Conclusie
1.Feiten
DIAGNOSE:
naar ik begrijp: werkgever, A-G]).
ik lees: geen/onduidelijke, A-G] taakafbakening.
Anamnese:
algemene dagelijkse levensverrichtingen, A-G] activiteiten.
geen bijzonderheden, A-G]
functiemogelijkhedenlijst, A-G] van 17-10-02 blijft van toepassing.
Anamnese:
de Wet afschaffing malus en bevordering re-integratie, A-G] is daarom van toepassing.
functiemogelijkhedenlijst, A-G] opgesteld. Herbeoordeling dient plaats te vinden over 3 maanden.” [7]
Voorgeschiedenis:
functiemogelijkhedenlijst, A-G] opgesteld.” [9]
2.Procesverloop
Eerste aanleg
life events), bestaat er volgens het hof geen gegronde reden om na het onderzoek van [neuroloog 2] opgekomen of toegenomen klachten en beperkingen van [eiseres] toe te rekenen aan de voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijke partij (rov. 3.14). De beperkingen die de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige tot uitgangspunt dienen te nemen bij hun adviezen zijn daarom uitsluitend de volgende: (a) enige (maar niet geheel ernstige) beperkingen bij het verrichten van lichamelijk zware, nek- en rugbelastende activiteiten die langdurig volgehouden of chronisch herhaald moeten worden en (b) gelet op [eiseres] ’ chronische vermoeidheid, verhoogde prikkelbaarheid en concentratiezwakte: belemmeringen bij het verrichten van mentaal belastende activiteiten, waarvoor een hoge mate van concentratie noodzakelijk is en waarbij onder tijdsdruk gepresteerd moet worden (rov. 3.15). Andere klachten en beperkingen dienen volgens het hof bij het verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige onderzoek buiten beschouwing te worden gelaten (rov. 3.15).
(volledig) hypothetische situatie met ongeval” (aldus de bewoordingen van het hof) (rov. 3.23). Hieruit volgt volgens het hof dat het rapport van [arbeidsdeskundige 2] van 25 maart 2016 (zie randnummer 1.30 hiervoor), die volgens het hof meer en omvangrijkere beperkingen aan zijn rapport ten grondslag heeft gelegd, niet bruikbaar is bij de beoordeling van de door [eiseres] geleden schade (rov. 3.24).
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
Inleiding
Onderdeel 1richt zich tegen rov. 3.10 van het bestreden arrest, waar het hof heeft geoordeeld dat de conclusie van de rechtbank dat uit het expertiserapport van [neuroloog 2] blijkt dat [eiseres] ongevalgerelateerde klachten en beperkingen heeft ten gevolge waarvan zij niet meer in staat is haar werk als advocaat uit te voeren, niet aan het rapport van [neuroloog 2] kan worden ontleend, alsmede dat, waar [neuroloog 2] heeft genoteerd dat [eiseres] zegt niet meer in staat te zijn haar oorspronkelijke werkzaamheden in de advocatuur te verrichten, dit niet betekent dat hij die uitlating van [eiseres] onderschrijft. Deze overweging is volgens het onderdeel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk. Deze klacht wordt uitgewerkt in drie subonderdelen, die worden aangeduid met a, b en c.
beslissing” (ik lees: motivering) onbegrijpelijk.
subonderdeel 1awordt geklaagd dat de in dat subonderdeel aangehaalde passages uit het rapport van [neuroloog 2] geen andere conclusie toelaten dan dat bij [eiseres] sprake is van ongevalgerelateerde klachten en beperkingen, zodanig, dat zij niet meer in staat is haar werk als advocaat uit te voeren én dat dit door [neuroloog 2] wordt onderschreven.
wezenlijke betekenis” kan toekomen. Subonderdeel 1a is enkel gericht tegen het eerste argument. Het verderop te bespreken onderdeel 2 is gericht tegen het tweede argument. Wat mij betreft houden beide argumenten stand.
niet meer in staat[is]
om haar oorspronkelijke werkzaamheden in de advocatuur te verrichten(…)”. Bij de beantwoording van vraag 4.b [26] heeft [neuroloog 2] vervolgens gerapporteerd of hij de door [eiseres] aangegeven
beperkingenals gevolg van het ongeval aannemelijk acht op grond van zijn onderzoeksresultaten: “
De door haar aangegeven beperkingen zijn aannemelijk op grond van de aanwezigheid van het postwhiplashsyndroom en daarmee te begrijpen als gevolg van het ongeval.” Het is te begrijpen dat het hof hierin niet heeft gelezen dat [neuroloog 2] heeft geconstateerd dat [eiseres] niet meer in staat is haar werk als advocaat uit te voeren. Dat laatste betreft immers een vervolgvraag: gegeven de door [eiseres] aangegeven beperkingen, welke functies kan zij wel of niet uitoefenen? Dit betreft een vraag voor de arbeidsdeskundige en het ligt inderdaad niet voor de hand dat [neuroloog 2] deze vraag heeft willen beantwoorden.
miskend”:
niet(zoals het hof ten onrechte heeft overwogen) gebaseerd op de uitlatingen van [eiseres] zelf, maar op grond van diens eigen onderzoeksresultaten (…).”
in het kader van vraag 4.ade door [eiseres] aan hem meegedeelde beperkingen heeft opgenomen. Het hof heeft in dat verband voorts overwogen dat het gegeven dat [neuroloog 2] “
daarbij ook heeft genoteerd dat[ [eiseres] ]
zegt niet meer in staat te zijn om haar oorspronkelijke werkzaamheden in de advocatuur te verrichten, [niet]
betekent(…)
dat hij die uitlating van [eiseres] onderschrijft.” Uit deze overwegingen van het hof volgt geenszins dat het hof meent dat de beantwoording door [neuroloog 2] niet berust op diens eigen onderzoeksresultaten. Eerder blijkt daaruit het tegendeel. Het is overigens ook volkomen begrijpelijk dat het hof een onderscheid heeft gemaakt tussen de weergave door [neuroloog 2] van wat [eiseres] aan hem heeft medegedeeld enerzijds en zijn deskundige oordeel (over wat [eiseres] aan hem heeft medegedeeld) anderzijds.
miskend“ dat [verzekeringsarts 3] en [arbeidsdeskundige 2] wél over de expertise beschikten om een uitspraak te doen over de beperkingen bij [eiseres] en de daaruit voortvloeiende (on)mogelijkheden van [eiseres] om haar oorspronkelijke werkzaamheden te verrichten én dat deze “
dezelfde conclusie” als [neuroloog 2] hebben bereikt.
dezelfde conclusie”, terwijl nu juist de vraag is welke conclusie(s) wel en niet aan het rapport van [neuroloog 2] kan (kunnen) worden ontleend. De klacht lijkt daarmee te berusten op een cirkelredenering. Onderdeel 2 faalt dus in zijn totaliteit. Daarmee houden beide in randnummer 3.7 genoemde argumenten, als gezegd, stand, zodat ook het oordeel van het hof dat het rapport van [neuroloog 2] geen steun biedt aan de stelling van [eiseres] dat zij ongevalgerelateerde klachten en beperkingen heeft ten gevolge waarvan zij niet meer in staat is haar werk als advocaat uit te voeren, overeind blijft. Subonderdelen 1b en 1c resteren nog; daaraan kom ik nu toe.
[H]et hof[oordeelde]
bij arrest in 2012 reeds dat het rapport van [neuroloog 2] uitgangspunt is bij de verdere beoordeling van de zaak, waarmee het thans bestreden arrest van juli 2021 niet strookt, zoals in middelonderdeel 1b is aangevoerd.” Mij ontgaat waarom uit het thans bestreden arrest zou volgen dat het hof het rapport van [neuroloog 2] niet (langer) tot uitgangspunt neemt; rov. 3.7 van het bestreden arrest vermeldt precies het tegenovergestelde, terwijl rov. 3.10 slechts betrekking heeft op de vraag wat wel en niet uit het rapport van [neuroloog 2] kan worden afgeleid.
alleaspecten van de zaak aan de hand van dat rapport behoorde te beslissen, waaronder de vraag welke functies [eiseres] als gevolg van het ongeval niet langer kan uitoefenen. Ook in zoverre kan de klacht niet tot cassatie leiden, omdat het hof zijn arrest van 26 juni 2012 kennelijk niet aldus heeft uitgelegd en dit verre van onbegrijpelijk is. Aan het rapport van [neuroloog 2] ligt immers een bepaalde vraagstelling ten grondslag, waartoe volgens het hof, gelet op rov. 3.10 van het bestreden arrest, niet de arbeidsdeskundige vraag behoort of [eiseres] als gevolg van het ongeval niet langer in staat is haar oorspronkelijke werkzaamheden te verrichten. [29] Het hof heeft aan het rapport van [neuroloog 2] niet méér betekenis willen hechten dan de daaraan volgens het hof ten grondslag liggende vraagstelling rechtvaardigt. Het rapport van [neuroloog 2] strekt volgens het hof dus tot uitgangspunt bij de verdere beoordeling in hoger beroep voor zover het gaat om de aspecten die aan de expertise van [neuroloog 2] waren toevertrouwd. De door [eiseres] bedoelde tegenstrijdigheid tussen het arrest van 26 juni 2012 en het bestreden arrest is er dus niet.
subonderdeel 1cluidt dat de beslissing van het hof lijdt aan innerlijke tegenstrijdigheid omdat rov. 3.10 niet te rijmen is met rov. 3.7, waarin het hof heeft overwogen dat partijen het er over eens zijn dat de rapportage van [neuroloog 2] tot uitgangspunt strekt bij de verdere beoordeling in hoger beroep, dat het hof zich daarmee verenigt en daarom ook van dat rapport zal uitgaan.
