Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
Tijdens de appelprocedure in de eerdere zaak heeft High Point eerst het oorspronkelijk verleende octrooi beperkt op de voet van art. 138 lid 3 Europees Pro Octrooiverdrag (hierna: EOV). Het hof heeft het beroep door High Point op deze beperking niet toegestaan op grond van de tweeconclusieregel. Dit oordeel is in cassatie in stand gelaten (High Point/KPN I).
Hangende dit cassatieberoep heeft High Point haar octrooi centraal beperkt op de voet van art. 105a EOV. Het daarna door High Point gedane beroep op deze centrale beperking is door het hof buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde. Het tegen dit oordeel gerichte cassatieberoep is verworpen, waarbij de Hoge Raad heeft overwogen dat het zowel High Point als KPN in beginsel vrijstaat om de geldigheid van het octrooi in de beperkte vorm in een nieuw geding alsnog aan een inhoudelijke beoordeling te onderwerpen (High Point/KPN II).
In de onderhavige zaak heeft High Point bij de rechtbank een inbreukvordering ingesteld tegen KPN op basis van het Europees octrooi zoals centraal beperkt. Het (sprong)cassatieberoep stelt de vraag aan de orde of de rechtbank terecht de incidentele vordering van KPN tot niet-ontvankelijkverklaring van High Point heeft afgewezen.
2.Feiten en procesverloop
Wireless access telephone-to-telephone network interface architecture’ op een aanvrage daartoe van 30 juni 1992, prioriteit inroepend van 9 juli 1991 op basis van US 727498. EP 772 B1, oorspronkelijk verleend aan AT&T Corp. Dit octrooi had onder meer gelding in Nederland. [4] EP 772 B1 is op 30 juni 2012 geëxpireerd.
(a) dat het UMTS-netwerk van KPN, zoals dat tussen 22 mei 2008 en 30 juni 2012 was ingericht, binnen de beschermingsomvang van ten minste de conclusies 1, 6 en 11 van EP 772 B3 viel; en
(b) dat met het gebruik van het UMTS-netwerk van KPN, zoals dat tussen 22 mei 2008 en 30 juni 2012 was ingericht, werkwijzen zijn toegepast die binnen de beschermingsomvang van ten minste de conclusies 14, 19 en 24 van EP 772 B3 vielen; en
(c) dat KPN met haar UMTS-netwerk zoals dat tussen 22 mei 2008 en 30 juni 2012 was ingericht en gebruikt, inbreuk heeft gemaakt op ten minste de conclusies 1, 6, 11, 14, 19 en 24 van EP 772 B3;
2. KPN veroordeelt om aan High Point te vergoeden de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de onder 1. genoemde inbreuken, en/of, zulks ter vrije keuze van High Point, de door KPN met de inbreuken behaalde winsten aan High Point af te dragen, beide vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2008, althans 30 juni 2012, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen dag tot aan de dag van de voldoening, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
3. KPN beveelt omtrent de onder 2. bedoelde winsten binnen tien weken na betekening van dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen door aan High Point een door een registeraccountant opgesteld rapport van feitelijke bevindingen te verschaffen waaruit de hoogte blijkt van de met de onder 1. genoemde inbreuken behaalde winsten van KPN, welke verklaring vergezeld dient te gaan van een volledige opgave van:
a) de met de KPN’s UMTS-netwerk in de inbreukperiode gegenereerde omzet, vergezeld van alle daarop betrekking hebbende bescheiden; en
b) de aan KPN’s UMTS-netwerk over de inbreukperiode toe te schrijven kosten, vergezeld van alle daarop betrekking hebbende bescheiden;
4. KPN veroordeelt tot betaling aan High Point van een dwangsom van € 50.000,– per dag, een gedeelte van een dag voor een gehele te rekenen, dat het onder 3. bedoelde bevel niet geheel en/of niet deugdelijk is nagekomen; en
5. KPN veroordeelt in de redelijke en evenredige kosten van deze procedure ex artikel 1019h Rv, te voldoen binnen tien werkdagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan deze kosten worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de derde werkdag na de datum van dit vonnis tot de dag van de volledige betaling.
