Conclusie
[eiser 1]respectievelijk
[verweerder]
1.Inleiding
Het hof heeft, in navolging van de rechtbank, kort gezegd geoordeeld dat de brochures onjuiste en/of misleidende mededelingen bevatten en dat de bestuurder in verband daarmee persoonlijk aansprakelijk is jegens de obligatiehouders. Het hof hanteert in het onderhavige geval van prospectusaansprakelijkheid als maatstaf dat de bestuurder wist of behoorde te weten dat de onjuiste en/of onvolledige mededelingen in de brochures tot een misleidende voorstelling van zaken zouden leiden en dat voor hem voorzienbaar was dat de obligatiehouders door deze mededelingen nadeel zouden ondervinden. Volgens het hof is aan deze maatstaf voldaan. De bestuurder heeft persoonlijk ernstig verwijtbaar gehandeld jegens de obligatiehouders doordat hij ten tijde van het aanbieden van de brochures wist of behoorde te weten dat de daarin opgenomen informatie onjuist en/of onvolledig was en die informatie de obligatiehouders op het verkeerde been zou zetten, omdat zij in werkelijkheid grotere (financiële) risico’s liepen dan hun werd voorgespiegeld. Het hof acht evenzeer ernstig verwijtbaar dat de bestuurder onjuiste informatie in de brochure uit 2010 niet heeft gecorrigeerd. Het hof oordeelt ten slotte dat de schade die de obligatiehouders hierdoor hebben geleden voor de bestuurder voorzienbaar was.
In cassatie wordt in de kern geklaagd dat het hof art. 24 Rv Pro heeft geschonden en een onjuiste en/of onbegrijpelijke invulling heeft gegeven aan de factor ‘wetenschap van benadeling’. De cassatieklachten treffen m.i. geen doel.
2.Feiten
Genmed) is opgericht in 2007 en houdt zich volgens de inschrijving in het handelsregister bezig met de import en verkoop van farmaceutische spécialités, voedingssupplementen en gezondheidsproducten. Bij oprichting had Genmed vier aandeelhouders, te weten [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] , Medical Network Holding B.V. en [eiser 1] B.V.
Genmed Holding). Bestuurder van Genmed Holding is vanaf dat moment [eiser 1] . [de financieel directeur] (hierna:
[de financieel directeur]) vervulde de functie van financieel directeur.
Brochure 2010). In Brochure 2010 staat, voor zover hier relevant, het volgende:
De definitieve registratievergunning is verleend op 6 april 2010. Genmed B.V. kan vanaf die dag haar eerste product aanbieden en vermarkten in de genoemde landen en verwacht haar eerste omzet in het 3e kwartaal van 2010 te realiseren.
enkel en alleen[onderstreping hof] gebruiken voor de aanvraagprocedures van de genoemde medicijnen met uitzondering van een bedrag van € 300.000 dat gebruikt zal worden om de kosten van de emissie te dragen alsmede voor algemene bedrijfskosten. Elke maal dat er € 400.000 is opgehaald met de emissie zal het aanvraag traject gestart worden voor één van de zes medicijnen. Door deze bestedingswijze van de emissie is er geen risico voor de obligatiehouders dat bij niet volledig succes van de emissie de doelstellingen niet gehaald worden immers elk medicijnen heeft zijn eigen omzet- en winstverwachtingen. (...)
Toekomstige inkomsten van elk medicijn zijn naar verwachting zodanig dat het nakomen van de verplichtingen naar de obligatiehouders niet afhankelijk is van het aantal geregistreerde medicijnen.
In geval Genmed B.V. niet in staat is om uit haar geldstromen aan haar rente- of aflossingsverplichtingen te voldoen, dienen de obligatiehouders hun vorderingen op Genmed B.V. te verhalen op Genmed Holding Corporation. Er kan geen zekerheid worden gegeven dat Genmed Holding Corporation aan alle verplichtingen van Genmed B.V. jegens de obligatiehouders kan voldoen. Ten tijde van het schrijven van deze brochure is het eigen vermogen van Genmed Holding Corporation echter ruim voldoende is om deze verplichtingen te kunnen nakomen.
CBG) aan Genmed haar aanvraag van een fabrikantenvergunning bevestigd.
Brochure 2013) uitgebracht, waarin – voor zover hier van belang – het volgende staat:
(…)
(…)
2. Terugbetalingsrisico
Aan het einde van de looptijd zullen de obligaties geheel worden terugbetaald. De terugbetalingsverplichting rust op Genmed. De terugbetaling wordt in beginsel voldaan uit de inkomsten die [onderneming] genereert uit haar ondernemingsactiviteiten. Het is mogelijk dat deze inkomsten tegenvallen of dat door één of meerdere andere factoren de financiële positie van Genmed niet toereikend zal zijn om aan de terugbetalingsverplichting (of een deel daarvan) te kunnen voldoen.
3. Rentebetalingsrisico
AFM) aan Genmed een last onder dwangsom opgelegd strekkende tot rectificatie van feitelijk onjuiste informatie en het verstrekken van essentiële informatie. De AFM is van oordeel dat Genmed in strijd heeft gehandeld met artikel 8.8 van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) [3] en artikel 6:193b lid 3 aanhef en onder a [4] en artikel 6:193c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna:
BW). [5] In het onderliggende AFM-rapport staat dat Genmed in beide brochures feitelijk onjuiste informatie heeft verstrekt over de productie van paracetamol door Genmed, de uitgangspositie waarin Genmed zich bevindt en de toekomstverwachtingen van de onderneming. Verder staat in het AFM-rapport dat Genmed informatie niet heeft verstrekt aan de obligatiehouders die essentieel is voor deze obligatiehouders om zich een oordeel te vormen over:
3.Procesverloop
In eerste aanleg
[verweerder] legt aan deze vordering, samengevat, het volgende ten grondslag. [eiser 1] is middellijk bestuurder en [de financieel directeur] is feitelijk (mede)beleidsbepaler van Genmed. Voor de financiering van haar ondernemingsactiviteiten heeft Genmed met [verweerder] – allen ieder afzonderlijk – tussen juli 2010 en juli 2013 één of meerdere obligatieovereenkomsten afgesloten. De voorwaarden van alle obligatieovereenkomsten waren gelijk, maar de verstrekte bedragen per obligatiehouder varieerden. Als tegenprestatie voor de verstrekte gelden zou [verweerder] – afhankelijk van de hoogte van de obligatielening – 7,4% of 7,8% rente ontvangen. Na een looptijd van 48 maanden zouden de obligatiehouders hun ingelegde gelden terug ontvangen. Genmed heeft niet aan deze verplichtingen uit hoofde van de obligatieovereenkomsten voldaan. [verweerder] stelt [eiser 1] en [de financieel directeur] aansprakelijk voor de door hen geleden schade, op grond van onrechtmatig handelen, waaronder bestuurdersaansprakelijkheid.