overwogen” (ik lees: geoordeeld) dat de eventueel na het onderzoek van [neuroloog 2] opgekomen of toegenomen klachten en beperkingen van [eiseres] door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige bij hun advies buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Volgens de klacht baseert het hof zijn oordeel hier “
kennelijk” op de suggestie van Hertz dat [eiseres] zou hebben gesteld dat sprake zou zijn van toegenomen klachten en beperkingen. Dat is onbegrijpelijk, aldus de klacht. Daartoe voert [eiseres] de volgende argumenten aan:
zelf” geconstateerd dat [verzekeringsarts 3] in zijn rapport te kennen heeft gegeven dat de bevindingen ten tijde van diens onderzoek in essentie niet afwijkend waren ten opzichte van het beeld dat [neuroloog 2] in diens rapportage heeft geschetst;
life-events, bestaat anders dan de rechtbank kennelijk voor ogen stond in het tussenvonnis van 19 februari 2014, overweging 4.9, geen gegronde reden om na het onderzoek van [neuroloog 2] opgekomen of toegenomen klachten en beperkingen van [eiseres] toe te rekenen aan de voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijke partij[,] Hertz, In zoverre slagen de grieven van Hertz tegen dit vonnis.”
life events). Het onderdeel wordt uitgewerkt in subonderdelen 4a, 4b en 4c, die ik in onderlinge samenhang zal bespreken. Daarbij zal ook subonderdeel 8c aan de orde komen, nu dat subonderdeel thematische samenhang vertoont met onderdeel 4. Zowel onderdeel 4 als subonderdeel 8c richt zich namelijk tegen (veronderstelde) oordelen van het hof met betrekking tot de causaliteit – in de zin van condicio-sine-qua-non-verband én in de zin van redelijke toerekening als bedoeld in art. 6:98 BW Pro – tussen het ongeval en de door [eiseres] ondervonden klachten en beperkingen (en het daaruit voortvloeiende (verlies van) verdienvermogen). Ik geef nu eerst subonderdelen 4a, 4b, 4c en 8c weer en zal deze subonderdelen vervolgens zo veel mogelijk gezamenlijk bespreken.
subonderdeel 4avoert [eiseres] aan dat de “
conclusie” van het hof dat ook indien ervan wordt uitgegaan dat [eiseres] in haar leven voor het ongeval geen (psychische) problemen heeft ervaren, dan nog haar persoonlijkheidskenmerken zoals deze naar voren komen uit het onderzoek van [psycholoog 1] – goede en kwade kansen in aanmerking nemend – haar in een leven zonder ongeval met grote mate van waarschijnlijkheid parten zouden hebben gespeeld niet “
(zonder meer)” volgt uit de door het hof in rov. 2.18 weergegeven verslag van [psycholoog 1] (zie randnummer 1.20 hiervoor), die volgens de klacht “
nota bene geen expertiserend arts maar een medisch behandelaar” is. De conclusie van het hof is louter speculatief, aldus de klacht.
conclusie” zich ook niet verdraagt met het door het hof in rov. 3.5 onderschreven uitgangspunt dat het bestaan van klachten als gevolg van het ongeval kan worden aangenomen als een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten aanwezig is en bovendien komt vast te staan dat deze gezondheidsklachten voor de aanrijding niet bestonden, terwijl die klachten op zichzelf door de aanrijding veroorzaakt kunnen worden, alsmede dat nu eenmaal inherent aan de door [eiseres] gestelde klachten is dat deze moeilijk objectiveerbaar zijn en aan de bewijslast ter zake niet al te hoge eisen mogen worden gesteld.
subonderdeel 4bheeft het hof miskend dat de klachten en beperkingen waarmee [eiseres] door en na het ongeval te kampen heeft gekregen op de voet van art. 6:98 BW Pro aan de schadeveroorzaker moeten worden toegerekend, ook als die gevolgen zouden zijn aan te merken als zelden voorkomend of als liggend buiten de normale lijn der verwachtingen, zeker als, zoals
in casu, een verkeers- of veiligheidsnorm is overtreden. De persoonlijkheid dan wel de predispositie van de benadeelde speelt geen rol bij de – mate van – toerekening. Dat klemt
in casutemeer daar [neuroloog 2] (slechts) rept van een
mogelijkepredispositie en benadrukt dat tot aan het ongeval die mogelijke predispositie nimmer tot disfunctioneren heeft geleid, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 4cwordt geklaagd dat de “
overweging” (ik lees: het oordeel) in rov. 3.14 dat [eiseres] ook zonder ongeval vergelijkbare klachten en beperkingen zou hebben ondervonden haaks staat op het – ook volgens het hof leidend geoordeelde – rapport van [neuroloog 2] (die nota bene óók de bevindingen van de door het hof genoemde [psycholoog 1] , medisch behandelaar, in zijn rapport heeft betrokken, aldus het subonderdeel onder verwijzing naar rov. 3.13). [neuroloog 2] geeft immers juist aan, zo wordt betoogd, dat er vóór het ongeval geen psychische of fysieke klachten of beperkingen bij [eiseres] waren en dat er geen aanwijzing is dat deze zonder ongeval ook zouden zijn ontstaan (het subonderdeel verwijst naar p. 19 van het rapport van [neuroloog 2] [32] en diens reactie van 23 november 2007 [33] ). Vóór het ongeval was [eiseres] klachtenvrij; haar voorgeschiedenis was blanco, aldus het subonderdeel onder verwijzing naar een reeks van vindplaatsen die betrekking hebben op – kort gezegd – het medische dossier van [eiseres] .
niet onmogelijk”acht dat het voortduren van klachten en verschijnselen negatief is beïnvloed door persoonlijkheidskenmerken, bepaald niet betekent dat er voldoende grond is voor de aanname van het hof dat deze klachten/verschijnselen ook zonder ongeval zouden zijn ontstaan. Dit betreft, aldus het subonderdeel, immers een mogelijke predispositie, die niet aan toerekening ex art. 6:98 BW Pro in de weg staat, hetgeen het hof heeft miskend, waaraan wordt toegevoegd dat aan de aanname dat die mogelijke predispositie zonder ongeval ook tot problemen zou hebben geleid, door Uw Raad terecht hoge eisen worden gesteld. Het subonderdeel verwijst naar rechtspraak van Uw Raad. [34]
aan de voorwaarden is voldaan om zonder ongeval (ook) klachten en beperkingen aan te nemen” en dat de motivering van het hof, waarin “
ook” geen aandacht is voor de vraag wanneer de klachten dan zouden zijn ontstaan, in welke mate en met welk effect, de beslissing ter zake niet kan dragen. Aan het slot wordt in het subonderdeel verwezen naar de reactie van [neuroloog 2] van 23 november 2007, [35] waar hij – aldus het subonderdeel – “
hierop toegespitste stellingen van Hertz gemotiveerd weerlegt.”
subonderdeel 8c– waarvan niet precies duidelijk is tegen welke rechtsoverweging(en) het zich precies richt – geldt dat in geval van letsel door schending van verkeers- of veiligheidsnormen terughoudendheid dient te worden betracht om ook uitval zonder ongeval aan te nemen, in de zin dat daarvoor kort gezegd feitelijk een ‘concreet aanknopingspunt’ dient te bestaan, waarbij het subonderdeel verwijst naar het arrest van Uw Raad van 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273 (
[…]). Het hof heeft dat miskend door die terughoudendheid niet in acht te nemen, waarbij het hof tevens heeft miskend dat in het kader van de toerekening van art. 6:98 BW Pro ook de gevolgen van een (eventuele) door een bijzondere lichamelijke of geestelijke gesteldheid bepaalde reactie op die schending aan de aansprakelijke partij worden toegerekend, ook indien die gevolgen daardoor ernstiger en langer van duur zijn dan in de normale lijn der verwachtingen ligt, aldus het subonderdeel.
the tortfeasor takes the victim as he finds him, met zijn eventuele lichamelijke of geestelijke kwetsbaarheden (predispositie), maar dat betekent niet dat de
tortfeasormoet opdraaien voor gebeurtenissen (en daaruit voortvloeiend nadeel) die niet in condicio-sine-qua-non-verband staan met het ongeval. [39] Dit onderscheid tussen het condicio-sine-qua-non-verband en de redelijke toerekening wordt in de genoemde subonderdelen ten onrechte niet gemaakt.
in de feitelijke situatie na het ongeval” [40] en (b) het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. [41] De stelplicht en bewijslast liggen bij de benadeelde, [42] maar volgens vaste rechtspraak van Uw Raad mogen aan de stellingen en aan het bewijs van de benadeelde in dit verband geen strenge eisen worden gesteld. [43] Redengevend daarvoor is, aldus Uw Raad, dat het de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval is die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. [44]
life events), dan ontbreekt in zoverre immers het condicio-sine-qua-non-verband tussen het ongeval en die uitval. [46] De rechter mag dit echter niet lichtvaardig aannemen. [47] Het oordeel dat redelijkerwijs te verwachten valt dat een predispositie tot nadeel zou hebben geleid in de hypothetische situatie zonder de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis moet herleidbaar zijn tot
concrete aanwijzingen. [48] Als er aanwijzingen zijn dat de benadeelde zonder ongeval met succes een bepaalde carrière zou hebben kunnen vervolgen en de rechter oordeelt op basis van een enkele, onduidelijke aanwijzing anders, zoals bijvoorbeeld aan de orde leek te zijn in
Vehof/Helvetia, dan kan zo’n oordeel niet op de instemming van Uw Raad rekenen. [49] Zuivere speculatie over de uitval van de benadeelde op een bepaalde leeftijd op basis van de wijze waarop de benadeelde op het ongeval heeft gereageerd, tolereert Uw Raad evenmin, zo volgt uit het arrest dat ook wel bekendstaat als
Jerrycan. [50] De vrijheid van de rechter vindt daar haar begrenzing. Een goed en aan de hand van concrete aanwijzingen (en in het bijzonder (para)medische gegevens) gemotiveerd oordeel van de feitenrechter met als inhoud dat de benadeelde ook zonder ongeval geheel of gedeeltelijk zou zijn uitgevallen, zal in cassatie echter in stand blijven. [51] Het is immers de feitenrechter die een knoop moet doorhakken – waaraan
enigespeculatie inherent is – en de rechtspraak van Uw Raad brengt niet mee dat bij twijfel altijd in het voordeel van de benadeelde moet worden beslist. [52]
(zonder meer)” dat de persoonlijkheidskenmerken van [eiseres] (zoals deze naar voren komen uit het onderzoek van [psycholoog 1] ) haar in een leven zonder ongeval met grote mate van waarschijnlijkheid parten zouden hebben gespeeld, waarbij [eiseres] klaagt dat het andersluidende oordeel van het hof in rov. 3.14 van het bestreden arrest louter speculatief is (subonderdeel 4a);
niet onmogelijk”acht dat het voortduren van klachten en verschijnselen negatief is beïnvloed door persoonlijkheidskenmerken, betekent bepaald niet dat er voldoende grond is voor de aanname van het hof dat deze klachten/verschijnselen ook zonder ongeval zouden zijn ontstaan (subonderdeel 4c).
terughoudendmoet zijn met het aannemen van uitval in de situatie zonder ongeval. Inderdaad kan de rechter alleen aannemen dat de benadeelde ook zonder ongeval zou zijn ’uitgevallen’ indien daarvoor concrete aanwijzingen bestaan. Anders dan [eiseres] meen ik echter niet dat het hof dit in het bestreden arrest heeft miskend, omdat het hof concrete aanwijzingen aan zijn oordelen op dit punt ten grondslag heeft gelegd. Ik loop de verschillende relevante elementen van de redenering van het hof langs.
life events). Mede op basis hiervan is het hof in rov. 3.15-3.24 nagegaan welke beperkingen van [eiseres] van belang zijn voor het bepalen van haar verlies aan verdienvermogen.
