Conclusie
negende middelbehelst aldus de klacht dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, waardoor de Hoge Raad niet kan nagaan welke argumenten ter nadere onderbouwing van de getuigenverzoeken zijn gebruikt. Het niet beschikbaar zijn van deze conclusiewisseling strijdt daardoor zozeer met een behoorlijke procesorde dat dit, nu het verzuim onherstelbaar is, nietigheid van de beslissing van het hof tot afwijzing van de verzoeken en/of het onderzoek ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt, aldus de steller van het middel.
eerste middeldat de klacht behelst dat het hof ten onrechte het verzoek van de verdediging tot het horen van een aantal zowel belastende als ontlastende getuigen heeft afgewezen.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 4] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord.
De rechtbank heeft de verklaring van [getuige 5] , afgelegd bij de politie, gebruikt voor het bewijs, zie pagina 33 noot 94 vonnis.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 5] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord. Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen.
22. [betrokkene 6] , geboren op [geboortedatum] 1969, wonende aan de [l-straat 1] te [plaats] .
Daarnaast zal ik in zijn algemeenheid iets zeggen over wat de verdediging in het hoger beroep wil, zonder aan te geven welke getuige bij welk door de verdediging te voeren verweer zou kunnen passen, om uw hof daarin enig inzicht te geven.
De verdediging ligt in hoger beroep eigenlijk voor drie belangrijke ankers.
(…)
(…)
Ten aanzien van de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] merk ik het volgende op.
(…)
Het hof overweegt als volgt.
(…)
(…)
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes – waarnaar de steller van het middel verwijst – nader ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter in de situatie dat een dergelijk verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of reeds is gebruikt.
Het tweede middel
tweede middelbehelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde niet kan volgen dat van opzet bij [medeverdachte 6] en/of de verdachte sprake is geweest.
Algemeen
opmerking griffiers: daar waar het hof [medeverdachte 5] noemt, dient steeds te worden gelezen [medeverdachte 5] thans [medeverdachte 5]].
- kenteken [kenteken 4] /Container nr. CCLU 673216-6 (CMR-nr. 327950)
- 637 Cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G, NEQ 96,8 kg, bruto 8.281 kgs.
het hof begrijpt: [verdachte]] zou deze goederen, die op pallets stonden in een container laden. Onderweg naar Nederland werd deze staande gehouden door de IVW. Er zijn twee pallets in beslaggenomen. De gang van zaken is niet gebruikelijk en wordt betreurd.’ [21]
degene die ...binnen het grondgebied van Nederland bracht”, welke bewoordingen zijn ontleend aan het Vuurwerkbesluit.
Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, meldt voorafgaand elektronisch het voornemen hiertoe bij Onze Minister. De melding wordt ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van het vuurwerk gedaan (...).
:Om het toezicht te vergemakkelijken, is bepaald dat de importeur van vuurwerk - ongeacht de vraag of dat vuurwerk bestemd is voor de Nederlandse of voor de buitenlandse markt - de invoer van tevoren meldt bij de Minister van VROM. (...) [27]
bij invoer en uitvoer.Voor de definitie van dat begrip is in de Nota van Toelichting opgenomen [28] :Onder in- en uitvoeren wordt in dit besluit verstaan het binnen respectievelijk buiten Nederlands grondgebied brengen, overeenkomstig het gedefinieerde in de Wet milieugevaarlijke stoffen.
derde middelbehelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 5 en 6 subsidiair niet kan volgen dat van opzet bij [medeverdachte 4] en/of de verdachte en/of de medeverdachte(n) als opdracht- dan wel feitelijke leidinggevers sprake is.