Casparus) in vrijwaring op te roepen.
Zij stellen, kort gezegd, dat tussen Genmed en Casparus is overeengekomen dat Casparus een bedrag van € 5.500.000,-- zal financieren aan Genmed, waarvan een bedrag van € 1.500.000,-- expliciet is geoormerkt voor de aflossing van de schuld van Genmed aan de obligatiehouders. Dit geoormerkte bedrag dekt ruimschoots de schadevergoeding die nu door [verweerder] wordt gevorderd. Was Casparus de overeengekomen betaling nagekomen, dan waren de door Genmed verschuldigde bedragen betaald aan obligatiehouders en was de onderhavige procedure niet gestart. Omdat Casparus de overeengekomen betaling niet heeft verricht, houden [eiser 1] en [de financieel directeur] Casparus verantwoordelijk en aldus aansprakelijk voor het totaalbedrag aan schadevergoeding dat [eiser 1] en [de financieel directeur] aan obligatiehouders dienen te betalen.
rechtbank) de incidentele vordering toe. [6] De rechtbank staat toe dat Casparus door [eiser 1] en [de financieel directeur] wordt gedagvaard en houdt de beslissing omtrent de kosten in het incident aan.
Aan de veroordeling van [eiser 1] ligt, samengevat, de volgende beoordeling van de rechtbank ten grondslag:
vonnis). In hoger beroep vordert [eiser 1] dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn vorderingen in reconventie alsnog zal toewijzen en de vorderingen in conventie van [verweerder] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van beide instanties.
escrowop een derdenrekening) wordt vrijgegeven, voor zover het
escrow-bedrag hoger is dan het bedrag tot betaling waarvan het hof [eiser 1] zou veroordelen.
In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758; Ontvanger/ […] ) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De vraag die eerst beantwoord moet worden is dus of de door Genmed uitgegeven brochures onjuiste en/of misleidende informatie bevatten. Daarbij gaat het hof ervan uit dat Brochure 2010 – die via de website van Genmed beschikbaar werd gesteld en waarin geen datum is vermeld – in april 2010 is afgerond en uitgebracht, zoals [eiser 1] ter zitting bij het hof heeft bevestigd (zie ook memorie van grieven, rn. 116).
In aanmerking genomen dat de in de onderhavige procedure betrokken obligatiehouders (c.q. [verweerder] ) zijn aan te merken als consument of daarmee gelijk gesteld kunnen worden (hetgeen door [verweerder] gemotiveerd is gesteld en door [eiser 1] onvoldoende is betwist), kan worden aangenomen dat zij de obligatieleningen niet zouden hebben verstrekt als ze juist geïnformeerd waren door Genmed in de brochures die aan hen vóór het nemen van de obligaties ter beschikking zijn gesteld (vgl. het hiervoor genoemde World Online-arrest). De stelling van [eiser 1] dat het niet mogelijk is om ten aanzien van alle (dertig) in de onderhavige procedure betrokken obligatiehouders tot één algemeen oordeel te komen voor wat betreft de causaliteit, wordt dan ook verworpen. [eiser 1] heeft ook in hoger beroep niet althans onvoldoende weersproken dat als de betrokken obligatiehouders ( [verweerder] ) bekend waren geweest met de feiten die thans tot de conclusie leiden dat er sprake was van misleiding, zij niet zouden hebben geïnvesteerd. Gebleken is dat de financiële risico’s die de obligatiehouders (c.q. [verweerder] ) onbewust en ongewild liepen zich (al snel) hebben verwezenlijkt. Dit heeft geleid tot schade voor ieder van de in de onderhavige procedure betrokken obligatiehouders individueel (nu Genmed haar verplichtingen tot terugbetaling van de ingelegde gelden tegenover deze obligatiehouders niet kon nakomen en ook geen verhaal bood), wat gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden voor [eiser 1] voorzienbaar was.”