Jerrycan, waar het hof had aangenomen dat de benadeelde uiterlijk omstreeks 55-jarige leeftijd geheel zou zijn uitgevallen. [53] Een dergelijk ‘dramatisch’ oordeel is hier niet aan de orde. Van ‘zuivere speculatie’ is hier ook geen sprake. Bij zijn beoordeling heeft het hof acht geslagen op studieresultaten, testresultaten, sollicitaties, een brief van de toenmalige patroon van [eiseres] , de bevindingen van [psycholoog 1] en het rapport van [psycholoog 2] (zie randnummer 1.28 hiervoor).
precieszou zijn gebeurd, maar om na te gaan welke klachten en beperkingen van [eiseres] door het ongeval zijn ontstaan en welke niet en wat dat betekent voor het verlies aan verdienvermogen. In mijn ervaring zijn (gerechts)deskundigen overigens ook niet of nauwelijks bereid zich over de vraag wanneer, in welke mate en met welk effect klachten zonder ongeval zouden zijn ontstaan op een stellige wijze uit te laten, zodat de rechter er veelal zelf een ‘klap’ op moet geven. Dat is in een geval als dit – waarin de klachten en beperkingen waarmee [eiseres] wordt geconfronteerd schijnbaar niet voortvloeien uit fysiek letsel dat bij het ongeval is ontstaan – een lastige, schier onmogelijke taak, waarbij het hof alleen tot grofmazige waarschijnlijkheidsoordelen kon komen. Dat het hof precies zou kunnen aanstippen wanneer, in welke mate en met welk effect klachten zouden zijn ontstaan als er geen ongeval zou zijn geweest, is nagenoeg ondenkbaar, zodat het ook niet reëel is om dat te verlangen. Voor het oordeel van het hof dat [eiseres] zonder ongeval ook geen succesvolle carrière als advocaat zou hebben gehad was dat in ieder geval niet nodig, omdat het hof kennelijk voor ogen heeft gehad dat [eiseres] bij de desbetreffende werkzaamheden als advocaat tegen onneembare barrières zou aanlopen. Wanneer dat
precieszou zijn gebeurd en welke implicaties dat
precieszou hebben gehad, kan in het midden blijven.
(zonder meer)” volgt dat de persoonlijkheidskenmerken van [eiseres] (zoals deze naar voren komen uit het onderzoek van [psycholoog 1] ) haar in een leven zonder ongeval met grote mate van waarschijnlijkheid parten zouden hebben gespeeld en het andersluidende oordeel van het hof in rov. 3.14 louter speculatief is, slaagt mijns inziens evenmin.
zonder meer” daaruit volgt. Het enkele gegeven dat dat verslag ook anders kan worden begrepen, zoals [eiseres] kennelijk meent, brengt niet mee dat de uitleg van het hof onbegrijpelijk is. Verder stel ik voorop dat een beoordeling zoals hier aan de orde is, te weten de beantwoording van de vraag wat zonder ongeval zou zijn gebeurd gelet op de aanwijzingen die daarvoor voorhanden zijn, naar haar aard in enige mate speculatief is (zie in randnummer 3.37 hiervoor). Het hof kan dus niet worden verweten dat het heeft gespeculeerd. Waar het om gaat is of de speculaties van het hof door hem konden worden geëxtrapoleerd uit de bekende feiten en omstandigheden die concrete aanwijzingen bieden. De rechter moet het daarbij doen met de gegevens die hem ter beschikking staan en is voorts aangewezen op een inschatting, meer is niet mogelijk, van de zogenoemde ‘goede en kwade kansen’ (zie eveneens in randnummer 3.37 hiervoor).
[eiseres] behaal[t] op de cognitieve taken zeer zwakke scores, waarbij mentale traagheid op de voorgrond staat. Deze scores kunnen niet verklaard worden als restverschijnsel van het auto-ongeluk.” En verder: “
Uit persoonlijkheidsonderzoek komt naar voren dat mevrouw een sterke neiging tot somatiseren heeft, over weinig introspectief vermogen beschikt en psychisch kwetsbaar is. Mogelijk is zij daarbij impulsief en kent ze haar eigen grenzen niet.” Niet onbegrijpelijk is dat het hof in het licht hiervan heeft ingeschat dat bijvoorbeeld “
in eenieders leven voorkomende life-events” bij [eiseres] ook psychische problemen zouden hebben veroorzaakt. [eiseres] legt overigens ook niet uit waarom deze inschatting onbegrijpelijk zou zijn. De enkele stellingname van [eiseres] dat “
[d]e conclusie van het hof(…)
niet (zonder meer)[volgt]
uit de[het, A-G]
door het hof in r.o. 2.18 weergegeven verslag van [psycholoog 1]” is daarvoor onvoldoende.
nota bene geen expertiserend arts maar een medisch behandelaar”, geldt dat de klacht in zoverre niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van bepaaldheid en precisie. [54] In het subonderdeel 4a wordt niet duidelijk gemaakt waarom het gegeven dat [psycholoog 1] “
geen expertiserend arts maar een medisch behandelaar” is erop zou wijzen dat haar bevindingen zonder meer onbetrouwbaar of minder betrouwbaar zouden zijn, terwijl dat wel uitleg behoeft. Het is mij niet duidelijk wat [eiseres] op dit punt nu
preciesbedoelt en ik ga daar ook niet naar gissen. Ik merk slechts op dat buiten kijf staat dat [neuroloog 2] als medisch expert in zijn rapport geen blijk geeft van twijfel aan de bevindingen van [psycholoog 1] , wat ook aansluit bij wat het hof daarover in de eerste zin van rov. 3.13 heeft opgetekend: “
[neuroloog 2] heeft het verslag van [psycholoog 1] uit 2005 bij zijn beschouwingen en antwoorden betrokken.”
deze stelplicht- en bewijslastverdelingniet wordt gewijzigd door het gegeven dat de beschreven klachten ‘subjectief’ zijn en daarom moeilijk objectief vast te stellen zijn. Het subjectieve karakter van de klachten van [eiseres] leidt dus niet tot een voor haar gunstiger stelplicht- en bewijslastverdeling. Voor zover de klacht uitgaat van een andere lezing van rov. 3.5, mist zij feitelijke grondslag. Het hof heeft het subjectieve karakter van de klachten van [eiseres] overigens ook niet aan haar tegengeworpen. Dat deze klachten bestaan (en dus niet voorgewend zijn), heeft het hof onmiskenbaar aangenomen. Nergens heeft het hof geoordeeld dat [eiseres] de door haar beschreven klachten niet heeft of anderszins doen blijken dat het deze niet serieus neemt. Het gaat in rov. 3.14 om de vraag in hoeverre deze klachten
het gevolg zijnvan het ongeval. Voor zover de klacht uitgaat van een andere lezing van het bestreden arrest, mist zij feitelijke grondslag. Mij ontgaat tegen deze achtergrond waarom de beantwoording van die vraag door het hof tegenstrijdig zou zijn aan het in rov. 3.5 van het bestreden arrest geformuleerde uitgangspunt.
gegevenis, zodat het hof niet meer kon oordelen dat dat verband tussen het ongeval en een deel van de klachten ontbreekt. Ik meen echter dat het in rov. 3.5 van het bestreden arrest geformuleerde uitgangspunt niet zo moet worden begrepen. Ik merk daarbij op dat de cassatieklachten geen aanleiding geven om de juistheid van dit uitgangspunt te beoordelen: geen van partijen heeft rov. 3.5 bestreden, zodat in cassatie van de juistheid daarvan
moetworden uitgegaan,
ongeachtof het (ten volle) juist is. Ik benadruk het nog maar eens, niet ten behoeve van Uw Raad, maar ten behoeve van die lezers die mogelijk onvoldoende aandacht hebben voor de processuele context. [55] Daarmee bedoel ik tegelijkertijd
niette suggereren dat dit uitgangspunt eigenlijk onjuist zou zijn.
weerlegbaarvermoeden betreffen op basis van de correlatie tussen enerzijds een ongeval en anderzijds structurele klachten. [60] Met het ‘activeren’ van dat vermoeden is het debat echter niet zonder meer ten einde, gelet op het weerlegbare karakter ervan. Zo kan – en dat is voor deze zaak van belang – wel degelijk blijken dat een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten dat ná een ongeval voor het eerst wordt gerapporteerd en dat door de aanrijding kán zijn veroorzaakt
toch nietin condicio-sine-qua-non-verband staat met het ongeval. Daarvoor moet dan wel voldoende zijn aangevoerd om het vermoeden te ‘ontzenuwen’. [61]
dat er vóór ongeval geen psychische of fysieke klachten of beperkingen bij [eiseres] waren en dat er geen aanwijzing is dat deze zonder ongeval ook zouden zijn ontstaan”.
op neurologisch terreinals gevolg van het ongeval op 08.02.2001 zijn omstandig beschreven in het geneeskundig rapport. Zie terzake hoofdstuk “I. Anamnese”. [
[neuroloog 2] doelt op p. 2-7 van zijn rapport, A-G.]
