ECLI:NL:PHR:2022:628

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
20/04318
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 418 lid 2 SvArt. 434 SvArt. 225 SrArt. 24 Wet milieugevaarlijke stoffen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over feitelijk leidinggeven en medeplegen bij overtredingen milieuwetgeving en valsheid in geschrift

Deze zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin hij werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan diverse strafbare feiten, waaronder overtredingen van de Wet milieugevaarlijke stoffen, valsheid in geschrift, gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie.

De verdediging verzocht onder meer om het horen van getuigen die eerder al in eerste aanleg waren gehoord, maar het hof wees deze verzoeken af op grond van het noodzakelijkheidscriterium. De advocaat-generaal oordeelt dat deze afwijzing begrijpelijk en voldoende gemotiveerd is, mede omdat de verdediging geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoerde die een hernieuwd verhoor noodzakelijk maken.

Het hof stelde vast dat verdachte als feitelijk leidinggever en opdrachtgever betrokken was bij het niet melden van vuurwerktransporten, wat een overtreding van het Vuurwerkbesluit en de Wet milieugevaarlijke stoffen vormt. Het hof verwierp het verweer dat de meldplicht alleen op de vervoerder rust en concludeerde dat verdachte en medeverdachten opzet hadden op het niet melden van de transporten.

De advocaat-generaal concludeert dat de middelen van cassatie falen en adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen. Er is samenhang met andere zaken waarin vergelijkbare conclusies worden getrokken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor feitelijk leidinggeven en medeplegen wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/04318
Zitting28 juni 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 10 december 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens feit 1 subsidiair “medeplegen van opdracht geven of feitelijke leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van Pro de Wet milieugevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, feit 4 primair “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, feit 5 subsidiair “medeplegen van opdracht geven of feitelijke leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, feit 6 subsidiair “medeplegen van opdracht geven of feitelijke leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, feit 10 subsidiair “medeplegen van opdracht geven of feitelijke leiding geven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, feit 12 “medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en feit 13 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 100.000,- bij gebreke van betaling 365 dagen vervangende hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/04319, 20/04320, 20/04316, 20/04317, 20/04321 en 20/04090. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft negen middelen van cassatie voorgesteld.
Voordat ik aan de bespreking van de middelen toekom, is het volgende van belang. In het eerste middel heeft de steller aangevoerd dat uit de processtukken blijkt dat de verdediging zich bij het verzoek tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] heeft beroepen op een bijzondere omstandigheid. Deze getuigen zijn weliswaar reeds eerder bij de rechter-commisssaris en in het bijzijn van de verdediging gehoord, maar gelet op deze bijzondere omstandigheid die tijdens deze verhoren niet aan de orde is kunnen komen terwijl de verdediging de getuigen daarover wilde ondervragen, kon de oproeping van deze getuigen niet worden geweigerd, aldus de steller van het middel. De processtukken waarnaar de steller van het middel verwijst betreft een conclusiewisseling tussen de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal naar aanleiding van de in de appelschriftuur vermelde getuigenverzoeken van de verdediging. De steller van het middel heeft in een aanvullende schriftuur een negende middel voorgesteld, bevattende de klacht dat deze conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, terwijl deze conclusiewisseling van belang is voor de toelichting dan wel onderbouwing van de in het eerste middel aangevoerde klacht. Vanwege deze processuele kwestie kom ik eerst toe aan een bespreking van dit negende middel, alvorens de klachten in de overige middelen te bespreken.
Het negende middel
5. Het
negende middelbehelst aldus de klacht dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, waardoor de Hoge Raad niet kan nagaan welke argumenten ter nadere onderbouwing van de getuigenverzoeken zijn gebruikt. Het niet beschikbaar zijn van deze conclusiewisseling strijdt daardoor zozeer met een behoorlijke procesorde dat dit, nu het verzuim onherstelbaar is, nietigheid van de beslissing van het hof tot afwijzing van de verzoeken en/of het onderzoek ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt, aldus de steller van het middel.
5.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 april 2016 heeft de voorzitter medegedeeld dat het hof in het procesdossier heeft aangetroffen de schriftelijke verzoeken van de raadsman en de schriftelijke reactie daarop van het openbaar ministerie van 15 februari 2016, de reactie van de raadsman daarop, en de laatste reactie van het openbaar ministerie van 1 april 2016 en de schriftelijke reactie daarop van de raadsman van 18 april 2016.
5.2. De steller van het middel heeft bij de rolraadsheer tijdig verzocht om deze conclusiewisseling. Uit de in het digitaal portaal geplaatste berichten van de strafgriffie van de Hoge Raad van 29 april 2021 en 1 december 2021 volgt dat deze door de verdediging opgevraagde stukken niet zijn aangetroffen in het op de voet van art. 434 Sv Pro aan de Hoge Raad toegestuurde dossier. Op 23 november 2021 is namens de strafgriffie van de Hoge Raad aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om deze stukken verzocht. De griffier van het hof heeft in antwoord op dit verzoek medegedeeld dat deze stukken zich niet in het digitale dossier van het hof bevinden en dat alle papieren stukken waarover het hof beschikte ten behoeve van de cassatieprocedure reeds aan de Hoge Raad zijn verzonden. Dit brengt mee, zoals terecht door de steller van het middel wordt aangevoerd, dat moet worden aangenomen dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt.
5.3. De vraag is of dit tot cassatie zou moeten leiden. Ik meen op grond van het volgende dat dat niet het geval is. Blijkens de appelschriftuur heeft de verdediging aangevoerd dat zij de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] wenst te horen, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte tijdens de behandeling ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 aangevoerd dat de strekking van het verzoek duidelijk is, maar dat hij wel een korte toelichting op het verzoek wil geven en iets wil zeggen over het noodzaakscriterium dan wel het criterium van het verdedigingsbelang. Door de verdediging is dus tijdens de terechtzitting niet gewezen op de conclusiewisseling.
5.4. De verdediging heeft tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2016 voorts aangegeven dat het hof het zal “moeten doen met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd” omtrent het horen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] . Hiermee doelt de verdediging kennelijk op de in de appelschriftuur aangegeven redenen voor de wens deze getuigen te horen. De verdediging heeft verder niet nader geconcretiseerd waarom deze getuigen moeten worden gehoord, noch heeft zij verwezen naar de conclusiewisseling. Dat deze nadere concretisering, zoals de steller van het middel in cassatie aangevoerd, zou blijken uit de conclusiewisseling doet hier mijns inziens niet aan af. Het had in mijn ogen op de weg van de verdediging gelegen om ter terechtzitting nader te motiveren waarom er nieuwe feiten of omstandigheden bestonden die het horen van deze getuigen noodzakelijk doet zijn in plaats van enkel te verwijzen naar “hetgeen de verdediging heeft aangevoerd”. Bovendien heeft de verdediging zelf expliciet aangevoerd dat de strekking van het verzoek duidelijk is. Deze strekking is, zo blijkt uit de appelschriftuur, het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] alsmede het daarin verwerken van de boekhouding.
5.5. Dit brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden.
Het eerste middel
6. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van het
eerste middeldat de klacht behelst dat het hof ten onrechte het verzoek van de verdediging tot het horen van een aantal zowel belastende als ontlastende getuigen heeft afgewezen.
6.1. Bij appelschriftuur heeft de verdediging het verzoek gedaan tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] en is een verzoek gedaan tot het horen van de ontlastende getuige [betrokkene 6] . De namens de verdachte op 26 juni 2013 ingediende appelschriftuur houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“11. [getuige 4] , geboren op [geboortedatum] 1969, wonende aan de [d-straat 1] , [plaats] , België. De rechtbank heeft in het vonnis, pagina 32 noot 93, de verklaring van [getuige 4] afgelegd als getuige bij de politie, voor het bewijs gebruikt.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 4] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord.
Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen.
12. [getuige 5] , geboren op [geboortedatum] 1952, wonende op het adres [e-straat 1] te [plaats] (België).
De rechtbank heeft de verklaring van [getuige 5] , afgelegd bij de politie, gebruikt voor het bewijs, zie pagina 33 noot 94 vonnis.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 5] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord. Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen.
(…)
22. [betrokkene 6] , geboren op [geboortedatum] 1969, wonende aan de [l-straat 1] te [plaats] .
“11. [betrokkene 6] is op 22 januari 2009 als getuige gehoord. Hij heeft in opdracht de firma [H] het transport van de vijf containers verzorgd. Omtrent dit transport en in het bijzonder het transport van 23 december 2008, wenst de verdediging [betrokkene 6] te bevragen.”
6.2. Het proces-verbaal van de als regiezitting aangemerkte terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2016 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat het hof in het procesdossier heeft aangetroffen de schriftelijke verzoeken van de raadsman en de schriftelijke reactie daarop van het openbaar ministerie van 15 februari 2016, de reactie van de raadsman daarop, en de laatste reactie van het openbaar ministerie van 1 april 2016 en de schriftelijke reactie daarop van de raadsman van d.d. 18 april 2016.
De strekking van ons verzoek is duidelijk. Ik wil wel een korte toelichting daarop geven en iets zeggen over het noodzaakscriterium dan wel het criterium van het verdedigingsbelang, omdat ik dat niet heb vermeld in mijn brieven. Dat is van belang omdat uw hof langs die criteria zult beoordelen of er wel of niet bepaalde getuigen moeten worden gehoord.
Daarnaast zal ik in zijn algemeenheid iets zeggen over wat de verdediging in het hoger beroep wil, zonder aan te geven welke getuige bij welk door de verdediging te voeren verweer zou kunnen passen, om uw hof daarin enig inzicht te geven.
(…)
De verdediging ligt in hoger beroep eigenlijk voor drie belangrijke ankers.
(…)
Het tweede belangrijke onderdeel waaronder veel getuigen gevangen zitten is de meldingsplicht. Het gaat erom dat als je met een vrachtwagen met daarop een container met vuurwerk Nederland binnenrijdt, je dat moet melden. Mijn cliënt aan mijn linkerzijde (het hof begrijpt medeverdachte [verdachte] ) heeft dat vaak gedaan. Op zichzelf genomen wordt dat niet betwist, maar wat moet je doen als een vervoerder niet de weg neemt waarvan jij denkt dat hij die zou nemen? Dat is in deze zaak meermalen gebeurd. Er moesten bijvoorbeeld containers worden verplaatst van Antwerpen naar een opslagplaats in Duitsland, maar men neemt een andere weg dan dat op enig moment mijn cliënten denken dat ze nemen. De rechtbank heeft daarover gezegd dat dat een soort risico-aansprakelijkheid is die je hebt, althans zo lees ik dat, en het openbaar ministerie zegt: dan moet je maar wat weten wat de kortste weg is. Ik wil een aantal mensen horen die specifiek te maken hebben gehad met dat transport en met die meldingen, bijvoorbeeld [betrokkene 6] . Waarom is deze weg nou gekozen en wisten mijn cliënten dat die weg was gekozen? Ik denk dat dat wel degelijk van belang is en zou kunnen zijn voor een eventuele beantwoording van de vragen van de rechtbank dan wel voor een eventueel op te leggen straf.
(…)
Ten aanzien van de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] merk ik het volgende op.
Uw hof moet niet denken dat ik hiervoor betoogd heb dat de verzoeken betreffende deze getuigen ook dienen te worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelang. Zij zijn gehoord door de rechter-commissaris in eerste aanleg, dus het noodzaakscriterium is van toepassing.
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat hij in het onderzoeksdossier op zoek is gegaan naar hetgeen de verdediging heeft betoogd ten aanzien van beide getuigen, omdat dat een novum is waarmee de getuigen nog niet zijn geconfronteerd. Dat kan nu juist een reden voor het hof zijn om deze getuigen wel toe te wijzen, maar zolang die doos van de advocaat-generaal geen deel uitmaakt van het procesdossier kunt u daar geen oordeel over geven. U zult het moeten doen met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. Wij vinden het van belang de getuigen daarmee te confronteren.
In zijn algemeenheid proef ik bij deze advocaat-generaal, zijnde ook de officier van justitie in eerste aanleg, - en daar heb ik wel begrip voor omdat de persoon hetzelfde is en het standpunt niet is veranderd - dat er wel erg gekeken wordt met de bril van de opsporing van eerste aanleg. Hij heeft een beetje de houding van: ‘we hebben het zo geconstateerd en het is niet anders en wat willen we nu eigenlijk in hoger beroep?’ Dat is niet helemaal de bedoeling van het hoger beroep.
Ik hoor de advocaat-generaal ook zeggen dat hij in de administratie van de bedrijven ook inkoopfacturen heeft aangetroffen. Die zijn van groot belang om eens te kijken wat er nu allemaal ingekocht en verkocht is. Hoe is dat verantwoord? Welke kosten werden in de ondernemingen nog meer gemaakt? Dat zijn allemaal relevante omstandigheden waarmee de getuigen nogmaals kunnen worden geconfronteerd.
(…)
Het hof overweegt als volgt.
Wat betreft de beoordeling van verzoeken van de verdediging tot het oproepen van getuigen maakt de wet een strikt onderscheid naar gelang het verzoek wel of niet bij appelschriftuur is gedaan en is het noodzakelijkheidscriterium toepasselijk indien het verzoek niet bij appelschriftuur is gegaan.
In beginsel dienen de verzoeken van de raadsman om het horen getuigen, voor zover tijdig bij appelschriftuur gedaan, derhalve worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang en de overige verzoeken aan de hand van het noodzaakcriterium.
Zulks zou uitzondering kunnen lijden indien er sprake is van een geval waarin de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken, zoals de aanvulling op het verkorte vonnis, zodat de eis van een eerlijke procesvoering – tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijk verdediging is vereist – zou meebrengen dat het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter die omstandigheid in hun afweging dienen te betrekken bij gebruikmaking van de wettelijk voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium (zie Hoge Raad d.d. 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496).
In dat kader is van belang de omstandigheid dat de raadsman de verdachte reeds vanaf 2011 bijstaat en er voor hem geen enkel beletsel is geweest om tijdig meerdere getuigen op te geven bij appelschriftuur en die verzoeken ook te onderbouwen. Aldus kan niet worden gezegd dat sprake van een uitzonderingsgeval zoals hiervoor omschreven.
De verzoeken van de raadsman om het horen getuigen, voor zover tijdig bij appelschriftuur gedaan, zullen derhalve worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang en de overige verzoeken aan de hand van het noodzaakcriterium.
De verdediging heeft verzocht om het horen van de volgende personen als getuige en/of deskundige:
(…)
11. [getuige 4]
12. [getuige 5]
(…)
20. [betrokkene 6]
(…)
(ad. 11, 12 en 13:)
De getuigen zijn reeds door de verdediging bij de rechter-commissaris in eerste aanleg bevraagd, zodat het noodzaakcriterium op de verzoeken van toepassing is. Er is niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waarover de getuigen moeten worden bevraagd en van de noodzaak om een nadere verklaring af te leggen. Door de raadsman zijn geen vragen naar voren gebracht die hij bij het eerdere verhoor niet heeft kunnen stellen. Het hof acht zich op basis van de inhoud van het procesdossier voldoende ingelicht over de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord. Het verzoek wordt daarom afgewezen, zijnde de noodzaak tot inwilliging daarvan niet gebleken.
(…)
(ad 20:)
Op het verzoek is het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing.
[betrokkene 6] heeft verklaard in opdracht van de firma [H] het transport van vijf containers te hebben verzorgd. De verdediging wenst de getuige omtrent dit transport en in het bijzonder het transport van 23 december 2008, te bevragen.
Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 6] reeds op 22 januari 2009 als getuige door de politie is gehoord (zie p. 4087 e.v. van het politiedossier).
De verdediging heeft onvoldoende (…) onderbouwd waarom de verklaring van de getuige in redelijkheid van belang zou zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, terwijl ook overigens dat belang niet is gebleken. Het verzoek wordt afgewezen; de verdachte wordt daardoor redelijkerwijs in zijn verdediging niet geschaad.”
6.3. De steller van het middel klaagt – onder verwijzing naar de (post-)Keskin-jurisprudentie – allereerst dat ‘s hofs beslissing tot afwijzing van de oproeping van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] onbegrijpelijk is, nu van de verdachte niet mag worden verlangd dat hij het belang van een belastende getuige aangeeft, terwijl het hof dit klaarblijkelijk wel heeft verlangd.
6.4. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De Hoge Raad is in zijn arrest van HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes – waarnaar de steller van het middel verwijst – nader ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter in de situatie dat een dergelijk verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of reeds is gebruikt.
6.5. In de onderhavige zaak doet zich echter een dergelijk geval niet voor. De getuigen [getuige 4] en [getuige 5] hebben weliswaar verklaringen afgelegd met een belastende strekking, maar ook heeft de verdediging reeds het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen ten aanzien van deze getuigen toen zij zijn gehoord door de rechter-commissaris. Dit brengt mee dat het belang tot het horen van deze getuigen niet behoeft te worden verondersteld en de getuigenverzoeken op grond van art. 418 lid 2 Sv Pro moeten worden getoetst aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.
6.6. De toepassing van dit criterium brengt mee dat bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang is of de rechter het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Van een aldus gemotiveerde afwijzing kan niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren. [1]
6.7. De verdediging heeft verzocht de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] opnieuw te horen om hen in het bijzonder vragen te stellen omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. Zij waren aldus reeds bij de politie en de rechter-commissaris gehoord. De verklaringen van [getuige 4] , afgelegd bij zowel de politie als de rechter-commissaris zijn door het hof voor het bewijs gebezigd, alsmede de verklaring van [getuige 5] afgelegd bij de politie. Een blik achter de ‘papieren muur’ maakt duidelijk dat zowel de getuige [getuige 4] als de getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris en de politie zijn gehoord over de boekhouding van [medeverdachte 4] en het verwerken van contante betalingen.
6.8. Het hof heeft in de onderhavige zaak met toepassing van het noodzakelijkheidscriterium – over de toepassing hiervan wordt in cassatie niet geklaagd – geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden waarover de getuigen moeten worden bevraagd en niet is gebleken van de noodzaak om een nadere verklaring af te leggen. Het hof overweegt voorts dat de raadsman van de verdachte geen vragen naar voren heeft gebracht die hij bij het eerdere verhoor niet heeft kunnen stellen en dat het hof zich op basis van de inhoud van het procesdossier voldoende ingelicht acht over de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord. Gelet hierop wijst het hof het verzoek tot het horen van getuigen [getuige 4] en [getuige 5] af, nu de noodzaak tot inwilliging van het verzoek niet is gebleken.
6.9. Het hof heeft het verzoek tot het horen van deze getuigen aldus afgewezen omdat de noodzakelijkheid van een dergelijk verhoor niet is gebleken, hetgeen mijns inziens gelet op de daaraan te stellen eisen ontoereikend noch onbegrijpelijk is gemotiveerd.
6.10. In het verlengde hiervan faalt ook de klacht van de steller van het middel dat de bewijsvoering onvoldoende met redenen is omkleed, doordat de verklaringen van deze getuigen – terwijl de verdediging niet in de gelegenheid zou zijn gesteld hen te horen – beslissend zouden zijn voor de bewezenverklaring en/of een significant gewicht hebben in de bewijsvoering van de feiten waarop die verklaring betrekking hebben.
6.11. Dit brengt mee dat ’s hofs afwijzing tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] niet ontoereikend en evenmin onbegrijpelijk is gemotiveerd.
6.12. Tot slot klaagt de steller van het middel dat het hof de door de verdediging gedane verzoeken tot het horen van de ontlastende getuige [betrokkene 6] heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen, althans de beslissing tot afwijzing onbegrijpelijk is.
6.13. Met betrekking tot de afwijzing van het verzoek tot het horen van [betrokkene 6] als getuige, zoals door de verdediging bij appelschriftuur van 26 juni 2013 is verzocht en nader is toegelicht op de terechtzitting van 22 april 2016, heeft het hof terecht het criterium van het verdedigingsbelang toegepast.
6.14. Het criterium van het verdedigingsbelang noopt de rechter ertoe een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde. [2] De vraag of ’s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen begrijpelijk is, dient te worden beantwoord in het licht van – als ware het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. [3] Van de raadsman mag worden gevergd dat hij toelicht in welk opzicht het horen van een getuige relevant is voor de uitkomst van de zaak. [4]
6.15. De verdediging heeft in de appelschriftuur aangevoerd dat zij [betrokkene 6] wil bevragen over het transport van vijf containers in opdracht van de firma [H] en in het bijzonder het transport van 23 december 2008. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2016 heeft de verdediging hieraan toegevoegd dat zij bijvoorbeeld [betrokkene 6] wenst te horen, omdat onder meer hij specifiek te maken heeft gehad met het transport van vuurwerk van Antwerpen naar een opslagplaats in Duitsland.
6.16. Het hof heeft dit verzoek afgewezen, omdat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom de reeds bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 6] in redelijkheid van belang zou zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, terwijl ook overigens dat belang niet is gebleken.
6.17. Dat oordeel acht ik, gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd, zodat ook deze klacht faalt.
6.18. Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
7. Het
tweede middelbehelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde niet kan volgen dat van opzet bij [medeverdachte 6] en/of de verdachte sprake is geweest.
7.1. Ten laste van de verdachte is onder feit 1 subsidiair bewezenverklaard dat:
“ [medeverdachte 6] op 9 november 2007 in de gemeente [plaats] , opzettelijk, als degene die een of meer containers vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland bracht, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot welk strafbaar feit/aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging, opdracht dan wel feitelijk leiding hebben gegeven”
7.2. Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd):

