Conclusie
Inleiding
Het eerste middel en de bespreking daarvan
1. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie Rotterdam met nummer PL1700-2020281118-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 5-6):
Nadere bewijsoverwegingen
herkomstvan de € 23.000,- die in zijn auto in een plastic zak is aangetroffen heeft
verhulden heeft
verhuldwie de rechthebbende op dat bedrag is (cursiveringen door mij, AG).
Stb. 2001, 606 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, [9] kan volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236,
NJ2017/377, m.nt. Keulen worden opgemaakt dat het bij het verhullen c.q. verbergen als hier bedoeld gaat om “gedragingen die erop zijn gericht het zicht op […] de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken”. In HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:474,
NJ2019/164 luidt de rechtsoverweging, voor zover hier van belang, dat – gelet op die wetsgeschiedenis – verhullen c.q. verbergen betrekking hebben op “gedragingen die erop zijn gericht het zicht te bemoeilijken op […] wie de rechthebbende op een voorwerp is”. In beide arresten wordt daaraan toegevoegd dat die gedragingen “tevens geschikt [moeten] zijn om dat doel te bereiken”.
NJ2014/63 waarin de Hoge Raad – onder verwijzing naar de genoemde wetsgeschiedenis – oordeelde dat de enkele vondst van een plastic tas met geld in een auto niet voldoende is voor een bewezenverklaring van witwassen in de zin van het verhullen van de herkomst van dit geldbedrag. Tot een vergelijkbare conclusie kwam de Hoge Raad in HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:553,
NJ2016/385, m.nt. Keulen. In die zaak kon naar het oordeel van de Hoge Raad uit de gebezigde bewijsmiddelen niet méér worden afgeleid dan dat op een ongebruikelijke plaats in een bij de verdachte in gebruik zijnde woning een grote hoeveelheid geld verpakt in een sealbag, die zich bevond in een tas, was aangetroffen. In het licht van die enkele vaststelling was de bewezenverklaring van het verbergen en verhullen van de herkomst van het geldbedrag niet naar de eis der wet met redenen omkleed. [11] In dezelfde zin HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2293,
NJ2017/30, m.nt. Reijntjes. De verdachte had biljetten van € 500,- (het zou gaan om een bedrag van in totaal € 50.000,-) omgewisseld in kleinere coupures en weggestopt in een tas onder een autostoel en in zijn broekzak. Daaruit kan echter nog niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van “gedragingen die gericht zijn op het “verhullen” van de “herkomst” van die geldbedragen”, aldus de Hoge Raad. Meer recent oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:790 dat de bewezenverklaring wat betreft het verbergen en verhullen van de herkomst van contant geld dat op ongebruikelijke plaatsen in de (vakantie)woning van de verdachte was aangetroffen (te weten in brandblussers, een hoes/speeltunnel voor katten achter de bank en een broekzak van een korte broek), mede gelet op de (hierboven aangehaalde) wetsgeschiedenis, niet toereikend was gemotiveerd.
herkomstvan een voorwerp hoger te liggen dan die voor het verbergen of verhullen van sommige andere in art. 420bis, eerste lid, onder a, Sr genoemde feitelijkheden zoals de
vindplaatsof de
verplaatsingvan een voorwerp. [12] In het verlengde daarvan komt de vraag op of een bewezenverklaring van het verbergen of verhullen van de vindplaats of de verplaatsing van het geldbedrag in de hiervoor besproken zaken mogelijk wel in cassatie had kunnen standhouden. Als ik het goed zie lopen de meningen enigszins uiteen of
daarvoor (bijvoorbeeld) het enkele aantreffen van contant geld in een plastic tas in een auto voldoende is. [13] Ik attendeer in dit verband op de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:462. Dit keer had de verdachte geldbedragen van € 10.000 en € 10.010 meegevoerd in zijn kleding en onder een autostoel. De bewezenverklaring van het ‘verbergen en verhullen van de vindplaats’ van deze geldbedragen achtte de Hoge Raad niet toereikend gemotiveerd. Het bestreden arrest bleef evenwel in stand, nu het hof
tevenshad bewezenverklaard dat de verdachte de betreffende geldbedragen voorhanden had gehad in de zin van sub b van art. 420bis, eerste lid, Sr.
verhulddoordat hij
in hoger beroepeen misleidende verklaring heeft afgelegd en stukken heeft overgelegd over de herkomst van dat geld. Dit is van betekenis omdat het afleggen van die verklaring en het overleggen van die stukken, gedragingen van de verdachte zijn die ruim
na28 augustus 2020 plaatsvonden. De bewezenverklaring luidt echter dat de verdachte
op28 augustus 2020 – dus op de dag van zijn aanhouding – mede in het licht van zijn op die dag afgelegde verklaring de herkomst van het geld heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op dit geldbedrag is. Naar het mij voorkomt impliceert de bewezenverklaring van deze pleegdatum, dat uit de bewijsvoering zal moeten blijken dat de verdachte op die specifieke dag heeft verhuld hetgeen in dat verband ten laste van hem is bewezenverklaard. De feiten en omstandigheden waarop het hof doelt met zijn bewijsoverweging over de in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte en het daarbij overleggen van stukken zijn, voor zover zij al hun weerslag vinden in de gebezigde bewijsmiddelen, derhalve niet redengevend voor de onderhavige bewezenverklaring. Daarover klaagt het middel mijns inziens terecht.
op28 augustus 2020 de herkomst van het bedrag van € 23.000,- en de rechthebbende op dit bedrag heeft verhuld, vindt naar mijn inzicht ook anderszins geen steun in de bewijsvoering van het hof. Wat betreft het bewezenverklaarde verhullen op de bewezenverklaarde pleegdatum volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen en ’s hofs nadere bewijsoverwegingen namelijk niet méér dan dat op 28 augustus 2020 op de bestuurdersstoel van een auto die de verdachte bestuurde een plastic tas met € 23.000,- aan contanten is aangetroffen en dat de verdachte op die dag bij zijn aanhouding (nadat hem de cautie was gegeven) heeft verklaard dat hij het geld van een vriend had gekregen en er een auto mee moest kopen.
herkomstvan een voorwerp. Naar het mij voorkomt is de inhoud van de bij zijn aanhouding afgelegde verklaring van de verdachte evenmin als van zodanige aard dat deze geschikt was om het zicht op de herkomst van, of de rechthebbende op, het geldbedrag te verhullen.
tenlastegelegdepleegdatum (ook in hoger beroep) is beperkt tot “op of omstreeks 28 augustus 2020” en (ii) niet mede het verhullen van de
vindplaatsvan het geldbedrag, dan wel het in art. 420bis, eerste lid, onder b, Sr strafbaar gestelde
voorhanden hebben vandeze € 23.000,- door het hof is bewezenverklaard. [14]
Het tweede en het derde middel
Slotsom