[eiseres] , A-G] in het bijzonder klachten over pijnen in het hoofd, de nek en de schoudergordel, doortrekkend in de onderrug, gepaard met een chronische vermoeidheid, slaapstoornissen, concentratie- en geheugenproblemen en ook met tintelingen in de handen, een vage visusstoornis en een aspecifieke evenwichtsstoornis.
De klachten en verschijnselen (…) niet was overkomen.”).
vrijwel direct in aansluiting aan het ongeval zijn opgetreden en een dag later betrokkene ook aanleiding hebben gegeven om telefonisch met haar huisarts te overleggen” niet ook zonder het ongeval zouden zijn ontstaan. Daarover heeft het hof zeker niet anders geoordeeld. De strekking van rov. 3.14 komt er immers in de kern op neer dat de ná het onderzoek van [neuroloog 2] in 2007 opgekomen of toegenomen klachten en beperkingen van [eiseres] buiten beschouwing blijven nu deze niet in condicio-sine-qua-non-verband staan met het ongeval omdat deze klachten en beperkingen naar de inschatting van het hof ook zouden zijn opgetreden zonder ongeval. Dit oordeel ziet evident niet op de neurologische klachten die [neuroloog 2] beschrijft. Het hof heeft de eventuele psychische problemen op het oog gehad, die [eiseres] gelet op “
haar persoonlijkheidskenmerken zoals deze naar voren komen uit het onderzoek van [psycholoog 1]” en “
goede en kwade kansen in aanmerking nemend” ook “
in een leven zonder ongeval met grote mate van waarschijnlijkheid parten[zouden]
hebben gespeeld.” Dáárover heeft [neuroloog 2] zich bij de beantwoording van vraag 2 niet uitgelaten. [63]
[m]ede gelet op haar[ [eiseres] ’, A-G]
persoonlijkheidskenmerken(…)
niet onmogelijk[is]
dat het voortduren van de klachten en verschijnselen (doch niet het ontstaan daarvan) negatief zijn beïnvloed door psychische factoren” doet mijns inziens niets af aan de mogelijkheid dat [eiseres] ook zonder ongeval psychische klachten zou hebben ontwikkeld. [neuroloog 2] opmerking ziet immers slechts op de neurologische klachten die hij heeft vastgesteld en niet op de kennelijk door het hof bedoelde eventuele psychische problemen die pas na het onderzoek van [neuroloog 2] aan het licht zijn gekomen. [64]
bijzonder commentaar” onthoudt “
[w]at betreft de andere (lichamelijke en psychische) klachten die niet kunnen worden toegeschreven aan het postwhiplashsyndroom en ten aanzien van mogelijke life-events(…).” Het hof heeft aan de opmerkingen van [neuroloog 2] over de door hem vastgestelde (neurologische) klachten in het geheel niets afgedaan, niet in rov. 3.14 en ook niet elders in het bestreden arrest.
niet onmogelijk” acht dat het voortduren van klachten en verschijnselen negatief is beïnvloed door persoonlijkheidskenmerken, bepaald niet betekent dat er voldoende grond is voor de aanname van het hof dat deze klachten/verschijnselen ook zonder ongeval zouden zijn ontstaan.
moetpauzeren, maar dat zij
de mogelijkheid moet hebbenzich gedurende 15 minuten met minder, dan wel geringe concentratie vergende activiteiten bezig te houden en dat evenmin in het rapport staat dat zij, nadat zij gedurende 30 minuten haar aandacht heeft moeten verdelen over meerdere informatiebronnen, 10 tot 15 minuten
moetpauzeren, maar dat zij
de mogelijkheid moet hebbenzich gedurende 10 tot 15 minuten op één informatiebron te richten en dat dergelijke restricties ter zake van concentratie en aandacht betekenen dat de (af)wisselende werkzaamheden onafgebroken kunnen worden verricht, met de voor een ieder geldende, gebruikelijke pauzes gedurende de werkdag. Volgens de klacht is dit onbegrijpelijk, omdat wat [verzekeringsarts 3] letterlijk heeft gerapporteerd geen andere conclusie toelaat dan dat het is uitgesloten dat [eiseres] onafgebroken – behoudens de gebruikelijke pauzes gedurende de werkdag – (af)wisselende werkzaamheden kan verrichten.
zich gedurende 15 minuten met minder/ geringe concentratievergende activiteiten bezig[te]
houden.
haar aandacht gedurende 10-15 minuten op 1 informatiebron te richten.” (cursiveringen toegevoegd door mij, A-G)
het(…)
uitgesloten[is]
dat [eiseres] onafgebroken – behoudens de gebruikelijke pauzes gedurende de werkdag – (af)wisselende werkzaamheden kan verrichten.” Mij ontgaat waarom de door [verzekeringsarts 3] beschreven eis van afwisseling eraan in de weg zou staan dat [eiseres] onafgebroken werkt, behoudens de gebruikelijke pauzes gedurende de werkdag. [eiseres] lijkt te suggereren dat dit
de factoniet haalbaar is, maar licht dat verder niet toe. De klacht faalt dus.
heeft betrokken, betekent nog niet dat hij daaraan de juiste betekenis heeft gehecht. Het oordeel van het hof dat het rapport van [arbeidsdeskundige 2] niet bruikbaar is, wordt bestreden door onderdeel 6. Nu dat onderdeel, zoals hierna blijkt, faalt, faalt ook deze klacht.
van [verzekeringsarts 3] , A-G] niet af te leiden dat [eiseres] met de beperkingen die zij ten gevolge van het ongeval ondervindt niet in staat is tot het verrichten van loonvormende arbeid. Integendeel. Zoals [verzekeringsarts 3] opmerkt: er is een restrictie, maar deze is gering. In zijn rapport staat niet dat [eiseres] , nadat zij zich gedurende 45 minuten heeft geconcentreerd op complexe materie, 15 minuten moet pauzeren, maar dat zij de mogelijkheid moet hebben zich gedurende 15 minuten met minder, dan wel geringe concentratie vergende activiteiten bezig te houden. Evenmin staat in het rapport dat zij, nadat zij gedurende 30 minuten haar aandacht heeft moeten verdelen over meerdere informatiebronnen, 10 tot 15 minuten moet pauzeren, maar dat zij de mogelijkheid moet hebben zich gedurende 10 tot 15 minuten op 1 informatiebron te richten. Dergelijke restricties ter zake van concentratie en aandacht betekenen dat de (af)wisselende werkzaamheden onafgebroken kunnen worden verricht, met de voor eenieder geldende, gebruikelijke pauzes gedurende de werkdag. Een algehele ongeschiktheid voor passend werk kan hieruit niet worden afgeleid. Uit het rapport van [verzekeringsarts 3] volgt dat [eiseres] loonvormende arbeid kan verrichten, zij het met een (geringe) beperking.
metongeval:
hof miskent dat [verzekeringsarts 3] niet meent dat [eiseres] nog (in zekere mate) kan werken en/of re-integreren, want [verzekeringsarts 3] geeft daarvoor alleen de voorwaarden.” Volgens de klacht geeft [verzekeringsarts 3] aan dat [eiseres] “
met inachtneming van” de door hem aangenomen beperkingen nog zou kunnen werken (waarbij [eiseres] verwijst naar p. 18 van het rapport van [verzekeringsarts 3] en p. 11 van het rapport van [arbeidsdeskundige 2] ). Uitgaande van de beperkingen zoals door [verzekeringsarts 3] aangenomen is het aan [arbeidsdeskundige 2] als arbeidsdeskundige de vertaalslag te maken naar arbeid en het overige functioneren (huishouden, zelfwerkzaamheid, tuinonderhoud), aldus het subonderdeel. Het hof heeft echter, aldus het subonderdeel, het rapport van [arbeidsdeskundige 2] “
terzijde geschoven zónder dat is gebleken van bezwaren, laat staan steekhoudende/klemmende bezwaren, en is vervolgens zelf op de stoel van arbeidsdeskundige gaan zitten (en heeft (…) dus ook geen nieuw arbeidsdeskundig onderzoek gelast, dan wel loopt (…) op de conclusies van dat nieuwe onderzoek vooruit) en is tot geheel andere conclusies dan [arbeidsdeskundige 2] gekomen zonder dat daarvoor een dragende (deugdelijke) motivering is gegeven.”
kanworden bevolen. In het algemeen is de feitenrechter niet rechtens gehouden om bij de beslechting van een geschilpunt dat verband houdt met een thema dat buiten zijn expertise ligt, een deskundigenbericht te bevelen. Het is aan het inzicht van de feitenrechter overgelaten of hij behoefte heeft aan een nadere deskundige voorlichting. [68] Of en ten aanzien van welke specifieke vragen een deskundigenbericht naar het oordeel van de feitenrechter nodig of zinvol is, zal in de praktijk bijvoorbeeld afhangen van (a) de stellingen van partijen en de onderbouwing daarvan (eventueel (mede) in de vorm van partijdeskundigenrapporten), (b) de
matewaarin de standpunten van partijen uiteenlopen en bijvoorbeeld ook (c) het belang dat de procedure niet onredelijk wordt vertraagd (art. 20 lid 1 Rv Pro). [69] Het gaat dus bij uitstek om aspecten die ofwel van feitelijke aard zijn, ofwel samenhangen met het procesbeleid van de feitenrechter. De beslissing van de feitenrechter om al dan niet een deskundigenbericht te bevelen, kan daarom in cassatie niet op juistheid maar slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.
bruikbaaris in het licht van de geschilpunten die hij moet beslechten. [70] De feitenrechter, die immers zelf bepaalt of een deskundigenbericht nodig is en ten aanzien van welke vragen, kan ook oordelen dat een deskundigenbericht onbruikbaar is indien daartegen geen (steekhoudende) bezwaren zijn aangevoerd. [71] Het oordeel dat een deskundigenbericht niet bruikbaar is, kan gelet op de feitelijke aard daarvan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst en dat naar ik meen ook slechts terughoudend. Mijns inziens mag worden verondersteld dat de feitenrechter die heeft geoordeeld dat een deskundigenbericht onbruikbaar is, dat op goede gronden heeft gedaan, behoudens wanneer dat oordeel écht niet te begrijpen is. Dat oordeel wordt dus (zeker) niet onbegrijpelijk enkel doordat een ander oordeel ook verdedigbaar zou zijn geweest.
