt deel heeft onderbouwd (met de HLB-I en HLB-II rapporten) en voor het overige iedere onderbouwing van het gevoerde uitputtingsverweer ontbreekt [87] ; en (ii) dat de curator bij memorie van antwoord o.m. heeft aangevoerd dat hij voor alle schoenen wel degelijk verweer heeft gevoerd, o.m. nu zijn verweer – dat de merkrechten zijn uitgeput omdat de toestemming van Converse c.s. besloten ligt in het tonglabel – voor alle schoenen geldt.
Kennelijk heeft het hof de betwisting van Converse c.s. dat de betreffende tonglabels codes bevatten die verwijzen naar Europese distributeurs van Converse c.s. beschouwd als een (toegelaten [88] ) nadere onderbouwing van dit eerdere betoog van Converse c.s.. Dat oordeel berust op een aan het hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken [89] , geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.
In rov. 3.77 wordt expliciet aangegeven dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende failliete vennootschappen, aangezien zij niet alle gebruik van de Converse-merken hebben gemaakt. Vervolgens stelt het hof vast dat Sport Trading, Sport Concept en Brandustry gebruik hebben gemaakt van de Converse-merken. In de bestreden rov. 3.78 volgt dan:
“ Sporttrading ”betekent niet dat het hof heeft miskend dat per vennootschap moest worden beoordeeld of er terecht uitputting werd geclaimd. Voor die lezing biedt het arrest in mijn optiek geen aanknopingspunten.
In de aangehaalde vindplaats heeft de curator het volgende gesteld in paragraaf 2 met als titel:
“Partijen”:
Daar komt bij dat geen rechtsregel zich ertegen verzet om de proceskosten in voorkomend geval op nihil te begroten, hetgeen ook vaste praktijk is [94] . Het misverstand is hier dat begroting op nihil ook een proceskostenveroordeling behelst.
United Video Properties [95] nog dat het hof ten onrechte niet ‘minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten’ die Ferro daadwerkelijk heeft gemaakt, heeft toegewezen. Voor zover deze klacht al tijdig is [96] , faalt dit omdat het hofoordeel zo moet worden begrepen dat Ferro geen redelijke kosten heeft gemaakt in voormelde zin, op grond waarvan het hof de proceskosten kon begroten op nihil [97] . Uit rov. 3.50-3.51 en rov. 3.171 (“
Ook hierbij gelden de kaders zoals door het hof in het voorgaande al uiteen heeft gezet.”) volgt volgens mij dat het hof uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien dat de proceskosten moeten worden begroot op de redelijke en evenredige kosten en het hof ook acht heeft geslagen om de door de curator aangehaalde rechtsregel uit
United Video Properties.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
Veroordeling tot opgave (vordering III), afgifte van de schoenen (vordering sub IV) en gedogen van inzage (vordering sub V)
Converse c.s. ligt dit vervolgens aldus toe op p. 4-5 van het incidenteel cassatiemiddel:
opgavehoudt – kort samengevat – in dat Converse c.s. vordert dat Sporttrading c.s. wordt veroordeeld, op basis van een zelfstandig onderzoek door een onafhankelijke accountant, opgave te doen van – kort samengevat – alle relevante documenten ter zake van (a) de leveranciers en producenten van inbreukmakende schoenen, (b) de aan Sporttrading c.s. geleverde aantallen, prijzen en leverdata van inbreukmakende schoenen, en (c) de door Sporttrading c.s. verkochte en/of geleverde aantallen, dit alles
vanaf 1 januari 2008 tot aan de datum van het uitspreken van de faillissementen van Sporttradinq c.s. [111] Brandustry is op
25 mei 2010failliet verklaard en Sporttrading , Ferro en Sport Concept zijn op
3 juni 2010failliet verklaard. [112]
inzagehoudt – kort samengevat – in dat Converse c.s. vordert dat Sporttrading c.s. wordt bevolen te gedogen dat een door Converse c.s. aangewezen onafhankelijke forensische accountant inzage verkrijgt in de op
13 en 26 november 2009en/of
23 juli 2018in conservatoir beslag genomen bescheiden. [113]
opgavebeslaat dus de periode van 1 januari 2008 tot 25 mei 2010 respectievelijk 3 juni 2010, terwijl de i
nzageslechts ziet op gegevens die ten tijde van de beslagleggingen onder het conservatoir beslag vielen. De inzage ziet dus niet op gegevens van de transacties die na de data van de beslagleggingen hebben plaatsgevonden, [114] maar de opgave ziet daar juist wel mede op.