arrest). [verweerder 7] (hierna:
[verweerder 7]), één van de obligatiehouders behorende tot [verweerder] , heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De overige obligatiehouders die behoren tot [verweerder] zijn niet verschenen; tegen hen is verstek verleend. [verweerder 7] heeft zijn standpunt schriftelijk doen toelichten, waarna [eiser 1] heeft gerepliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Vooraf
Ontvanger/ […]-arrest uit 2006 heeft de Hoge Raad over bestuurdersaansprakelijkheid jegens schuldeisers het volgende vooropgesteld: [12]
[zonder voetnoten uit origineel, A-G]
TMF-arrest uit 2018 vat de Hoge Raad zijn rechtspraak dienaangaande als volgt samen: [18]
TMF-zaak werd ook geklaagd dat niet-naleving door de vennootschap van wettelijke voorschriften ter bescherming van het beleggende publiek (in deze zaak ging het om art. 3 en Pro 7 Wte (oud) [19] ) in beginsel, althans eerder dan bij andere normschendingen, aansprakelijkheid van iedere bestuurder van die vennootschap meebrengt en dat met de niet-naleving van dergelijke voorschriften een persoonlijk ernstig verwijt in beginsel gegeven is. [20] Die rechtsopvatting kan volgens de Hoge Raad niet worden aanvaard: [21]
TMF-arrest uit 2018: [22]
Ontvanger/ […]-arrest biedt als hoofdregel aangenomen dat voor de bestuurder ten tijde van zijn handelwijze
daadwerkelijkeschade van de schuldeiser(s) als gevolg van die handelwijze van de bestuurder voorzienbaar was (dus: subjectieve of objectieve wetenschap – weten of behoren te begrijpen – van de bestuurder op dat peilmoment dat de schuldeiser als gevolg van zijn handelwijze schade zál lijden en geen verhaal zál bieden). Ik haal nogmaals Assink aan, ditmaal over mogelijke uitzonderingen op deze hoofdregel: [23]
van(i) voorzienbaarheid van daadwerkelijke schade van de crediteur als gevolg van de handelwijze van de bestuurder
naar(ii) voorzienbaarheid die neerkomt op het ernstig rekening moeten houden met de mogelijkheid van schade van de crediteur als gevolg van de handelwijze van de bestuurder, in die zin dat er ten tijde van dat handelen en/of nalaten van de bestuurder voor die mogelijkheid kenbaar concrete, ‘harde’ aanwijzingen zijn. Dit laatste – waarvan eerder sprake is dan van dit eerste – brengt een verlaging aan in de aansprakelijkheidsdrempel, zij het niet zover dat ieder risico daarop voldoende is: het ernstig rekening moeten houden met de mogelijkheid van schade vergt meer dan dat, maar minder dan voorzienbaarheid van daadwerkelijke schade. Zo’n hanteerbare variatie in voorzienbaarheid kan onder meer rechtvaardiging vinden in geval de gedragslijn van de bestuurder (mede) is ingegeven door een persoonlijk belang van de bestuurder, bijvoorbeeld in geval van onttrekking van middelen aan de vennootschap (mogelijk via selectieve betaling) ten gunste van zichzelf of een gerelateerde partij, waardoor de (externe) crediteur uiteindelijk ten dele of zelfs geheel achter het net vist.”
[cursivering in origineel, zonder voetnoten uit origineel, A-G]
RCI Financial Services-arrest uit 2014 waarin de Hoge Raad in de sleutel van scenario (i) uit het
Ontvanger/ […]-arrest (dus:
Beklamel-aansprakelijkheid) het volgende overweegt: [24]
Ontvanger/ […]-arrest (dus:
Beklamel-aansprakelijkheid) – in de woorden van Assink – “wel wat rek zit”. [26] In het
[…] /Eurocommerce-arrest uit 2009 overweegt de Hoge Raad onder meer het volgende: [27]
[cursivering in origineel, zonder voetnoten uit origineel, A-G]
Ontvanger/ […]-arrest, waarin de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, is de voorzienbaarheid van daadwerkelijke schade min of meer als vereiste ingebakken. [37] Bij een geval (ii) als bedoeld in het
Ontvanger/ […]-arrest is voorzienbaarheid van daadwerkelijke schade ook het uitgangspunt, maar wordt expliciet ruimte gelaten om dat onder omstandigheden te nuanceren. In nog weer andere typen gevallen/scenario’s zijn andere betekenissen, althans andere invullingen, van voorzienbaarheid denkbaar.
19. Volgens [eiser 1] is dit uitgangspunt juist, maar onvolledig. [eiser 1] meent dat de obligatiehouders de twee alternatieve grondslagen voor bestuurdersaansprakelijkheid van de arresten
Beklamelen
Ontvanger/ […]aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd, en dat daaraan niet is voldaan. [eiser 1] bespreekt achtereenvolgens wat naar zijn visie noodzakelijk is voor een geslaagd beroep op bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van
Beklamel, en wat naar zijn visie noodzakelijk is voor een geslaagd beroep op
Ontvanger/ […]. [eiser 1] stelt dat de voorzienbaarheid van schadelijke gevolgen van een bepaalde bestuurshandeling een cruciale rol speelt in de bepaling of aan een bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ontbreekt de voorzienbaarheid, dan kan hoe dan ook geen persoonlijk verwijt worden gemaakt, aldus [eiser 1] , en komt de grondslag aan een eventuele aansprakelijkheid direct te vervallen, aldus [eiser 1] . [eiser 1] stelt dat de rechtbank “op drie gedachten” hinkt en zowel
Beklamel,
Ontvanger/ […]als art. 6:193a e.v. BW toepast om tot aansprakelijkheid van [eiser 1] te komen. [eiser 1] stelt dat strikte toepassing van elk van de grondslagen de conclusie van aansprakelijkheid niet kan dragen.
20. Deze grief treft geen doel. De obligatiehouders menen dat de rechtbank op goede gronden tot de conclusie van bestuurdersaansprakelijkheid is gekomen. Allereerst verzoeken de obligatiehouders al hetgeen zij in eerste aanleg al hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun standpunt dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid als herhaald en ingelast te beschouwen. Het gaat dan met name om hetgeen is opgemerkt in punt 90 t/m 128 en punt 138 t/m 159 van de dagvaarding en punt 6 t/m punt 20 van de pleitnota. Voorts voegen de obligatiehouders daar het volgende aan toe.
21. Laatstelijk bij arrest van 29 mei 2020 [zie noot 14 hiervoor, A-G] heeft de Hoge Raad de maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid nog eens herhaald. De obligatiehouders citeren:
“[…]
In geval van benadeling van een schuldeiser door het onbetaald en overhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (HR 8 december 2006, NJ 2006, 659) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295).In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of rederlijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig verwijt kan worden aangenomen (zie HR 8 december 2006, NJ 2006, 659). In dit onder (ii) bedoelde geval draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.”22. De hierboven weergegeven maatstaf is de maatstaf waaraan het handelen van [eiser 1] dient te worden getoetst. De obligatiehouders constateren (nogmaals) onder meer de volgende feiten en omstandigheden:
- De brochures op basis waarvan de obligatiehouders hebben geïnvesteerd in Genmed bevatten diverse feitelijke onjuistheden, op basis waarvan aan de obligatiehouders een onjuist beeld is voorgespiegeld van de besteding van de ingelegde gelden, de (financiële) positie van Genmed en de verhaalspositie van haar moedermaatschappij, de omzet en afzetmogelijkheden. Dit standpunt wordt onder meer uitgebreid ondersteund door het AFM-rapport (prod. 7 bij inleidende dagvaarding). De obligatiehouders verwijzen ter onderbouwing van dit standpunt expliciet naar al hetgeen hierover reeds bij dagvaarding en in het vervolg van de procedure in eerste aanleg is gesteld en onderbouwd.