2. High Point veroordeelt in de kosten van de procedure ex artikel 1019h Rv alsmede in de nakosten (zowel zonder als met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.
in het incident- het gevorderde afgewezen;
- KPN veroordeeld in de kosten van het incident, aan de zijde van High Point, op dat moment begroot op € 50.000,–;
- deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard; en
- bepaald dat van dit incidentele vonnis tussentijds appel mag worden ingesteld.
in de hoofdzaakbepaald dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 augustus 2021 voor conclusie van antwoord.
High Point heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht en gere- en gedupliceerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
5.3. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van de gewraakte passage van het arrest voldoende duidelijk maakt dat High Point, in de omstandigheden van dit geval, de centraal beperkte versie van het octrooi, EP 772 B3, alsnog aan haar vorderingen ten grondslag kan leggen en, in voorkomend geval, de geldigheid van EP 772, bij wijze van verweer in conventie of als eis in reconventie, in de vorm waarin het thans na centrale beperking bestaat, beoordeeld kan worden.”
Hangende de eerste cassatieprocedure, die eindigde met het arrest High Point/KPN I, had het EOB op verzoek van High Point het octrooi centraal beperkt op grond van art. 105a EOV. High Point beriep zich vervolgens in de procedure na cassatie en verwijzing bij het hof op het octrooi zoals centraal beperkt. Het hof stond dit niet toe en overwoog daarbij, samengevat en voor zover thans van belang, dat het betoog te laat naar voren was gebracht en dus wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moest worden gelaten.
Dienaangaande overwoog de Hoge Raad in rov. 3.5.1 allereerst dat onderdeel 1 tot uitgangspunt neemt (i) dat de rechtbank het octrooi uitsluitend in de ruimere vorm waarin het aanvankelijk was verleend, heeft beoordeeld en vernietigd, en (ii) dat op grond van art. 68 EOV Pro het octrooi in die ruimere vorm geacht moet worden nooit te hebben bestaan. Dit uitgangspunt is, aldus rov. 3.5.2, juist, maar
–evenmin als de rechtbank
–aan een inhoudelijke beoordeling van de geldigheid van het octrooi in de beperkte vorm. De bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank berust op de in cassatie onbestreden overweging van het hof (in rov. 2.2) dat het octrooi in de ruimere vorm, gelet op art. 68 EOV Pro, geacht moet worden nooit te hebben bestaan, zodat het eindoordeel van de rechtbank over de ongeldigheid van het octrooi in die ruimere vorm voor juist moet worden gehouden. Uit een en ander volgt niet – anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt – dat de rechtbank, dan wel het hof het octrooi in de beperkte vorm op grond van een inhoudelijke beoordeling heeft vernietigd (…).”
erga onmes-werking van de uitgesproken vernietiging niet denkbaar zijn, reden waarom deze rechtbank in dat soort gevallen procedures schorst in afwachting van het in kracht van gewijsde gaan van dergelijke vonnissen. [19]
ab initiote zijn vervallen, waardoor de rechter zal moeten uitgaan van het – als gevolg van de door het EOB toegestane wijziging – beperkte octrooi.
Enka/Du Pontuit 1988. [22] Daarin is overwogen dat een rechterlijke uitspraak waarbij een octrooi nietig wordt verklaard aan dat octrooi onmiddellijk zijn rechtsgevolgen ontneemt, op voorwaarde dat die uitspraak te zijner tijd in kracht van gewijsde gaat. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de voorwaarde dat de uitspraak in kracht van gewijsde gaat, een opschortende voorwaarde is. Deze kwalificatie wordt op zichzelf niet bestreden.
