Conclusie
1.[eiser 1] ,
[eiseres 2],
[verweerder 1],
[verweerster 2],
[eiser](in mannelijk enkelvoud) en afzonderlijk als
[eiser 1]respectievelijk
[eiseres 2].
[verweerster](in mannelijk enkelvoud).
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
het hof) weergegeven in rov. 2.1-2.9 van het arrest van 6 december 2022 (hierna:
het bestreden arrest) [1] :
de vof), welk bedrijf (in elk geval) actief is geweest tussen omstreeks 1988 en 1998.
de leningsovereenkomsten).
de rechtbank) en – voor zover in cassatie nog van belang – gevorderd, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
subsidiair:
primair, dat [eiseres 2] noch als partij noch uit anderen hoofde kan worden aangesproken tot nakoming van de geldleningsovereenkomsten, en
subsidiair,dat de vorderingen jegens [eiseres 2] verjaard zijn.
het vonnis) [5] heeft de rechtbank, samengevat en voor zover thans nog van belang:
3.Toelaatbaarheid aanvullende procesinleiding
4.Bespreking van het cassatiemiddel
NJ1916, blz. 357). Zo’n verbintenis wordt volgens het onderdeel bijvoorbeeld aangegaan bij koop van een wasmachine (tot betaling van de koopprijs) of reparatie daarvan (tot betaling van loon), maar zij wordt niet aangegaan indien een echtgenoot alleen maar een geldlening afsluit en in het kader daarvan geld ontvangt.
welk doelde lening is aangegaan (‘
ten behoeve van’ de gewone gang van de huishouding) en niet relevant is op welke wijze het geleende geld is
besteed. Dat zou volgen uit het oordeel van het hof dat niet weerlegd is de stelling van [verweerster] dat de verstrekte leningen ‘besteed zijn’ voor de gewone gang van de huishouding (rov. 3.8).
Daarbij klaagt het subonderdeel nog dat zelfs indien de gelden besteed zouden zijn aan kosten van de huishouding, daarmee niet vaststaat dat de leningen ‘dus’ ook met dat doel aangegaan zouden zijn.
Ontwerp-1949, Kamerstukken 1430). Deze wet (ook wel Lex Van Oven) is op 1 januari 1957 in werking getreden. [14] In de tweede plaats heeft Meijers in mei 1954 zijn ontwerp voor de eerste vier boeken van een nieuw Burgerlijk Wetboek gepresenteerd, waarop is voortgebouwd in het op 4 november 1954 ingediende Regeringsontwerp (Kamerstukken 3767). Boek 1 NBW is op 1 januari 1970 in werking getreden. [15] In deze trajecten ontstond een wisselwerking in die zin dat over en weer uitgangspunten zijn overgenomen en formuleringen zijn aangepast.
wederkerigeaansprakelijkheid is gemaakt: de ene
echtgenootis naast de andere aansprakelijk voor de door deze aangegane verbintenissen van de hier bedoelde categorie (art. 162 BW Pro). [20] Volgens de minister ligt de redelijkheid van dit rechtsgevolg hierin, dat als vaststaande mag worden aangenomen, dat, ongeacht wie der echtgenoten uitgaven ten behoeve van de gewone gang van de huishouding doet, de uitgaven ten bate van het gezin strekken. [21] Die wijziging is vervolgens weer overgenomen in ontwerpartikel 1.6.5 lid 1 Boek 1 BW [22] , zoals dat per 1 januari 1970 is ingevoerd als art. 1:85 lid 1 van Pro het nieuwe BW.