subonderdeel 6d, dat een rechtsklacht bevat, lijkt [eiseres] een ander toetsingskader te bepleiten:
kennelijk: [neuroloog 2] , [verzekeringsarts 3] en [arbeidsdeskundige 2] , A-G] die juist vanwege hun specifieke deskundigheid op het terrein van het onderzoek zijn benoemd. Hoewel de waardering van het bewijs in beginsel aan de rechter is overgelaten (artikel 152 lid 2 Rv Pro) zal de rechter de oordelen van de deskundigen niet snel naast zich neerleggen, indien de rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de conclusies van de deskundigen deugdelijk zijn onderbouwd en logischerwijs voortvloeien uit de deskundige in het rapport vermelde gegevens. Het hof heeft dat miskend.”
feitelijke voorspelling(of ervaringsregel) dat de rechter de oordelen van de deskundigen niet snel naast zich zal neerleggen indien de rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de conclusies van de deskundigen deugdelijk zijn onderbouwd en logischerwijs voortvloeien uit de door de deskundigen in de rapporten vermelde gegevens. Mij ontgaat echter hoe uit dat gegeven een rechtsregel kan volgen die het hof zou hebben miskend. Hiervoor heb ik al uiteengezet dat en waarom de feitenrechter bij de (feitelijke) beoordeling of een deskundigenbericht bruikbaar is de ruimte moet krijgen. Ik voeg daaraan toe dat het niet voor de hand ligt dat de cassatierechter de feitenrechter dwingt een deskundigenbericht te gebruiken dat de feitenrechter niet heeft kunnen overtuigen, tenzij de redenering van de feitenrechter om dat niet te doen écht niet te volgen is. De klacht faalt daarom.
subonderdeel 6egaat [eiseres] nog een stap verder. Het subonderdeel luidt:
zelf” op de stoel van arbeidsdeskundige is gaan zitten, althans op diens conclusies is vooruitgelopen en neemt dus tot uitgangspunt dat de rechter bepaalde vragen zonder meer aan een (gerechts)deskundige moet overlaten, een uitgangspunt dat in het licht van het voorgaande niet in het algemeen kan worden aanvaard. De afweging en daarop berustende beslissing van het hof om een bepaald geschilpunt zonder raadpleging van een gerechtskundige te beslechten, kan in cassatie niet op juistheid maar alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. Zie hiervoor in randnummer 3.83. Deze klacht faalt dus ook.
Voor zover [eiseres] heeft gesteld dat zij door haar klachten ten gevolge van het ongeval in het geheel niet in staat was en is om te werken, vindt dat geen steun in de rapportage van [neuroloog 2] uit 2007 (die toen een eindtoestand aanwezig achtte) en [verzekeringsarts 3] uit 2015.” Nog los van het feit dat in subonderdeel 6a niet duidelijk wordt gemaakt waarom het hof uit het rapport van [verzekeringsarts 3] niet anders kon afleiden dan dat [eiseres] in het geheel niet in staat was en is om te werken, geldt dat ik de uitleg van het hof goed kan begrijpen, gelet op het volgende.
Ondergetekende concludeert dat de bevindingen ten tijde van het verzekeringsgeneeskundig deskundigen onderzoek d.d. 30 maart 2015 in essentie niet afwijken van het beeld geschetst door deskundige [neuroloog 2] in het deskundigenrapport d.d. 28 november 2007.” Tot die bevindingen van [neuroloog 2] , weergegeven op p. 17 van het rapport van [verzekeringsarts 3] , behoren de volgende:
blijvende invaliditeit, A-G] percentage op ten hoogste 2 procent GR kan worden gesteld. Verder geeft deskundige [neuroloog 2] aan dat de door betrokken[e] aangegeven beperkingen aannemelijk zijn op grond van de aanwezigheid van een post whiplashsyndroom en daarmee te begrijpen als gevolg van het ongeval.
Conclusie:
het rapport van [arbeidsdeskundige 2] van 25 maart 2016 niet bruikbaar is bij de beoordeling van de door [eiseres] geleden schade”, zoals het in de eerste zin van rov. 3.24 heeft geoordeeld? Het hof is er (terecht) vanuit gegaan dat alleen die beperkingen van [eiseres] in aanmerking komen die in causaal verband staan met het ongeval. Alleen de daaruit voortvloeiende schade moet (in beginsel) worden vergoed. Volgens het hof geldt dat voor de beperkingen die door [neuroloog 2] en [verzekeringsarts 3] zijn vastgesteld (en niet voor andere beperkingen), zo volgt uit rov. 3.22. Het hof heeft in rov. 3.24, na de eerste zin, voor zover van belang, overwogen en geoordeeld: “
[arbeidsdeskundige 2] heeft meer en omvangrijkere beperkingen aan zijn rapport ten grondslag gelegd dan de beperkingen die zijn genoemd door [neuroloog 2] en [verzekeringsarts 3] en die hij tot uitgangspunt had moeten nemen. Dat betekent dat de rechtbank ten onrechte haar beslissingen over de verdiencapaciteit(…)
van [eiseres] heeft gebaseerd op het rapport van [arbeidsdeskundige 2] . In zoverre slagen de grieven van Hertz.”
meer en omvangrijkere beperkingen” het heeft bedoeld. Vast staat dat [arbeidsdeskundige 2] heeft geconcludeerd dat [eiseres] geheel arbeidsongeschikt is voor passende arbeid (rov. 2.27 van het bestreden arrest). Daaruit volgt op zichzelf nog niet dat [arbeidsdeskundige 2] meer en omvangrijkere beperkingen aan zijn rapport ten grondslag heeft gelegd dan de beperkingen die zijn genoemd door [neuroloog 2] en [verzekeringsarts 3] , want het is mogelijk dat in het licht van laatstgenoemde beperkingen [arbeidsdeskundige 2] als arbeidsdeskundige constateert dat geen functies in aanmerking komen, zodat het verdienvermogen uiteindelijk nihil is. Volgens mij is dat de lezing van [eiseres] .
in haar anamnese [76] [tegenover [arbeidsdeskundige 2] , A-G]
volledig[heeft]
gevolgd en(…)
op basis van die anamnese[heeft]
‘vastgesteld’ dat [eiseres] niet en nooit meer kan werken(…)”. In randnummer 198. van haar memorie van grieven, in het kader van grief 46, heeft Hertz geschreven: “
[arbeidsdeskundige 2] heeft weliswaar de bevindingen van [neuroloog 2] als uitgangspunt genomen, maar heeft vervolgens met name de conclusies van [verzekeringsarts 3] (de beperkingen) verder uitgebreid op basis van de anamnese die hij van [eiseres] heeft gehoord.” In randnummer 201. van haar memorie van grieven, in het kader van grief 47, heeft Hertz geschreven dat [arbeidsdeskundige 2] [eiseres] “
volledig heeft gevolgd in haar stelling dat zij na augustus 2001 nimmer meer heeft gewerkt en, met name dat zij sindsdien volledig arbeidsongeschikt is en dat niet te verwachten is dat hier in praktische zin nog verandering in optreedt.”
[N]a uitval voor haar beroepsmatige werkzaamheden in augustus 2001 heeft betrokkene nimmer meer in loonvormende arbeid gewerkt. Zij acht zich volledig arbeidsongeschikt voor het werk dat zij voorheen deed, zo gaf zij aan, en acht zich blijkens de verwoording van haar visie in de rapportage van [verzekeringsarts 3] ook niet tot andere loonvormende werkzaamheden in staat. Zij vormt aldus geen reëel aanbod op de arbeidsmarkt. Nu deze situatie al bijna 15 jaar voortduurt, valt niet te verwachten dat hier in praktische zin nog verandering in optreedt.” Het hof heeft onmiskenbaar gemeend dat deze benadering, waarbij [arbeidsdeskundige 2] betekenis lijkt te hebben toegekend aan het gegeven dat [eiseres] vanaf augustus 2001 niet meer heeft gewerkt, niet strookt met wat het hof in rov. 3.21-3.23 voor ogen heeft gestaan, namelijk dat juist moet worden geabstraheerd van het gegeven dat [eiseres] sinds 2001 niet of nauwelijks meer heeft gewerkt, nu de beperkingen
die het gevolg zijn van het ongevalgelet op de rapporten van [neuroloog 2] en [verzekeringsarts 3] niet geheel in de weg staan aan het verrichten van arbeid. Deze redenering van het hof is geenszins onbegrijpelijk. De klacht faalt dus, zodat subonderdeel 6e in zijn geheel faalt.