In de tussentijd, aldus de rechtbank in rov. 5.4 van het bestreden vonnis, bestaat het octrooi nog wel, maar kunnen de rechtsgevolgen ervan niet worden ingeroepen. [23]
M.i. valt niet in te zien waarom het oordeel van de rechtbank dat een rechterlijke uitspraak waarbij een octrooi wordt vernietigd ertoe leidt dat het octrooi onmiddellijk zijn rechtsgevolgen worden ontnomen, doch louter onder de opschortende voorwaarde dat het vonnis waarbij die vernietiging is uitgesproken uiteindelijk in kracht van gewijsde gaat, onverenigbaar is met art. 105a EOV. Dat wordt ook niet toegelicht door KPN. Ook deze klacht faalt.
ex parteprocedure loopt. Het betreft immers slechts een “
simple, quick and inexpensive administrative procedure” waarbij het EOB niet kijkt naar nieuwheid en inventiviteit van het octrooi en evenmin naar andere gebreken die het octrooi als verleend mogelijk al kende. De nationale regels over het uiterlijke moment waarop een hulpverzoek kan worden ingediend zouden (in het door de rechtbank voorgestane systeem) ernstig (in ieder geval: te zeer) worden ondermijnd. Een octrooihouder kan immers simpelweg een centrale beperking doorvoeren om die nationale regels te omzeilen – precies hetgeen High Point hier voor ogen had en heeft gedaan. Daarbij zij nog opgemerkt dat High Point deze situatie had kunnen voorkomen, maar er zelf voor heeft gekozen anders te handelen, aldus nog steeds het onderdeel.
Onderdeel 3 faalt daarom.
onderdeel 5. Daarin wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank daarnaast onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd nu zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom het beroep van KPN op misbruik van recht is afgewezen. KPN heeft aangevoerd dat High Point misbruik van recht heeft gemaakt met het centraal beperken van het “Octrooi”, hetgeen in de weg staat aan de ontvankelijkheid van High Point in de onderhavige procedure. [30] Zoals High Point zelf ook heeft erkend, [31] heeft zij de centrale beperking enkel doorgevoerd met als doel een eventueel onwelgevallig oordeel van de Hoge Raad te omzeilen [32] . De rechtbank heeft zich hier niet over uitgelaten, en is zo ook aan een essentiële stelling van KPN voorbijgegaan, aldus de klacht. [33]
Dit betoog komt neer op een beroep op misbruik van procesbevoegdheid (art. 3:13 BW Pro).
KPN heeft in de procesinleiding in cassatie niet nader aangeduid op welke specifieke grond zij het oog heeft. Alvorens op de rechtsfiguur van misbruik van procesbevoegdheid in te gaan, vermeld ik daarom hetgeen KPN in de in de procesinleiding vermelde vindplaats (par. 17 van de “spreekaantekeningen” ) bij de rechtbank heeft aangevoerd, en hetgeen High Point in haar conclusie van antwoord in het incident heeft gesteld (waarnaar KPN in de spreekaantekeningen verwijst).
(…)
Ik citeer zijn vervolg:
mitsdie procedure
ookwordt gevoerd om een rechterlijke uitspraak te verkrijgen ter verwezenlijking of handhaving van eigen gepretendeerde, ter beoordeling aan de rechter voorgelegde, rechten. Zou op de een of andere manier kunnen worden vastgesteld dat dat laatste niet het geval is, bijvoorbeeld doordat eiser dit zelf toegeeft, dan wordt de bevoegdheid om te procederen kennelijk uitsluitend voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij is gegeven, dus misbruikt. Datzelfde geldt indien processuele bevoegdheden worden aangewend met
geen ander doeldan om de procedure te rekken. De partij die bijvoorbeeld tegenover haar advocaat niet ontkent dat zij aan een ander datgene is verschuldigd, wat die ander van haar in rechte vordert, maakt misbruik van procesrecht indien zij desalniettemin in rechte verweer tegen die vordering voert, ten einde het moment waarop zij aan het gevorderde zal moeten voldoen, uit te stellen. Nu zij de vordering die tegen haar is ingesteld in werkelijkheid volkomen gegrond acht, kan haar verweer immers niet dienen tot de verwezenlijking of handhaving van door haar gepretendeerde rechten.”
Dit brengt mee dat ook de motiveringsklacht faalt.