Overwegende, dat immers eene gehuwde vrouw, geene openbare koopvrouw zijnde, zich volgens art. 163 B.W. niet kan verbinden zonder bijstand van haren man bij die akte of zonder zijne schriftelijke toestemming, en dat die beperking van hare handelingsbevoegdheid noch door het instellen van eenen eisch tot echtscheiding, noch in den loop van dat geding wordt opgeheven;
Overwegende, dat art. 164 B.W. als uitzondering die bewilliging van den man veronderstelt voor de gewone en dagelijksche uitgaven der huishouding, alsmede ten aanzien van arbeidsovereenkomsten door haar als werkgeefster aangegaan;
Overwegende, dat echter de oorzaak van de verbintenis der verweerster tegenover [eiser], den eischer tot cassatie, niet is het verstrekken van benoodigdheden voor het huishouden of het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het huishouden, doch het ter leen geven van geld, zoodat deze schuld niet kan gezegd worden haar huishouden te betreffen;”
gewonegang van de huishouding. [48]
welk doelde lening is aangegaan. Deze stelling wordt niet nader toegelicht. Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat uitsluitend het door de geldnemer beoogde (subjectieve) bestedingsdoel beslissend is, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Zoals hiervoor is uiteengezet (onder 4.29), dient het criterium hier te zijn of de schuldeiser/geldgever redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat de te verstrekken geldsom zou worden aangewend ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. Indien het subonderdeel in deze zin moet worden gelezen, getuigt het van een juiste rechtsopvatting. Dat geldt ook voor zover het wil betogen dat het beslissende criterium niet is of de geleende gelden daadwerkelijk aan de gewone gang van de huishouding zijn besteed.
in de veronderstelling verkeerdengeld te hebben geleend aan het bollenbedijf van [eiser 1] en diens broer (...);
- dat
[eiser 1] hen had verteld de leningen nodig te hebben onder meer om vorderingen van derden waaronder de belastingdienst, NUON en telefoonprovider te betalen;
[verweerster] ervan uitgingen de leningen in 1998 en 1999 verstrekt te hebben ten behoeve van het bedrijf van [eiser 1] (en derhalve niet ten behoeve van de gewone gang van de huishouding).Zij hebben daarover het volgende geschreven:
de stellingen van [verweerster]in hoger beroep, inhoudende dat de onderneming van [eiser 1] ergens rond 1998 is opgehouden te bestaan,
dat [eiser 1] de leningen in 2002 en 2005 verzocht op grond van betalingsmoeilijkheden ten aanzien van onder meer NUON en de telefoonprovideren voorts gelet erop dat de bedragen op de rekening van [eiseres 2] werden gestort, had het op de weg van [eiser] gelegen om
hun stelling dat de leningen die na 1999 zijn verstrekt zijn aangegaan ten behoeve van een eenmanszaakdie door [eiser 1] werd geëxploiteerd, nader te onderbouwen. Dit hebben zij niet gedaan. Er is in het geheel geen informatie verstrekt met betrekking tot de besteding van de geleende gelden en/of de bedrijfsvoering van de v.o.f. en/of de eenmanszaak. Door niet ter zitting in hoger beroep te verschijnen hebben [eiser 1] en [eiseres 2] de stelling van [verweerster] dat het bloembollenbedrijf feitelijk omstreeks 1998/1999 is gestaakt, en dat de nadien verstrekte leningen besteed zijn voor de gewone gang van de huishouding, onvoldoende weerlegd.”
nietweerlegd is de stelling van [verweerster] dat de na 1998/1999 verstrekte leningen besteed zijn aan de gewone gang van de huishouding. Het bestempelt dit oordeel als onbegrijpelijk, omdat [eiser] uitdrukkelijk zou hebben betwist dat de geleende gelden voor de huishouding nodig zouden zijn geweest. [52] Niet alleen heeft [eiser] gesteld dat [eiseres 2] nooit gelden heeft ontvangen om bijvoorbeeld eten te kopen of de energienota te voldoen en dat [eiseres 2] sinds 1989 100% eigenaar van de woning was en in staat om de kosten ter zake en overige kosten van de huishouding te voldoen [53] , maar ook dat [eiseres 2] zich niet kan herinneren dat er ooit sprake zou zijn geweest van een acute situatie in het huishouden zodat er direct geld nodig was om te voorkomen dat gas, water en licht zou worden afgesloten. [54]
onvoldoendeweerlegd” is.
besteedzijn aan de gewone gang van de huishouding. Dit is niet onbegrijpelijk.
De uit MvA nr. 22 aangehaalde passage wordt immers ingeleid met de zin “ [eiseres 2] bestrijdt dat de geldleningen dan wel een deel daarvan zouden zijn verstrekt ten behoeve van de gewone gang van de huishouding ex art. 1:85 BW Pro.”, hetgeen wijst op een betwisting van de stelling dat de leningen zouden zijn
aangegaanten behoeve van de gewone gang van de huishouding.