5. subsidiair:[medeverdachte 4] op 10 december 2008 in Nederland, als degene die twee containers met vuurwerk, te weten (CCLU720178 en CCLU6051619), binnen en buiten het grondgebied van Nederland bracht, opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit, hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] feitelijk leiding heeft gegeven;
6. subsidiair:
Ter zake feit 5 primair en subsidiair en feit 6 primair en subsidiair (zaak 4):Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Op 16 december werd door leden van het Observatieteam van de politieregio Brabant Zuidoost gezien dat een trekker met oplegger, waarop container CCLU6670758 was geplaatst, vanuit België bij de grensovergang Hazeldonk Nederland binnenreed. [36] Omdat nog steeds geen melding was gedaan ex artikel 1.3.2 lid 1 en lid 2 Vuurwerkbesluit werd de container gecontroleerd door de Vliegende Brigade Vuurwerk. Bij de controle werden twee soorten vuurwerk aangetroffen en beoordeeld, te weten artikelnummer 994 en 6634. [37] Na de controle en het kopiëren van de begeleidende documenten werd de reis voortgezet en het transport gevolgd tot de grensovergang nabij Enschede. Uit de documenten bleek dat het in de container aanwezige vuurwerk allemaal zogenaamde flowerbeds betrof. [38] Bij de documenten van de Belgische autoriteiten zat een blad waarop de contactgegevens van [medeverdachte 4] gedrukt waren. Op dit formulier was met pen de naam [betrokkene 11] , het hotmailaccount [e-mail 5] en het Duitse telefoonnummer [0006] vermeld. [39] Dit telefoonnummer was afgegeven aan:
Het hof komt tot het oordeel dat er sprake is van het medeplegen van het feitelijk leiding geven van [medeverdachte 2] en [verdachte] . Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden als direct betrokkenen bij de rechtspersoon, waarbij beiden als feitelijke leidinggever een voldoende materiële bijdrage aan het delict hebben geleverd.
De Koning regelt in het belang van de openbare veiligheid en kan aan vergunning onderwerpen het fabriceren, opslaan, te koop aanbieden, verkopen, afstaan, vervoeren, gebruiken onder zich hebben, en dragen van ontplofbare of voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en van daarmede geladen tuigen.De overheid die bevoegd is tot het afgeven van de vergunning kan ze te allen tijde intrekken. [50]
Het hof verwerpt het verweer dat verdachte niet op de hoogte was van het feit dat de transporten over Nederland zouden gaan en dat ook niet behoefde te weten.
Ten slotte merkt het hof op dat voor het transport van 2 december 2008 — kort voor deze transporten - bevindt zich bij de stukken een Belgische vervoersvergunning inhoudende dat naar Meer/Hazeldonk moest worden gereisd. Uit het dossier is procesdossier is niet naar voren gekomen dat in december via een andere route is gereisd. Dat het gebruikelijk was anders te rijden vindt dan ook geen steun in het procesdossier.
Het hof acht de verklaring van [medeverdachte 2] , dat hij niet wist dat de transporten over Nederlands grondgebied zouden reizen onder die omstandigheden dan ook zeer onaannemelijk en gaat hier aan voorbij. Daarbij wijst het hof nog op het feit dat ten aanzien van één van de ritten een afwijking wordt gevraagd namens de opdrachtgever, zijnde [medeverdachte 4] bij de Belgische autoriteiten. Een dergelijk verzoek kan slechts worden gedaan wanneer de betrokkene van de eigenlijke route op de hoogte is.
Het is aan de transporteur om te bepalen hoe hij precies rijdt. En op die wijze wordt het dan aangevraagd.”
U vraagt mij wie besliste over de route die wordt gevolgd van Antwerpen naar [plaats] of [plaats] in Duitsland. Dat gebeurde in gezamenlijk overleg. Vanwege de administratieve rompslomp was het makkelijker om via België naar Duitsland te rijden, dan via Nederland. Om die reden vonden de transporten voor [medeverdachte 4] niet via Nederland plaats. Er zijn meer bedrijven die niet de mogelijkheid hebben om in Nederland op te slaan en die slaan in Duitsland op. Wanneer het vuurwerk in Antwerpen aankomt rijden zij ook rechtstreeks. In het begin is die beslissing genomen om zo te rijden samen met [medeverdachte 2] en dat is niet meer veranderd”.