Algemeen
Op 17 april 1984 is [medeverdachte 6] opgericht. [medeverdachte 6] importeert vuurwerk uit China en daarnaast neemt [medeverdachte 6] in Nederland vuurwerk af. Dit vuurwerk wordt verkocht aan winkeliers, c.q. detailhandelaars. Volgens uittreksels van de Kamer van Koophandel van 17 december 2008 [5] en 10 september 2009 [6] is [medeverdachte 6] gevestigd op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Sinds 12 januari 1998 is [verdachte] (hierna: [verdachte] ) enig aandeelhouder en [medeverdachte 3] bestuurder en directeur van [medeverdachte 6] Als bedrijfsomschrijving is vermeld: groothandel in vuurwerk en aanverwante artikelen.
Op 18 maart 2004 is conform Luxemburgs recht de rechtspersoon [medeverdachte 4] opgericht door twee rechtspersonen, te weten [A] Inc., vertegenwoordigd door [verdachte] en [B] Inc., vertegenwoordigd door [medeverdachte 3] . Als activiteiten van [medeverdachte 4] worden onder andere genoemd: groothandel, detailhandel, import, export, handel in vuurwerkartikelen en handel in containers. De bestuurders van [medeverdachte 4] waren bij de oprichting: de rechtspersoon [A] Inc., [verdachte] en [medeverdachte 3] . [verdachte] is tevens directeur van [medeverdachte 4] . Op 26 oktober 2006 werd een uittreksel geplaatst van een buitengewone aandeelhoudersvergadering van [medeverdachte 4] ., gehouden op 1 juli 2006. Hierbij werd unaniem besloten dat [medeverdachte 3] zich terugtrok als bestuurder en dat [medeverdachte 2] als haar vervanger werd benoemd. Op 4 augustus 2008 waren de bestuurders van [medeverdachte 4] : de rechtspersoon [A] Inc., [verdachte] en [medeverdachte 2] . [7] In de periode van 2006 t/m 2008 worden door [medeverdachte 4] 78 containers met vuurwerk van China naar Hamburg en Antwerpen geïmporteerd. Het vuurwerk werd opgeslagen in [plaats] en [plaats] in Duitsland. [8]
Door [medeverdachte 2] werd op 27 maart 2006 melding gedaan bij het Duitse handelsregister dat hij per 1 maart 2006 was gestart met een onderneming genaamd [medeverdachte 5] , zijnde een rechtspersoon naar Duits recht, een onderneming die hij had overgenomen. Na de overname werd de doelstelling gewijzigd in: de handel in vuurwerkartikelen en soortgelijke materialen evenals het afsteken van vuurwerk. Thans is de naam [medeverdachte 5] gewijzigd in [medeverdachte 5] [
opmerking griffiers: daar waar het hof [medeverdachte 5] noemt, dient steeds te worden gelezen [medeverdachte 5] thans [medeverdachte 5]].
Ook gaf [medeverdachte 2] aan directeur van deze onderneming te zijn en alleen bevoegd te zijn. Het adres van [medeverdachte 5] , te weten [b-straat 1] , [plaats] , was volgens onderzoek van Interpol slechts een postadres en er werd geen pyrotechnisch materiaal opgeslagen in het pand waar [medeverdachte 5] was gevestigd. Door [medeverdachte 2] werd bij het handelsregister een jaarrekening 2006, gedateerd 15 februari 2008, aangeleverd betreffende [medeverdachte 5] waarbij het adres [c-straat 1] , [plaats] , Nederland, werd opgegeven. [9] Uit het pand op het adres [b-straat 1] te [plaats] kon niet worden opgemaakt dat [medeverdachte 5] daar was gevestigd. Getuige [getuige 1] verklaarde onder andere dat hij met zijn verzekeringsmaatschappij de ruimten van het pand [b-straat 1] in gebruik heeft en voor [medeverdachte 2] heeft bemiddeld in de koop van een lege GmbH en dat zijn dochteronderneming genaamd Lohmann de belangen voor [medeverdachte 5] behartigt. [medeverdachte 2] bezoekt het bureau vaak wekelijks en in aanwezigheid van zijn vader of moeder. De post wordt dan aan hem ter beschikking gesteld. [10]
[medeverdachte 3] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat zij onder meer samen met haar man [verdachte] belangen heeft in [medeverdachte 6] en dat zij de administratie van die B.V. doet. Zij is verantwoordelijk voor de hele administratie. Er is geen sprake van interne functiescheiding en interne controle. [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn verantwoordelijk voor de inkoop van het vuurwerk van [medeverdachte 6] Zij is medeverantwoordelijk voor de verkoop. De verkoop gebeurt door [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Volgens haar verkoopt [medeverdachte 6] ook vuurwerk aan [medeverdachte 5] . [11]
[medeverdachte 7] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat hij [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kent en dat hij als zzp-er werkzaamheden verricht voor [medeverdachte 6] [12] [medeverdachte 3] bevestigt in haaf verklaring dat [medeverdachte 7] door [medeverdachte 6] aan het einde van het jaar als zelfstandige wordt ingehuurd voor het verrichten van diverse werkzaamheden, zoals containers lossen, magazijnwerk en iets afleveren bij een klant. [13]
[betrokkene 1] is expediteur bevrachter en samen met [betrokkene 2] aandeelhouder en bestuurder van [C] B.V. Hij heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 6] (door hem [medeverdachte 6] genoemd [14] ) en [medeverdachte 4] klanten van hem zijn sinds 2006. Zijn contactpersoon bij [medeverdachte 6] was [verdachte] en bij [medeverdachte 4] was dat [medeverdachte 2] . [betrokkene 1] heeft contact met [medeverdachte 3] voor [medeverdachte 6] als het gaat om financiële zaken, zoals facturen. Hij noemt [verdachte] de baas van [medeverdachte 6] [verdachte] is volgens hem geen papierman. Als het op papier aan komt geeft [verdachte] meestal [medeverdachte 3] aan de telefoon. Zij regelt ook verder het financiële werk, zoals facturen. Als er een vracht in de haven is binnengekomen, belt hij altijd met [verdachte] en vraagt hem wanneer hij die vracht binnen wil hebben. In april 2008 heeft zijn B.V. nog één container voor dit bedrijf gedaan. De B.V. van [betrokkene 1] factureert aan [medeverdachte 4] en hij stuurt de facturen gewoon naar het kantoor van de [verdachten] in [plaats] . De betalingen van [medeverdachte 4] werden deels contant en deels via de Luxemburgse rekening van [medeverdachte 4] gedaan. Toen [medeverdachte 2] de contactpersoon werd, dit is in 2006 geweest, deed hij de contante betalingen. [medeverdachte 2] heeft tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij, [medeverdachte 2] , verantwoordelijk was voor [medeverdachte 4] . [15] Ter zake feit 1 primair en subsidiair (zaak 2):Het hof, met de rechtbank, baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Op 9 november 2007 heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) omstreeks 9:35 uur op de parkeerplaats ‘De Schaars’, gelegen aan de Rijksweg A12 in de gemeente Arnhem twee trekkers met oplegger gecontroleerd op de juiste naleving van de bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gegeven regels en voorschriften. Het betrof de combinatie voorzien van kenteken [kenteken 3] en de combinatie voorzien van kenteken [kenteken 4] . Op de ter inzage afgegeven vervoersdocumenten (CMR), zagen de rapporteurs [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , beiden opsporingsfunctionaris van de IVW, dat de vervoerde lading van beide combinaties als volgt was aangeduid:
- kenteken [kenteken 3] /Container nr. CCLU 710719-0 (CMR-nr. 327956)
835 Cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G, NEQ 126,92 kg, bruto 10.835 kgs [16]
  • kenteken [kenteken 4] /Container nr. CCLU 673216-6 (CMR-nr. 327950)
  • 637 Cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G, NEQ 96,8 kg, bruto 8.281 kgs.
Blijkens de desbetreffende CMR was deze lading met vuurwerk afkomstig van [medeverdachte 5] in [plaats] in Duitsland en bestemd om te worden afgeleverd bij de vestigingen van [medeverdachte 6] in respectievelijk [plaats] en [plaats] .
De chauffeurs [getuige 3] en [getuige 2] hebben verklaard dat grensoverschrijdend vervoer werd verricht van Duitsland naar Nederland en dat de transporteenheden waren beladen met gevaarlijke stoffen, namelijk vuurwerk. Bij navraag door de rapporteurs bleken de volgens het Vuurwerkbesluit verplichte importmeldingen bij het Landelijk Meld- en Informatiepunt voor beide transporten niet te zijn gedaan. Deze transporten van ladingen met vuurwerk waren daar niet aangemeld. Vervolgens is besloten beide transporten voor nader onderzoek naar het afleveradres van [medeverdachte 6] in [plaats] te laten rijden. [18] Op 9 november 2007 werd [verbalisant 5] , inspecteur van politie gebeld door de hem bekende [medeverdachte 2] , die hem vertelde dat de containers per ongeluk niet waren gemeld. [19]
[medeverdachte 3] heeft verklaard: ‘wij willen geen verklaring afleggen, maar willen volstaan met het afgeven van een schriftelijke verklaring.’ [20] Die verklaring, ondertekend door [medeverdachte 3] , betreft het transport van goederen van [medeverdachte 6] Duitsland naar [medeverdachte 6] te [plaats] en houdt onder meer in: ‘Wij hadden nog retourgoederen staan van onze klanten. [verdachte] [
het hof begrijpt: [verdachte]] zou deze goederen, die op pallets stonden in een container laden. Onderweg naar Nederland werd deze staande gehouden door de IVW. Er zijn twee pallets in beslaggenomen. De gang van zaken is niet gebruikelijk en wordt betreurd.’ [21]
Chauffeur [getuige 2] heeft verklaard dat hij samen met drie andere chauffeurs op 8 november 2007 naar Antwerpen is gereden om containers met vuurwerk te laden en naar [plaats] te brengen. Hij wist al voordat hij in Antwerpen was dat hij op de terugreis ook vuurwerk vanuit [plaats] moest vervoeren naar [plaats] . De inhoud van de containers werd gelost in een loods waar hij met zijn vrachtwagen naast geparkeerd stond. Bij die loods was een Nederlands sprekende man met een Brabants accent aanwezig. Hij reed in een verschrikkelijk dikke auto. De volgende ochtend was zijn container weer geladen met vuurwerk. De man met de dikke auto had de leiding bij de laadwerkzaamheden. De CMR moest hij zelf schrijven. De man met die dikke auto gaf hem op wat er op de CMR moest staan. Alleen de zin over autorisatie heeft hijzelf, [getuige 2] , erop gezet.
Hij herkent [medeverdachte 2] van foto’s als de man die bij de loods in [plaats] aanwezig was. Deze man was later aanwezig bij het lossen in [plaats] . [22]
[verdachte] heeft ter zake het in [plaats] onderzochte vuurwerk verklaard dat het gaat om overgebleven vuurwerk van klanten dat in Duitsland was opgeslagen. [23] [medeverdachte 2] heeft daarover hetzelfde gezegd en daaraan toegevoegd, dat het vuurwerk ‘door [medeverdachte 6] ’ was getransporteerd en dat dit vuurwerk nu was teruggehaald naar Nederland. [24] Verder heeft hij verklaard bij [medeverdachte 6] belast te zijn geweest met de inkoop en verkoop van vuurwerk. [medeverdachte 6] verkocht consumentenvuurwerk in Nederland. [25] [medeverdachte 2] heeft op 9 november 2007 verklaard dat de meldingen nog zouden worden “aangevuld” door zijn moeder, [...] . [26]
[verdachte] heeft ter zake het in [plaats] onderzochte vuurwerk verklaard dat hij het vuurwerk dat bij de verkooppunten was overgebleven als service voor zijn klanten [het hof begrijpt: de klanten van [medeverdachte 6] ] begin dit jaar had op laten halen en naar Duitsland had getransporteerd en daar had opgeslagen. [medeverdachte 2] heeft daarover hetzelfde gezegd en daaraan toegevoegd, dat het vuurwerk ‘door [medeverdachte 6] ’ [het hof begrijpt: [medeverdachte 6] ] was getransporteerd en dat dit vuurwerk nu was teruggehaald naar Nederland. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [verdachte] op de hoogte was van de invoer van het vuurwerk in Nederland.
Conclusie feit 1
Daderschap van de rechtspersoon:
Juridisch kader
Een rechtspersoon kan volgens bestendige jurisprudentie als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.
Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.
Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.
De gedragingen zijn verricht door bestuurders van de rechtspersoon en door [medeverdachte 2] , die in het bedrijf werkzaamheden verricht. Het gedragingen die vallen binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon.
Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 6] op grond van de geldende criteria het onder 1 tenlastegelegde feit (niet melden van transporten) heeft begaan.
Feitelijk leiding geven
Juridisch kader
Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.
Aan hetzelfde strafbare feit kan door meer personen - al dan niet gezamenlijk - feitelijke leiding worden gegeven. Ook een rechtspersoon kan een feitelijke leidinggever zijn.
Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.
Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat (vgl. Hoge Raad 10 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC1276, NJ 1987/662).
Opdracht geven veronderstelt een uitdrukkelijke, een positieve aanwijzing. Toelaten of nalaten is daarvoor niet toereikend. Wanneer het gaat om meer feiten waartoe opdracht is gegeven is niet vereist dat de opdracht tot elk afzonderlijk feit bewezen wordt (HR 23 oktober 1984, NJ 1985/319).
Overigens is de keuze tussen 'opdracht geven' en 'feitelijke leiding geven' van geen belang voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde (HR 1 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP8469, NJ 2006, 422, rov. 3.3.1).
Naar het oordeel van het hof zijn [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] als feitelijk leidinggevers aan te merken en [medeverdachte 2] deels ook als opdrachtgever van de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6]
Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat [medeverdachte 2] - in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is aangevoerd - wel degelijk bemoeienis heeft gehad bij het vervoeren van de 70 dozen cakeboxen. [medeverdachte 2] is aanwezig geweest bij het laden en het lossen van de dozen en daarmee is hij zelf actief betrokken geweest bij het transport en heeft ter zake opdrachten gegeven aan degenen die voor [medeverdachte 6] werkten. Op deze wijze heeft hij feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6]
Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kunnen [verdachte] en [medeverdachte 3] tevens als feitelijk leidinggever worden aangemerkt aan de verboden gedraging door [medeverdachte 6] [verdachte] was aandeelhouder en iemand noemt hem “de baas” van [medeverdachte 6] . Uit zijn uitlatingen komt naar voren dat hij op de hoogte was van het transport. Hij heeft verklaard dat het om vuurwerk ging van klanten dat in Duitsland was opgeslagen, [medeverdachte 3] was bestuurder en directeur van [medeverdachte 6] [medeverdachte 3] regelde alles met betrekking tot de administratie. [verdachte] en [medeverdachte 3] waren bevoegd en redelijkerwijs gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen, maar zulke maatregelen hebben zij achterwege gelaten. Daarmee hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] tezamen en in vereniging feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6]
Dit betekent dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zullen worden vrijgesproken van feit 1 primair. Feit 1 subsidiair is ten aanzien van hen bewezen.
Verweer
De verdediging heeft, ook in hoger beroep, aangevoerd dat de meldingsplicht op de vervoerder rust en dat het verwijt verdachte daarom niet treft. Derhalve dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De advocaat-generaal heeft, onder verwijzing naar het vonnis waarvan beroep, betoogd dat de meldingsplicht wel degelijk op de verdachte(n) rustte(n).
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof begrijpt dit verweer als bewijsverweer, te weten als ontkenning van het tenlastegelegde “
degene die ...binnen het grondgebied van Nederland bracht”, welke bewoordingen zijn ontleend aan het Vuurwerkbesluit.
Het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Stb. 2002, 33, inwtr. 1 maart 2002), artikel 1.3.2 hield, voor zover voor de beoordeling van belang, tussen 22 september 2006 en 4 juli 2010 het volgende in:
1.
Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, meldt voorafgaand elektronisch het voornemen hiertoe bij Onze Minister. De melding wordt ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van het vuurwerk gedaan (...).
(...)4. Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. de naam en het adres van degene die het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt;
b. de voorziene plaats waar, de datum en het verwachte tijdstip, waarop het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland wordt gebracht;
c. of het consumenten- of professioneel vuurwerk betreft, het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het vuurwerk, het productiejaar, het type vuurwerk, de netto explosieve massa, per artikelnummer de hoeveelheid verpakt vuurwerk in kilogrammen of het gewicht per verpakkingseenheid in kilogrammen en indien van toepassing het containernummer waarin het vuurwerk zich bevindt;
d. de voorziene datum waarop en de plaats waar het vuurwerk wordt gelost of overgeladen en, indien het vuurwerk aansluitend aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen tot ontbranding wordt gebracht, de plaats van die ontbranding;
e. bij binnen het grondgebied van Nederland brengen het land van productie, de naam van de onderneming die het vuurwerk geproduceerd heeft, de naam en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt opgeslagen, en de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd;
f. bij buiten het grondgebied van Nederland brengen de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd, en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt afgeleverd in het buitenland.
In dit artikel en in de Nota van Toelichting bij het artikel ontbreekt een eenduidige aanwijzing van degene die moet melden. Wel bevat de NvT de volgende volzin
:Om het toezicht te vergemakkelijken, is bepaald dat de importeur van vuurwerk - ongeacht de vraag of dat vuurwerk bestemd is voor de Nederlandse of voor de buitenlandse markt - de invoer van tevoren meldt bij de Minister van VROM. (...) [27]
Voor het oordeel dat met ‘de importeur’ niet (louter) de vervoerder is bedoeld vindt het hof bovendien steun in het volgende.
Het voorgaande Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen (Besluit van 4 februari 1993, Stb. 1993, 215) hield in artikel 6 een Pro vrijwel gelijke meldingsplicht in
bij invoer en uitvoer.Voor de definitie van dat begrip is in de Nota van Toelichting opgenomen [28] :Onder in- en uitvoeren wordt in dit besluit verstaan het binnen respectievelijk buiten Nederlands grondgebied brengen, overeenkomstig het gedefinieerde in de Wet milieugevaarlijke stoffen.
Art. 24 van Pro die wet, waarop de betreffende bepaling van het Vuurwerkbesluit en van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen is gebaseerd, hield tot 30 mei 2008 het volgende in:
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen of preparaten ongewenste effecten zullen ontstaan voor mens of milieu, regelen worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen of preparaten.
2. Hiertoe kunnen behoren regelen, inhoudende:
i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens;
terwijl het overeenkomende artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer inhoudt:
1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens of voor het milieu zullen ontstaan, regels worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, bewerken, verwerken, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen, preparaten of organismen.
2 Hiertoe kunnen behoren regels, inhoudende (...)
i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen of daarbij aangewezen categorieën van producten waarin die stoffen, preparaten of organismen voorkomen, of een voornemen tot het verrichten van die handelingen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens;
De betreffende artikelen noemen dus ‘vervoeren’ naast ‘invoeren’ en ‘uitvoeren’.
Tenslotte is van belang dat de in artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit genoemde gegevens die gemeld moeten worden, bij uitstek gegevens zijn waarvan de importeur van het vuurwerk op de hoogte is.
Het hof beschouwt op grond van het voorgaande de importeur, zijnde [medeverdachte 6] , als normadressaat van de in artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit opgenomen meldingsplicht en dus als ‘degene die vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland brengt’. Dat deze anderen kan inschakelen voor uitvoeringshandelingen of naar de voorziene plaats en tijdstippen bij de vervoerder moet informeren doet daar niet aan af.
Het hof verwerpt dus het verweer van de verdediging.”
7.3. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2016 op hoofdlijnen een verduidelijking gegeven van het beslissingskader uit zijn arrest van 2003 [29] met betrekking tot de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging. De voor deze zaak relevant zijnde overwegingen van de Hoge Raad houden het volgende in (met weglating van voetnoten):
“3.3 Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (dat wil zeggen: een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen). Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoordt, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.
3.4.1. In zijn arrest van 21 oktober 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan zijn sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,
d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
3.4.2. Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijke persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.” [30]
7.4. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging geen uitdrukkelijke overweging gewijd aan het opzet van [medeverdachte 6] of de verdachte. Het ontbreken van een dergelijke overweging betekent, anders dan de steller van het middel kennelijk veronderstelt, niet dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat [medeverdachte 6] en de verdachte opzet hadden op het – kort gezegd – niet melden van twee vuurwerktransporten. In de bewijsvoering ligt mijns inziens immers het oordeel van het hof besloten dat zij opzettelijk hebben gehandeld. Daartoe is het volgende van belang.
7.5. Het hof heeft in de onderhavige zaak onder meer vastgesteld dat de verdachte aandeelhouder van [medeverdachte 6] was, dat iemand hem “de baas” van [medeverdachte 6] noemde, hij samen met [medeverdachte 2] verantwoordelijk was voor de inkoop van het vuurwerk van [medeverdachte 6] en hij op de hoogte was van de invoer van het vuurwerk in Nederland. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van de door [medeverdachte 6] begane verboden gedragingen, te weten het niet melden van de transporten.
7.6. Uit deze vaststellingen en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan in mijn ogen genoegzaam worden afgeleid dat de verdachte als feitelijk leidinggever en opdrachtgever, opzet had op de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6] Bovendien heeft het hof gerespondeerd op een namens de verdachte gevoerd verweer en hiertoe vastgesteld dat de in artikel 1.3.2 van het Vuurwerkbesluit genoemde gegevens die gemeld moeten worden, bij uitstek gegevens zijn waarvan de importeur van het vuurwerk, zijnde [medeverdachte 6] , op de hoogte is. Ook hieruit blijkt mijns inziens het opzet van [medeverdachte 6] op het niet melden van de vuurwerktransporten.
7.7. Ten overvloede merk ik op dat de rechtbank tot dezelfde bewezenverklaring is gekomen en door de verdediging geen verweer is gevoerd omtrent het door de rechtbank bewezenverklaarde opzettelijke handelen van de verdachte en [medeverdachte 6]
7.8. Ook de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan blijken “dat sprake was van een binnen de onderneming bestaand beleid of feitelijke gang van zaken waarbij meldingen als de onderhavige structureel werden verzuimd, terwijl bewijs dat bij een van de binnen de onderneming functionerende natuurlijke personen opzet bestond dat aan [medeverdachte 6] als rechtspersoon kan worden toegerekend, ontbreekt”, slaagt niet. Het opzet van een rechtspersoon kan weliswaar worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon, maar de steller van het middel miskent dat het opzet van een rechtspersoon ook uit andere feiten en omstandigheden kan worden afgeleid. Bovendien blijkt uit ’s hofs overwegingen niet dat het kennelijk van oordeel is dat het opzet van de verdachte als natuurlijke persoon aan [medeverdachte 6] kan worden toegerekend, maar dat zowel de verdachte als [medeverdachte 6] opzettelijk hebben gehandeld.
7.9. Het tweede middel slaagt evenmin.
Het derde middel
8. Het
derde middelbehelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 5 en 6 subsidiair niet kan volgen dat van opzet bij [medeverdachte 4] en/of de verdachte en/of de medeverdachte(n) als opdracht- dan wel feitelijke leidinggevers sprake is.
8.1. Ten laste van de verdachte is onder feiten 5 en 6 bewezenverklaard dat:

5. subsidiair:[medeverdachte 4] op 10 december 2008 in Nederland, als degene die twee containers met vuurwerk, te weten (CCLU720178 en CCLU6051619), binnen en buiten het grondgebied van Nederland bracht, opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit, hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] feitelijk leiding heeft gegeven;

6. subsidiair:

[medeverdachte 4] op 16 december 2008 in Nederland, als degene die een container met vuurwerk, (te weten CCLU6670758), binnen en buiten het grondgebied van Nederland bracht, opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit, hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] feitelijk leiding heeft gegeven”
8.2.
Het hof heeft deze bewezenverklaringen doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd):

Ter zake feit 5 primair en subsidiair en feit 6 primair en subsidiair (zaak 4):Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Op 10 december 2008 werden twee containers met vuurwerk, containernummers CCLU7201781 en CCLU6051619, gelost in de haven van Antwerpen. [31] De invoice van deze containers was gericht aan [medeverdachte 4] . [32] Het betreffende transport van de twee containers werd op 10 december 2008 door de Nederlandse politie gevolgd over Nederlands grondgebied. Gezien werd dat twee vrachtauto’s niet de genoemde containers Nederland binnen reden via de grensovergang Hazeldonk en in de omgeving van Enschede de Nederlands-Duitse grens passeerden. [33]
Uit navraag bij het Landelijk Meld- en Informatiepunt van het Ministerie van VROM bleek voor deze transporten geen melding te zijn gedaan, zoals voorgeschreven in artikel 1.3.2 lid 1 en lid 2 van het Vuurwerkbesluit. [34]
Op 15 of 16 december 2008 werd een container met nummer CCLU6670758 in de haven van Antwerpen gelost. Op de CMR staat [medeverdachte 4] vermeld als afzender. [35] Op maandag 15 december werd voor deze container het FLITS-systeem van het Ministerie van VROM geraadpleegd op een melding ex artikel 1.3.2 lid 1 en lid 2 van het Vuurwerkbesluit. Hieruit bleek dat er voor deze container in het geheel geen melding was gedaan.
Op 16 december werd door leden van het Observatieteam van de politieregio Brabant Zuidoost gezien dat een trekker met oplegger, waarop container CCLU6670758 was geplaatst, vanuit België bij de grensovergang Hazeldonk Nederland binnenreed. [36] Omdat nog steeds geen melding was gedaan ex artikel 1.3.2 lid 1 en lid 2 Vuurwerkbesluit werd de container gecontroleerd door de Vliegende Brigade Vuurwerk. Bij de controle werden twee soorten vuurwerk aangetroffen en beoordeeld, te weten artikelnummer 994 en 6634. [37] Na de controle en het kopiëren van de begeleidende documenten werd de reis voortgezet en het transport gevolgd tot de grensovergang nabij Enschede. Uit de documenten bleek dat het in de container aanwezige vuurwerk allemaal zogenaamde flowerbeds betrof. [38] Bij de documenten van de Belgische autoriteiten zat een blad waarop de contactgegevens van [medeverdachte 4] gedrukt waren. Op dit formulier was met pen de naam [betrokkene 11] , het hotmailaccount [e-mail 5] en het Duitse telefoonnummer [0006] vermeld. [39] Dit telefoonnummer was afgegeven aan:
Naam: [betrokkene 3]
Voornamen: [...]
Woonadres: [m-straat 1]
Postcode: [...]
Woonplaats: [plaats] (D) [40]
Ten aanzien van het adres [m-straat 1] , [plaats] (D) is op 14 januari 2009 tijdens een doorzoeking in het pand [a-straat 1] te [plaats] , zijnde het vestigingsadres van de rechtspersoon [medeverdachte 6] , een aantal kassabonnen aangetroffen. Eén van deze kassabonnen betrof een aankoop op 26 mei 2008 van 4 stuks ‘Transact D2’ en 2 stuks ‘Motorola W180 Callya’ (GSM). Deze goederen zijn gekocht bij de firma [X] , [m-straat 1] , [plaats] (D). [41]
De getuige [betrokkene 6] , directeur van [Y] B.V., verklaarde dat hij begin december 2008 opdracht gekregen had van [betrokkene 8] van de firma [H] uit Antwerpen voor het transporteren van een aantal containers met vuurwerk vanaf de haven in Antwerpen, naar een bunkercomplex in het Duitse [plaats] . [betrokkene 8] gaf aan dat [medeverdachte 4] de afzender van het vuurwerk en tevens de losreferentie in Duitsland was. Aan de hand van de gegevens die hij van de firma [H] heeft gekregen, heeft zijn bedrijf de CMR’s ingevuld. Het vervoer van de containers met nummers CCLU7201781, CCLU6051619 en CCLU6670758 is door [Y] B.V. geregeld. [42]
De getuige [betrokkene 8] , directeur van de firma [H] , heeft op 24 april 2009 ten overstaan van de Belgische politie verklaard [43] dat hij eind november 2008 gebeld werd door een man die zich voorstelde als [betrokkene 11] van de firma [medeverdachte 4] uit Luxemburg. Hij wilde een aantal containers met vuurwerk laten inklaren en transporteren naar Duitsland. Alle documenten van de containers heeft hij per fax ontvangen. De faxberichten waren afkomstig van [N] met het Nederlandse nummer [0007] . Hij had op een papier het telefoonnummer [0006] en het e-mailadres [e-mail 5] geschreven. Hij had deze gegevens telefonisch doorgekregen van [betrokkene 11] . [betrokkene 11] had hem het Nederlandse telefoonnummer [0008] gegeven waarop hij bereikbaar was. [betrokkene 11] heeft hem gebeld met gebruikmaking van het Nederlandse telefoonnummer [0009] . Er waren drie mannen namens [medeverdachte 4] , ieder afzonderlijk, bij hem geweest met papieren van de vuurwerkcontainers en met contant geld voor de betaling van de bewezen diensten. Geen van deze drie mannen had de stem van [betrokkene 11] .
Toen aan de getuige foto's van een aantal personen werden getoond, herkende hij twee van de drie mannen, namelijk [verdachte] en [medeverdachte 7] . [44] Hij herkende [medeverdachte 7] aan zijn rossig haar met paardenstaart. Hij herkende [verdachte] aan zijn imposante snor. Vergissing was uitgesloten. Er was tweemaal een derde persoon namens [medeverdachte 4] bij [H] geweest die zich had voorgesteld als Hendriks. Ook deze heeft betalingen verricht en documenten zoals een Bill of Lading gebracht. Alle gelden zijn door [medeverdachte 4] contant betaald aan het kantoor van [H] . Hij heeft via het opgegeven e-mailadres [e-mail 5] gecorrespondeerd met [medeverdachte 4] over de juiste afhandeling van de BTW in Luxemburg. [45] De door de getuige genoemde rechtspersoon [N] en het gebruikte nummer [0007] , is gevestigd te [plaats] op het adres [a-straat 2] . Dit pand is direct gelegen naast dat van [medeverdachte 6] [46]
[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting van 31 oktober 2012 verklaard dat [medeverdachte 4] de eigenaar was van de containers en dat hij nooit melding heeft gedaan van het binnen Nederland brengen van vuurwerk. Hij heeft voorts verklaard dat het klopt dat hij zich tegenover de heer [betrokkene 8] van de firma [H] heeft uitgegeven voor [betrokkene 11] van [medeverdachte 4] en het zou kunnen dat hij een fax heeft verstuurd via de fax van de buren, te weten [N] . Als er iemand iets gefaxt heeft, is hij het geweest. Het klopt ook dat hij een Duitse mobiele telefoon heeft gekocht bij de firma [X] in [plaats] en daarbij de naam [betrokkene 3] heeft opgegeven. [47]
Verweer
De verdediging stelt zich op het standpunt dat [verdachte] niet als medepleger van feitelijk leidinggeven aan de gedragingen van [medeverdachte 4] kan worden aangemerkt. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] niet wisten en niet konden hebben geweten dat het vervoer van de genoemde containers door Nederland zou gaan. [medeverdachte 2] was namens [medeverdachte 4] de opdrachtgever voor de genoemde transporten en het was hem niet bekend dat het vervoer door Nederland zou plaatsvinden. Daarmee kan opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, niet worden aangenomen waardoor - naar het hof begrijpt - de opzetvariant van het onder feit 5 en 6 tenlastegelegde niet kan worden bewezen.
Verder stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verplichting om de melding ex artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit te doen rust op de vervoerder. Verdachten waren niet de vervoerder. Voor het niet melden zijn verdachten daarom niet strafbaar en dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.
Het hof verwerpt de verweren van de raadsman op grond van het volgende.
Voor wat betreft het verweer ter zake van de tenlastegelegde meldplicht, verwijst het hof naar hetgeen ter zake feit 1 op pagina’s 18 t/m 20 van dit arrest is overwogen.
De importeur, in casu [medeverdachte 4] , is primair verantwoordelijk voor het melden van de transporten, zoals hiervoor met betrekking tot feit 1 is overwogen (al kan deze de melding door een ander doen uitvoeren). Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat [medeverdachte 4] de meldingen niet tijdig en correct heeft gedaan. Deze gedraging hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen dan ook aan de rechtspersoon worden toegerekend.
Ter zake van de andere verweren die zien op het ontbreken van opzet bij zowel de rechtspersoon als de feitelijk leidinggevers, stelt het hof het volgende.
Indien een rechtspersoon (in de zin van art. 51 Sr Pro) - in casu [medeverdachte 4] - kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit omdat de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend, volgt, indien tenlastegelegd, de zelfstandige beoordeling van de aanwezigheid van bestanddelen als opzet of schuld indien het een misdrijf betreft. Het opzet van de rechtspersoon kan daarbij op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend (vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, rov. 3.3-3.5 en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.4.1-3.4.2). Het hof acht dat in het geval van [medeverdachte 4] het geval.
[medeverdachte 2] en [verdachte] hebben samen opdracht dan wel feitelijk leiding gegeven aan de door [medeverdachte 4] verrichte verboden gedraging, zijnde het niet melden van het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van de container(s) met vuurwerk. [medeverdachte 2] heeft zoals eerder reeds aangegeven onder meer verklaard dat [medeverdachte 4] de eigenaar was van de containers en dat hij nooit melding heeft gedaan van het binnen Nederland brengen van vuurwerk. Over de rol van [verdachte] merkt het hof nog op dat hij met het oog op de transporten de firma [H] heeft bezocht en dat hij als directeur bij [medeverdachte 4] mede verantwoordelijk is voor het niet melden van de transporten. [verdachte] heeft een zodanig initiatief genomen, dat hij wordt geacht leiding te hebben gegeven aan de verboden gedragingen van de onderneming waarvan hij bestuurder is. Het hof acht ter zake van de verboden gedraging, zijnde een nalaten, dat beiden ook bevoegd en redelijkerwijs gehouden waren maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en zulke maatregelen achterwege hebben gelaten waardoor het niet melden is bevorderd. Dat beiden daarbij wetenschap hadden van het niet melden volgt zowel uit de reeds aangehaalde verklaringen van [medeverdachte 2] , als de omstandigheid dat het hof van een ervaren vuurwerkhandelaar als [verdachte] verondersteld dat hij ten tijde van zijn handelen ter zake van het tenlastegelegde zich terdege bewust is geweest van de vigerende regelgeving en derhalve moet hebben geweten dat hij [medeverdachte 4] meldingsplichtig was.
Het hof komt tot het oordeel dat er sprake is van het medeplegen van het feitelijk leiding geven van [medeverdachte 2] en [verdachte] . Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden als direct betrokkenen bij de rechtspersoon, waarbij beiden als feitelijke leidinggever een voldoende materiële bijdrage aan het delict hebben geleverd.
Het hof verwerpt dus het verweer van de verdediging.
Met betrekking tot de andere verweren die zijn gevoerd door de verdediging, overweegt het hof het volgende.
[medeverdachte 2] heeft erkend dat hij namens [medeverdachte 4] opdracht heeft gegeven tot de tenlastegelegde transporten. Met betrekking tot het feit dat [medeverdachte 2] niet op de hoogte was van het feit dat de transporten over het grondgebied van Nederland zouden rijden merkt het hof het volgende op.
Ten eerste merkt het hof op dat geconstateerd is dat alle drie de transporten waar het in de feiten 5 en 6 om gaat, via het grondgebied van Nederland zijn gegaan en het land zijn binnengekomen via de grensovergang Meer/Hazeldonk.
Met betrekking tot de te volgen route over het grondgebied van België staat in het proces-verbaal het volgende vermeld:
Aan het lossen van een container met vuurwerk in de havens van Zeebrugge of Antwerpen is de verplichting verbonden om voor het transport tussen de terminal in de haven en het transporteren over Belgisch grondgebied, dit vuurwerk onder begeleiding van erkende (beëdigde) begeleiders dient te geschieden. De kosten daarvoor zijn voor de eigenaar/ontvanger van de goederen. [48]
Met betrekking tot het toepasselijke Belgische recht houdt het dossier het volgende in:
In de brief van het Parket van Dendermonde waarin gevraagd wordt aan de Nederlandse autoriteiten om de strafvervolging over te nemen ter zake in Antwerpen aangekomen containers staat het volgende vermeld:
“Heb ik de eer U bij onderhavig geschrift voormelde feiten te denonceren, feiten door het Belgisch Strafrecht strafbaar gesteld door artikel 66 van Pro het Strafwetboek en de wetgeving betreffende springstoffen zijnde de Wet van 28 mei 1956 (Belgisch Staatsblad 9 juni 1956).” (die wordt bijgevoegd) [49]
In art. 1. van deze wet is het volgende opgenomen:
De Koning regelt in het belang van de openbare veiligheid en kan aan vergunning onderwerpen het fabriceren, opslaan, te koop aanbieden, verkopen, afstaan, vervoeren, gebruiken onder zich hebben, en dragen van ontplofbare of voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en van daarmede geladen tuigen.De overheid die bevoegd is tot het afgeven van de vergunning kan ze te allen tijde intrekken. [50]
In het Koninklijk besluit houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen van 23 september 1958 zijn nadere regels opgenomen. [51] In verband met artikel 73 van Pro dit besluit dient in de vergunningsaanvraag de te volgen weg te worden vermeld. [52] In de artikelen 84 e.v. jo. 107 is de begeleiding door een transportbegeleider van de dienst springstoffen in het geval van spektakelvuurwerk geregeld.
Op 12 december 2008 doet [betrokkene 8] van [H] per mail een verzoek aan [betrokkene 6] om het vervoer in te plannen en een voorlopige aanmelding aan [I] voor het transport van Spektakelvuurwerk, waarbij wordt gevraagd begeleiding conform voorschriften van de Dienst der Springstoffen te voorzien. Dit betreft container 687075 op 15 december 2008 en 681314 op 21 december 2008. [53]
Voorts is er een mail d.d. 16 december 2008 van [H] aan [betrokkene 6] betreffende container 6670758 met als beschrijving: spectakelvuurwerk. [54]
In december 2008 werden door [medeverdachte 4] vijf containers vervoerd naar dezelfde opslagplaats. De andere transporten vinden plaats op 19 december 2008 en 23 december 2008.
Dat de containers CCLU7201781 en CCLU6051619 ook daadwerkelijk begeleiding hebben gehad blijkt uit een mail van [betrokkene 9] van [J] met het mailadres [e-mail 2] waarin onder andere het volgende is opgenomen.
09/12/2008 13:28
ALLE CTRS HEBBEN VERLENGD VERTOEF BEHALVE:
CCLU7201781 – ONTVANGER: [C] VEILINGWEG - met begeleiding - zonder verlengd vertoef
CCLU6051619 - ONTVANGER: [C] VEILINGWEG - met begeleiding - zonder verlengd vertoef [55]
Dat ook de container met het nummer 667075-8 met begeleiding uit de haven van Antwerpen is vervoerd blijkt uit een mail van [betrokkene 8] van het bedrijf [H] waarin hij naar [betrokkene 10] , werkzaam bij de Belgische inspectie mailt op 12/12/2008 te 15:46 uur:
Beste [betrokkene 10] ,Ref tel. onderhoud van zoeven - hebben [betrokkene 11] [medeverdachte 4] toch zoeven aan de telefoon gehad.Brengen maandag ochtend de papieren voor de ctr cclu 667075-8.Wij hebben vervoer en begeleiding reeds telefonisch besteld.Mvg [betrokkene 8] [56]
Dat het vuurwerk dat door [medeverdachte 4] vergunningplichtig spektakelvuurwerk betreft komt naar voren uit de zich in het dossier bevindende stukken. Het hof wijst hierbij bijvoorbeeld naar de mail van [betrokkene 8] naar [betrokkene 12] van 12 december 2008 waarin het volgende is opgenomen:
bijlage de dokumenten te vinden voor 2 nieuwe ctrs spektakelvuurwerk voor [medeverdachte 4]
1) [L] ETA 15.12.08 20.00 UUR
CCLU 687075-8 1.3.G/UN 0335
653 ctns 16.524 kgs brutto
2) [M] ETA 21.123.08 TE BEVESTIGEN
CCLU 681314-4 1.3.G/UN UN 0335
630 CTNS 17.300 KGS brutto
BEIDE EINDBESTEMMING WISSEN/ALLER [57]
Het hof merkt op dat niet van alle dossiers alle documenten in het dossier zijn opgenomen. Voor het vervoer van een container van [medeverdachte 4] op 2 december 2008 derhalve kort voor de transporten die in dit tenlastegelegde feit aan de orde zijn is een vervoersvergunning in de stukken opgenomen. [58] Daarin staat onder andere het volgende vermeld:
CONTAINER 1 X40 1-IC CCLU 6005330 MET VOLGENDE PARTIJ:
932 CTFIREWORKS 19526 KGS 1.3 G UN 0335 NEQ 963,30 KGS
TREKKER KENTEKEN [kenteken 2]
CHAUFFEUR [betrokkene 13]NA VRIJMAKING DOUANEVERTOLLINO METBEGELEIDING SEMS SECURITY ROND 09.00 UUR
REIS WEG 1742-TEMSE-ANTWERPEN-HOOGSTRATEN-NAAR GRENSPOST MEER. AANKOMST TE MEER 10.30 UUR.
MET BELEEFDE GROETEN.
[betrokkene 14]
REP.08003035
Naast deze drie transporten vinden er nog twee transporten plaats voor [medeverdachte 4] van de haven van Antwerpen naar [plaats] en wel op 19 en 23 december 2008. Met betrekking tot het transport van 23 december wordt in het dossier het volgende opgemerkt.
Saillant detail is dat kort voor het transport van de vijfde container [betrokkene 10] van de Federale Overheidsdienst, afd. kwaliteit en veiligheid te Antwerpen was gebeld door [H] . De "opdrachtgever" had verzocht om een andere route te mogen rijden namelijk via Eynatten (Aken) want dat zou de kortste route zijn! Door [betrokkene 10] werd hen meteen gezegd dat ze volgens de vergunning de kortste route moesten nemen en dat was via de grensovergang Meer/Hazeldonk en verder via Nederland. Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 4] S.a. de "opdrachtgever" was van dit transport. [59]
De documenten die het transport van 23 december 2008 vergezelden werden door de Nederlandse politie in beslag genomen. Het gaat om de volgende documenten. [60]
1. De CMR (vrachtbrief met als expediteur vermeld " [medeverdachte 4] "
2. De Bill of Lading met als vermelding van notify party " [C] "
3. Een vervoersvergunning springstoffen voor België
4. Een formulier "Dangerous Goods Declaration"
5. Een packinglist van container CCLU6813144
6. Een viertal veiligheidsbladen in Franse, Duitse, Engelse en Nederlandse taal
7. Een formulier "Container traktie baan - lossen" van firma [H] uit België
8. Twee pagina's mailwisseling tussen transportbedrijf [betrokkene 6] BV en voornoemd bedrijf [H]
9. Het meldingsformulier Import-Export.
Uit de bovenstaande regelgeving en bewijsmiddelen leidt het hof af, dat er een vergunning en begeleiding met betrekking tot het vervoer over Belgisch grondgebied aanwezig was voor deze transporten, inhoudende dat de kortste route over Belgisch grondgebied zou moeten worden gevolgd naar de grensovergang Meer/Hazeldonk.
Gezien deze vergunning was het voor de chauffeur (…) niet toegelaten een andere route te kiezen door België. Bovendien was er begeleiding voorzien voor de aangegeven route.
Het hof verwerpt het verweer dat verdachte niet op de hoogte was van het feit dat de transporten over Nederland zouden gaan en dat ook niet behoefde te weten.
Ten eerste merkt het hof dat [medeverdachte 2] als bestuurder en gezien het voorgaande als feitelijk Ieidinggever van [medeverdachte 4] verantwoordelijk is om aan de wettelijke verplichtingen die samenhangen met de invoer van het vuurwerk te voldoen. Immers, een ieder wordt geacht de wet te kennen maar zeker van een professionele marktdeelnemer mag worden verwacht dat deze zich ten minste terdege laat informeren over de beperkingen waaraan zijn handelingen zijn onderworpen. [61] Bij hem ligt er dan ook een taak om zich te vergewissen van de route en de daaraan verbonden verplichtingen te vervullen. Het hof merkt tevens op dat de betreffende drie transporten over Nederland zijn gereisd zonder dat deze bij de Nederlandse autoriteiten zijn gemeld, dat voor het transport op 19 december te laat een melding is gedaan en voor het transport bij de Nederlandse autoriteiten en op 23 december tijdig een melding is gedaan.
Ten slotte merkt het hof op dat voor het transport van 2 december 2008 — kort voor deze transporten - bevindt zich bij de stukken een Belgische vervoersvergunning inhoudende dat naar Meer/Hazeldonk moest worden gereisd. Uit het dossier is procesdossier is niet naar voren gekomen dat in december via een andere route is gereisd. Dat het gebruikelijk was anders te rijden vindt dan ook geen steun in het procesdossier.
Het hof acht de verklaring van [medeverdachte 2] , dat hij niet wist dat de transporten over Nederlands grondgebied zouden reizen onder die omstandigheden dan ook zeer onaannemelijk en gaat hier aan voorbij. Daarbij wijst het hof nog op het feit dat ten aanzien van één van de ritten een afwijking wordt gevraagd namens de opdrachtgever, zijnde [medeverdachte 4] bij de Belgische autoriteiten. Een dergelijk verzoek kan slechts worden gedaan wanneer de betrokkene van de eigenlijke route op de hoogte is.
Degene die het vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland brengt dient dit tijdig en correct te melden.”
8.3.
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijke persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Voor opzet van een rechtspersoon is echter niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke persoon met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon. [62]
8.4.
In de onderhavige zaak heeft het hof ten aanzien van de vuurwerktransporten op 10 december 2008 en 15 en 16 december 2008 vastgesteld – en daar wordt in cassatie niet over geklaagd – dat voor de transporten geen melding is gedaan bij het Landelijk Meld- en Informatiepunt van het Ministerie van VROM zoals is voorgeschreven in art. 1.3.2 lid 1 en lid 2 van het Vuurwerkbesluit. Ook wordt in cassatie niet geklaagd over het oordeel van het hof dat [medeverdachte 4] , de importeur van de transporten en primair verantwoordelijk voor het melden van de transporten, de meldingen niet tijdig en correct heeft gedaan.
8.5.
Ter zake van het opzet van zowel de rechtspersoon als de feitelijk leidinggevers, waaronder verdachte, heeft het hof met toepassing van het hierboven in paragraaf 8.3 uiteengezette toetsingskader geoordeeld dat in het geval van [medeverdachte 4] de situatie zich voordoet dat het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon kan worden toegerekend.
8.6.
Het opzet van de medeverdachte [medeverdachte 2] en de verdachte blijkt uit de volgende door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden. [medeverdachte 2] en de verdachte hebben samen opdracht dan wel feitelijk leiding gegeven aan de door [medeverdachte 4] verrichte gedraging, zijnde het niet melden van het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van de container(s) met vuurwerk. [medeverdachte 2] heeft onder meer verklaard dat [medeverdachte 4] de eigenaar was van de containers en dat hij nooit melding heeft gedaan van het binnen Nederland brengen van vuurwerk. Over de rol van de verdachte merkt het hof op dat hij, met het oog op de transporten, de firma [H] heeft bezocht en dat hij als directeur bij [medeverdachte 4] medeverantwoordelijk is voor het niet melden van de transporten. Hij heeft, zo stelt het hof vast, een zodanig initiatief genomen dat hij wordt geacht leiding te hebben gegeven aan de verboden gedraging van de onderneming waarvan hij bestuurder is. Zowel [medeverdachte 2] als de verdachte waren ter zake van het niet melden van de transporten bevoegd en redelijkerwijs gehouden om maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van de verboden gedragingen en hebben zulke maatregelen achterwege gelaten waardoor het niet melden is bevorderd. Voorts stelt het hof vast dat uit de verklaringen van [medeverdachte 2] en de omstandigheid dat het hof van een ervaren vuurwerkhandelaar als de verdachte veronderstelt dat hij ten tijde van zijn handelen ter zake van het tenlastegelegde zich terdege bewust is geweest van vigerende regelgeving en derhalve moet hebben gewezen dat [medeverdachte 4] meldingsplichtig was.
8.7.
Op grond hiervan komt het hof mijns inziens niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd tot het oordeel dat [medeverdachte 4] , de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] wetenschap hadden van het niet melden van de vuurwerktransporten en dus opzet hadden op het bewezenverklaarde.
8.8.
De steller van het middel klaagt voorts dat het bewijs voor het bewezenverklaarde wordt gevormd door verwijzing naar de bij andere transporten gevormde gang van zaken, meer in het bijzonder het daaruit blijkende feit dat voor het transport van ‘spektakelvuurwerk’ in België een vergunning is vereist waarin de route is opgenomen en begeleiding van het transport moet plaatsvinden.
8.9.
Ik meen dat deze opvatting getuigt van een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft met deze verwijzing mijns inziens slechts gerespondeerd op het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij en de (mede)verdachte(n) niet op de hoogte waren van het feit dat de transporten over Nederlands grondgebied zouden reizen en dat ook niet behoefde te weten. Het hof heeft dit verweer verworpen en onder meer overwogen dat [medeverdachte 2] als bestuurder en feitelijk leidinggever verantwoordelijk is om aan de wettelijke verplichtingen die samenhangen met de invoer van het vuurwerk te voldoen en zeker van een professionele marktdeelnemer mag worden verwacht dat deze zich ten minste terdege laat informeren over de beperkingen waaraan zijn handelingen zijn onderworpen. Hetzelfde geldt uiteraard voor de verdachte die door het hof eveneens als feitelijk leidinggever en als opdrachtgever wordt aangemerkt en van wie het hof heeft overwogen dat hij een ervaren vuurwerkhandelaar is. Ten overvloede heeft het hof overwogen dat ten aanzien van één van de transporten een afwijking is aangevraagd namens de opdrachtgever, zijnde [medeverdachte 4] , bij de Belgische autoriteiten; een verzoek dat slechts kan worden gedaan wanneer de betrokkene van de eigenlijke route op de hoogte is. Welke route bij de in de bewezenverklaringen bedoelde transporten dan wel moest worden gevolgd, doet hier – anders dan de steller van het middel kennelijk meent – niet ter zake.
8.10.
Uit deze door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden – waar overigens in cassatie niet over wordt geklaagd – heeft het hof mijns inziens niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte en in het verlengde hiervan [medeverdachte 4] opzet had op het niet melden van de vuurwerktransporten.
8.11.
Dat het hof heeft overwogen dat de verdachte “moet hebben geweten” dat [medeverdachte 4] meldingsplichtig was, hetgeen volgens de steller van het middel hoogstens wijst op (bewuste) schuld doet hieraan mijns inziens niet af. Het hof heeft immers expliciet overwogen dat zowel [medeverdachte 2] als de verdachte wetenschap hadden van het niet melden, hetgeen zowel volgt uit de verklaring van [medeverdachte 2] en de door het hof vastgestelde omstandigheid dat de verdachte een ervaren vuurwerkhandelaar is. Ook dat oordeel acht ik onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.
8.12.
In zoverre faalt het middel.
8.13.
De steller van het middel klaagt tot slot dat de verwijzing van het hof naar de gang van zaken bij andere vuurwerktransporten en de op die transporten betrekking hebbende, in België geldende, regels in het licht van hetgeen namens de verdediging in het kader van de aanmerkelijkheid van de kans dat chauffeurs rechtstreeks in plaats van via Nederland rijden heeft aangevoerd niet toereikend is voor de verwerping van het verweer.
8.14.
Namens de verdachte is, zo blijkt uit de aan het proces-verbaal in hoger beroep van 10 december 2020 gehechte pleitnota, het volgende verweer gevoerd (met weglating van voetnoten):
“97. Dat [medeverdachte 2] namens [medeverdachte 4] de opdracht heeft gegeven voor de transporten, wordt door de verdediging niet betwist. Wel wordt betwist dat [medeverdachte 2] en [verdachte] op de hoogte waren van de route die van Antwerpen naar Duitsland werd afgelegd of dat zij de kans op de koop toe hebben genomen dat de betreffende vrachtwagens over Nederland zouden rijden. [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn er naar het oordeel van de verdediging terecht vanuit gegaan dat de vrachtwagens niet over Nederlands grondgebied zouden rijden, reden waarom zij van Feit 5 en Feit 6 dienen te worden vrijgesproken.
(…)
Geen wetenschap van de route
98. Eind november 2008 is door [medeverdachte 4] aan de firma [H] gevraagd om een aantal containers met vuurwerk te laten inklaren en te transporteren naar Duitsland, zo verklaart getuige [betrokkene 8] , directeur van [H] . Het wegvervoer van deze transporten is vervolgens uitbesteed aan [Y] B.V.
99. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij niet wist welke route [Y] B.V. zou gaan rijden en dat hij daarom ook niet wist dat de transporten over Nederlands grondgebied zouden plaatsvinden:
“Ik weet zijn route namelijk niet. Ik zou niet door Nederland rijden. Via België naar Nederland rijden is logischer. Ik weet niet waarom hij door Nederland is gereden.”
100. Dat [medeverdachte 2] niet wist van de route is ook niet vreemd, nu de betreffende chauffeurs de uiteindelijke route bepalen. Daarbij komt dat bij een transport van Antwerpen naar Duitsland goed is voor te stellen dat men niet over Nederlands grondgebied rijdt, nu in dat geval aan extra regels moet zijn voldaan (meldplicht). Eén en ander is af te leiden uit de verklaring van [betrokkene 8] bij de raadsheer-commissaris op 22 februari 2018:
“U vraagt mij wie de route bepaalde van de chauffeurs. Datdoen de chauffeurs zelfals zij in Duitsland zijn.”
en:
“U vraagt mij hoe de route zal zijn als iemand van Antwerpen naar Noord-Duitsland moet. Normaal gesproken zou je dan de overgang bij Hazeldonk naar Nederland nemen als het om Noord-Duitsland gaat.Er moeten dan ook verplichtingen worden nageleefd in Nederland. U vraagt mij of het mogelijk is dat het transport alleen in België en Duitsland plaatsvindt en niet via Nederland. Dat is een mogelijkheid. Als de vervoerder die weg kiest of de klant dat vraagt dan kan dat.”
101.Ook getuige [getuige 16] - eigenaar van een expeditiebedrijf dat vuurwerktransporten over Belgisch grondgebied begeleidt - heeft bij de raadsheer-commissaris op 12 december 2018 verklaard dat de vervoerder de route bepaalt en dat ervoor kan worden gekozen om niet over Nederland te rijden:
“De route kan, wanneer het transport over Duitsland gaat, over Nederland rijden of niet. U houdt mij voor dat dit een punt is in onderhavige zaak, omdat de route via Nederland korter is. Het kan dat de route via Duitsland is gegaan. (...)
Het is aan de transporteur om te bepalen hoe hij precies rijdt. En op die wijze wordt het dan aangevraagd.
102. Voorts blijkt uit de verklaring van [betrokkene 1] - bestuurder bij [C] B.V. - dat het vermijden van Nederlands grondgebied aantrekkelijker is. Tussen [medeverdachte 4] en [C] zijn daarover dan ook afspraken gemaakt:

U vraagt mij wie besliste over de route die wordt gevolgd van Antwerpen naar [plaats] of [plaats] in Duitsland. Dat gebeurde in gezamenlijk overleg. Vanwege de administratieve rompslomp was het makkelijker om via België naar Duitsland te rijden, dan via Nederland. Om die reden vonden de transporten voor [medeverdachte 4] niet via Nederland plaats. Er zijn meer bedrijven die niet de mogelijkheid hebben om in Nederland op te slaan en die slaan in Duitsland op. Wanneer het vuurwerk in Antwerpen aankomt rijden zij ook rechtstreeks. In het begin is die beslissing genomen om zo te rijden samen met [medeverdachte 2] en dat is niet meer veranderd”.
103. Tot slot blijkt uit de verklaring van getuige Vanneste dat bij transporten die werden uitgevoerd door [Y] B.V. (het bedrijf dat ook de onderhavige transporten heeft uitgevoerd) vaker werd gekozen om niet over Nederlands grondgebied te rijden én dat het voorkomt dat chauffeurs door bepaalde onvoorziene omstandigheden (en dus niet gepland of vooraf afgesproken) toch de Nederlandse grens passeren:
“Het was de bedoeling geweest om rechtstreeks naar Duitsland te rijden. Echter, ik had het extra slot ten behoeve van de overnachting niet bij mij. Hierdoor moest ik nog langs het bedrijf in [plaats] .”
104. Het oordeel van de rechtbank dat de verklaring van Vanneste niet relevant is voor de Feit 5 en Feit 6 nu deze ziet op de transporten van 10 en 16 december 2008 deelt de verdediging niet. De verklaring zegt immers wel degelijk iets over hoe gangbaar het is voor [Y] B.V. om niet via Nederland te rijden en over de wijze waarop vrachtwagens toch onvoorzien in Nederland terecht kunnen komen, zónder dat de opdrachtgever van het transport daarvan op de hoogte hoeft te zijn.
105. Uit de verklaringen van [medeverdachte 2] blijkt dat cliënten niet wisten dat de containers via Nederlands grondgebied naar Duitsland zouden worden gebracht. De vraag is vervolgens of cliënten bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de vrachtwagens door Nederland zouden rijden. De verdediging is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 29 mei 2018 dat onder de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De Hoge Raad geeft in dit arrest aan geen algemeen regels te kunnen geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaalde type delict minimaal vereist zou moeten zijn.
Allereerst is het door de omstandigheid dat het mogelijk én aantrekkelijker is om Nedérland te vermijden maar zeer de vraag of de kans dat de vrachtwagens toch over Nederlands grondgebied zouden rijden wel aanmerkelijk is te achten. De verdediging meent dan ook dat onvoldoende vaststaat dat sprake is van zo een aanmerkelijke kans. Het feit dat de route via Nederland korter is, is daarvoor in ieder geval onvoldoende.
Voorts is de verdediging van oordeel dat cliënten de eventuele aanmerkelijke kans niet bewust hebben aanvaard. Daarbij is opnieuw van belang het feit dat de route om Nederland heen aantrekkelijker is, maar ook dat bijvoorbeeld tussen [medeverdachte 4] en de onderneming [C] B.V. de vaste afspraak bestaat dat vuurwerk vanuit België niet door Nederland wordt getransporteerd en dat het voor andere transporten uitgevoerd door [Y] B.V. ook niet het plan is geweest om via Nederland te rijden (zie verklaring Vanneste). Gelet daarop is het niet meer dan logisch dat cliënt ervan uit is gegaan dat de transporten van 10 en 16 december 2008 niet via Nederland zouden plaatsvinden. Van een bewuste aanvaarding van de kans daarop is daarom geen sprake.
106. Geconcludeerd moet daarom worden dat opzet, alsmede voorwaardelijk opzet ontbreekt en dat cliënten moeten worden vrijgesproken.”
8.15.
Het hof heeft het verweer dat de verdachte niet op de hoogte was van het feit dat de transporten over Nederland zouden gaan en dat ook niet behoefde te weten verworpen. Dat oordeel is gebaseerd op de volgende drie argumenten. Ten eerste merkt het hof op dat [medeverdachte 2] als bestuurder en feitelijk leidinggever van [medeverdachte 4] verantwoordelijk is om aan de wettelijke verplichtingen die samenhangen met de invoer van het vuurwerk te voldoen. Immers, zo overweegt het hof, een ieder wordt geacht de wet te kennen maar van een professionele marktdeelnemer mag worden verwacht dat deze zich ten minste terdege laat informeren over de beperkingen waaraan zijn handelingen zijn onderworpen. Bij hem ligt er dan ook een taak om zich te vergewissen van de route en de daaraan verbonden verplichtingen te vervullen. Ten tweede merkt het hof op dat de betreffende drie transporten over Nederland zijn gereisd zonder dat deze bij de Nederlandse autoriteiten zijn gemeld, dat voor het transport op 19 december 2008 te laat een melding is gedaan en voor het transport bij de Nederlandse autoriteiten op 23 december 2008 tijdig een melding is gedaan. Ten slotte merkt het hof op dat voor het transport van 2 december 2008 – dit betreft de bewezenverklaring onder feit 5 – zich bij de stukken bevindt een Belgische vervoersvergunning inhoudende dat naar Meer/Hazeldonk moest worden gereisd. De opvatting dat het gebruikelijk was anders te rijden, vindt dan ook geen steun in het procesdossier, aldus het hof. Het hof acht de verklaring van [medeverdachte 2] dan ook zeer onaannemelijk en gaat hieraan voorbij. Daarbij wijst het hof ten overvloede op het feit dat ten aanzien van één van de ritten een afwijking is gevraagd namens de opdrachtgever, zijnde [medeverdachte 4] , bij de Belgische autoriteiten; een verzoek dat slechts kan worden gedaan wanneer de betrokkene van de eigenlijke route op de hoogte is.
8.16.
Dit brengt mee dat het hof, anders dan de steller van het middel meent, het namens de verdachte in hoger beroep gevoerde verweer niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
8.17.
Het derde middel faalt in al zijn onderdelen.
Het vierde middel
9. Het
vierde middelbehelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van de bewezenverklaring onder feit 10 subsidiair van het hof niet kan volgen dat sprake is van medeplegen en/of feitelijk leidinggeven dan wel opdrachtgeven door de verdachte.
9.1.
Ten laste van de verdachte is onder feit 10 subsidiair bewezenverklaard dat:
“ [medeverdachte 4] in de periode van 5 augustus 2006 tot en met 14 januari 2009 in Nederland en in België en in Luxemburg de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] , - zijnde die bedrijfsadministratie voornoemd een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, hebbende [medeverdachte 4] toen aldaar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in die bedrijfsadministratie voornoemd opgenomen
- 45 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [medeverdachte 4] , gericht aan [Q] Ltd. en
- 3 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [medeverdachte 4] , gericht aan [E] Ltd.
telkens ter zake van verkoop en levering van goederen tegen een op die facturen vermelde prijs zulks terwijl verkoop en levering van die goederen zoals op die facturen vermeld aan [Q] Ltd. en/of [E] Ltd. in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden of zouden plaatsvinden, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit, hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] feitelijk leiding heeft gegeven;”
9.2.
Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd):