- In het bijzonder stellen de obligatiehouders zich hierbij op het standpunt dat sprake is van schending door Genmed van het bepaalde in artikel 6:193a – j BW, in het bijzonder het bepaalde in de artikelen 6:193b, 6:193c en 6:193d BW, namelijk misleiding in de brochures. Er is sprake van het verrichten van oneerlijke handelspraktijken door Genmed, waarbij volgens de obligatiehouders ter zake van dit handelen van Genmed aan de bestuurder van Genmed, [eiser 1] , een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als enig (middellijk) bestuurder van Genmed is [eiser 1] volledig verantwoordelijk voor de inhoud van de brochures. Hij heeft deze opgesteld, of in elk geval geaccordeerd en gepubliceerd / laten publiceren, en voor uitgifte goedgekeurd.
- Genmed is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens de obligatiehouders, bestaande uit onder meer het nalaten de renteverplichtingen aan de obligatiehouders te voldoen, het nalaten de obligatieleningen terug te betalen en voorts uit het nalaten om de afspraken die zijn gemaakt betreffende de afkoop van de obligaties na te komen. De obligatiehouders zijn hierdoor benadeeld. De benadeling van de obligatiehouders wordt door [eiser 1] niet betwist. [eiser 1] was als enige verantwoordelijk voor het bewerkstelligen dat Genmed haar afspraken nakwam en was ook de enige die kon verhinderen, en heeft verhinderd, dat Genmed haar afspraken jegens de obligatiehouders nakwam. [eiser 1] kan hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt.
- In plaats van de door de obligatiehouders ingelegde gelden aan te wenden voor het doen van aanvragen van de vergunning en registraties voor de medicijnen Atoksilin, Cipronat, Suprafen, Diclonat, Aterova en Dicom, waarvoor de gelden blijkens de Brochure 2010 van de obligatiehouders zijn aangetrokken en zouden worden aangewend, dan wel de door de obligatiehouders ingelegde gelden aan te wenden voor “de ontwikkeling en registratie van nieuwe generieke medicijnen” (Brochure 2013), zijn de door de obligatiehouders ingelegde gelden voor andere zaken gebruikt, waaronder met name – aantoonbaar – voor het doen van betalingen aan Genmed Holding en/of (andere) aan haar gelieerde personen. In elk geval zijn de gelden niet gebruikt conform het bestemmingsdoel dat aan de obligatiehouders is voorgehouden en ook niet gebruikt voor de ‘normale bedrijfsvoering’ van Genmed; de gelden werden immers gelijk doorgestort naar Genmed Holding.
- Door deze betalingen aan GenMed Holding werd de financiële slagkracht van GenMed, de contractuele wederpartij van de obligatiehouders, ernstig verzwakt. Uit het als productie 33 bij conclusie van antwoord van de zijde van [eiser 1] ingediende Annual Report van GenMed Holding en het als productie 9 bij Memorie van Grieven ingediende Form 10-K blijkt dat GenMed Holding op 15 april 2010, dus voor de uitgifte van de eerste obligaties, een zeer wankele onderneming was, welke juist was geconfronteerd met een zeer grote afschrijving op de goodwill van maarliefst $ 19 miljoen, en waarbij gezien de nettoverliezen die in de jaren daarvoor geleden waren en het negatieve werkkapitaal ernstig werd getwijfeld aan de continuïteit van GenMed Holding (Note A-Nature of Business and Going Concern). Uit dezelfde continuïteitsparagraaf volgt dat, zelfs wanneer de onderneming erin zou slagen om voldoende kapitaal aan te trekken, het dan nog niet zeker zou zijn dat dit kapitaal voldoende zou zijn om tot een exploitatie te kunnen komen waarbij tot opbrengsten en voldoende cash flow kan worden gekomen. Er zijn aanzienlijke twijfels (‘substantial doubt’) of de onderneming in staat zal zijn haar activiteiten voort te zetten. Uit de consolidated balance sheets blijkt dat per 31 december 2009 de cash positie van GenMed Holding nihil is en onder F1 Report of independent register public accounting firm is opgenomen dat GenMed Holding verlieslatend was en een negatief werkkapitaal had in 2008 en 2009. GenMed Holding was op het moment van de uitgifte van de eerste obligaties dan ook technisch failliet. Door deze nalatigheden stelde [eiser 1] de obligatiehouders bloot aan het voor [eiser 1] kenbare risico dat verhaal van hun vorderingen op GenMed illusoir werd.
23. Wanneer de obligatiehouders de maatstaf van bestuurdersaansprakelijkheid van de Hoge Raad beschouwen, dan ontstaat het volgende beeld […].
25. De obligatiehouders stellen zich op het standpunt dat er sprake was van voorzienbaarheid van de schade, zowel op het moment van het aangaan van de obligatieovereenkomsten, als later, op andere relevante momenten, onder meer het moment waarop [eiser 1] overging tot het doorstorten van de gelden vanuit Genmed naar andere aan Genmed gelieerde entiteiten en het moment waarop GenMed ophield de renteverplichtingen te voldoen. [eiser 1] wist bij het aangaan van de obligatieovereenkomsten al van de deplorabele financiële situatie van GenMed en GenMed Holding. Hij had immers kort daarvoor, op 15 april 2010, de jaarstukken van GenMed Holding over 2009 bij de SEC ingediend. Het was voor [eiser 1] ten tijde van het aangaan van de obligatieleningen voorzienbaar dat GenMed haar verplichtingen tegenover de obligatiehouders niet zou nakomen.