Allereerst is het door de omstandigheid dat het mogelijk én aantrekkelijker is om Nedérland te vermijden maar zeer de vraag of de kans dat de vrachtwagens toch over Nederlands grondgebied zouden rijden wel aanmerkelijk is te achten. De verdediging meent dan ook dat onvoldoende vaststaat dat sprake is van zo een aanmerkelijke kans. Het feit dat de route via Nederland korter is, is daarvoor in ieder geval onvoldoende.
vierde middelbehelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van de bewezenverklaring onder feit 10 subsidiair van het hof niet kan volgen dat sprake is van medeplegen en/of feitelijk leidinggeven dan wel opdrachtgeven door de verdachte.
Ter zake feit 10 primair en subsidiair (zaak 7):Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Op 14 januari 2009 werden door de rechter-commissaris doorzoekingen ter inbeslagneming verricht in de woning en bedrijfspanden van de familie [verdachten] . Ook werden die dag doorzoekingen uitgevoerd bij de buitenlandse rechtspersonen [medeverdachte 4] te Luxemburg en [medeverdachte 5] te Duitsland. Er werden onder meer een aantal (boekhoudkundige) bescheiden in beslag genomen.
Jaar afnemer verkoopprijs
Voorts verklaart de getuige het volgende. [medeverdachte 4] is een klant van [R] SA. [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn de natuurlijke personen achter [medeverdachte 4] en hun zoon [medeverdachte 2] ook als bestuurder. Zij heeft [medeverdachte 2] éénmaal gezien tussen 2004 en 2006. De zendnota’s kwamen toe te Luxemburg, de cashnota’s werden door de [verdachten] gewoon binnen gebracht. De administratie werd aangeleverd vanuit Nederland. Deze stukken werden aangereikt door [medeverdachte 3] en [verdachte] . Zowel de aankopen als de verkopen werden cash betaald. Er werd in aanvang geen enkele banktransactie doorgevoerd. Bij tekortkomingen deelde men (voornamelijk [medeverdachte 3] ) haar mede dat er cash betaling was doorgevoerd welke zij, getuige, dan ook zo inboekte. Door de getuige werd een kasboek bijgehouden op basis van de facturen die [medeverdachte 3] en [verdachte] haar aanleverden.
Bij onduidelijkheden inzake het boeken kon zij contact opnemen met [verdachte] en [medeverdachte 3] . Zij moest dan zeggen: ‘kan u mij eens opbellen’ of iets in die zin. [medeverdachte 3] belde dan met een ‘beveiligde telefoonlijn’ terug. Eén keer moest zij bij het faxen van de balans van [medeverdachte 4] deze balans naar een buurbedrijf van de [verdachten] versturen.
De reden van deze telefoonwerkwijze en het toesturen van de balans aan het buurbedrijf was, dat de vuurwerkhandel streng gecontroleerd werd en correspondentie onderschept kon worden en telefoon afgeluisterd.
De getuige herkende de haar getoonde verkoopfacturen van [medeverdachte 4] aan [E] Ltd. d.d. 18 december 2006. Deze facturen waren aangereikt door [verdachte] of [medeverdachte 3] . De vermelding op de factuur ‘door klant voldaan’ betekende voor haar dat de factuur reeds cash was betaald. Deze betaling werd door haar dan ook in het kasboek verwerkt.
Als reden voor de vele contante betalingen had [medeverdachte 3] verteld, dat bij levering van het vuurwerk, ook meteen de factuur werd afgeleverd en de betaling onmiddellijk diende te gebeuren. Immers, wanneer het vuurwerk is geleverd en de klant dit had afgestoken, dan zou de betaling niet meer geschieden. Op een bepaald moment was er veel cash geld voorhanden. Er werd besloten om via een Luxemburgse bankrekening te werken. Hierop werden dan de voorhanden cash-gelden gedeponeerd. [verdachte] reed hiertoe naar Luxemburg teneinde de stortingen door te voeren. Op vraag van de bank, teneinde de afkomst van het geld te vast te stellen, werden dan facturen overgemaakt, ter bevestiging. [verdachte] contacteerde de getuige dan met de vraag de facturen door te faxen naar de bank, alwaar hij zich op dat moment bevond.