Ter zake feit 10 primair en subsidiair (zaak 7):Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Op 14 januari 2009 werden door de rechter-commissaris doorzoekingen ter inbeslagneming verricht in de woning en bedrijfspanden van de familie [verdachten] . Ook werden die dag doorzoekingen uitgevoerd bij de buitenlandse rechtspersonen [medeverdachte 4] te Luxemburg en [medeverdachte 5] te Duitsland. Er werden onder meer een aantal (boekhoudkundige) bescheiden in beslag genomen.
Op het adres van [medeverdachte 4] , [h-straat 1] Luxemburg, is bedrijf ' [O] Sa’ gevestigd. Dit is een zo genaamd trustkantoor. In het kantoorpand van ‘ [O] Sa’ werd een summiere administratie van [medeverdachte 4] aangetroffen. De administratie van [medeverdachte 4] bevond zich in België, op het privéadres van de boekhouder van [medeverdachte 4] , te weten [getuige 5] , wonende te [plaats] in België.
De boekhouding van [medeverdachte 4] had betrekking op de jaren 2004 tot en met 2008. Volgens de boekhouding van [medeverdachte 4] had deze onderneming enkel twee debiteuren inzake de verkoop van vuurwerk. Dit betroffen [Q] Ltd. en [E] Ltd. [63]
De firma [E] Ltd. heeft twee directieleden te weten [getuige 6] en [getuige 7] . Deze getuigen hebben verklaard dat de bedrijfsactiviteiten van [E] Ltd. waren het importeren en exporteren van banktechniek. Zij hebben nooit in vuurwerk gehandeld en hebben nooit gehoord van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [C] B.V., [betrokkene 2] , [betrokkene 3] of iemand van de familie [verdachten] en hebben nooit zaken met hen gedaan. [64]
[Q] Ltd. is een bedrijf dat blanco kaarten en gerelateerde materialen verkoopt. [betrokkene 16] , de directeur van [Q] Ltd., heeft op 19 mei 2009 bij de Britse politie verklaard dat [Q] Ltd. nooit heeft gehandeld in vuurwerk of nooit vuurwerk heeft geïmporteerd. Zij had nooit van de bedrijven [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en de personen [verdachte] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 3] en [medeverdachte 7] gehoord en nooit zaken met hen gedaan. [65]
Volgens de boekhouding (verkoopfacturen en verkoopboekingen) van [medeverdachte 4] werden de partijen vuurwerk uitsluitend verkocht en geleverd aan:
Jaar afnemer verkoopprijs
2006: [Q] Ltd. te [plaats] (GB) [66] € 374.375,00
[E] Ltd. te [plaats] (GB) [67] € 84.000,00
2007: [Q] Ltd. te [plaats] (GB) [68] € 405.494,00
2008: [Q] Ltd. te [plaats] (GB) [69] € 116.770,00
totaal: € 980.639,00
Deze facturen werden verwerkt in de grootboekrekening ‘Debiteuren [medeverdachte 4] ’. [70]
Door de getuige [getuige 4] [71] werd onder meer verklaard dat zij van mei 2004 tot eind november 2008 in loondienst was bij [R] SA en dat door [R] SA onder meer Luxemburgse ondernemingen werden opgericht. [R] SA voerde de boekhoudingen voor die ondernemingen. [getuige 5] is de feitelijk leidinggevende binnen [R] SA. [O] Sa is een met een accountant vergelijkbare figuur. [R] SA betreft een onderaanneming van [O] SA. De getuige [getuige 4] verwerkte de boekhoudkundige stukken, waaronder verkoopfacturen, in de boekhoudsystemen voor de ondernemingen waarvoor [R] SA de boekhouding voert.
Voorts verklaart de getuige het volgende. [medeverdachte 4] is een klant van [R] SA. [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn de natuurlijke personen achter [medeverdachte 4] en hun zoon [medeverdachte 2] ook als bestuurder. Zij heeft [medeverdachte 2] éénmaal gezien tussen 2004 en 2006. De zendnota’s kwamen toe te Luxemburg, de cashnota’s werden door de [verdachten] gewoon binnen gebracht. De administratie werd aangeleverd vanuit Nederland. Deze stukken werden aangereikt door [medeverdachte 3] en [verdachte] . Zowel de aankopen als de verkopen werden cash betaald. Er werd in aanvang geen enkele banktransactie doorgevoerd. Bij tekortkomingen deelde men (voornamelijk [medeverdachte 3] ) haar mede dat er cash betaling was doorgevoerd welke zij, getuige, dan ook zo inboekte. Door de getuige werd een kasboek bijgehouden op basis van de facturen die [medeverdachte 3] en [verdachte] haar aanleverden.
Bij onduidelijkheden inzake het boeken kon zij contact opnemen met [verdachte] en [medeverdachte 3] . Zij moest dan zeggen: ‘kan u mij eens opbellen’ of iets in die zin. [medeverdachte 3] belde dan met een ‘beveiligde telefoonlijn’ terug. Eén keer moest zij bij het faxen van de balans van [medeverdachte 4] deze balans naar een buurbedrijf van de [verdachten] versturen.
De reden van deze telefoonwerkwijze en het toesturen van de balans aan het buurbedrijf was, dat de vuurwerkhandel streng gecontroleerd werd en correspondentie onderschept kon worden en telefoon afgeluisterd.
De getuige herkende de haar getoonde verkoopfacturen van [medeverdachte 4] aan [E] Ltd. d.d. 18 december 2006. Deze facturen waren aangereikt door [verdachte] of [medeverdachte 3] . De vermelding op de factuur ‘door klant voldaan’ betekende voor haar dat de factuur reeds cash was betaald. Deze betaling werd door haar dan ook in het kasboek verwerkt.
Als reden voor de vele contante betalingen had [medeverdachte 3] verteld, dat bij levering van het vuurwerk, ook meteen de factuur werd afgeleverd en de betaling onmiddellijk diende te gebeuren. Immers, wanneer het vuurwerk is geleverd en de klant dit had afgestoken, dan zou de betaling niet meer geschieden. Op een bepaald moment was er veel cash geld voorhanden. Er werd besloten om via een Luxemburgse bankrekening te werken. Hierop werden dan de voorhanden cash-gelden gedeponeerd. [verdachte] reed hiertoe naar Luxemburg teneinde de stortingen door te voeren. Op vraag van de bank, teneinde de afkomst van het geld te vast te stellen, werden dan facturen overgemaakt, ter bevestiging. [verdachte] contacteerde de getuige dan met de vraag de facturen door te faxen naar de bank, alwaar hij zich op dat moment bevond.
Door de verdachte [getuige 5] [72] werd onder meer verklaard dat hij [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] kende. Hij verkoopt met zijn Luxemburgse bedrijf [R] SA, Luxemburgse rechtspersonen en Delaware (USA) bedrijven en werkt samen met [O] . Hij leerde de familie [verdachten] circa twee maanden voor de oprichting van [medeverdachte 4] kennen. De fysieke (boekhoudkundige) stukken, zoals in- en verkoopfacturen werden door [medeverdachte 2] dan wel [verdachte] aangeleverd. In de jaren 2004 t/m 2008 zijn vader en moeder [verdachten] (met wie de getuige kennelijk [verdachte] en [medeverdachte 3] bedoelt) een keer of 8 bij hem geweest om de stukken aan te leveren. Hiervan was een keer of vier ook [medeverdachte 2] aanwezig. Feitelijk deed hij dan zaken met [medeverdachte 2] . Naar zijn idee was [medeverdachte 2] de feitelijk leidinggevende bij [medeverdachte 4] .
[medeverdachte 3] was goed op de hoogte van de cijfers. [medeverdachte 2] was meer zakelijk bezig dus met betrekking tot de in- en verkoop, dus voor de commerciële uitvoering. De boekhouding werd in België gevoerd. De boekingen werden in zijn, getuiges, opdracht verricht door [getuige 4] , medewerkster van [R] SA. Het kasboek werd onder andere gevoerd op basis van aantekeningen op de verkoopfacturen.
[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige verklaard dat hij de zich in het dossier bevindende facturen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft opgemaakt. [73]
De getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij de bedrijven [E] Ltd. en [Q] Ltd. niet kent. [74]
Het oordeel van het hof over de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] :
Wie heeft de facturen feitelijk opgemaakt en ter opname in de bedrijfsadministratie aangeboden?
Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte 2] de in de tenlastelegging' genoemde facturen van [medeverdachte 4] feitelijk heeft opgemaakt. Vervolgens werden de facturen door [medeverdachte 3] en [verdachte] naar de boekhouder in België gebracht en aldaar door getuige [getuige 4] in de administratie van [medeverdachte 4] verwerkt. Tijdens de bezoeken van [verdachte] en [medeverdachte 3] aan de boekhouder was ook [medeverdachte 2] soms aanwezig.
Zijn de facturen en de bedrijfsadministratie valselijk opgemaakt en zo ia. wie hadden daarbij strafbare betrokkenheid?
Het hof stelt het volgende voorop. De term ‘geschrift’ in art. 225 Sr Pro dient ruim te worden opgevat en dient bestemd te zijn om tot bewijs van enig feit te dienen (vgl. Kamerstukken II 2002/2003, 29 025, nr. 3, p. 3 en onder meer HR 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9379). Een bedrijfsadministratie kan worden aangemerkt als een samenstel van geschriften, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Daartoe is niet vereist dat elk geschrift in die administratie afzonderlijk beschouwd die eigenschap heeft, noch hoeft de tenlastelegging zulke geschriften speciaal uit te zonderen (vgl. HR 29 mei 1984, ECLI:NL:PHR:1984:AC8436 en HR 2 november 1993, ECLI:NL:PHR:1993:AB8155, rov. 5.2.2). Aldus kan het opnemen van valse facturen in een administratie worden getypeerd als het vals opmaken van die administratie.
Blijkens de verklaringen van de directeuren van [E] Ltd. en [Q] Ltd. hebben deze bedrijven nooit in vuurwerk gehandeld en dus ook geen vuurwerk afgenomen van [medeverdachte 4] . Hiermee staat vast dat de in de administratie van [medeverdachte 4] opgenomen verkoopfacturen ten name van deze bedrijven onjuist zijn.
Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman gesuggereerd dat uit overeenkomsten in het handschrift geproduceerd bij gelegenheid van het verhoor door de raadsheer-commissaris gehoorde getuige [getuige 6] en een notitie met telefoonnummers, aangetroffen in het politiedossier (polpol031) kan worden afgeleid dat [getuige 6] wel op enigerlei wijze betrokken was bij de vuurwerkleveranties.
De advocaat-generaal heeft echter ter terechtzitting een e-mail overgelegd met de strekking . dat deze notitie afkomstig is van de Engelse politie naar aanleiding van een rechtshulpverzoek ter zake, en dat dit dus een notitie is waarmee [getuige 6] in het kader van dit onderzoek meldt hoe zij bereikbaar is. Daarvan gaat ook het hof uit.
VerweerDe verdediging heeft, onder verwijzing naar onder meer de verklaring van [medeverdachte 2] (naar het hof begrijpt: als getuige in deze zaak in eerste aanleg en bij de raadsheer-commissaris) aangevoerd dat geen sprake was van (medeplegen van) opzet gericht op het valselijk opmaken van de verkoopfacturen. [medeverdachte 2] ging er namelijk te goeder trouw vanuit dat hij, via zijn bedrijf [medeverdachte 4] , zaken deed met een vertegenwoordiger van [E] Ltd. respectievelijk [Q] Ltd. [medeverdachte 2] heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg, als ter terechtzitting in hoger beroep, verklaard dat hij al het op de facturen genoemde vuurwerk heeft verkocht aan [betrokkene 5] die zich uitgaf als vertegenwoordiger/tussenpersoon van deze bedrijven. De factuur werd steeds ter plekke opgemaakt met behulp van een laptop en een printer en direct contant door [betrokkene 5] voldaan. Dat [betrokkene 5] in werkelijkheid bovengenoemde bedrijven niet vertegenwoordigde wist [medeverdachte 2] niet en hoefde hij ook niet te vermoeden, aldus de verdediging. Voorts is door de raadsman aangevoerd dat de verklaring van de getuige [betrokkene 5] inhoudende dat hij geen bemoeienis heeft gehad met vuurwerkhandel door of namens [Q] of [E] Ltd., niet betrouwbaar is.
Daarbij wordt verwezen naar verklaring van [getuige 9] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 7] bij de raadsheer-commissaris.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt,
De handel in vuurwerk van [medeverdachte 4] beslaat diverse jaren. In het kader daarvan zijn grote hoeveelheden vuurwerk uit China is ingevoerd en verhandeld. Hoewel het gaat om facturen ten bedrage van in totaal bijna 1 miljoen euro, zijn gedurende het hele onderzoek enkel de facturen zelf aangetroffen. Andere bescheiden die betrekking hebben op de gestelde transacties, zoals afleverbonnen, transportdocumenten of (kopieën van) kwitanties werden niet gevonden en zijn ook niet door de verdediging in het geding gebracht. In het omvangrijke papieren procesdossier is geen spoor te vinden van handelingen van [betrokkene 5] . Er zijn geen bestellijsten, faxen of e-mails van [betrokkene 5] . Zijn naam komt niet voor op documenten, facturen of welk papieren spoor dan ook. Als de opsporingsdiensten hierin nalatig zouden zijn geweest, had het op de weg van de verdediging gelegen ter zake gegevens aan te leveren.
Daarnaast zijn er ook geen telefoontaps met [betrokkene 5] en bevinden zich in de computer van [medeverdachte 2] geen e-mails of andere documenten waarin de naam van [betrokkene 5] voorkomt. Tevens is niet gebleken dat [medeverdachte 2] beschikte over het emailadres of over het telefoonnummer van [betrokkene 5] . Het enige spoor in de computer van [medeverdachte 2] is het feit dat de naam ‘ [betrokkene 5] ’ door [medeverdachte 2] is gegoogeld.
De getuige [betrokkene 5] is meermalen gehoord en het hof is met de verdediging eens dat deze niet in elk opzicht betrouwbaar is, niet wat betreft de feiten waarover hij verklaart en niet wat betreft het door hem opgevoerde ‘geheugenverlies’.
De door de verdediging gestelde betrokkenheid van [betrokkene 5] bij deze feiten wordt echter, zoals weergegeven, niet met enig ‘hard’ gegeven uit de periode van de feiten zelf ondersteund. De betekenis daarvan waardeert het hof hoger dan die van verklaringen achteraf van bij de [verdachten] betrokken getuigen.
Daarom acht het hof [betrokkene 5] verklaring dat hij [E] Ltd. en [Q] Ltd. niet kent wel betrouwbaar.
In dit kader wijst het hof nog op hetgeen het heeft vastgesteld bij de bespreking van het onder 4 tenlastegelegde feit over de betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij een zogenaamd namens [E] Ltd. verzonden faxbericht naar aanleiding van de inbeslagname van twee containers met vuurwerk in de haven van Antwerpen. Ook deze vaststellingen doen in ernstige mate afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [medeverdachte 2] .
Datzelfde doet de verklaring van [getuige 4] over de opgegeven reden voor communicatie via een beveiligde telefoon en naar een fax van de buren.
Het hof verwerpt het verweer en acht de verklaring over betrokkenheid van [betrokkene 5] onaannemelijk en ongeloofwaardig.
Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat [medeverdachte 2] bij het opmaken van de facturen wist dat deze onjuist waren. Hij heeft de facturen derhalve valselijk opgemaakt. [medeverdachte 2] wist dat deze facturen in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] zouden worden opgenomen en is ook enkele keren aanwezig geweest bij het afleveren van stukken, waaronder facturen, door zijn ouders aan de boekhouder. Hiermee staat strafbare betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij dit feit vast.
Ook met betrekking tot [verdachte] en [medeverdachte 3] heeft de verdediging betoogd dat geen sprake is van opzet. Voor zover dit verweer ziet op het te goeder trouw handelen van [medeverdachte 2] verwijst het hof naar het hiervoor overwogene, onder het kopje ‘Verweer’. Opzet bij [verdachte] en [medeverdachte 3] ontbreekt volgens de verdediging ook omdat zij niet betrokken waren bij [medeverdachte 4] . Zij brachten enkel incidenteel wat stukken naar de boekhouder in België, daar maakten zij dan een ‘dagje uit’ van.
Het hof overweegt als volgt.
[verdachte] was gedurende de gehele tenlastegelegde periode bestuurder van [medeverdachte 4] en had formeel grote zeggenschap binnen de vennootschap. [medeverdachte 3] heeft sinds medio 2006 formeel geen positie meer binnen [medeverdachte 4] , maar feitelijk kwam de winst van [medeverdachte 4] nog steeds mede aan haar ten goede, dit gezien de betrokkenheid van haar echtgenoot bij deze vennootschap. Uit de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] blijkt dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 3] facturen hebben afgeleverd ter opneming in de administratie van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 3] was goed op de hoogte van de cijfers aldus [getuige 5] en volgens [getuige 4] kon zij als er vragen waren bij het boeken terecht bij [verdachte] en [medeverdachte 3] . Blijkens de verklaring van [getuige 4] heeft [verdachte] de facturen onder andere gebruikt om bij het storten van grote hoeveelheden contant geld op een Luxemburgse bankrekening de herkomst hiervan tegenover de bank te verantwoorden. Uit de verklaring van [getuige 4] blijkt verder dat [medeverdachte 3] gebruik maakte van een ‘beveiligde telefoonlijn’ als het [medeverdachte 4] aangelegenheden betrof. Het totaalbedrag van alle facturen beloopt bijna 1 miljoen euro. De enige twee in de administratie opgenomen debiteuren ter zake verkoop van vuurwerk door [medeverdachte 4] zijn [E] Ltd. en [Q] Ltd.
In het licht van het vorenstaande is de verklaring van [medeverdachte 3] en [verdachte] , die erop neerkomt dat ze misschien wel eens een keer wat papieren bij [getuige 5] hebben gebracht maar dat ze verder geen enkele betrokkenheid hebben gehad bij [medeverdachte 4] Onaannemelijk en ongeloofwaardig.
Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden moeten [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben geweten dat de facturen die zij aan [getuige 5] aanboden valselijk waren opgemaakt. Door deze facturen vervolgens ter opneming in de bedrijfsadministratie aan de boekhouder aan te bieden, zijn ook zij in strafrechtelijke zin betrokken bij het ten laste gelegde feit.
Welke strafbare betrokkenheid hebben de verschillende verdachten?Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 4] kan worden beschouwd als pleger van het feit. Het opmaken van de bedrijfsadministratie betreft immers een gedraging die binnen de sfeer van de vennootschap is verricht. Hierbij rekent het hof de gedragingen van haar bestuurders [verdachte] en [medeverdachte 2] toe aan de vennootschap. [verdachte] en [medeverdachte 2] kunnen gelet op hun formele positie binnen de vennootschap en de door hen verrichte feitelijke gedragingen zonder meer worden aangemerkt als opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever van het door [medeverdachte 4] gepleegde strafbare feit. Verdachte [75] had gedurende de tenlastegelegde periode geen formele positie meer binnen de vennootschap. Zij was echter in zulke mate feitelijk betrokken bij het strafbare handelen van de vennootschap en stond hierbij in zodanig nauw contact met de bestuurders dat het hof ook haar aanmerkt als opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever.
Het hof is van oordeel dat er sprake is van medeplegen van het delict door de feitelijk leidinggevers, [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] . Voor medeplegen moet daarbij sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Daarbij is een belangrijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. In casu is er sprake van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking waarbij door de drie betrokkenen een voldoende materiële bijdrage wordt geleverd. [medeverdachte 2] is degene die gezien wordt als degene die het binnen [medeverdachte 4] 'voor het zeggen heeft', en is in zoverre verantwoordelijk voor de administratie. Zijn vader [verdachte] is directeur/medebestuurder en brengt de boekhouding naar België. [medeverdachte 3] zorgt voor de administratie en brengt mede de boekhouding naar België. Ook is zij daarvoor aanspreekpunt.”
9.3.
De steller van het middel klaagt dat uit ‘s hofs bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte wist dat de facturen vals waren of op zijn minst de aanmerkelijke kans op valsheid bewust heeft aanvaard. Dat de verdachte wist dat [E] Ltd. en/of [Q] Ltd. op de facturen ten onrechte als afnemers stonden vermeld, dan wel dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat dit het geval was, kan volgens de steller van het middel niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijken.
9.4.
Het hof heeft ten aanzien van het opzet van de verdachte onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte was gedurende de gehele tenlastegelegde periode, van 5 augustus 2006 tot en met 14 januari 2009, bestuurder van [medeverdachte 4] en had formeel grote zeggenschap binnen de vennootschap. Uit de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] blijkt dat hij facturen heeft afgeleverd ter opneming in de administratie van [medeverdachte 4] en volgens [getuige 4] kon zij als er vragen waren bij het boeken terecht bij onder meer de verdachte. Blijkens de verklaring van [getuige 4] heeft de verdachte de (vals opgemaakte) facturen onder andere gebruikt om bij het storten van grote hoeveelheden contant geld op een Luxemburgse bankrekening de herkomst hiervan tegenover de bank te verantwoorden. Het hof overweegt dat de verdachte gelet op deze feiten en omstandigheden moet hebben geweten dat de facturen die [medeverdachte 3] en hij aan [getuige 5] aanboden valselijk waren opgemaakt.
9.5.
Het hof brengt hiermee mijns inziens voldoende tot uitdrukking dat de verdachte opzet had op het tenlastegelegde feit. Dat de medeverdachte [medeverdachte 2] de facturen van [medeverdachte 4] feitelijk heeft opgemaakt, doet aan dit oordeel niet af.
9.6.
Ook de klacht van de steller van middel dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte wist dat [E] Ltd. en/of [Q] Ltd. op de facturen ten onrechte als afnemers stonden vermeld, dan wel dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat dit het geval was, slaagt niet.
9.7.
Het hof heeft immers overwogen dat de verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode bestuurder was van [medeverdachte 4] , dat hij formeel grote zeggenschap had binnen de organisatie en men bij hem terecht kon als er vragen waren bij het boeken. Hieruit kan mijns inziens zonder meer worden afgeleid dat de verdachte wist dat [E] Ltd. en [Q] Ltd. valselijk op de facturen stonden vermeld als afnemers.
9.8.
Ook het vierde middel faalt.