Subonderdeel 6bbevat de volgende klacht. Ingevolge het tussenvonnis van 10 december 2014, [77] aldus de klacht, is [arbeidsdeskundige 2] (onder meer) verzocht de vraag te beantwoorden of [eiseres] uitgaande van het rapport van de verzekeringsgeneeskundige in arbeidsrechtelijke zin beperkingen bij het verrichten van loonvormende arbeid ondervindt, van welke vraagstelling [arbeidsdeskundige 2] in zijn rapportage van 25 maart 2016 niet is afgeweken. In navolging van de rechtbank heeft ook [arbeidsdeskundige 2] het rapport van [verzekeringsarts 3] als een onverbrekelijk deel van zijn rapport beschouwd en heeft hij de door [verzekeringsarts 3] geduide beperking in diens rapportage overgenomen, aldus de klacht. Uit het rapport van [arbeidsdeskundige 2] (waarbij [eiseres] verwijst naar p. 2 onder 1.1 (vraag 1), p. 9 (eerste alinea), p. 12 (eerste alinea), p. 30 (laatste alinea) en p. 33 (voorlaatste alinea)) volgt volgens de klacht dat hij niet meer of minder heeft gedaan dan uitgaan van de belastbaarheid zoals volgens [verzekeringsarts 3] aan de orde is. Subonderdeel 6c klaagt dat voor zover het hof heeft bedoeld dat het rapport van [arbeidsdeskundige 2] niet bruikbaar is, omdat deze eventueel na het onderzoek van [neuroloog 2] opgekomen of toegenomen klachten en beperkingen in zijn rapportage zou hebben betrokken, daaraan iedere grond ontbreekt. [arbeidsdeskundige 2] heeft, zo wil de klacht, zijn onderzoek en bevindingen aantoonbaar gebaseerd op de klachten en beperkingen die [verzekeringsarts 3] heeft geduid, welke op hun beurt in essentie niet afwijken van de klachten en beperkingen zoals [neuroloog 2] die heeft weergegeven.
onderdeel 7wordt geklaagd over rov. 3.27-3.32, waarin het hof, aldus het onderdeel, tot het oordeel is gekomen dat voor [eiseres] , in de hypothetische situatie zonder ongeval, geen carrière als advocaat was weggelegd. Die beslissing is rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan essentiële stellingen van de zijde van [eiseres] ter zake. Onderdeel 7 bestaat uit twee subonderdelen. Gelet op wat hierna volgt, is het niet nodig de hiervoor genoemde rechtsoverwegingen op deze plaats volledig weer te geven.
subonderdeel 7aheeft het hof miskend dat het bij de vraag of, indien het ongeval wordt weggedacht, voor [eiseres] een carrière als advocaat was weggelegd, “
aankomt op een vergelijking op basis van enerzijds de hypothetische situatie met ongeval[lees: zonder ongeval, A-G]
en anderzijds de concrete situatie met ongeval,” waarbij een milde bewijswaarderingsmaatstaf geldt, in die zin dat geen al te strenge eisen mogen worden gesteld aan het bewijs van (schade wegens het niet meer kunnen uitvoeren van) werkzaamheden die zouden zijn verricht in de hypothetische situatie zonder ongeval. Rechtens onjuist is dus dat het hof de situatie met ongeval ook hypothetisch benadert, aldus het subonderdeel. Letselschade moet concreet en volledig vergoed worden, en dus niet abstract begroot worden, zo wordt in het subonderdeel toegevoegd.
hypothetische situatie met ongeval”, is dat voor het bepalen van de schade alleen die beperkingen (en de daaruit voortvloeiende functiemogelijkheden) in aanmerking komen die in causaal verband bestaan met ongeval, zodat logischerwijs moet worden geabstraheerd van (eventuele) beperkingen die niet in causaal verband staan met het ongeval. Slechts een deel van de concrete situatie met ongeval komt in aanmerking voor de (concrete) schadebegroting en in zoverre moet dus een ‘hypothetische situatie’ in kaart worden gebracht, te weten van de situatie
metongeval maar
zonderde klachten en beperkingen die niet het gevolg zijn van het ongeval. Met abstracte schadebegroting heeft dat niets van doen.
Subonderdeel 7bklaagt dat het hof in rov. 3.27-3.32 selectief heeft geput uit de voor [eiseres] (vermeend) ongunstige informatie, maar ten onrechte essentiële stellingen van [eiseres] niet meeweegt, gevolgd door een reeks aan vindplaatsen en het betoog dat het hof eveneens ten onrechte voorbijgaat aan de gemotiveerde betwisting van de voor [eiseres] ongunstige informatie (begeleid door een vindplaats), terwijl, als het hof dat alles wél zou hebben gedaan, zulks tot een ander oordeel had moeten leiden.
(vermeend) ongunstige informatie” [eiseres] nou
preciesbedoelt en welke
specifiekestellingen van [eiseres] het hof niet (of onvoldoende) heeft meegewogen en waarom deze specifieke stellingen nou
preciesessentieel zijn. Het subonderdeel gaat daarmee uit van een verkeerde opvatting van de taak van de cassatierechter en voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen van bepaaldheid en precisie. [81] Overigens heb ik geen door het hof gepasseerde essentiële stellingen aangetroffen bij de in het subonderdeel vermelde vindplaatsen.
Onderdeel 8bevat de klacht dat het rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.35 “
overweegt” (ik lees: oordeelt) dat [eiseres] , in de hypothetische situatie met ongeval, gelet op de op grond van de rapportages van [neuroloog 2] en [verzekeringsarts 3] in aanmerking te nemen beperkingen, geacht moet worden als gevolg van het ongeval voor 20% beperkt te zijn in haar verdienvermogen ten opzichte van de hypothetische situatie zonder ongeval en dat zij in de hypothetische situatie met ongeval dus in staat moet worden geacht een juridische deeltijdbaan (van 80%) op universitair denkniveau te vervullen in een niet of weinig dynamische omgeving en daarnaast een actief sociaal leven te hebben. Het onderdeel bestaat uit drie subonderdelen, 8a tot en met 8c. Subonderdeel 8c kwam in randnummers 3.33 en 3.39-3.43 al aan de orde. Daar bleek dat dit subonderdeel faalt. Ik beperk mij hier dus tot subonderdelen 8a en 8b.
Subonderdeel 8aklaagt dat het hof in het geheel niet heeft gemotiveerd waar die 20% en 80% op zijn gebaseerd, hetgeen op zichzelf al onbegrijpelijk is.
Subonderdeel 8bklaagt ten eerste dat het antwoord op de vraag in welke mate [eiseres] in haar verdienvermogen beperkt is, respectievelijk kan werken, alleen kan worden afgeleid uit de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapportages, zoals deze in onderhavige procedure zijn uitgebracht en die volgens [eiseres] tot uitgangspunt strekken. Dit heeft het hof miskend, aldus de klacht.
miskend” – ik begrijp deze klacht uitsluitend als motiveringsklacht – “
dat dit een functie op MBO-niveau (althans niet op WO/HBO-niveau) is”, wat gelet op de universitaire opleiding van [eiseres] niet als passend is te achten, alsook dat “
dit een theoretische duiding is”, terwijl volgens [arbeidsdeskundige 2] daar nog altijd aan in de weg staat dat in de praktijk de werkzaamheden niet zo zijn vorm te geven dat binnen de geduide belastbaarheid wordt gebleven én de kans op daadwerkelijk aanvaarding van dergelijk werk vanuit vraag- en aanbodfactoren nihil is.
alleeventuele beperkingen van [eiseres] en het (daarmee samenhangende) gegeven dat [eiseres] sinds 2001 niet meer heeft gewerkt in causaal verband staan met het ongeval, moet ten dele worden geabstraheerd van de werkelijke situatie met ongeval. Het hof moest dus zelf een
inschattingmaken van de situatie
metongeval maar
zonderacht te slaan op alle gebeurtenissen en de werkelijke toestand en werkzaamheid van [eiseres] na het ongeval. Daarom heeft het hof de woorden “
hypothetische situatie met ongeval” gekozen.
nietvoor gezorgd dat [eiseres] in het geheel niet meer kon werken. Dat [eiseres] sinds het ongeval niet of nauwelijks heeft gewerkt en zelf van mening is dat zij niet kan werken (in een passende functie), is voor het bepalen van verlies van verdienvermogen als gevolg van het ongeval dus irrelevant. Het hof heeft daarom het rapport van [arbeidsdeskundige 2] buiten beschouwing gelaten. Zie hierover onderdeel 6. Omdat een vergelijking tussen de hypothetische situatie zonder ongeval en een (inderdaad) hypothetische situatie met ongeval nodig is, heeft het hof gemeend dat het deze vergelijking, die als gezegd inherent enigszins speculatief is, zonder nadere deskundige voorlichting kon maken. Als een blik wordt geworpen op rov. 3.34-3.36, die hiervoor (gedeeltelijk) werden aangehaald, dan rijst toch zeker niet het beeld op dat het hof ‘zo maar wat heeft gedaan’ zonder acht te slaan op de informatie die deskundigen ( [neuroloog 2] en [verzekeringsarts 3] ) hebben aangedragen. Het gegeven dat de onderhavige procedure al geruime tijd (sinds 2010) loopt, heeft bij de keuze van het hof dit geschilpunt zonder nadere deskundige voorlichting te beslechten wellicht een rol gespeeld en maakt deze keuze van het hof des te beter te begrijpen.
Onderdeel 9klaagt dat rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk is de beslissing in rov. 3.36 dat de verdiencapaciteit van [eiseres] dient te worden beoordeeld op basis van enerzijds de hypothetische situatie zonder ongeval en anderzijds de hypothetische situatie met ongeval. Die vergelijking zal, aldus het onderdeel, immers moeten worden gemaakt op basis van enerzijds de hypothetische situatie zonder ongeval en anderzijds de concrete situatie met ongeval, waarbij een milde bewijswaarderingsmaatstaf geldt, in die zin dat geen al te strenge eisen mogen worden gesteld aan het bewijs van (schade wegens het niet meer kunnen uitvoeren van) werkzaamheden die zouden zijn verricht in de hypothetische situatie zonder ongeval. Anders dan het hof kennelijk voor ogen staat, komt daarbij betekenis toe aan de omstandigheid, dat het ongeval reeds dateert van 8 februari 2001, [eiseres] na haar uitval voor haar beroepsmatige werkzaamheden in datzelfde jaar nimmer meer in loonvormende arbeid heeft gewerkt en zij dus geen reëel aanbod vormt op de arbeidsmarkt en niet te verwachten is dat daar in praktische zin nog verandering in zal optreden, alsmede dat door Hertz geen re-integratiepogingen zijn ondernomen, op medisch vlak [eiseres] niets is aangeboden en [eiseres] zonder enige ondersteuning van Hertz na het ongeval op zichzelf aangewezen was.