De uit MvA nr. 36 aangehaalde passage staat niet in de sleutel van art. 1:85 BW Pro. Deze passage is een reactie op grief 3, die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [eiseres 2] geen partij is bij de leningsovereenkomsten (eindvonnis, rov. 5.2) en die onder meer inhoudt dat [eiseres 2] niet aanwezig was wanneer [eiser 1] vroeg om leningen omdat zij anders zouden worden afgesloten van gas etc. (MvG nr. 3.3).
subonderdeel 1.3, laatste volzin, wordt nog betoogd dat zelfs indien de gelden besteed zouden zijn aan de kosten van de huishouding, daarmee niet vast staat dat de leningen ‘dus’ ook met dat doel zouden zijn aangegaan. Voor zover daarin een klacht besloten ligt, faalt deze bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet beslissend geacht op welke wijze de geleende gelden besteed zijn. Het heeft terecht als maatstaf aangelegd of [verweerster] redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat de te verstrekken geldsommen zouden worden aangewend ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, in welk kader betekenis kan toekomen aan de omstandigheid dat de geleende gelden ook daadwerkelijk ten behoeve van de gewone gang van de huishouding blijken te zijn aangewend.
onder a).
onder b).
subonderdelen 3.2, 3.4 en 3.6klagen over onbegrijpelijkheid van het in subonderdeel 3.1 vermelde oordeel van het hof in rov. 3.8, dat volgens dat subonderdeel zou inhouden dat [eiser] verzuimd heeft om informatie te verstrekken over de strekking van de leningen.
Op 12-01-1996 is geregistreerd dat de onderneming is opgeheven met ingang van 01-09-1991”. [59] Volgens [verweerster] was het bedrijf rond 1996 reeds afgewikkeld. [60] Daarop heeft de advocaat van [eiser] ter zitting gesteld dat de vof in 1996 is afgewikkeld respectievelijk beëindigd, maar [eiser 1] met het bedrijf is doorgegaan als eenmanszaak. [61] Het is dus de (eigen) stelling van [eiser] aangaande de eenmanszaak ten aanzien waarvan het hof nadere onderbouwing eist, maar vaststelt dat geen informatie met betrekking tot de bedrijfsvoering daarvan is verstrekt.
subonderdeel 3.4is het bestreden oordeel ook/temeer onbegrijpelijk, omdat het hof in rov. 3.8, eerste gedeelte, nog uitgaat van de juistheid van de stelling van [eiser] dat de leningen voor 1999 ten behoeve van de bedrijfsvoering gesloten zijn, terwijl zonder nadere toelichting niet valt in te zien waarom de na 1999 aangegane leningen (opeens) niet ten behoeve van de bedrijfsvoering gesloten zouden zijn. [eiser 1] heeft juist gesteld dat hij na 1999 nog een onderneming had; van het staken van de onderneming eerder dan in 2006 is niet gebleken (verwezen wordt naar subonderdeel 3.6).
subonderdelen 3.3 en 3.5klagen dat het hof in rov. 3.8 ten onrechte althans op onbegrijpelijke wijze is uitgegaan van de juistheid van “
de stellingen van [verweerster] in hoger beroep”. Aangevoerd wordt dat (i) die stellingen niet zijn onderbouwd; (ii) [verweerster] daarvan geen bewijs heeft aangeboden; (iii) [eiser] die stellingen gemotiveerd heeft betwist [65] ; (iv) terwijl hetgeen [eiser] in MvA nr. 57 heeft gesteld zich niet anders laat verstaan dan als een bewijsaanbod. Op dat bewijsaanbod heeft het hof bovendien niet gerespondeerd, terwijl niet in te zien valt waarom dit niet ter zake dienend zou zijn.