10.Het vijfde middel

10.1.
Het
vijfde middelricht zich met een tweetal deelklachten tegen de bewezenverklaring van het onder feit 12 tenlastegelegde.
10.2.
Ten laste van de verdachte is onder feit 12 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met de maand januari 2009, in Nederland en in Luxemburg en in België, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders hierna te noemen geldbedragen tot een totaal bedrag van ongeveer € 1.003.000,00 verworven en voorhanden gehad en omgezet in giraal geld door contante storting op een bankrekening ten name van [medeverdachte 4] , te weten de navolgende geldbedragen:
1. € 200.000,00 (gestort op 9-1-2009), en
2. € 73.000,00 (gestort op 10-12-2007), en
3. € 200.000,00 (gestort op 18-1-2008), en
4. € 100.000,00 (gestort op 31-7-2008), en
5. € 100.000,00 (gestort op 8-8-2008), en
6. € 130.000,00 (gestort op 15-1-2007), en
7. € 200.000,00 (gestort op 18-1-2007),
zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;”
10.3.
Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd):
“Het hof baseert zijn oordeel op de hiervoor bij feit 10 genoemde bewijsmiddelen en de volgende bewijsmiddelen.
Op de bankrekeningen van [medeverdachte 4] bij de ‘Banque de Luxembourg’, ‘Fortis (Luxemburg)’ en BGL (Luxemburg) waren de volgende kasstortingen gedaan [76] :
2007
15-1-2007 € 130.000,00
18-1-2007 € 200.000,00
10-12-2007
€ 73.000,00 +
Totaal 2007 € 403.000,00
2008
18-1-2008 € 200.000,00
31-7-2008 € 100.000,00
8-8-2008
€ 100.000,00 +
Totaal 2008 € 400.000,00
2009
9-1-2009
€ 200.000,00 +
Totaal: €1.003.000,00
Een aantal stortingsbewijzen van BGL Luxembourg werd aangetroffen in de slaapkamer van [verdachte] . [77] Op één stortingsbewijs d.d. 9 januari 2009 ad € 200.000,00 is de naam [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1949 vermeld. [78]
Door getuige [getuige 4] werd verklaard dat op verzoek van de bank facturen werden toegezonden zodat de bank de herkomst van het geld kon vaststellen. [getuige 4] werd dan door [verdachte] gebeld om de verkoopfacturen te faxen naar betreffende bank, zodat de bank het geld kon accepteren. [79] Dit was om de stortingen te verantwoorden. Op moment van storten had zij dus beschikking over die facturen. [verdachte] gaf dan aan op welke periode die facturen betrekking hadden. Het is nooit gebeurd dat [verdachte] niet wist op welke factuur een storting betrekking had. [80]
Door de verdachte [getuige 5] werd onder meer verklaard dat de [verdachten] hem hadden meegedeeld dat de banken wel eens moeilijk deden bij het storten van contante bedragen. De [verdachten] moesten door middel van onderliggende stukken aantonen dat de herkomst van dit geld niet dubieus was. [81]
[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij vrijwel alle contante stortingen op de Luxemburgse bankrekening van [medeverdachte 4] heeft gedaan en dat zijn vader [verdachte] soms met hem meeging om hem op de lange reis te vergezellen. [82]
Verweer
Volgens de verdediging werd de herkomst van de contante gelden verantwoord met rekeningen aan [Q] Ltd. en [E] Ltd. De verdediging heeft aangevoerd dat, wanneer valsheid in geschriften bewezen zou kunnen worden, moet worden vastgesteld dat er een nadere handeling is geweest gericht op het verhullen van de herkomst van het daarmee verkregen geld. Die was er niet. Het enkele voorhanden hebben van geld afkomstig uit eigen misdrijf kan niet worden gekwalificeerd als witwassen en daarom dient dit te leiden tot ontslag van rechtsvervolging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Naar het oordeel van het hof bestaan aanwijzingen zijn de geldbedragen verband houden met de door verdachte gepleegde feiten, maar is er onvoldoende bewijs voor een direct verband. Het hof neemt bij zijn beoordeling dan ook als uitgangspunt dat er geen bewijs aanwezig is voor een specifiek gronddelict.
In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 heeft de Hoge Raad over het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr), het volgende overwogen:
‘2.3.2. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3.
Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.’
Het hof dient op grond van bovenstaande uitgangspunt, indien geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, vast te stellen of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien een dergelijk geval zich voordoet, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
Het hof is van oordeel dat de vaststaande feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat een vermoeden van witwassen bestaat. Er is sprake van ongebruikelijk grote, contante bedragen. Deze worden niet op de plek van ontvangst contant gestort - en zo nodig overgeboekt naar een bankrekening elders - maar door een of twee natuurlijke personen (bijna) drie uur gaans en twee grenzen overgebracht voor storting op rekeningen in Luxemburg.
Van bestaande reële afnemers is niet gebleken en de herkomst van deze contante bedragen is uit de boekhouding van [medeverdachte 4] niet af te leiden.
[medeverdachte 2] (bestuurder van [medeverdachte 4] ), heeft ter zake van dit feit het verweer gevoerd dat de facturen een uitvloeisel zouden zijn van legale handel die hij zou hebben gevoerd met [betrokkene 5] . Het hof verwijst naar de overwegingen zoals hierboven overwogen bij feit 10 om deze verklaring als hoogst onwaarschijnlijk van de hand te wijzen. Ook overigens is niet gebleken van enige legale herkomst van dit geld. Gelet op het voorgaande kan het niet anders zijn dan dat het crimineel vermogen betreft.
Voor wat betreft het ten laste gelegde ‘verwerven’, ‘voorhanden hebben’, ‘overdragen’ en ‘omzetten’ zoals opgenomen in artikel 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr geldt volgens de wetgever dat deze begrippen feitelijk worden uitgelegd en veronderstellen de diverse gedragingen feitelijke zeggenschap ten aanzien van het betreffende voorwerp, al is niet vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt. Zie Kamerstukken II, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p, 15.
Bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad stelt aangaande ‘het verwerven of voorhanden hebben’ als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid onder b, Sr, dat wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, uit 's Hofs motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat (vgl. onder andere HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716, rov. 3.4.1; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2344, rov. 2.3. en HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:78, rov. 3.2.). Daarbij geldt dat deze rechtsregels niet slechts betrekking hebben op het geval dat de verdachte het misdrijf waaruit de desbetreffende voorwerp(en) afkomstig zijn zelf heeft gepleegd, maar ook op het geval dat sprake is van medeplegen van dit misdrijf door de verdachte (vgl. HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8801 en HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090, rov. 3.5.).
Zoals eerder reeds aangegeven bestaan naar het oordeel van het hof aanwijzingen dat de geldbedragen verband houden met de door verdachte gepleegde feiten, maar is er onvoldoende bewijs voor een rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf. Het verweer van de verdediging wordt in die zin derhalve verworpen.
Hiervoor is bewezenverklaard dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] tezamen en in vereniging opdracht dan wel feitelijk leiding hebben gegeven tot/aan - zakelijk weergegeven - het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] , door daarin valse facturen op te nemen gericht aan [Q] Ltd. en [E] Ltd. Dit betreft de periode van 5 augustus 2006 tot en met 14 januari 2009. In de periode van 15 januari 2007 tot en met 9 januari 2009 werd in zeven keer in totaal € 1.003.000,00 gestort. Op navraag van de bank omtrent de herkomst van het contante geld werden op aanwijzing van [verdachte] door [getuige 4] valse facturen van [Q] Ltd. en [E] Ltd. vanuit het boekhoudkantoor in België naar de bank gefaxt.
[medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] hadden niet alleen het geld uit misdrijf voorhanden, maar hebben ook verdere gedragingen verricht gericht op het veiligstellen van dit criminele vermogen en het verhullen van de herkomst. Na ontvangst ervan hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] het geld gebracht naar het buitenland en onder de vlag van valse facturen gestort op een bankrekening ten name van [medeverdachte 4] , een buitenlandse vennootschap waarvan het bestuur bestond uit twee Delaware-vennootschappen.
Het hof merkt ook [medeverdachte 3] aan als medepleger, mede gezien haar grote rol bij het opmaken van de valse bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] . Ook zij heeft bijgedragen aan verhullende handelingen, door tegenover getuige [getuige 4] te verklaren dat de facturen juist waren, wetende dat deze vals waren. [medeverdachte 4] kan ten slotte als medepleger worden beschouwd omdat de gedragingen - toerekenbaar want verricht binnen de sfeer van deze rechtspersoon - feitelijk zijn uitgevoerd in een bewuste en nauwe samenwerking door haar, de bestuurders van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] .
Het hof, met de rechtbank, is ten slotte van oordeel dat betrokkenheid van [medeverdachte 6] - die overigens niet expliciet is tenlastegelegd - niet is bewezen.
Gewoontewitwassen
Het in artikel 420ter lid 1 Sr opgenomen delict ‘gewoontewitwassen’ is de specialis van het generalis witwas-artikel 420bis Sr . Bij gewoontewitwassen dient er sprake te zijn van een zodanige duur en frequentie van de witwashandelingen dat er sprake is geweest van een gewoonte. Voorts moeten de verschillende witwashandelingen in een zeker verband met elkaar staan.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De contante stortingen vonden met regelmatige tussenpozen en systematisch plaats gedurende een aantal jaren. Het handelt zich daarbij om grote contante bedragen die allen gestort zijn met daaraan gekoppeld valse facturen. De witwashandelingen hebben alle betrekking op de handelwijze van het bedrijf [medeverdachte 4] en staan derhalve ook met elkaar in verband.
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat er sprake is van een zodanige duur en frequentie van de witwashandelingen dat deze als een gewoonte kan worden aangemerkt, waarbij tevens in de overwegingen is genomen dat de verschillende witwashandelingen met elkaar in verband staan.
Pleegplaats
Ter zake de pleegplaats van het tenlastegelegde feit overweegt het hof dat in de slaapkamer van [verdachte] stortingsbewijzen van de Luxemburgse bank zijn aangetroffen, waarvan er één op zijn naam staat terwijl het desbetreffende geld werd weggebracht door [medeverdachte 2] , [verdachte] en verdachte, die vanuit Nederland handelden. Het witwassen is derhalve mede gepleegd vanuit Nederland.
Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat het witgewassen bedrag op een lager bedrag moet worden vastgesteld, slechts het bedrag van de vastgestelde winst. Dan wel dat het witgewassen bedrag lager moet worden vastgesteld omdat de ‘normale’ handel, hierbij buiten beschouwing moet worden gelaten.
Het verweer veronderstelt dat er op basis van de stukken een eventuele winst van het bedrijf is te destilleren dan wel dat er naast het witwassen van geld ook een normale handel in het kader van het bedrijf is geweest.
Het hof constateert dat er van enige normale en verifieerbare vuurwerkhandel in het kader van het bedrijf [medeverdachte 4] geen sprake is geweest. De enige afnemers op papier van het bedrijf waren de bedrijven [E] Ltd. en [Q] aan wie daadwerkelijk geen vuurwerk is geleverd. Alle facturen zijn derhalve vals. De gestorte bedragen zijn gerelateerd aan deze valse facturen. Ook voor het overige klopt de boekhouding niet. Zo is er volgens de boekhouding van [medeverdachte 4] in totaal inkopen gedaan voor een bedrag van € 594.415,36 bij Chinese bedrijven. Dit terwijl bij onderzoek bij het bedrijf [C] B.V. facturen van Chinese bedrijven zijn aangetroffen jegens [medeverdachte 4] voor een bedrag van € 1.447.217,00. [83]
Onder die omstandigheden gaat het hof dan ook aan dit verweer voorbij.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande als volgt. Het hof acht bewezen dat door de wijze van handelen van verdachte, haar gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de gelden en dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen.”
10.4.
Het middel richt zich met meerdere (sub)klachten tegen de bewezenverklaring dat de verdachte en zijn medeverdachten wisten dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.
10.5.
De steller van het middel klaagt allereerst dat, voor zover al uit de bewijsvoering zou kunnen blijken dat de door de medeverdachte [medeverdachte 2] contant in ontvangst genomen bedragen van ‘enig misdrijf’ afkomstig waren, hieruit geenszins kan blijken dat de verdachte dit wist. Meer in het bijzonder zouden de bewijsmiddelen ontoereikend zijn voor de conclusie dat de verdachte wist dat van bestaande reële afnemers geen sprake was. Ook uit ’s hofs vaststelling dat de verdachte gelden heeft gestort en facturen heeft (doen) sturen naar de bank en bij gebrek aan bemoeienis met het opstellen van die facturen en/of de daarop vermelde goederen en/of afnemers en/of kennis van het ten onrechte op die facturen vermeld staan van die afnemers, kan volgens de steller van het middel niet volgen dat hij wist dat die door hem gestorte geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig waren.
10.6.
Het hof heeft in de onderhavige zaak geen specifieke overwegingen gewijd aan de vraag of de verdachte wist dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. Toch meen ik dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging genoegzaam blijkt dat de verdachte dit wist en dus opzet had op het witwassen. Daartoe acht ik het volgende van belang.
10.7.
Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden ten aanzien van de bewezenverklaring onder feit 10 subsidiair blijkt onder meer dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode bestuurder was van [medeverdachte 4] en formeel grote zeggenschap had binnen de vennootschap en in die hoedanigheid wist dat de facturen valselijk waren opgemaakt. [84] Het hof heeft blijkens zijn bewijsoverweging ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 12 verder vastgesteld dat in de periode van 15 januari 2007 tot en met 9 januari 2009 zeven keer in totaal € 1.003.000,- werd gestort op een bankrekening ten name van [medeverdachte 4] , dat een aantal stortingsbewijzen van BGL Luxembourg werden aangetroffen op de slaapkamer van de verdachte, waarvan op één stortingsbewijs de naam van de verdachte stond vermeld. Bovendien blijkt uit ’s hofs vastgestelde feiten en omstandigheden dat de getuige [getuige 4] heeft verklaard dat op verzoek van de bank facturen werden toegezonden zodat de bank de herkomst van dit geld kon vaststellen en dat [getuige 4] dan door de verdachte werd gebeld om de (valse) verkoopfacturen te faxen naar de betreffende bank, zodat de bank het geld kon accepteren. Ook heeft [getuige 4] verklaard dat het nooit gebeurd is dat de verdachte niet wist op welke factuur een storting betrekking had.
10.8.
Gelet op deze door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden kan mijns inziens genoegzaam worden afgeleid dat de verdachte wist dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren, zodat de eerste deelklacht faalt.
10.9.
De tweede deelklacht richt zich met meerdere (sub)klachten tegen de bewezenverklaring dat de verdachte en zijn medeverdachten wisten dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.
10.10.
Allereerst klaagt de steller van het middel dat uit de overwegingen van het hof niet kan blijken of het van oordeel is dat desbetreffende geldbedragen onmiddellijk van eigen misdrijf zijn, zoals door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, of niet. Meer in het bijzonder zou volgens de steller van het middel niet kunnen blijken of het hof onvoldoende bewijs aanwezig acht voor een
rechtstreeks verbandof dat het onvoldoende bewijs aanwezig acht voor een
bepaaldmisdrijf.
10.11.
Het hof heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat er aanwijzingen bestaan dat de geldbedragen verband houden met de door de verdachte gepleegde feiten, maar dat er onvoldoende bewijs is voor een rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf. Dat tevens valsheid in geschrift ten laste is gelegd en bewezenverklaard doet hier naar het oordeel van het hof niet aan af. Immers, voorwerpen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van art. 420bis en art. 420ter Sr indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. Voorwerpen ‘met behulp waarvan’ een misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor ‘afkomstig’ uit enig misdrijf, aldus het hof. Dit brengt mee dat het hof bij zijn beoordeling als uitgangspunt neemt dat in de onderhavige zaak onvoldoende bewijs bestaat voor een rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf. [85]
10.12.
Vervolgens heeft het hof – onder verwijzing naar HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352,
NJ2019/298, m.nt. Rozemond – het beoordelingskader uiteengezet ten aanzien van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”. Dit door de Hoge Raad geformuleerde kader houdt het volgende in. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
10.13.
Ik kan de steller van het middel niet volgen dat niet kan blijken of het hof van oordeel is dat de geldbedragen onmiddellijk van eigen misdrijf afkomstig zijn of niet. Het hof heeft mijns inziens evident tot uitdrukking gebracht dat onvoldoende bewijs bestaat voor een rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf, te weten de valsheid in geschrift. Bovendien heeft het hof overwogen dat voorwerpen – in de onderhavige zaak de contante geldbedragen – in beginsel slechts kunnen worden aangemerkt als afkomstig uit enig misdrijf in de zin van art. 420bis en art. 420ter Sr indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in art. 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. Deze gedragingen bestaan er volgens het hof uit dat de verdachte samen met zijn medeverdachten het geld hebben gebracht naar het buitenland en deze onder de vlag van valse facturen hebben gestort op een bankrekening ten name van [medeverdachte 4] , een buitenlandse vennootschap waarvan het bestuur bestond uit twee Delaware-vennootschappen. Het - kort gezegd - opmaken van valse facturen waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt, is dus, zo begrijp ik het hof, niet gepleegd “voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen”.
10.14.
Het hof heeft aldus niet onbegrijpelijk geoordeeld dat er weliswaar aanwijzingen bestaan dat de geldbedragen verband houden met de door de verdachte gepleegde feiten, maar dat er onvoldoende bewijs is voor een rechtstreeks verband met een bepaald misdrijf.
10.15.
Voor zover de steller van het middel klaagt dat uit ’s hofs overwegingen blijkt dat de geldbedragen afkomstig zijn uit eigen misdrijf faalt het gelet op hetgeen ik reeds hierboven heb overwogen.
10.16.
Tot slot klaagt de steller van het middel dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat van verhullende handelingen sprake is, nu de geldbedragen zijn gestort op de eigen bankrekening van [medeverdachte 4] . Dat die rekening bij een Luxemburgse bank liep en/of dat [medeverdachte 4] een buitenlandse vennootschap was met twee bestuurders uit Delaware maakt niet dat de stortingen als verhullend zijn aan te merken, althans kunnen deze omstandigheden die conclusie niet zonder meer dragen, aldus de steller van het middel.
10.17.
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachten niet alleen het geld uit misdrijf voorhanden hadden, maar zij ook verdere gedragingen hebben verricht op het veiligstellen van dit criminele vermogen en het verhullen van de herkomst. Deze verhullende handelingen zijn erin gelegen, zo begrijp ik het hof, dat de verdachte samen met zijn medeverdachte [medeverdachte 2] na ontvangst van de geldbedragen deze naar het buitenland hebben gebracht en onder de vlag van valse facturen hebben gestort op een bankrekening ten name van [medeverdachte 4] , een buitenlandse vennootschap waarvan het bestuur bestond uit twee Delaware-vennootschappen. Gelet op de bewezenverklaring, waaruit blijkt dat ten laste van de verdachte bewezen is verklaard dat hij de geldbedragen verworven en voorhanden heeft gehad en deze door contante storting heeft omgezet heeft in giraal geld, is het hof kennelijk van oordeel dat er weliswaar sprake is van verhullende handelingen, maar dat het niet bewezen acht dat de verdachte ook daadwerkelijk de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing van de geldbedragen heeft verhuld, zoals bedoeld in art. 420bis lid 1 sub a Sr.
10.18.
Dit brengt mee dat ook deze klacht faalt.
10.19.
Het vijfde middel faalt in al zijn onderdelen.
Het zesde middel
11. Het
zesde middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van het onder feit 13 bewezenverklaarde niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en/of gehandeld heeft in strijd met de eisen van een eerlijk proces en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde.
11.1.
Ten laste van de verdachte is onder feit 13 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met de maand januari 2009, in Nederland en in Luxemburg en in de Bondsrepubliek Duitsland en in België heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband tussen hem, verdachte, en [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] en de rechtspersonen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder artikel 225 Wetboek Pro van Strafrecht en artikel 420bis Wetboek van Strafrecht.”
11.2.
Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd):