Onderdeel 10klaagt dat onbegrijpelijk is de overweging in rov. 3.37, waarin het hof het gemiddelde verlies van verdiencapaciteit van [eiseres] heeft bepaald op 30%, respectievelijk 20%. De motivering van deze beslissing schiet, aldus het onderdeel, tekort, zeker gezien in het licht van de omstandigheid, dat [eiseres] door het UWV vanaf 16 april 2004 voor 80-100% arbeidsongeschikt wordt geacht, zij reeds in 2001 is uitgevallen voor haar beroepsmatige werkzaamheden, sedertdien nimmer meer in loonvormende arbeid heeft gewerkt en zij aldus geen reëel aanbod op de arbeidsmarkt vormt, terwijl door Hertz geen re-integratiepogingen zijn ondernomen, [eiseres] op medisch vlak niets is aangeboden en [eiseres] na het ongeval zonder enige ondersteuning van Hertz op zichzelf aangewezen was. Het antwoord op de vraag, in welke mate [eiseres] nog verdiencapaciteit heeft, kan en moet alleen worden afgeleid uit de in de procedure reeds overgelegde verzekeringskundige en arbeidsdeskundige rapportages, die als uitgangspunt dienen, hetgeen het hof heeft miskend.
De benadering om de hypothetische situaties met elkaar te vergelijken, brengt verder met zich dat de verwijten die [eiseres] Hertz maakt over het gebrek aan hulp bij re-integratie en omgekeerd de verwijten die Hertz [eiseres] maakt over een gebrek aan inspanning om weer te gaan werken, geen bespreking behoeven.” [eiseres] maakt niet duidelijk waarom dit oordeel onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Ook in zoverre kunnen onderdelen 9 en 10 niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 11bevat de volgende ‘hoofdklacht’: rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan essentiële stellingen van [eiseres] , zijn de oordelen van het hof in rov. 3.42 en 3.43 van het bestreden arrest dat, zakelijk weergegeven, Hertz in redelijkheid had kunnen besluiten tot het persoonlijk onderzoek en dat zij een beroep kan doen op een rechtvaardigingsgrond die het onrechtmatig karakter ontneemt aan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die het persoonlijk onderzoek met zich bracht. Daarop volgt in het onderdeel een lange tekst, die ik hier niet zal weergeven. Wat daarin naar voren wordt gebracht, komt in het navolgende aan de orde.
Gedragscode Persoonlijk Onderzoek, A-G] heeft het Verbond van Verzekeraars deze uitgangspunten nader uitgewerkt
waarbij met name is bepaald dat een persoonlijk onderzoek kan worden ingesteld nadat – kort samengevat – het ingestelde feitenonderzoek geen of onvoldoende uitsluitsel geeft voor het nemen van een beslissing over (onder meer) een aanspraak op uitkering of in het geval dat een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude is ontstaan. Bij de beslissing om een persoonlijk onderzoek in te stellen en te vervolgen dient de verzekeraar de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht te nemen.” (cursivering toegevoegd door mij, A-G)
Naar het oordeel van het hof had Hertz(…)”, de stellingname van Hertz weergeeft:
Hertz een beroep kan doen op een rechtvaardigingsgrond die het onrechtmatig karakter ontneemt aan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die het persoonlijk onderzoek met zich bracht.”
diverse inconsistenties” heeft geconstateerd, dat zij “
geen toereikende antwoorden gekregen” heeft op haar vragen om nadere informatie en dat “
het beeld dat zij in de loop van de jaren van [eiseres] heeft gekregen aldus is gekanteld van een summier beeld naar een ongeloofwaardig beeld” afzonderlijk noch in onderling verband de conclusie rechtvaardigen dat (i) het ingestelde feitenonderzoek geen of onvoldoende uitsluitsel geeft voor het nemen van een beslissing over (onder meer) een aanspraak op uitkering of in het geval dat een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude is ontstaan en evenmin (ii) Hertz aldus genoodzaakt was zich op een andere wijze een beeld te vormen van de mogelijkheden en beperkingen van [eiseres] en dat Hertz in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot de in haar opdracht uitgevoerde observatie.
Tot het instellen van een persoonlijk onderzoek kan(…)
eerst worden overgegaan nadat er bij de verzekeraar een vermoeden van verzekeringsfraude of andere vormen van oneigenlijk gebruik van verzekeringsproducten of diensten is ontstaan. Dit vermoeden mag niet lichtvaardig worden aangenomen. Het moet gaan om een redelijk vermoeden van een grondige en/of structurele vorm van misleiding door de betrokkene”. Daarop volgt het betoog van [eiseres] dat het bestaan van een dergelijk redelijk vermoeden bij Hertz niet kan worden aangenomen op de gronden waarop zij zich heeft gebaseerd. Ik ga nu eerst kort in op de door [eiseres] verdedigde maatstaf. Daarna ga ik in op de vraag of het hof begrijpelijkerwijs tot het oordeel kon komen dat aan de toepasselijke maatstaf is voldaan.
grondige en/of structurele vorm van misleiding” door de betrokkene. [85] Onderdeel 11 gaat in zoverre dus uit van een onjuiste rechtsopvatting. Mij is onduidelijk wat [eiseres] hier bedoelt met een “
grondige” vorm van misleiding. Naar mijn indruk voegt die term niets toe. Een “
structurele” vorm van misleiding lijkt mij in de context van verzekeringsclaims niet reëel. Ik zie niet in waarom een vermoeden van eenmalige misleiding niet zou voldoen, te minder wanneer van een verzekeraar uitkering van een aanzienlijk bedrag wordt verlangd. De maatstaven die het hof heeft gehanteerd en die door [eiseres] voor juist zijn gehouden, volstaan op dit punt dan ook: het ingestelde feitenonderzoek geeft geen of onvoldoende uitsluitsel voor het nemen van een beslissing over (onder meer) een aanspraak op uitkering of er is een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude ontstaan. Zoals het hof heeft overwogen, zijn deze maatstaven ontleend aan de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek, die is opgesteld door het Verbond van Verzekeraars. [86] Het betreft hier een invulling van de vereisten van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. [87] Hoewel het Verbond van Verzekeraars niet ’s lands wetgever is en de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (uiteraard) geen recht in de zin van art. 79 Wet Pro RO en art. 25 Rv Pro, [88] wordt in de rechtspraak niettemin met regelmaat bij deze gedragscode als vorm van zelfregulering aangeknoopt. [89]
diverse inconsistenties” heeft geconstateerd, dat zij “
geen toereikende antwoorden gekregen” heeft op haar vragen om nadere informatie en dat “
het beeld dat zij in de loop van de jaren van [eiseres] heeft gekregen aldus is gekanteld van een summier beeld naar een ongeloofwaardig beeld” in dit verband niet toereikend zouden zijn.
dat zij zeer beperkt is in de uitoefening van haar sociale activiteiten en algemene dagelijkse levensverrichtingen”, namelijk “
het wassen van het eigen haar en het dagelijks koken van de avondmaaltijd”, terwijl “
zij aan [neuroloog 2] heeft gemeld dat er in dat kader geen beperkingen zijn.” Daarnaast heeft het hof vermeld dat het door [eiseres] geschetste inactieve dag- en weekbeeld volgens Hertz niet valt te rijmen met de bevindingen van [neuroloog 2] , de overige dossierinformatie en het rapport van [verzekeringsarts 3] .
“grondige en/of structurele vorm van misleiding door de betrokkene”, voert [eiseres] aan dat het hof in rov. 3.44 “
nota bene zelf[heeft overwogen]
dat onvoldoende is komen vast te staan dat [eiseres] Hertz opzettelijk heeft misleid of welbewust onjuiste informatie heeft verschaft en dat dat ook niet kan worden afgeleid uit de rapportages van [neuroloog 2] en [verzekeringsarts 3] .” [eiseres] construeert hier een tegenstrijdigheid tussen rov. 3.42 en 3.44 die ik niet zie. In rov. 3.44 is het hof niet ingegaan op de (on)rechtmatigheid van het persoonlijk onderzoek, maar op de vraag wat (onder meer) aan de bevindingen van dat onderzoek kan worden ontleend. Volgens het hof kan daaraan namelijk niet worden ontleend dat “
Hertz opzettelijk heeft misleid of welbewust onjuiste informatie heeft verschaft”. Het betoog van [eiseres] komt dus per saldo neer op het volgende: gelet op de uitkomsten van het onderzoek was er geen aanleiding voor het onderzoek, een betoog dat natuurlijk gedoemd is te falen. De kern van rov. 3.42 is immers niet dát [eiseres] verzekeringsfraude hééft gepleegd, maar dat “
Hertz voldoende aanleiding[had]
om te twijfelen over de vraag of de door [eiseres] gepresenteerde klachten en beperkingen en het onvermogen om te werken reëel waren alsook aan de juistheid en volledigheid van de resultaten van het feitenonderzoek.” Natuurlijk kan vervolgens nog steeds gelden dat “
onvoldoende is komen vast te staan dat [eiseres] Hertz opzettelijk heeft misleid of welbewust onjuiste informatie heeft verschaft”. Wat [eiseres] verder aanvoert over een “
consistente lijn” tussen de rapporten van [neuroloog 2] , [verzekeringsarts 3] en [arbeidsdeskundige 2] is hier irrelevant, omdat het hier niet gaat om eventuele inconsistenties tussen die rapporten maar om – zo bleek hiervoor – vermeende discrepanties tussen verschillende verklaringen van [eiseres] en verschillende andere informatiebronnen.
[z]elfs als aangenomen zou moeten worden dat Hertz na de deskundigenrapporten van [verzekeringsarts 3] en [arbeidsdeskundige 2] “diverse inconsistenties” heeft geconstateerd, dat zij “geen toereikende antwoorden gekregen” heeft op haar vragen om nadere informatie en dat “het beeld dat zij in de loop van de jaren van [eiseres] heeft gekregen aldus is gekanteld van een summier beeld naar een ongeloofwaardig beeld”,(…)
daaruit[dan]
niet (zonder meer) een oogmerk tot misleiding[kan]
worden afgeleid.” Hier ziet [eiseres] eraan voorbij dat het hof terecht niet tot uitgangspunt heeft genomen dat pas aanleiding bestond voor het persoonlijk onderzoek indien Hertz uit de beschikbare gegeven “
(zonder meer) een oogmerk tot misleiding” kon afleiden. Ik zou in herhaling vallen als ik dit nader zou bespreken. Daarvan zie ik dan ook af.
dat sprake[is]
van een verhouding tussen partijen waarin Hertz nimmer om (nadere) informatie heeft gevraagd, er niet om een interview is gevraagd en zelfs nooit een schaderegelaar is langs gestuurd om zodoende meer over [eiseres] en/of de situatie te worden geïnformeerd, dit terwijl [eiseres] meermaals heeft aangegeven dat wanneer Hertz vragen heeft en/of nadere informatie wenst te ontvangen, zij daaraan wenst mee te werken” wordt begeleid door vindplaatsen in de memorie van antwoord van [eiseres] en in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 november 2020. Het hof heeft in rov. 3.42 echter als volgt geoordeeld: “
Met Hertz is het hof van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden niet in de rede lag om nogmaals bij [eiseres] navraag te (laten) doen over haar beperkingen en de invulling van haar dagen. De aanleiding voor de twijfel was immers gelegen in de gesprekken die [eiseres] had gevoerd met [verzekeringsarts 3] en [arbeidsdeskundige 2] waarin de beperkingen en haar dagelijkse activiteiten centraal stonden.” Dit oordeel is klaarblijkelijk een respons op de stellingen van [eiseres] ter zake en [eiseres] heeft niet (kenbaar en specifiek) geklaagd dat dit oordeel onbegrijpelijk is, laat staan uitgelegd waarom.
