Conclusie
[betrokkene 1][…]
wijst afhet verzoek om als getuige te horen:
vooronderstellingkan - zoals alle vooronderstellingen - worden weerlegd, in het bijzonder door wat aan het verzoek ten grondslag wordt gelegd. In dit geval heeft de verdediging er, een half jaar na het post-Keskin-arrest, voor gekozen om niet het feit dat de rechtbank de verklaring van de verdachte voor het bewijs heeft gebruikt aan het verzoek ten grondslag te leggen – in welk geval de verdediging niet tot een nadere onderbouwing gehouden was – maar heeft ze in plaats daarvan twee andere kwesties genoemd waarover ze de getuige zou willen horen. Deze kwesties betroffen, zo volgt uit de appelmemorie: (i) de vraag wat de getuige kon verklaren over “nummer 1” (de schutter) en (ii) wat hij kon verklaren over de OVC-gesprekken (waaraan hij zelf deelnam). Het hof heeft in die stand van de procedure kunnen oordelen dat het verzoek dus kennelijk niet betrekking had op onderdelen van de door de rechtbank voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] , kort gezegd inhoudende dat de verdachte twee telefoons had (hetgeen door de verdachte nadat hij door de politie met de resultaten van de onderzoeksgegevens was geconfronteerd overigens ook niet langer is betwist [4] ), en dat het verzoek dus moest worden aangemerkt als een verzoek tot het horen van een
ontlastendegetuige. [5] Hierbij neem ik nog in aanmerking dat de verdediging noch op dat moment, noch op enig later moment in de procedure voor het hof heeft betwist dat het verzoek betrekking had op een ontlastende getuige, terwijl daarvoor verderop in de procedure alle gelegenheid heeft bestaan.
ontlastendegetuige moet worden aangemerkt.
ambtshalveover te gaan tot het oproepen en horen van de getuige [betrokkene 1] . [9] In cassatie wordt niet met zoveel woorden een klacht geformuleerd over het feit dat het hof dit niet heeft gedaan. Wel wordt door de stellers van het middel gewezen op de bewijsconstructie van het hof, op grond waarvan zij de hiervoor genoemde afwijzende beslissing van 2 november 2021 opnieuw aanvallen. In het licht daarvan bespreek ik de vraag of het hof, gelet op de uiteindelijke bewijsvoering en het eerder afgewezen verzoek tot het horen van [betrokkene 1] , in een later moment in de procedure alsnog gehouden was tot het horen van deze getuige.
horenvan een deskundige op het gebied van telecommunicatie heeft afgewezen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2021 blijkt immers dat het hof het verzoek tot het
benoemenvan een telecommunicatiedeskundige heeft afgewezen. Het betreft dus een verzoek tot het nemen van een beslissing als bedoeld in art. 315 lid Pro 3, tweede volzin, Sv en niet tot het nemen van een beslissing in de zin van art. 315 lid Pro 3, eerste volzin, Sv. Reeds hierom moet de eerste deelklacht falen.
benoemenvan een telecommunicatiedeskundige in dit geval in cassatie niet had kunnen worden geklaagd, aangezien dit een beslissing betreft die niet valt onder art. 322 lid 4 Sv Pro jo. 415 lid 1 Sv, [13] waardoor de beslissing niet in stand is gebleven toen het onderzoek ter terechtzitting op 23 mei 2022 opnieuw is aangevangen, terwijl het verzoek nadien niet opnieuw is gedaan.
allelocaties van
alleCell ID’s staan vermeld.
tirarschieten heeft bedoeld. Hij heeft verklaard dat Dominicanen voor schieten het werkwoord
disparargebruiken. De uitlatingen van de verdachte hadden dan ook niet betrekking op het schietincident, maar op een ander moment, toen [betrokkene 2] de auto van de verdachte had geleend, terwijl de verdachte nog iets in zijn auto had laten liggen. De verdachte zag dat [betrokkene 2] hem zag in de achteruitkijkspiegel, maar [betrokkene 2] reed gewoon door. De verdachte heeft [betrokkene 2] vervolgens gebeld. Het woord
tirarhad hier dan ook vertaald moeten worden als
bellen, aldus de verdachte.
tirarschieten heeft bedoeld.
1.
2.
3.
met niets en niemand ontziend vuurwapengeweld[mijn cursivering, D.P.] terug te pakken”, is het lot van de laatste deelklacht (iv), waarin het oordeel over voorbedachte raad ten aanzien van feit 2 en 3 aan de kaak wordt gesteld, eveneens bezegeld. Het hof heeft met deze vaststelling namelijk tot uitdrukking gebracht dat het voornemen van de verdachte mede de bereidheid omvatte om niets en niemand te ontzien in het gebruik van vuurwapengeweld, met andere woorden: indien nodig met een vuurwapen te schieten op een ieder die in de weg staat aan het terugnemen van de Vito. Dit impliceert minst genomen voorwaardelijk opzet op de dood van die personen. Nu het hof heeft vastgesteld dat de verdachte dit plan enkele dagen eerder gemaakt had, is de begrijpelijkheid van het oordeel dat ook ten aanzien van feit 2 en 3 sprake is van voorbedachte raad wat mij betreft gegeven. [20]