26. Ten onrechte gaat [eiser 1] overigens enkel in op de voorzienbaarheid van de schade op het moment van het aangaan van de obligatieleningen (en ten onrechte stelt [eiser 1] dat er toen geen sprake was van voorzienbaarheid van de schade). Niet alleen de voorzienbaarheid van schade op dat moment is relevant voor de beoordeling van het onrechtmatig handelen en het persoonlijk ernstig verwijt dat [eiser 1] kan worden gemaakt, maar ook de voorzienbaarheid van schade bij ander handelen van [eiser 1] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Genmed. [eiser 1] heeft, als enig bestuurder van Genmed, de ingelegde gelden van de obligatiehouders overgemaakt naar onder meer Genmed Holding, en vervolgens weer overgemaakt, onder andere naar zichzelf, onder het mom van “management fees” / salaris “voldoen aan opeisbare schulden”, operationele kosten, hoe dan ook genaamd. Vast staat in ieder geval dat de gelden zijn doorgestort naar GenMed Holding (proces verbaal comparitie van partijen d.d. 3 oktober 2019, verklaring mr. Mensink, onder 11., verklaring [eiser 1] onder punt 6. en 8., en de verklaring [de financieel directeur] onder punt 1. en 2.). Welke benaming er aan de doorstorting van de gelden ook wordt gegeven, feit blijft dat deze gelden waren bedoeld om aan te wenden conform het bestemmingsdoel van de brochures op basis waarvan de obligatiehouders hebben geïnvesteerd. Uit productie 9 bij Memorie van Grieven blijkt dat [eiser 1] reeds voor het uitbrengen van de Brochure 2010 wist dat GenMed een lege huls was en dat GenMed Holding geen enkel verhaal zou bieden. Wanneer een onderneming nauwelijks omzet maakt en er ernstige twijfels zijn over de continuïteit, zelfs nadat kapitaal wordt opgehaald, dan is voldaan aan het criterium dat de niet-nakoming ten tijde van het aangaan van de transactie (de obligatieovereenkomsten) voor [eiser 1] redelijkerwijs was te verwachten. Als de aansprakelijke persoon door omstandigheden meer kon voorzien dan de normale persoon dan moet dit bij de bepaling van de voorzienbaarheid worden meegenomen. Voor [eiser 1] was voorzienbaar dat het gebruiken van de gelden in strijd met de brochure 2010 tot schade bij de obligatiehouders zou leiden.
28. De bijkomende omstandigheden op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen is het gegeven dat [eiser 1] met behulp van misleidende brochures gelden heeft aangetrokken en deze gelden vervolgens niet heeft aangewend waarvoor zij bedoeld zijn. [eiser 1] heeft toegelaten dat deze voorzienbare gang van zaken heeft plaatsgevonden.
29. […]
30. In alle gevallen geldt dat de concrete omstandigheden van het geval maken of al dan niet sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt en bestuurdersaansprakelijkheid. De obligatiehouders hebben voldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot deze conclusie leiden.”
[cursivering in origineel, zonder voetnoten uit origineel, A-G]
17. Ten tijde van het uitgeven van de brochures, ging [eiser 1] uit van de juistheid ervan. Hij had geen kwade bedoelingen, het was voor hem niet voorzienbaar dat de brochures onjuist zouden zijn of misleidend. Ook enig nadeel was vooraf niet te verwachten. […]”
[zonder voetnoot uit origineel, A-G]
Ontvanger/ […]-arrest (dus als variant op een ‘zuiver’
Beklamel-geval), [43] als variant op scenario (ii) uit het
Ontvanger/ […]-arrest en/of als een derde scenario: “Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen” (zie ook onder 4.4 hiervoor). [verweerder] gaat blijkens de memorie van antwoord, onder 24, immers voor twee ankers liggen: [eiser 1] kan los van de voorzienbaarheid van de schade een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt (zoals bij een variant van geval (ii) uit het
Ontvanger/ […]-arrest en/of bij een derde scenario, waarin voorzienbaarheid van schade geen doorslaggevend vereiste is) en er is hoe dan ook sprake geweest van voorzienbaarheid van schade (zoals bij een variant van geval (i) uit het
Ontvanger/ […]-arrest, waarvoor voorzienbaarheid van de schade is vereist).
Dat dat hier in het midden is gelaten, houdt m.i. verband met de financiële toestand van Genmed en Genmed Holding ten tijde van het aan [eiser 1] verweten handelen in 2010 en 2013, die volgens de memorie van antwoord van [verweerder] , onder 25, in 2010 al “deplorabel” was. [44]
Ontvanger/ […]-arrest (zie onder 4.3 hiervoor).
Ontvanger/ […]-arrest en het
RCI Financial Services-arrest, voorop dat vereist is dat de bestuurder ter zake van de benadeling van schuldeisers persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat het antwoord op de vraag of daarvan sprake is afhankelijk is van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (zie ook onder 4.5 hiervoor).
Ontvanger/ […]-arrest, of als nog een ander scenario. Naar het oordeel van het hof was immers voor [eiser 1] voorzienbaar dat de obligatiehouders door de misleiding in Brochure 2010 en Brochure 2013 schade zouden lijden én dat Genmed en Genmed Holding geen verhaal zouden bieden.