dat de onderneming van [eiser 1] ergens rond 1998 is opgehouden te bestaan”. Het hof heeft deze stelling onvoldoende weerlegd geoordeeld. Zoals bij de bespreking van subonderdeel 3.2 reeds is uiteengezet, heeft het hof daarbij niet miskend dat [eiser] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gesteld heeft dat de leningen verstrekt zijn in het kader van de exploitatie van het bloembollenbedrijf van [eiser 1] en zijn broer en dat deze exploitatie tot 2006/2007 geduurd heeft. Nadat [verweerster] onderbouwd met het uittreksel van de KvK had gesteld dat het bedrijf rond 1996 was afgewikkeld, heeft het hof nadere onderbouwing verlangd van de eigen, tijdens de mondelinge behandeling betrokken stelling zijdens [eiser] dat [eiser 1] is doorgegaan als eenmanszaak. Het oordeel dat die onderbouwing ter zitting niet gegeven is, is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. Daarom hoefde het hof ook niet in te gaan op het bewijsaanbod van [eiser]
dat [eiser 1] de leningen in 2002 en 2005 verzocht op grond van betalingsmoeilijkheden ten aanzien van onder meer NUON en de telefoonprovider”. Het middel geeft geen vindplaatsen van stellingen van [eiser] waarmee concreet wordt weersproken dat hij die kosten als bestedingsdoel van de leningen zou hebben opgevoerd. Het hof heeft dan ook zonder schending van regels betreffende stelplicht en bewijslast van de juistheid van bedoelde stelling kunnen uitgaan. Dat het hof de genoemde kosten kennelijk aanmerkt als behorend tot de gewone gang van de huishouding, wordt voorts door het middel niet kenbaar bestreden.
partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. [verweerster] door mr. Zaalberg (...) en [eiser] door mr. De Oude voornoemd” en (ii) ook in het p-v van het hof, p. 1, is vermeld dat mr. De Oude ter zitting is verschenen.
Subonderdeel 4.2bestempelt genoemd oordeel als onjuist of onbegrijpelijk omdat er voor [eiser] geen verplichting bestond om in persoon te verschijnen.
de stelling van [verweerster] (...) onvoldoende weerlegd”zou hebben. Immers, aan dit niet in persoon verschijnen mag niet de conclusie verbonden worden dat [eiser] ‘dus’ enig verweer heeft prijsgegeven of daarvan afstand heeft gedaan, temeer omdat [eiser] geconcludeerd heeft tot bekrachtiging van het vonnis en bewijs heeft aangeboden [66] en [eiser 1] om medische redenen niet aanwezig kon zijn, zoals blijkt uit het p-v van het hof, p. 1.
subonderdeel 5.1 en 5.2, eerste volzin, klagen over onjuistheid en/of onbegrijpelijkheid van het (impliciete) oordeel van het hof in rov. 3.8 dat voor de vraag of [eiseres 2] ex art. 1:85 BW Pro aansprakelijk is voor de na 1999 aangegane leningen relevant zou zijn (i) dat er aanwijzingen zijn dat [eiser] ook te maken had met andere schuldeisers en (ii) dat de zorgboerderij van [eiseres 2] “
toen ook al actief” zou zijn geweest. Die omstandigheden zijn, althans in beginsel, niet relevant. Althans valt zonder meer niet in te zien waarom zij van belang zijn, terwijl het ontoelaatbaar onduidelijk is welke omstandigheden het hof op het oog heeft en welke betekenis daaraan toekomt.
nu de wet niet anders bepaalt”, de algemene verjaringstermijn van twintig jaar ex art. 3:306 BW Pro van toepassing is op de vorderingsrechten van [verweerster] jegens [eiseres 2] . De wet bepaalt wel anders. Art. 3:307 lid 1 BW Pro houdt in dat de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, en dit wetsartikel is ook van toepassing indien iemand hoofdelijk aansprakelijk is voor een dergelijke verbintenis uit overeenkomst, aldus het onderdeel.
geen zelfstandig verweer gevoerd” heeft tegen de vordering in kwestie. Het klaagt dat dit onbegrijpelijk is en blijk geeft van miskenning van de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep. [eiser] hebben immers in eerste aanleg (CvA, nr. 30) verweer gevoerd en bovendien het hof met zoveel woorden verzocht om al hetgeen zij in eerste aanleg hebben aangevoerd integraal als herhaald en ingelast te beschouwen. [82]
Althans heeft het hof, aldus
subonderdeel 6.3, miskend dat op [verweerster] de stelplicht en bewijslast rusten dat aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW Pro is voldaan, welke stelplicht omvat dat en op welke dag [eiser] de veertiendagenbrief op zijn laatst ontvangen zou hebben. [verweerster] heeft over die eisen niets gesteld.