Ter zake feit 13 (zaak 7):
Juridisch kader
Het hof stelt het volgende voorop.
In de eerste plaats moet kunnen worden vastgesteld dat
sprake is van een organisatie. Onder een organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Dit samenwerkingsverband kan daarbij bijvoorbeeld ook bestaan uit een natuurlijk persoon en een rechtspersoon (vgl. HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon en minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991,442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel 'organisatie' en niet op 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen is voorts vereist dat de organisatie
het oogmerk heeft van het plegen van een bepaald misdrijf of misdrijven. Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten, maar een pluraliteit daarvan is noodzakelijk. Het oogmerk impliceert dat de betreffende misdrijven (of pogingen of voorbereidingen daartoe) nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden (vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425). Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.
Tot slot moet worden vastgesteld of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als
deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend.
Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en dus niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van de misdrijven, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.
Naast deze objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09814). Niet is vereist derhalve dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf.
Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen die in het voorgaande ten aanzien van de afzonderlijke delicten zijn genoemd en de hierna te noemen bewijsmiddelen, bewezen dat er sprake is van een criminele organisatie die zich bezighield met omvangrijke valsheid in geschrift en witwaspraktijken met als achtergrond de handel in illegaal vuurwerk.
Immers uit de bewijsmiddelen, ook de bewijsmiddelen en overwegingen, opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage, volgt dat de Luxemburgse rechtspersoon [medeverdachte 4] een volledig valse debiteurenadministratie voerde. Volgens die administratie werden in de jaren 2006 tot en met 2008 de partijen vuurwerk immers uitsluitend verkocht en geleverd aan [Q] Ltd. en [E] Ltd., rechtspersonen die in werkelijkheid in het geheel geen vuurwerk hebben gekocht of ontvangen. [medeverdachte 2] en . [verdachte] waren de feitelijk leidinggevende personen achter [medeverdachte 4] . Zij gebruikten [medeverdachte 4] als dekmantel voor het inklaren en transporteren van vuurwerk waarmee zij niet persoonlijk geassocieerd wilden worden. Dat zij persoonlijk buiten beeld wilden blijven, blijkt bijvoorbeeld uit het gebruik van de valse naam [betrokkene 11] door [medeverdachte 2] in contacten met expediteur [H] en het gebruikmaken van het faxapparaat van een ander bedrijf. Ook gebruikten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] de naam [betrokkene 3] . Soms werd bij het ontvangen en transporteren van het vuurwerk niet [medeverdachte 4] als dekmantel gebruikt maar [E] Ltd. en werd (ook) daarbij de naam [betrokkene 3] valselijk gebruikt. Door [medeverdachte 2] en [verdachte] werd bovendien [medeverdachte 7] ingeschakeld, zodat zij zelf buiten schot bleven.
De criminele organisatie heeft zeer succesvol geopereerd. In de periode van 2006 tot en met 2008 worden door [medeverdachte 4] , 78 containers met vuurwerk van China naar Hamburg en Antwerpen geïmporteerd. De opslagen vonden plaats in [plaats] en [plaats] in Duitsland en "Luxemburg". [86] Behoudens de kilo’s vuurwerk die in beslag zijn genomen is het niet duidelijk geworden waar dit vuurwerk uiteindelijk is afgezet. Deze hoeveelheid geïmporteerd vuurwerk vertegenwoordigt een verkoopwaarde die ver lijkt uit te stijgen boven de bedragen die uiteindelijk op de rekeningen van [medeverdachte 4] zijn gestort. Daarbij merkt het hof op dat in totaal van de inkopen in China volgens de boekhouding van [medeverdachte 4] € 594.415,36 bedroeg, terwijl op basis van de facturen van de Chinese bedrijven voor een bedrag € 1.447.217,00 werd ingekocht. [87]
Dat de valsheid in geschriften en het witwassen werden begaan tegen de achtergrond van handel in vuurwerk waarbij de voorschriften zoals neergelegd in de vuurwerkwetgeving niet werden nageleefd blijkt uit het feit dat bij diverse transporten vuurwerk werd aangetroffen waarbij - deels zware - overtredingen werden geconstateerd met betrekking tot de vuurwerkwetgeving.
[verdachte] en [medeverdachte 2] lieten vijf containers in de haven van Antwerpen aankomen op naam van [E] Ltd. Twee van die containers werden in beslag genomen en bleken deels categorie 1.1 G-vuurwerk te bevatten en deels vuurwerk (Chinese rollen) waarvan de explosieve lading zodanig was dat het niet classificeerbaar was volgens de Defaultlijst. [88] Dit terwijl op de dozen en op de CMR’s stond vermeld dat het 1.4.G-vuurwerk betrof, vuurwerk dat een veel minder explosieve kracht heeft. Van de lading van de overige drie containers werd een deel aangetroffen in bunkers in [plaats] (Duitsland). Het ging daarbij om Chinese rollen met de naam ‘Celebration Cracker T 809’ die ook volgens de Duitse wetgeving niet verhandelbaar waren. [89] De container die op 16 december 2008 in Nederland vlak bij de grensovergang Hazeldonk werd gecontroleerd en waarvan [medeverdachte 4] de afzender was, bevatte vuurwerk dat niet voldeed aan de RNEV2004. [90]
[medeverdachte 3] was betrokken bij de interne boekhouding van [medeverdachte 4] en bij het witwassen en heeft daarmee een aandeel gehad in het verhullen en veilig stellen van de opbrengsten van de criminele organisatie. Een belangrijke taak, die veronderstelt dat de andere leden van de organisatie een groot vertrouwen in haar stelden.
[medeverdachte 7] had tot taak om de expediteurs te bezoeken voor het afgeven van documenten en het doen van contante betalingen. Hij was betrokken bij het inklaren en transporteren van vijf containers met vuurwerk in mei en juni 2008 (zaak 3). Daartoe bezocht hij drie keer de expediteur [G] en was hij aanwezig bij het lossen van de eerste drie containers in [plaats] . Daarbij heeft hij meerdere malen gebruik gemaakt van valse invoices en een valse naam. Daarmee wist [medeverdachte 7] dat de familie [verdachten] zich bezighield met het door middel van valse invoices importeren van vuurwerk waarbij de regels omtrent de vuurwerkwetgeving niet werd nageleefd. Wanneer het immers om legale handel ging, was er geen enkele aanleiding geweest om [medeverdachte 7] onder een valse naam ‘er tussen te schuiven’ en niet zelf de handelingen te verrichten. Later, in december 2008, was hij betrokken bij het inklaren en transporteren van drie containers (zaak 4), waarvan de invoer in Nederland niet werd gemeld. De bijdrage van [medeverdachte 7] was weliswaar van een kortere duur dan de bijdrage van de andere leden van de criminele organisatie, maar zijn bijdrage was van dusdanig gewicht, dat hij naar het oordeel van het hof heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.
Het hof gaat er van uit dat [medeverdachte 5] is opgericht voor legale doeleinden, namelijk de handel in professioneel vuurwerk. [medeverdachte 5] is echter tevens ingezet voor de criminele organisatie. In haar boekhouding van 2007 worden facturen aan [E] Ltd. aangetroffen (zaak 7) en het vuurwerk uit de containers die in juni 2008 in de haven van Antwerpen aankwamen duikt op in de door [medeverdachte 5] gehuurde bunker in [plaats] (zaak 3). Deze betrokkenheid is derhalve meer dan incidenteel, hetgeen haar tot deelnemer aan de criminele organisatie maakt.
Gelet op deze beschrijving van betrokkenheid, werkwijze en rolverdeling bij de verschillende strafbare feiten is er sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad tussen [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Er waren gemeenschappelijke doelstellingen en er was een zekere gelaagdheid in de rolverdeling. Dat enkele leden van de organisatie familie van elkaar waren, doet aan het vorenstaande niet af, nu duidelijk is dat die familiebanden juist werden benut voor het verwezenlijken van het misdadige doel van de organisatie.
Het hof, met de rechtbank en de verdediging, acht niet bewezen dat [medeverdachte 6] aan de criminele organisatie heeft deelgenomen. De overtredingen van het Vuurwerkbesluit, waaraan [medeverdachte 6] zich heeft schuldig gemaakt lijken op zichzelf staande incidenten te zijn geweest. Het hof gaat er van uit dat [medeverdachte 6] gericht was op de legale handel in vuurwerk. De aanwezigheid van 70 dozen illegaal vuurwerk in één containertransport en enkele stuks illegaal vuurwerk in het bedrijfspand van [medeverdachte 6] , leiden niet tot een ander oordeel.
De bewijsmiddelen die betrekking hebben op feit 13 zijn voor het overige opgenomen in de bewijsbijlage.”
11.3.
Het hof heeft ten aanzien van de onder feit 13 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie in zijn bewijsoverweging overwogen dat het “op grond van de bewijsmiddelen die in het voorgaande ten aanzien van de afzonderlijke delicten zijn genoemd en de hierna te noemen bewijsmiddelen” bewezen acht dat er sprake is van een criminele organisatie die zich bezighield met omvangrijke valsheid in geschrift en witwaspraktijken. Deze “hierna te noemen bewijsmiddelen” betreffen onder meer de aan het bestreden arrest gehechte bewijsbijlage en hebben aldus betrekking op het onder feit 13 bewezenverklaarde.
11.4.
Deze bewijsbijlage bevat het kopje “
Zaak 7: valse facturen” waarin het hof nader ingaat op een aantal in de boekhouding van [medeverdachte 5] aan [E] Ltd. aangetroffen facturen en vervolgens oordeelt dat van strafbare betrokkenheid van de verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] niet is gebleken. Ook verwerpt het hof het door de verdediging gevoerde verweer dat het opnemen van valse facturen in eigen bedrijfsadministratie niet valt aan te merken als het gebruik maken van valse stukken als waren deze echt en onvervalst, omdat de valsheid bij alle partijen bekend was.
11.5.
Op grond van art. 359 lid 3 Sv Pro moet de beslissing dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan, steunen op de inhoud van de in het arrest van het hof opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden welke bewijsmiddelen in het arrest dienen te zijn opgenomen.
11.6.
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie waaraan [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] eveneens deelnamen. De bewijsbijlage ziet enkel op niet ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten en bevat geen overwegingen waaruit de betrokkenheid van de verdachte kan worden afgeleid. Het hof heeft mijns inziens met deze bijlage tot uitdrukking willen brengen waarmee de criminele organisatie, waarvan de verdachte deel heeft uitgemaakt, zich bezig hield. De rol van de verdachte bij deze criminele organisatie blijkt dan ook niet uit de bewijsbijlage maar uit de in het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen. De bewezenverklaring ten aanzien van het onder feit 13 tenlastegelegde, te weten de deelname aan de criminele organisatie, blijkt dan ook zonder meer uit de eerdere in het bestreden arrest opgenomen bewijsoverweging, zodat de door de steller van het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
11.7.
Het zesde middel faalt.
Het zevende middel
12. Het
zevende middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn is beperkt tot een termijn van achttien maanden en behelst de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
12.1.
Het hof heeft ten aanzien van de redelijke termijn het volgende overwogen:
“Het hof houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Verdachte heeft redelijkerwijs met vervolging rekening moeten houden vanaf 14 januari 2009, de dag waarop de doorzoekingen hebben plaatsgevonden. De zaak is bij de rechtbank niet binnen twee jaar nadien afgerond, nu pas op 31 mei 2013, derhalve na 4 jaar en 4 maanden, eindvonnis is gewezen. De rechtbank heeft overwogen dat er geen omstandigheden zijn die een langere termijn van berechting rechtvaardigen en constateert een termijnoverschrijding van 2 jaar en 4 maanden. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat, nu dit een omvangrijke strafzaak betreft waarbij op verzoek van de verdediging diverse getuigen bevraagd zijn bij de rechter-commissaris, de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg beperkt is tot een termijn van 18 maanden.
Zoals gezegd is door de rechtbank vonnis gewezen op 31 mei 2013. De strafzaak heeft in hoger beroep op 18 januari 2016 voor het eerst op zitting gestaan. De eerste regiezittingen hebben plaatsgevonden op 23 april en 10 mei 2016. Dat is drie jaar na het wijzen van het eindvonnis. Bij de regiezittingen en de aanvullende regiezittingen heeft de verdediging een groot aantal onderzoekswensen neergelegd. Ook wenste de verdediging het onderzoeksdossier in te zien. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een reeks van getuigen die deels in het buitenland verbleven gehoord zouden moeten worden. In januari 2020 is er nog een getuige in Groot-Brittannië bevraagd, omdat verhoor via een videoconference niet mogelijk bleek. Bij het plannen van deze verhoren en bij het plannen van de terechtzittingen stuitten het kabinet raadsheer-commissaris en het hof op de omstandigheid dat de raadsman een zeer drukke agenda heeft en gedurende maanden verhinderd was om een zitting of een verhoor bij te wonen. De aard en de omvang van de zaak droegen ertoe bij dat de raadsman ook niet vervangen kon worden door een collega ter gelegenheid van deze regiezittingen en verhoren. Het hof overweegt dat een ieder gebruik mag maken van alle rechten die het strafproces biedt. Daar hoort ook bij het verzoek tot het horen van een getuige in Groot-Brittannië en twee getuigen in Tsjechië die in 2009 reeds door de politie zijn bevraagd en te kennen hebben gegeven niets met vuurwerk van doen te hebben gehad. Getuigen waarvan de verdediging ook wist, gezien het voorliggende procesdossier, dat deze in het geheel niets met vuurwerk te maken hadden en waarvan de namen van de bedrijven valselijk door [medeverdachte 2] op de facturen waren aangebracht. Zoals gezegd mag een ieder ten volle gebruik maken van alle straf processuele rechten, echter het hof is van oordeel dat de termijn die hiermee verstreken is grotendeels voor het conto van de verdachte dient te komen. Het hof beperkt de overschrijding van de redelijke termijn in verband hiermee voor de periode van het hoger beroep tot een periode van twee jaar.
Tussenarrest
Op 19 oktober 2020 heeft het hof een tussenarrest gewezen in de samenstelling Smit, Hartmann, Nederlof. In dit tussenarrest, dat niet is gewezen door de rechters die de zaak inhoudelijk hadden behandeld, is geen inhoudelijk oordeel over de zaak gegeven. Het hof was namelijk in raadkamer tot de conclusie gekomen dat van een van de zittingsrechters, mr. Grapperhaus, die sinds 15 oktober 2020 werkzaam was bij de rechtbank Midden Nederland, de bevoegdheid niet meer vaststond. In verband daarmee is de zaak heropend en aangehouden voor onbepaalde tijd. Mr. Grapperhaus is bij (herstel) Koninklijk Besluit benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger ingaande per 15 oktober 2020 bij het hof 's-Hertogenbosch en derhalve staat thans vast dat zij bevoegd is om arrest te wijzen. Op 10 december 2020 is de zaak wederom aangebracht, gesloten en is arrest gewezen. De inhoud van het arrest is vastgesteld door de leden van het hof die de zaak inhoudelijk hebben behandeld en die het arrest hebben gewezen. Het hof betreurt de gang van zaken en het onverwachte oponthoud dat hierdoor is opgetreden. Het hof realiseert zich dat het voor de verdachte een diepe ontgoocheling moet zijn geweest dat op de geplande uitspraakdatum een tussenarrest werd gewezen. Het oponthoud van bijna twee maanden dat daardoor is ontstaan wordt door het hof meegenomen bij de overschrijding van de redelijke termijn.
De totale overschrijding van de redelijke termijn bedraagt hiermee drie jaren en acht maanden.
Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden op zijn plaats zou zijn. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een gevangenisstraf van 6 maanden geheel voorwaardelijk opleggen. Daarmee wordt de strafoplegging tevens dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
(…”
12.2.
De steller van het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de redelijke termijn in eerste aanleg – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – niet met twee jaren en vier maanden is overschreden en dat er geen redenen zijn die deze overschrijding rechtvaardigen, maar ‘slechts’ met een periode van achttien maanden nu de termijn zou zijn overschreden ten gevolge van de verdediging. Dit oordeel zou in het licht van het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg, hetgeen de rechtbank in het vonnis heeft vastgesteld, de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep geen grieven heeft aangevoerd tegen de vaststelling van de rechtbank en hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, onbegrijpelijk zijn.
12.3.
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Bij zijn toetsing van het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kent de Hoge Raad gewicht toe aan onder meer de redelijkheid van de duur van een zaak. Dit is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
12.4.
Bij de beoordeling van het rechtsgevolg van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet in het oog worden gehouden dat het tijdsverloop tussen de behandeling in eerste aanleg en de behandeling in hoger beroep afzonderlijk dienen te worden beoordeeld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak door de feitenrechter dien te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere duur van de behandeling rechtvaardigen. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van verschillende omstandigheden, waaronder de invloed van de verdediging, zoals het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak of de ingewikkeldheid van de zaak. [91]
12.5.
In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat sinds 14 januari 2009 – het aanvangspunt van de redelijke termijn – ongeveer 11 jaar en 11 maanden zijn verstreken tot de dag dat het hof uitspraak heeft gedaan op 10 december 2020. Ten aanzien van de overschrijding van de redelijk termijn heeft het hof, anders dan de rechtbank die overwoog dat er geen omstandigheden waren die een langere termijn van berechting rechtvaardigden, overwogen dat deze overschrijding in eerste aanleg achttien maanden bedraagt, nu het een omvangrijke strafzaak betreft waarbij op verzoek van de verdediging diverse getuigen bevraagd zijn bij de rechter-commissaris.
12.6.
De steller van het middel klaagt dat uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de vertraging van de berechting te wijten is aan het te laat indien van stukken door het Openbaar Ministerie. De vertragende omstandigheden kunnen in ieder geval niet op het conto van de verdachte worden geschreven, zodat de verwerping van het verweer en de strafoplegging onvoldoende met redenen zou zijn omkleed.
12.7.
Blijkens het proces-verbaal van de regiezitting in eerste aanleg op 21 maart 2011 en een brief van de raadsman van de verdachte blijkt dat hij heeft verzocht een omvangrijk aantal getuigen te horen. De rechtbank heeft de verzoeken tot het horen van tien getuigen toegewezen en de overige verzoeken afgewezen. [92]
12.8.
Het hof heeft geoordeeld dat de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg achttien maanden bedraagt. Dit is tien maanden korter dan de door de rechtbank vastgestelde schending en is er volgens het hof in gelegen dat het een omvangrijke strafzaak betreft waarbij op verzoek van de verdediging diverse getuigen zijn bevraagd bij de rechter-commissaris. Op verzoek van de raadsman van de verdachte zijn immers tien getuigen gehoord bij de rechter-commissaris. Dat het hof heeft geoordeeld dat dit meebrengt dat de schending van de redelijke termijn korter is dan door de rechtbank is vastgesteld, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. De opvatting van de steller van het middel inhoudende dat uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de vertraging van de berechting te wijten zou zijn aan het te laat indien van stukken door het openbaar ministerie doet aan dit oordeel niet af. Het is immers niet zo, zo lijkt de steller van het middel te miskennen, dat de vertraging in de strafzaak door het hof uitsluitend op het conto van de verdachte wordt geschreven.
12.9.
Dit brengt mee dat het hof mijns inziens niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg achttien maanden bedraagt. Bovendien verzet geen rechtsregel ertegen dat het hof tot een andere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn komt dan de rechtbank, zodat ook in zoverre de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk is gemotiveerd faalt.
12.10.
Het zevende middel faalt.
Het achtste middel
13. Het
achtste middelricht zich tegen de door het hof opgelegde geldboete van € 100.000,-.
13.1.
Het hof heeft met betrekking tot de op te leggen sanctie het volgende overwogen:

De eis van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal eist een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het hof bij oplegging van een strafrekening dient te houden met de omstandigheid dat verdachte sinds de start van de onderhavige strafzaak, in ernstige mate gebukt gaat onder de strafvervolging. Bovendien verkeert verdachte in een slechte gezondheid: hij is lichamelijk beperkt en heeft dagelijkse zorg nodig als gevolg van een herseninfarct en hij is op leeftijd. In verband met de gezondheidstoestand van verdachte was hij ook niet in staat bij het onderzoek op de terechtzitting in september 2020 aanwezig te zijn.
Daarnaast is volgens de raadsman sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering. Voor de strafmaat is ook van belang dat in deze zaak geen grote hoeveelheden zwaar vuurwerk zijn aangetroffen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient - gelet op het vorenstaande - volgens de verdédiging dan ook geen enkel strafdoel. Daarnaast beschikt verdachte niet over de financiële middelen om een geldboete te betalen. Het hof zou volgens de verdediging, in geval van een veroordeling, moeten volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Uit de bewijsoverwegingen en de bewezenverklaring blijkt dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gedurende langere tijd een crimineel samenwerkingsverband hebben gevormd, waarbinnen op grote schaal valsheid in geschrift is gepleegd en illegaal verdiende gelden zijn witgewassen. Het kennelijke doel hiervan was het behalen van zoveel mogelijk financieel gewin. Wetten en regels zijn hierbij bewust en stelselmatig overtreden. Chauffeurs en andere bij het transport en de opslag van vuurwerk betrokkenen zijn in gevaar gebracht doordat onder meer op de bijbehorende documenten een onjuiste,-veel lichtere gevarenclassificatie werd vermeld. Dit onjuist classificeren brengt het risico met zich mee dat bij een eventuele calamiteit, bijvoorbeeld een ongeluk waarbij brand ontstaat, hulpverleners uitgaan van een geringe gevaarzetting en verrast kunnen worden' door een massa-explosie. Hetzelfde kan gelden voor eventuele omstanders. De gevolgen van een massa-explosie kunnen dan dodelijk zijn of ernstig letsel veroorzaken.
Er is gewerkt met dekmantels waaronder het gebruik van valse namen en de inzet van de vennootschap [medeverdachte 4] , die niet direct tot de belanghebbende natuurlijke personen te herleiden was. De debiteurenadministratie van deze vennootschap was geheel valselijk opgemaakt en van legale handelsactiviteiten is in het geheel niet gebleken. Op een geraffineerde wijze hebben [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] geprobeerd de handel in vuurwerk en hun persoonlijke betrokkenheid hierbij buiten het zicht van de overheid te houden, waarbij niet alleen milieuregels werden overtreden, maar ook sprake was van het gebruik van een valse naam, valsheid in geschrift en witwassen. [medeverdachte 2] nam hierbij veel regisserend werk op zich. [verdachte] kwam met name in beeld op de momenten dat er grote belangen op het spel stonden, zoals bij het naar voren schuiven van [medeverdachte 7] alias [betrokkene 3] , bij de afhandeling van de import van vijf containers met enorme hoeveelheden illegaal vuurwerk, en zoals bij het storten van grote geldbedragen op de bank in Luxemburg. [medeverdachte 3] speelde bij dit alles een ondersteunende, maar niet onbelangrijke rol. Haar betrokkenheid komt met name naar voren in de contacten met het Belgische boekhoudkantoor, waar de valse debiteurenadministratie van [medeverdachte 4] werd bijgehouden. [medeverdachte 7] heeft de criminele organisatie op belangrijke momenten ondersteund, met name bij de afhandeling van de import van grote hoeveelheden illegaal vuurwerk in mei/juni 2008. Ook [medeverdachte 5] is op meerdere momenten ingezet ter ondersteuning van de criminele organisatie.
Van de bewezenverklaarde feiten acht het hof met name de volgende feiten zodanig ernstig dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is:
Feit 4: de valsheid in geschrift ten aanzien van vijf containers, gepleegd in mei/juni 2008;
Feit 10: het valselijk opmaken van een bedrijfsadministratie;
Feit 12: gewoontewitwassen;
Feit 13: deelname aan een criminele organisatie.
Het hof rekent de verdachte zijn handelen zeer zwaar aan.
De door de verdediging voorgestelde oplegging van enkel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Het hof zal echter in belangrijke mate de door de verdediging aangevoerd problematische gezondheidstoestand meewegen in het voordeel van de verdachte.
(…)
Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden op zijn plaats zou zijn. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een gevangenisstraf van 6 maanden geheel voorwaardelijk opleggen. Daarmee wordt de strafoplegging tevens dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Daarnaast ziet het hof aanleiding om aan verdachte een geldboete opleggen ten bedrage van € 100.000,00.
Weliswaar stelt de verdediging dat de verdachte niet over financiële middelen beschikt, maar het had - mede gelet op de grote bedragen die in de bewezenverklaarde periode met de handel gemoeid waren - op de weg van de verdediging gelegen dit feitelijk en met stukken nader te onderbouwen. Nu zij dit nalaat gaat het hof aan de gestelde financiële onmacht voorbij.
Bij het opleggen van de geldboete zal het hof op de voet van artikel 27, derde lid, Wetboek van Strafrecht, bevelen dat de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 4 dagen, bij de uitvoering van de op te leggen geldboete daarop geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van vijftig euro per dag.”
13.2.
De steller van het middel klaagt allereerst dat het hof een hogere geldboete heeft opgelegd dan de wet, zoals die gold ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, toestond. Volgens de steller van het middel bedroeg het hoogst mogelijk op te leggen geldbedrag in de bewezenverklaarde periode € 74.000,- en had het hof, nu het de samenloopregeling heeft toegepast, ingevolge art. 57 lid 2 Sr Pro niet een hogere geldboete mogen opleggen dan € 98.666,66.
13.3.
Over deze klacht kan ik kort zijn. De ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten zijn begaan tot en met de maand januari 2009. De op te leggen geldboete op grond van art. 1a WED, art. 140, art. 225 en Pro art. 420bis bedroeg in alle gevallen maximaal een geldboete uit de 5e categorie. De hoogte van dit bedrag was van 1 januari 2008 tot 1 januari 2010 inderdaad maximaal € 74.000. De steller van het middel ziet echter over het hoofd dat art. 57 lid 2 Sr Pro ten aanzien van het opleggen van een geldboete geen beperking in de cumulatie kent. Deze cumulatie ziet immers slechts op de gevangenisstraf en vervangende hechtenis. Dit brengt mee dat het hof niet gebonden was aan art. 57 lid 2 Sr Pro, zodat de klacht faalt.
13.4.
Voorts klaagt de steller van het middel dat het hof geen blijk heeft gegeven bij de oplegging van de geldboete rekening te hebben gehouden met de draagkracht van de verdachte, zoals art. 24 Sr Pro voorschrijft.
13.5.
Uit het proces-verbaal d.d. 25 september 2020 blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 3] , mede namens de verdachte, het laatste woord heeft gekregen en heeft verklaard conform het door haar aan het hof overgelegde schriftelijke laatste woord. Deze verklaring houdt onder meer het volgende in:
“De laatste maanden zijn ook financieel verschrikkelijk geweest door de bank hebben we ons pand moeten verkopen omdat ze geen zaken meer met ons wilden doen omdat de recht zaak ook veel te lang duurt wilde ze volstrekt niet meer wachten. Door al de berichten op internet van de in beslag name en van het proces kon de bank geen koper vinden, uiteindelijk hebben wij een koper gevonden maar die wilde maar weinig geld betalen. Het pand wat wij gebouwd hebben voor 2,6 miljoen hebben wij nu verkocht voor 900.00,-. Er zat nog een hypotheek op van € 1.1200.000,-. Dit houd dus in dat we een schuld overhielden van 220.000,-. De bank heeft een plan opgesteld dat het openstaande bedrag kwijt werd gescholden maar dat wij privé 50.000,- euro moesten betalen. Wij hebben dit geld moeten lenen bij een privé persoon die ons gelukkig uit onze benarde positie kon halen. Wij hebben nu dus wat wij in jaren opgebouwd hebben aan pensioen want dat was de overwaarde van het pand in 1 klap verloren. Toen wij het pand nog hadden verhuurde wij het en dat waren dan nog de inkomsten die wij hadden. Het pand is weg en dus ook de huurinkomsten zoals ook het pensioen. En dat is nog niet alles maar ook nog een schuld van 50.000,-.
Daarnaast wonen wij op een camping en op het chalet hebben wij een lening van 116.000,- bij de ABN Amro dat wij nu ook vervroegd af moeten lossen omdat we net zoals bij het pand aan de [a-straat] verwikkeld zijn in een strafzaak en de ABN Amro geen zaken wil doen. Ze hebben ons tot 1 juli 2022 gegeven om het volledige bedrag in te lossen maar tot op heden hebben wij daar geen oplossing voor.
Een bijkomend probleem is Omdat de belastingdienst administratie niet langer als 7 jaar bewaard konden wij niet aantonen dat mijn man in bepaalde jaren niet gewerkt heeft vanwege zijn ziekte. Hij had een uitkering van het UWV en die moeten wij terug betalen aan het UWV dat doen wij met een aflossing van 400,- euro per maand want dit is toen de tijd afgesproken maar nu is er recentelijk een publicatie geweest en Ons chalet is volgens de onroerend goed belasting 147.00,- waard. Er zit nog een hypotheek op van € 116.000,- dus zegt het UWV betaald maar voor november 30.000,- euro terug en de rest mag je aflossen met 400,- euro per maand. De conclusie is nu dus dat de ABN amro ons niet meer wil hebben als klacht en ons zeker dus ook geen lening meer wil verstrekken en de UWV wil niet afzien van die € 30.000,- dus er zit maar 1 oplossing op en dat is dat we onze caravan moeten verkopen in november en dat we op dat moment dus geen woning meer hebben.
Wij moeten nu dus rondkomen van de AOW 2x 867,- euro en daar moeten we dus de terugbetaling van het UWV van 400,- per maand en de aflossing van het chalet dat nu nog 467,- euro is alleen de rente maar dat wordt dus een aflossing en rente van 1450,- per maand. En het geleende bedrag van 50.00,- moeten we nog terugbetalen. De mevrouw van de bank heeft samen met ons onze financiële situatie bekeken en heeft ons echt geadviseerd om te kijken of we in een traject kunnen voor schuldsanering. Want er is geen uitweg!
Wij moeten dus echt naar de gemeente om steun aan te vragen. Wie had dat ooit gedacht dat onze financiële positie na een leven van altijd werken en een goed draaiend bedrijf nu eindigt naar de gemeente voor steun en als het tegen zit naar de voedselbank.
Het enige wat we nog hebben is het in beslag genomen bedrag van [medeverdachte 6] waar als we het terug krijgen al onze schulden mee zouden kunnen aflossen.”
13.6.
Het hof heeft ten aanzien van de oplegging van de geldboete onder meer overwogen dat de verdediging weliswaar stelt dat de verdachte niet over financiële middelen beschikt, maar dat het – mede gelet op de grote bedragen die in de bewezenverklaarde periode met de handel gemoeid waren – op de weg van de verdediging had gelegen dit feitelijk en met stukken nader te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten, is het hof voorbijgegaan aan de gestelde financiële onmacht.
13.7.
De verdediging heeft bij de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] weliswaar een aantal bijlagen toegevoegd die zien op de financiële situatie van onder meer de verdachte, maar gelet op de inhoud van deze documenten heeft het hof in mijn ogen niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het op de weg van de verdachte had gelegen om zijn financiële draagkracht nader te onderbouwen. Bovendien ligt in de overweging van het hof besloten dat het zich rekenschap heeft gegeven van het bepaalde in art. 24 Sr Pro. Dit oordeel behoefde het hof niet nader te motiveren. [93]
13.8.
Tot slot klaagt de steller van het middel dat de oplegging van de geldboete en/of de hoogte daarvan, gelet op hetgeen door en namens de verdachte in dat verband ter zitting naar voren is gebracht, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
13.9.
Ook deze deelklacht kan, gelet op de vrijheid die aan de feitenrechter toekomt om te oordelen over de hoogte van de op te leggen geldboete, niet slagen. De oplegging van de geldboete van € 100.000,- is mijns inziens niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
13.10.
Het achtste middel faalt.
Conclusie
14. Alle middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015,
2.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
3.HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:72,
4.Zie ook de annotatie van Borgers voorafgaand aan HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
5.Uittreksel Kamer van Koophandel d.d. 17-12-2008, persoonsdossier p. 1059.
6.Uittreksel Kamer van Koophandel d.d. 10-09-2012, persoonsdossier p. 2069.
7.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek [medeverdachte 4] , persoonsdossier p. 1003A t/m 1006 en documenten 40, 41 en 42, algemeen proces-verbaal p. A 47 t/m A 52.
8.Algemeen proces-verbaal, p. A 32.
9.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek [medeverdachte 5] , persoonsdossier p. 3004 t/m 3006.
10.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot rechtshulpverzoek Duitsland t.a.v. [medeverdachte 5] te [plaats] , persoonsdossier p. 3014 t/m 2016.
11.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , algemeen 2e verhoor, persoonsdossier p. 2008 t/m 2010.
12.Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 7] , algemeen 1 en 2, persoonsdossier, p. 5015 en p. 5021-5[0]22.
13.Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , algemeen 2e verhoor, persoonsdossier, p. 2013.
14.Proces-verbaal ter terechtzitting betreffende [medeverdachte 3] van 26 en 31 oktober 2012, p. 6 en p. 9 in samenhang met het proces-verbaal ter terechtzitting betreffende verdachte van 26 en 31 oktober 2012, p. 16, verhoor [medeverdachte 3] als getuige.
15.Proces-verbaal verhoor verdachte [betrokkene 1] , algemeen 2. Persoonsdossier, p. 6015 en p. 6018 t/m 6020.
16.CMR container CCLU710719-0, zaaksdossier 2, p. 2063/2071.
17.CMR container CCLU673216-6, zaaksdossier 2, p. 2064/2069.
18.Rapport van bevindingen Toezichteenheid goederenvervoer inspectie GV, zaaksdossier 2, p. 2061-2062.
19.Milieu proces-verbaal economisch delict door VROM-inspectie Vliegende brigade vuurwerk, zaaksdossier 2, p. 2050.
20.Zaaksprocesverbaal 2, zaaksdossier 2, proces-verbaalnummer: 22BZ8071/212, p. 2111
21.Zaaksprocesverbaal 2, zaaksdossier 2, proces-verbaalnummer: 22BZ8071/212, p. 2112.
22.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] . zaaksdossier 2, p. 2033-2035.
23.Zaaksproces-verbaal 2. zaaksdossier 2. p 2052.
24.Zaaksproces-verbaal 2, zaaksdossier 2, p 2051.
25.Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 26 oktober 2012. p 3.
26.Zaaksproces-verbaal 2, zaaksdossier 2, p 2050.
27.Stb. 2002, 33, p. 65.
28.Stb. 1993, 215, p. 15.
29.HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938,
30.HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733,
31.Proces-verbaal zaak 4, zaaksdossier 4, p. 4004. Packinglist container CCLU6051619, zaaksdossier 4, p. 4121 en packinglist container CCLU7201781, zaaksdossier 4, p. 4123.
32.Invoice van Hunan Shine Wing Trading Co. Ltd. aan A.Z. Impex SA. zaaksdossier 4, p. 4108.
33.Proces-verbaal van observeren, zaaksdossier 4, p. 413 I t/m 4134.
34.Zaaksproces-verbaal, zaaksdossier 4, p. 4005. Proces-verbaal VROM, onderzoek meldingen, zaaksdossier 4, p. 4166 t/m 4169.
35.CMR, zaaksdossier 4, p. 4143.
36.Proces-verbaal van observeren, zaaksdossier 4, p. 4135 t/m 4136.
37.Zaaksproces-verbaal zaak 4, p. 4005.
38.Milieu proces-verbaal Vliegende Brigade Vuurwerk, zaaksdossier 4, p. 4137 t/m 4140.
39.DOC 285, zaaksdossier 4, p. 4125.
40.Zaaksproces-verbaal zaak 4, p. 4010.
41.Zaaksproces-verbaal zaak 4, zaaksdossier 4. p. 4010.
42.Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 6] , zaaksdossier 4, p. 4078 t/m 4080.
43.Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 8] , zaaksdossier 4, p. 4163-4165.
44.Het proces-verhaal van verhoor verwijst voor de foto naar een "doc 062". Het hof begrijpt dat het gaat om de Foto [medeverdachte 7] , zaaksdossier 3, doc 62, p. 3309. Van de andere getoonde foto’s is geen documentnummer genoemd.
45.E-mails, zaaksdossier 4, p. 4072 t/m 4073.
46.Proces-verbaal onderzoek aan inbeslaggenomen goed in het kader van onderzoek BRZ71, zaaksdossier 3, p. 3375, 3380.
47.Verklaring van de getuige [medeverdachte 2] ter terechtzitting van 31 oktober 2012, zoals weergegeven in het aangehechte proces-verbaal van 26 oktober 2012 van de terechtzitting in de zaak tegen [medeverdachte 2] .
48.Algemeen dossier, p. A 34.
49.Geschrift, zijnde een Brief van de procureurs des Konings in Dendermonde. Zaaksdossier 3. p. 3060-3061.
50.Bijlage bij Geschrift, zijnde een Brief van de procureurs des Konings i Dendermonde. Zaaksdossier 3. p. 3062.
51.AEH: Voetnoot hof met verwijzing naar een website is onleesbaar. Het betrokken Koninklijk besluit is te vinden op https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=1958092301&table_name=wet.
52.Het gaat bij deze invoer van vuurwerk om spektakelvuurwerk (vgl. professioneel vuurwerk in Nederland), en niet om feestvuurwerk (vgl. consumentenvuurwerk in Nederland).
53.Zaaksdossier 6, p. 6120.
54.Zaaksdossier 6, p. 6121.
55.Map rechtshulp Algemeen Haver, p. 177.
56.Map rechtshulp Algemeen Haver, p. 196.
57.Map rechtshulp Algemeen Haver, p. 201.
58.Map rechtshulp Algemeen Haver, p. 147 en 148.
59.Algemeen dossier, p. A 33.
60.Beslagdossier, p. B 1091 en B 1092.
61.Vgl. HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7954, rov. 3.5. Dit standpunt wordt ook door het EHRM ingenomen ter invulling van het bepaaldheidsgebod: EHRM 17 september 2009. 10249/03.
62.HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733,
63.Proces-verbaal verdenking witwassen en valsheid in geschrift door [medeverdachte 4] [betrokkene 19] en de verdachten [verdachten] , zaaksdossier 7, p. 7045 t/m 7049.
64.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het onderzoek JOB in Engeland, zaaksdossier 3, p. 3615 t/m 3619: proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 6] , zaaksdossier 3, p. 3627 t/m 3633: proces-verbaal van getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris [getuige 6] d.d. 13 juni 2019: proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 7] , zaaksdossier 3, p. 3638 t/m 3644 en proces-verbaal van getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris [getuige 7] d.d. 29 oktober 2019.
65.Getuigenverklaring [betrokkene 16] , zaaksdossier 7, p. 7285, bevestigd in proces-verbaal van getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris [betrokkene 16] d.d. 11 februari 2020.
66.Facturen 2006, zaaksdossier 7, p. 7106 t/m 7125.
67.Facturen 2006, zaaksdossier 7, p. 7102 t/m 7104.
68.Facturen 2006, zaaksdossier 7, p. 7132 t/m 7151.
69.Facturen 2006, zaaksdossier 7, p. 7158 t/m 7162.
70.Procesverbaal van bevindingen, zaaksdossier 7, p. 7044-7050, in het bijzonder p. 7048-7049.
71.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] , zaaksdossier 7, p. 7270 t/m 7275.
72.Proces-verbaal verhoor verdachte [getuige 5] , zaaksdossier 7, p. 7025 t/m 7035.
73.Verklaring [medeverdachte 2] ter terechtzitting van 26 oktober 2012.
74.Proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene 5] door de raadsheer-commissaris d.d. 10 september 2019, p. 3.
75.Dit betreft evident een misslag. Met ‘verdachte’ wordt bedoeld de medeverdachte [medeverdachte 3] .
76.Zaaksproces-verbaal zaak 7, zaaksdossier 7, p. 7014 (met rekenfout in de vermelding van bedrag 2009). p. 7049 (met rekenfout in de optelling 2008) en de stortingsbewijzen of bankafschriften, zaaksdossier 7, p. 7236 t/m 7240, 7242-7243.
77.Proces-verbaal verdenking witwassen en valsheid in geschrift door [medeverdachte 4] , [betrokkene 19] en de verdachten [verdachten] , zaaksdossier 7, p. 7049.
78.Euro Receipt of payment, zaaksdossier 7, p 7236.
79.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , zaaksdossier 7, p. 7270 t/m 7275.
80.Verklaring [getuige 4] tegenover de rechter-commissaris op 29 juni 2011.
81.Proces-verbaal verhoor verdachte [getuige 5] , zaaksdossier 7, p. 7025 t/m 7035.
82.Verklaring [medeverdachte 2] ter terechtzitting van 26 oktober 2012 en verklaring [medeverdachte 2] ter terechtzitting van 21 september 2020.
83.Dossierpagina 7011.
84.Dat de verdachte wist dat de facturen valselijk zijn opgemaakt, is reeds aan de orde geweest in het vierde middel.
85.Het hof verwijst hierbij naar HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:571.
86.Proces-verbaal, algemeen dossier, p, A 32.
87.Dossierpagina 7011.
88.Deskundigenrapport NFI d.d. 18 augustus 2008, zaakdossier 3, p. 3427-3440.
89.Eindbericht politie-inspectie Emsland/graafschap Bentheim, zaaksdossier 3, p. 3547 e.v., in het bijzonder p. 3550.
90.Zaaksdossier 4, p. 4005 in onderlinge samenhang met p. 4137-4139.
91.Zie HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309,
92.Overigens heeft de raadsman van de verdachte tijdens de regiezitting van 23 oktober 2012 verzocht om nog eens acht getuigen te horen. Het hof heeft een aantal van deze getuigen toegewezen, maar geoordeeld dat het horen van deze getuigen zal plaatsvinden ter terechtzitting en niet bij de rechter-commissaris.
93.Zie HR 2 juli 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8051,