De maatstaf voor het kunnen maken van een persoonlijk ernstig verwijt aan [eiser 1] heeft het hof voor een geval van prospectusaansprakelijkheid als het onderhavige vooropgesteld in rov. 5.3 van het arrest. Hiervoor is volgens het hof vereist dat “de bestuurder wist, althans behoorde te weten dat de onjuiste en/of onvolledige mededelingen in het prospectus tot een misleidende voorstelling van zaken zouden leiden en voor hem voorzienbaar was de beleggers c.q. schuldeisers door deze mededelingen nadeel zouden ondervinden” (zie ook onder 4.10 hiervoor). In rov. 5.14 van het arrest komt het hof kort gezegd tot de conclusie dat aan deze maatstaf is voldaan. Het hof overweegt eerst: “ [eiser 1] heeft gelet op het voorgaande ernstig verwijtbaar gehandeld jegens de obligatiehouders ( [verweerder] ) doordat hij ten tijde van het aanbieden van de brochures wist of behoorde te weten dat de daarin opgenomen informatie onjuist en/of onvolledig was en de obligatiehouders op het verkeerde been zou zetten omdat zij in werkelijkheid grotere (financiële) risico’s liepen dan hun werd voorgespiegeld.” (zie ook onder 4.10 hiervoor). In de slotzin van rov. 5.14 oordeelt het hof voorts dat het handelen van [eiser 1] voor ieder van de obligatiehouders heeft geleid tot schade (“nu Genmed haar verplichtingen tot terugbetaling van de ingelegde gelden tegenover deze obligatiehouders niet kon nakomen en ook geen verhaal bood”), “wat gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden voor [eiser 1] voorzienbaar was.” (zie ook onder 4.10 hiervoor). Het onderdeel stelt aan de orde of [verweerder] in dit verband voldoende heeft gesteld, met name over het tweede aspect van voorzienbaarheid (dat “voor hem voorzienbaar was de beleggers c.q. schuldeisers door deze mededelingen nadeel zouden ondervinden”). Dat is m.i. het geval. Ik verwijs daarvoor terug naar de passage uit de memorie van antwoord van [verweerder] onder 4.9 hiervoor. Uit de aldaar aangehaalde passage (met verwijzingen naar de gedingstukken in eerste aanleg) blijkt dat [verweerder] voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld over, kort gezegd, het element ‘voorzienbaarheid’. Ik wijs ook op de aldaar aangehaalde passage uit de pleitnota in hoger beroep van [eiser 1] , waaruit blijkt dat hij de stelling betwist dat enig nadeel voor de obligatiehouders vooraf te verwachten was. [eiser 1] heeft dus ook begrepen dat [verweerder] heeft gesteld dat voor [eiser 1] voorzienbaar was dat de obligatiehouders door de misleidende mededelingen nadeel zouden ondervinden. Het hof is aldus niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en heeft art. 24 Rv Pro niet geschonden. [56] Het onderdeel leest de stellingen van [verweerder] te beperkt. [verweerder] heeft immers niet slechts de door het onderdeel aangehaalde stellingen ingenomen. Voor het element waar het bij dit onderdeel om gaat, dus dat voor [eiser 1] voorzienbaar was dat [verweerder] door de misleidende mededelingen in de brochures nadeel zou ondervinden, wijs ik naast de onder 4.9 hiervoor aangehaalde passage uit de memorie van antwoord ook nog op § 2 e.v. uit de pleitnota in hoger beroep van [verweerder] :
Hierop stuit het onderdeel af.
Ontvanger/ […]-arrest. Volgens het subonderdeel is hier nodig dat de bestuurder ten tijde van het hem verweten handelen wist, althans behoorde te begrijpen, dat de schuldeisers daadwerkelijk schade zouden lijden, met andere woorden: (geobjectiveerde) wetenschap van de bestuurder dat de vennootschap haar verplichtingen niet
zalnakomen en ook geen verhaal
zalbieden voor de schade. Volgens het subonderdeel heeft het hof in rov. 5.14 van het arrest ten onrechte voldoende geacht dat [eiser 1] wist of behoorde te begrijpen dat de obligatiehouders grotere (financiële) risico’s liepen dan hun in de brochures werd voorgespiegeld en dat deze door hen onbewust en ongewild gelopen risico’s zich hebben verwezenlijkt, wat vervolgens ertoe heeft geleid dat de obligatiehouders schade hebben geleden doordat Genmed de door hen ingelegde gelden niet kan terugbetalen. Wetenschap van dergelijke risico’s volstaat volgens het subonderdeel niet voor het aannemen van de hier vereiste wetenschap van benadeling. Dit wordt volgens het subonderdeel niet anders door wat het hof in de laatste zin van rov. 5.14 van het arrest overweegt.
Het subonderdeel gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist daarmee feitelijke grondslag. In het onderhavige geval past het hof prospectusaansprakelijkheid als bedoeld onder 4.7 hiervoor toe. Dat het hof de onder 4.7 hiervoor bedoelde variant van prospectusaansprakelijkheid heeft toegepast, blijkt uit rov. 5.3 van het arrest (zie ook onder 4.10 hiervoor). Het hof stelt in die rechtsoverweging m.i. de juiste maatstaf voor een persoonlijk ernstig verwijt in dit verband voorop (zie ook onder 4.7 hiervoor): vereist is volgens het hof dat “de bestuurder wist, althans behoorde te weten dat de onjuiste en/of onvolledige mededelingen in het prospectus tot een misleidende voorstelling van zaken zouden leiden en voor hem voorzienbaar was dat de beleggers c.q. schuldeisers door deze mededelingen nadeel zouden ondervinden.” Deze maatstaf wordt overigens in hoger beroep ook door [eiser 1] zelf aangehaald. [57] Uit rov. 5.14 van het arrest blijkt dat aan beide elementen van deze maatstaf is voldaan. Dat [eiser 1] wist of behoorde te begrijpen dat de onjuiste en/of onvolledige mededelingen in het prospectus tot een misleidende voorstelling van zaken zouden leiden, blijkt met name uit rov. 5.14, eerste zin, van het arrest: “ [eiser 1] heeft gelet op het voorgaande ernstig verwijtbaar gehandeld jegens de obligatiehouders ( [verweerder] ) doordat hij ten tijde van het aanbieden van de brochures wist of behoorde te weten dat de daarin opgenomen informatie onjuist en/of onvolledig was en de obligatiehouders op het verkeerde been zou zetten omdat zij in werkelijkheid grotere (financiële) risico’s liepen dan hun werd voorgespiegeld”. Dat voor hem voorzienbaar was dat [verweerder] door deze mededelingen nadeel zou ondervinden, blijkt met name uit het slot van rov. 5.14 van het arrest, waarin het hof, kort gezegd, overweegt dat daadwerkelijke schade (dat Genmed haar verplichtingen jegens de obligatiehouders niet kon nakomen en geen verhaal bood) voorzienbaar was (zie ook onder 4.10 hiervoor). Het hof verwijst hierbij terug naar “de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden”. Dit zijn m.i. ook de omstandigheden over de financiële toestand van Genmed en Genmed Holding die het hof die het hof eerder in rov. 5.14 van het arrest opsomt: “Zo bevond Genmed zich – anders dan het beeld dat in de brochures werd neergezet – niet in een zodanig gunstige positie dat zij al medicijnen op de markt bracht en daarmee omzet genereerde, zelfs niet ten tijde van de uitgifte van Brochure 2013. Ook het eigen vermogen en de garantie van Genmed Holding waren in werkelijkheid veel lager, of zelfs negatief, om zich daarop met succes te kunnen verhalen.” (zie ook onder 4.10 hiervoor). Het hof heeft aldus niet te lage eisen aan de factor ‘wetenschap van benadeling’ gesteld. Het oordeel van het hof geeft in zoverre geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het illustreert veeleer de samenhang die in geval van voor consumenten misleidende brochures kan bestaan (en in dit geval door het hof is aangenomen) tussen het ernstig verwijtbare karakter van het misleidende handelen (onjuiste mededelingen omtrent essentiële informatie, onder meer over het bieden van verhaal) en voorzienbaarheid van schade (door het niet bieden van verhaal).