[medeverdachte 3] was goed op de hoogte van de cijfers. [medeverdachte 2] was meer zakelijk bezig dus met betrekking tot de in- en verkoop, dus voor de commerciële uitvoering. De boekhouding werd in België gevoerd. De boekingen werden in zijn, getuiges, opdracht verricht door [getuige 4] , medewerkster van [R] SA. Het kasboek werd onder andere gevoerd op basis van aantekeningen op de verkoopfacturen.
De advocaat-generaal heeft echter ter terechtzitting een e-mail overgelegd met de strekking . dat deze notitie afkomstig is van de Engelse politie naar aanleiding van een rechtshulpverzoek ter zake, en dat dit dus een notitie is waarmee [getuige 6] in het kader van dit onderzoek meldt hoe zij bereikbaar is. Daarvan gaat ook het hof uit.
De handel in vuurwerk van [medeverdachte 4] beslaat diverse jaren. In het kader daarvan zijn grote hoeveelheden vuurwerk uit China is ingevoerd en verhandeld. Hoewel het gaat om facturen ten bedrage van in totaal bijna 1 miljoen euro, zijn gedurende het hele onderzoek enkel de facturen zelf aangetroffen. Andere bescheiden die betrekking hebben op de gestelde transacties, zoals afleverbonnen, transportdocumenten of (kopieën van) kwitanties werden niet gevonden en zijn ook niet door de verdediging in het geding gebracht. In het omvangrijke papieren procesdossier is geen spoor te vinden van handelingen van [betrokkene 5] . Er zijn geen bestellijsten, faxen of e-mails van [betrokkene 5] . Zijn naam komt niet voor op documenten, facturen of welk papieren spoor dan ook. Als de opsporingsdiensten hierin nalatig zouden zijn geweest, had het op de weg van de verdediging gelegen ter zake gegevens aan te leveren.
10.Het vijfde middel
vijfde middelricht zich met een tweetal deelklachten tegen de bewezenverklaring van het onder feit 12 tenlastegelegde.
€ 73.000,00 +
€ 100.000,00 +
€ 200.000,00 +
rechtstreeks verbandof dat het onvoldoende bewijs aanwezig acht voor een
bepaaldmisdrijf.
NJ2019/298, m.nt. Rozemond – het beoordelingskader uiteengezet ten aanzien van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”. Dit door de Hoge Raad geformuleerde kader houdt het volgende in. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
zesde middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van het onder feit 13 bewezenverklaarde niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en/of gehandeld heeft in strijd met de eisen van een eerlijk proces en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Ter zake feit 13 (zaak 7):
sprake is van een organisatie. Onder een organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Dit samenwerkingsverband kan daarbij bijvoorbeeld ook bestaan uit een natuurlijk persoon en een rechtspersoon (vgl. HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon en minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991,442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel 'organisatie' en niet op 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.
het oogmerk heeft van het plegen van een bepaald misdrijf of misdrijven. Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten, maar een pluraliteit daarvan is noodzakelijk. Het oogmerk impliceert dat de betreffende misdrijven (of pogingen of voorbereidingen daartoe) nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden (vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425). Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.
deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend.
Zaak 7: valse facturen” waarin het hof nader ingaat op een aantal in de boekhouding van [medeverdachte 5] aan [E] Ltd. aangetroffen facturen en vervolgens oordeelt dat van strafbare betrokkenheid van de verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] niet is gebleken. Ook verwerpt het hof het door de verdediging gevoerde verweer dat het opnemen van valse facturen in eigen bedrijfsadministratie niet valt aan te merken als het gebruik maken van valse stukken als waren deze echt en onvervalst, omdat de valsheid bij alle partijen bekend was.
zevende middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn is beperkt tot een termijn van achttien maanden en behelst de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
achtste middelricht zich tegen de door het hof opgelegde geldboete van € 100.000,-.
De eis van de advocaat-generaal
Van de bewezenverklaarde feiten acht het hof met name de volgende feiten zodanig ernstig dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is:
Feit 10: het valselijk opmaken van een bedrijfsadministratie;
Feit 12: gewoontewitwassen;
Feit 13: deelname aan een criminele organisatie.