Onderdeel 12bevat de klacht dat onbegrijpelijk is het oordeel in rov. 3.42 dat Hertz genoodzaakt was zich door middel van een persoonlijk onderzoek een beeld te vormen van de mogelijkheden en beperkingen van [eiseres] en in redelijkheid tot het in haar opdracht uitgevoerde volgen van [eiseres] (“
observatie”) heeft kunnen besluiten, dat niet gesteld of gebleken is dat een andere methode, met een minder vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, dezelfde informatie had kunnen opleveren (en dat aldus aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan), alsmede het oordeel in rov. 3.43 dat Hertz een beroep kan doen op een rechtvaardigingsgrond die het onrechtmatig karakter ontneemt aan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die het persoonlijk onderzoek met zich bracht, alsmede dat dit tevens meebrengt dat de informatie uit het persoonlijk onderzoek naar voren is gekomen in de beoordeling van het geschil kan worden meegewogen. [eiseres] werkt deze klacht vervolgens uit. Ik zal die uitwerking nu punt voor punt bespreken.
ultimum remediumheeft te gelden en dat Hertz daartoe in de gegeven omstandigheden niet mocht overgaan, waarbij [eiseres] verwijst naar een reeks vindplaatsen in de processtukken. Daaraan voegt [eiseres] toe dat zij heeft gewezen op “
overtreding van art. 139f Sr (met name doordat, anders dan het hof heeft overwogen, de observatienietuitsluitend gebeurde op de openbare weg en voor het publiek toegankelijke plaatsen, maar juist – intensief en stelselmatig – op afgesloten privéterrein), terwijl ook de tuchtprocedure toont dat andere opties niet zijn overwogen en ‘direct’ naar een heimelijke observatie is gegrepen (zie producties 2a en 2b, memorie van grieven), waaraan het hof ten onrechte is voorbijgegaan.”
ultimum remediumheeft te gelden, kan haar niet baten. Om te beginnen geldt dat het hof niet behoefde te responderen op [eiseres] ’ stellingname met betrekking tot de inhoud van het recht (maar wel het recht juist moest toepassen). Bovendien geldt dat het hof in rov. 3.42 van het bestreden arrest de toepasselijke maatstaven juist heeft weergegeven, ook volgens [eiseres] (zie hiervoor in randnummer 3.127). Mijns inziens volgt daaruit niet dat een persoonlijk onderzoek een
ultimum remediumis, wel dat er voldoende zwaarwegende gronden moeten zijn om daartoe over te gaan, waarbij subsidiariteit en proportionaliteit een rol spelen. Van het beroep op art. 139f Sr in dit verband ben ik niet onder de indruk. Die bepaling stelt strafbaar, kort gezegd, het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding van een persoon met gebruikmaking van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt. Ik wil daar ook niet over uitweiden, nu dit betoog mij vergezocht voorkomt. Het hof heeft klaarblijkelijk gemeend dat het in art. 139f Sr voorkomende element ‘wederrechtelijk’ niet is vervuld, gelet op de omstandigheden waaronder de afbeeldingen van [eiseres] zijn vervaardigd. Dat is geenszins onbegrijpelijk. Voor het overige gaat het hier om een herhaling van zetten. Ik verwijs daarom naar randnummer 3.137 en met name de opmerking dat het hof niet hoefde te responderen op producties als zodanig, maar (alleen) op stellingen. Dat, zoals [eiseres] betoogt, “
ook de tuchtprocedure toont dat andere opties niet zijn overwogen en ‘direct’ naar een heimelijke observatie is gegrepen (zie producties 2a en 2b, memorie van grieven[van Hertz, A-G]
)”, kan haar bij gebreke van een verwijzing naar (essentiële) stellingen ter zake dus niet baten.
Voorts geldt volgens vaste jurisprudentie dat onrechtmatig verkregen bewijs eerst bij de beoordeling kan worden meegewogen als er sprake is van bijkomende omstandigheden, die in casu ontbreken.”
Achmea/ […]aan:
Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd(HR 7 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0500,
NJ1993/78, en HR 12 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0860,
NJ1993/599).” [90] (cursivering toegevoegd door mij, A-G)
Onderdeel 13klaagt dat het hof ten onrechte (impliciet) het door [eiseres] gedane bewijsaanbod (in randnummers 319. e.v. van de memorie van antwoord) heeft gepasseerd. Dat bewijsaanbod is voldoende specifiek en voldoet aan de daaraan (ook in hoger beroep) te stellen eisen en had het hof niet mogen passeren, aldus het onderdeel. In de voetnoten wordt in abstracto uiteengezet wat de stand van het recht is met betrekking tot een bewijsaanbod in hoger beroep.
Onderdeel 14bevat een voortbouwklacht, die gelet op het voorgaande faalt.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
dat [eiseres] als gevolg van het ongeval niet fulltime belastbaar is voor loonvormende arbeid, omdat ook energie moet overblijven voor activiteiten in het sociale leven.” In rov. 3.35 heeft het hof, daarop voortbouwend, geoordeeld dat [eiseres] “
in de hypothetische situatie met ongeval dus in staat[moet]
worden geacht een parttime juridische baan van 80% op universitair denkniveau te kunnen vervullen in een niet of weinig dynamische omgeving en daarnaast een actief sociaal leven te hebben, terwijl ze hetzelfde type werkzaamheden in de hypothetische situatie zonder ongeval op fulltime basis in een uitdagender, dynamische omgeving had kunnen vervullen.”
door het hof kennelijk aangenomenrechtvan [eiseres] op het doordeweeks in de vrije tijd ruimte hebben voor het verrichten van bepaalde activiteiten” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). Los van de vraag of deze duiding door Hertz van het oordeel van het hof in rov. 3.20 en rov. 3.35 met betrekking tot de vrijetijdsactiviteiten van [eiseres] juist is (nee [94] ), geldt dat Hertz in ieder geval geen klachten richt tegen het desbetreffende oordeel. Het is Hertz te doen om de “
vertaling” in een percentage van het gegeven dat – zoals het hof het in rov. 3.20 heeft geformuleerd – “
[eiseres] als gevolg van het ongeval niet fulltime belastbaar is voor loonvormende arbeid, omdat ook energie moet overblijven voor activiteiten in het sociale leven.” Volgens Hertz heeft het hof die vertaling niet naar behoren gemotiveerd.
vertaling” berust immers niet op een wiskundig uit te drukken functie, maar op een inschatting. Het is inherent aan een dergelijke inschatting dat de mogelijkheid om inzicht te geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang beperkt is. Gelet op het in cassatie niet bestreden oordeel van het hof dat – kort gezegd – [eiseres] met 8 uur per dag en 40 uur per week werken feitelijk geen althans nauwelijks activiteiten kan verrichten in haar vrije tijd, wat toch een niet geringe implicatie is, komt een vermindering van 20% (vanaf 1 januari 2007) mij zeker niet overmatig voor. Waarom Hertz hier de woorden “
maar liefst” kiest, begrijp ik dan ook niet goed. Dat het hof over de periode van 1 september 2003 tot 1 januari 2007 blijkens rov. 3.37 is uitgegaan van een verlies aan verdienvermogen van 30% – dus 10 procentpunt meer dan over de periode daarvoor – is ook geenszins onbegrijpelijk. Het hof is ervan uitgegaan dat [eiseres] in de eerste periode na het ongeval meer last had van de daardoor veroorzaakte klachten en beperkingen dan in de periode daarna. In rov. 3.37 heeft het hof immers overwogen “
dat bij een vergelijking van enerzijds de klachten van [eiseres] ten tijde van zijn onderzoek en anderzijds de informatie uit de behandelende sector de indruk bestaat dat zij in een rustiger vaarwater is terechtgekomen”. Dáárom “
ziet het hof aanleiding om de verdiencapaciteit van [eiseres] vóór 2007 iets lager in te schatten dan voor de periode met ingang van het jaar 2007, toen [neuroloog 2] een eindtoestand bereikt achtte.” Dit is goed te volgen en voor wat betreft de vraag waarom het hof is uitgegaan van 10 procentpunt (en niet van een andere ‘correctie’) geldt hetzelfde als hiervoor: het is een inschatting die zich maar beperkt laat motiveren.
het verlies van verdiencapaciteit” en het voornemen tot benoeming van een arbeidsdeskundige in dat verband (het hof had dat verlies zelf immers al, zo bleek hiervoor, op 30% respectievelijk 20% gesteld), maar brengt dat geenszins mee dat de oordelen in rov. 3.35 en 3.37 met betrekking tot deze percentages onbegrijpelijk zijn. Waarom het hof heeft gemeend dat een arbeidsdeskundige zal moeten worden benoemd, is duidelijk. Naast de door het hof eveneens in rov. 3.46 genoemde zelfwerkzaamheid en kosten voor huishoudelijke hulp, zal een arbeidsdeskundige moeten bepalen welke functies [eiseres] zonder ongeval zou hebben kunnen uitoefenen, omdat de schade anders niet kan worden begroot. Daarover wordt dan ook niet geklaagd.