Hierop stuit het subonderdeel af.
Ook dit subonderdeel gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist daarmee feitelijke grondslag. Het subonderdeel verwijst zelf naar de maatstaf die het hof in rov. 5.3 van het arrest heeft vooropgesteld (“[D]e bestuurder wist, althans behoorde te weten dat de onjuiste en/of onvolledige mededelingen in het prospectus tot een misleidende voorstelling van zaken zouden leiden en voor hem [was] voorzienbaar dat de beleggers c.q. schuldeisers door deze mededelingen nadeel zouden ondervinden.”). In het eerste deel van rov. 5.14 van het arrest oordeelt het hof dat aan het eerste element van deze maatstaf is voldaan en uit het laatste deel van rov. 5.14 van het arrest blijkt dat aan het tweede element van deze maatstaf is voldaan (zie ook onder 4.16 hiervoor). Het hof neemt dus niet reeds een ernstig verwijt aan zonder vast te stellen dat voor [eiser 1] voorzienbaar was dat [verweerder] nadeel zouden ondervinden van de misleiding in Brochure 2010 en Brochure 2013 en rov. 5.14 van het arrest is in zoverre dan ook niet tegenstrijdig met de in rov. 5.3 vooropgestelde maatstaf voor een geval van prospectusaansprakelijkheid als hier aan de orde. Het hof geeft met zijn oordeel ook voldoende inzicht in zijn gedachtegang om de beslissing controleerbaar te maken. Het is voldoende duidelijk dat hof aan het slot van 5.14 van het arrest de hier volgens het subonderdeel vereiste mate van voorzienbaarheid bij [eiser 1] (kort gezegd daadwerkelijke schade) voor ogen heeft gehad.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Ik merkte onder 4.10 en 4.16 hiervoor al op dat het hof met “de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden” terugverwijst naar het eerste deel van rov. 5.14 van het arrest waarin het hof onder meer omstandigheden over de financiële toestand van Genmed en Genmed Holding opsomt: “Zo bevond Genmed zich – anders dan het beeld dat in de brochures werd neergezet – niet in een zodanig gunstige positie dat zij al medicijnen op de markt bracht en daarmee omzet genereerde, zelfs niet ten tijde van de uitgifte van Brochure 2013. Ook het eigen vermogen en de garantie van Genmed Holding waren in werkelijkheid veel lager, of zelfs negatief, om zich daarop met succes te kunnen verhalen.” De hier bedoelde feiten en omstandigheden stroken ook met de door het hof vastgestelde feiten (zie ook onder 4.10 hiervoor). Mede gelet op de samenhang die in het onderhavige geval bestaat tussen de aan [eiser 1] gemaakte verwijten en de voorzienbaarheid van de schade die zich heeft verwezenlijkt, vind ik het ook niet onbegrijpelijk dat het hof de eerder geschetste feiten en omstandigheden aan het slot van rov. 5.14 van het arrest niet herhaalt maar volstaat met een terugverwijzing.
Hierop strandt het subonderdeel.
De stellingen waar het subonderdeel op wijst, doen geen afbreuk aan het oordeel van het hof dat [eiser 1] in 2010 respectievelijk 2013 moest voorzien dat de obligatiehouders nadeel zouden ondervinden van de misleidende informatie uit de brochures zoals vooropgesteld door het hof in rov. 5.3 van het arrest en toegepast door het hof in rov. 5.14 van het arrest. Dat uit de in het subonderdeel bedoelde stellingen zou volgen dat Genmed, kort gezegd, alsnog een rendabele onderneming
zou kunnen wordendoet niet af aan het oordeel dat Genmed in de brochures op verschillende punten beduidend rendabeler werd voorgespiegeld dan in werkelijkheid het geval was en dat [eiser 1] dat wist of behoorde te begrijpen en voorts wist of behoorde te begrijpen dat de obligatiehouders door die misleidende voorstelling van zaken nadeel zouden ondervinden, hetgeen door het hof is ingevuld als voorzienbaarheid van daadwerkelijke schade (zie ook onder 4.10 en 4.16 hiervoor). Het hof was niet gehouden, nader dan het heeft gedaan, op de in het subonderdeel opgesomde stellingen in te gaan. Het hof onderkent de essentie van de door het subonderdeel bedoelde stellingen overigens in rov. 5.4 van het arrest, waar het als verweer van [eiser 1] noemt “dat na 2010 onvoorziene tegenslagen volgden waardoor achteraf bezien de informatie onjuist (of te optimistisch) is gebleken.” Het hof maakt echter korte metten met dit verweer door het in rov. 5.12 van het arrest als volgt te verwerpen: “dat deze door [eiser 1] genoemde ‘onvoorziene’ omstandigheden [waaronder: het afhaken van Focus Farma, het annuleren van de Irak-deal en onvoorzien lange doorlooptijden van noodzakelijke vergunningen (naar het hof begrijpt: voor paracetamol)], voor hem ten tijde van het uitbrengen van de Brochure 2010 of althans vóórdat de eerste obligatiehouder instapte wel degelijk bekend waren althans moeten zijn geweest zodat van onvoorziene omstandigheden na uitgifte van de obligaties geen sprake is”. Ik merk nog op dat m.i. ook relevant is dat de looptijd van de obligaties kort is (zie ook onder 2.4 hiervoor). [59] Hierop loopt het subonderdeel spaak.