belangheeft bij de gevorderde opgave – blijkt reeds uit de tabel in par. 6.2 van de memorie van grieven van Converse c.s. die in het arrest uitgebreid aan de orde komt. Deze tabel bevat gegevens van 75 leveringen van in totaal 733.186 paar Converse-schoenen, waarvan een deel ná de beslagleggingen op 13 en 26 november 2009 door Sporttrading zijn ingekocht. [115] Ook ten aanzien van deze schoenen heeft het hof merkinbreuk vastgesteld, [116] zodat Converse c.s. ook voor wat betreft deze schoenen belang heeft door middel van de opgave inzicht te krijgen in de door haar geleden schade. [117] ”
vijfvorderingen:
opgaveontbreken “omdat Converse zelf reeds beschikt, over alle administratie, zeker zodra de vordering van Converse tot inzage wordt toegewezen”; Converse stelt vast dat de Curator het belang van Converse bij de vordering tot inzage niet betwist (zie ook hierna); zij merkt verder op dat zij niet beschikt over c.q. geen (vrije) toegang treeft tot de administratie van Sporttrading c.s. en dat een vordering tot het verkrijgen van een opgave niet gelijk staat aan het verkrijgen van inzage [20]; de Curator stelt dat de onderneming gestaakt is en dat niemand de opgave kan verzorgen; Converse betwist dat niemand de opgave meer kan verzorgen (de Curator kan de opgave doen); verder merkt Converse op dat het uitblijven van een opgave het belang van Converse bij de vordering tot het verkrijgen van inzage nog eens onderstreept;” [124]
naastde toe te wijzen inzage. In dat kader overweegt het hof dat de toe te wijzen inzage ook al de mogelijkheid biedt dat een onafhankelijke accountant onderzoek zal doen. Hieruit volgt dat het hof in lijn met het verweer van de curator ervan uit gaat dat Converse c.s. al over de relevante administratie beschikt.
“ook ná de beslagleggingen in 2009 nog aantoonbaar in Converse schoenen hebben gehandeld”(zie hiervoor in 3.6), maar kennelijk heeft het hof deze min of meer terloopse algemene, niet nader uitgewerkte, stelling – en het overige hiervoor in 3.6 geciteerde betoog – niet beschouwd als een (voldoende concrete) reactie op het (ook na deze akte herhaalde [125] ) verweer van de curator dat het belang van Converse c.s. bij de gevorderde opgave ontbreekt, nu Converse c.s. al over alle administratie beschikt. Deze aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de stellingen van partijen is volgens mij in deze omstandigheden niet onbegrijpelijk, mede gelet op het feit dat bedoelde algemene stelling uit 2011 in de latere conclusie uit 2017 niet is terug te vinden, laat staan in uitgewerkte vorm, terwijl Converse c.s. in die conclusie juist expliciet ingaat op het door het hof in rov. 3.139 genoemde verweer van de curator.
Riva/ […] [127] volgt, de veroordeling van meerdere gedaagde partijen tot betaling van de kosten van het geding in hoger beroep van rechtswege meebrengt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden.
Subonderdeel 2.2klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat de overweging inhoudende dat de gevorderde hoofdelijkheid zal worden afgewezen, maar de curator in zijn hoedanigheid wel steeds zal worden veroordeeld met betrekking tot de respectieve failliete vennootschap, ten onrechte onduidelijkheid laat bestaan over de vraag of Converse c.s. de proceskosten kan vorderen van iedere gedaagde vennootschap of niet. Deze onduidelijkheid mag echter in het licht van
Riva/ […]niet bestaan.
Subonderdeel 2.3richt een nadere motiveringsklacht hiertegen.
In de eerste plaats kan de overweging dat Converse c.s. de gewenste hoofdelijke veroordeling niet nader heeft onderbouwd niet redengevend zijn voor de afwijzing van de hoofdelijkheid omdat, zoals uit
Riva/ […]volgt, de hoofdelijkheid van rechtswege ontstaat en dus ook niet gevorderd, laat staan onderbouwd hoeft te worden.
In de tweede plaats kan de omstandigheid dat Converse c.s. de onderhavige procedure in één dagvaarding is begonnen en dat de gedaagde partijen gezamenlijk verweer hebben gevoerd ook niet aan de gevorderde hoofdelijkheid in de weg kan staan, andermaal gelet op
Riva/ […].
Riva/ […]oordeelde uw Raad als volgt:
Bij de beoordeling (…) moet worden vooropgesteld dat de veroordeling van Oracle en[…] door het Hof tot betaling van de kosten van het geding in hoger beroep meebrengt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden.Het hoofdelijk karakter van de verbintenis tot betaling van de kosten van het geding in hoger beroep verzet zich ertegen dat bij de afweging van de belangen van Riva en […] rekening wordt gehouden met de mogelijkheid voor Riva om de proceskosten op Oracle te verhalen. Hoofdelijke verbondenheid brengt immers mee dat het in beginsel ter vrije keuze van de schuldeiser staat van wie van de hoofdelijke schuldenaars hij nakoming zal verlangen.” (Onderstreping A-G)
Riva/ […] [129] , zich in onze zaak niet voordoet.