Het hof beoordeelt in rov. 5.7 van het arrest de volgende mededeling uit Brochure 2010 (zie ook onder 2.4 hiervoor):
Hierop stuit het subonderdeel af.
Bij de bespreking van het vorige subonderdeel (zie onder 4.24 hiervoor) merkte ik al op dat voor het oordeel van het hof in rov. 5.7 van het arrest niet beslissend is dat de fabrikantenvergunning uiteindelijk pas in 2012 door het CBG is verleend. Ook als zou moeten worden aangenomen dat Genmed ( [eiser 1] ) ervan mocht uitgaan dat de fabrikantenvergunning veel eerder zou worden afgegeven dan uiteindelijk is gebeurd, blijft het oordeel van het hof in rov. 5.7 van het arrest begrijpelijk. Waar het om gaat, is dat [eiser 1] ten tijde van het uitbrengen van Brochure 2010 of kort nadien niet ervan mocht uitgaan dat deze vergunning “op korte termijn” zou worden verkregen. Na het aanvragen van de fabrikantenvergunning was de verwachting van [eiser 1] immers dat het nog wel vijf maanden kon duren voordat die was verleend (zie ook onder 4.24 hiervoor).
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het hof bedoelt in rov. 5.12 van het arrest niet te onderbouwen dat [eiser 1] al bij de uitgifte van Brochure 2010, althans bij het sluiten van de eerste obligatielening, moest begrijpen dat Genmed haar verplichtingen jegens de obligatiehouders niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. Dit oordeel in rov. 5.12 van het arrest heeft betrekking op de het eerste element van de ‘voorzienbaarheid’, in de woorden Timmerman: “dat voor de bestuurder voorzienbaar is dat zijn mededeling zodanig onjuist en/of onvolledig is dat deze een misleidend karakter krijgt” (zie onder 4.7 hiervoor) en dus niet op de voorzienbaarheid voor [eiser 1] dat Genmed haar verplichtingen jegens de obligatiehouders niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden. Dat laatste overweegt en onderbouwt het hof in rov. 5.14 van het arrest op basis van de financiële toestand van Genmed en Genmed Holding. Het hof heeft evenmin geoordeeld dat [eiser 1] al in april/juli 2010 wist of had moeten begrijpen dat de fabrikantenvergunning uiteindelijk pas in 2012 zou worden verleend (zie ook onder 4.24 en 4.26 hiervoor). Het subonderdeel gaat dus uit van een verkeerde lezing van het arrest en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel stelt verder dat in ieder geval (gelet op de stellingen genoemd in subonderdeel 2.4 en hetgeen is opgemerkt in de subonderdelen 2.5 t/m 2.7) niet zonder meer valt in te zien dat [eiser 1] een dermate ver(der)gaand verwijt treft van de door het hof aangenomen onjuistheden/onvolledigheden in de brochures dat een minder vergaande mate van waarschijnlijkheid van schade voor de obligatiehouders zou volstaan dan, kort gezegd, geobjectiveerde wetenschap dat obligatiehouders daadwerkelijk schade zouden lijden. Uit de stellingen van [eiser 1] kan volgens het subonderdeel niet anders volgen dan dat [eiser 1] de toekomst van Genmed hooguit te optimistisch heeft ingeschat.
Uit rov. 5.14 van het arrest volgt dat [eiser 1] (geobjectiveerde) wetenschap van benadeling (als bedoeld in subonderdeel 2.1) had (zie ook onder 4.10 en 4.16 hiervoor). Hierop loopt het subonderdeel reeds spaak, nu het ten onrechte uitgaat van de premisse dat het oordeel van het hof zo moet begrepen dat voor aansprakelijkheid van [eiser 1] niet is vereist dat [eiser 1] (geobjectiveerde) wetenschap van benadeling (als bedoeld in subonderdeel 2.1) had. Dat het hof – anders dan de rechtbank [63] – niet vaststelt dat [eiser 1] met zijn handelwijze zichzelf of gelieerde partijen, zoals Genmed Holding, heeft bevoordeeld, kan dus niet afdoen aan het oordeel van het hof dat [eiser 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van zijn handelwijze met betrekking tot de misleidende mededelingen in Brochure 2010 en Brochure 2013. Het subonderdeel gaat overigens ook uit van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het uitgaat van de veronderstelling dat uitsluitend wanneer [eiser 1] zichzelf of andere buiten de vennootschap gelegen belangen zou hebben bevoordeeld ten nadele van de obligatiehouders ruimte zou bestaan voor een andere, minder strenge, invulling van de factor ‘wetenschap van benadeling’ dan bedoeld door subonderdeel 2.1 en aangenomen door het hof. Dat is te categorisch. [64] Het subonderdeel wijst er verder terecht op dat het hof in het midden laat of [eiser 1] daadwerkelijk wist dat de obligatiehouders in werkelijkheid grotere risico’s liepen dan hun werd voorgespiegeld. Het hof overweegt in rov. 5.14 van het arrest immers: “wist of behoorde te weten” (bedoeld zal zijn: begrijpen). Het hof kon in het midden laten of [eiser 1] feitelijke (subjectieve) wetenschap had of normatieve (objectieve) wetenschap. [65] Dat [eiser 1] heeft gesteld dat hij geen kwade bedoelingen had, kan dus ook niet afdoen aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, omdat [eiser 1] in ieder geval had moeten begrijpen dat de informatie in Brochure 2010 en Brochure 2013 op verschillende punten onjuist en/of onvolledig was en de obligatiehouders op het verkeerde been zou zetten waardoor zij schade zouden lijden die zij niet konden verhalen op Genmed of Genmed Holding. Dat uit de stellingen van [eiser 1] niet anders kan volgen dan dat [eiser 1] de toekomst van Genmed “hooguit te optimistisch” heeft ingeschat (zoals het hof ook heeft onderkend in rov. 5.4 van het arrest) doet, wat daarvan zij, om deze reden ook niet af aan de ernstige verwijtbaarheid van het handelen van [eiser 1] . Voor zover het subonderdeel hierbij voortbouwt op de voorgaande subonderdelen deelt het bovendien in het lot van die subonderdelen.
Hierop stuit het subonderdeel af.