Conclusie
(hierna: de moeder)
(hierna: de gecertificeerde instelling).
1.Inleiding
Het hof beschouwt de desbetreffende mededeling als een abusievelijk geplaatste standaardtekst die niet van de meervoudige kamer van de rechtbank afkomstig is.
2.Feiten en procesverloop
De dochter is voorafgaande aan de mondelinge behandeling apart gehoord door de voorzitter.
Verder heeft de rechtbank alvorens verder te beslissen:
- bepaald dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 juni 2023 pro forma; - de advocaat van de moeder verzocht uiterlijk twee weken voor de pro forma-datum de rechtbank schriftelijk te informeren over de resultaten van het onderzoek van iMindU en het verloop van de hulpverlening en eventuele verdere processuele wensen, zulks onder gelijktijdige verstrekking aan de gecertificeerde instelling en de raad;
- de gecertificeerde instelling verzocht uiterlijk twee weken voor de pro forma-datum de rechtbank de verzochte rapportage te doen toekomen, zulks onder gelijktijdige verstrekking aan de advocaat van de moeder en de raad.
1. haar op de voet van art. 1:277 BW Pro met de grootst mogelijke urgentie in haar ouderlijk gezag te herstellen zodat ze de dagelijkse zorg en opvoeding van de dochter weer kan opnemen met de volle regie die haar als ouder toekomt;
2. de beëindiging van de uithuisplaatsing die de facto reeds heeft plaatsgevonden omdat de dochter sinds januari 2023 bij moeder heeft gewoond, bij rechterlijke beschikking te sanctioneren en het hoofdverblijf van de dochter te bepalen bij de moeder, en
3. het verzoek van de raad (voor zover dat als voorliggend moet worden beschouwd) tot ondertoezichtstelling als strijdig met het belang van de dochter af te wijzen. [4]
De gecertificeerde instelling heeft bij brief van 10 november 2023 verklaard geen verweer te voeren in cassatie.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
De procesinleiding bevat verder een paragraaf getiteld “kern van de zaak”. Deze paragraaf bevat geen zelfstandige klachten.
Op p. 10 is een tekstblok met de volgende inhoud opgenomen:
X/gemeente Borger-Odoornvan 17 december 2021 [12] is door de Hoge Raad tot uitgangspunt genomen dat het steeds aan het procesbeleid van de rechter is overgelaten om – in afwijking van de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv Pro en art. 358 lid 4 Rv Pro – tussentijds hoger beroep van een tussenuitspraak open te stellen. Er is geen reden om de rechter te beperken in zijn mogelijkheden om op dit punt regie te voeren.
Ponteecen/Stratex [13] geoordeeld dat ook in het na 1 januari 2002 geldende wettelijke systeem ruimte blijft voor een procesbeleid waarin de rechter de in het ongelijk gestelde partij de mogelijkheid biedt tussentijds beroep in te stellen tegen zijn beslissing. De Hoge Raad noemde daarbij een aantal redenen voor het openstellen van hoger beroep, zoals bijvoorbeeld het feit dat in de tussenuitspraak is beslist op een controversiële rechtsvraag, hetgeen doorwerkt in de verdere behandeling van de zaak, of omdat een kostbaar onderzoek is gelast waarvan het nut is betwist, dan wel omdat een andere beslissing tot een aanzienlijke bekorting van de procedure zou hebben geleid of omdat de behandeling van samenhangende zaken anders uiteen dreigt te lopen.
- in het dictum dan wel het lichaam van de beschikking is niks bepaald over tussentijds hoger beroep [23] ;
- de rechtsmiddelenclausule maakt geen onderdeel uit van de uitspraak van de rechtbank [24] ;
- bij twijfel of een beslissing appellabel is, kan een partij altijd verzoeken om verlof tot het instellen van hoger beroep, hetgeen achterwege is gebleven [25] ;
- in het bijzonder wanneer een partij wordt bijgestaan door een advocaat heeft te gelden dat een rechtsmiddelenclausule er niet toe kan leiden dat wettelijke bepalingen aan de kant worden gezet. [26]
Aangezien de rechter zijn beslissing om hoger beroep open te stellen niet behoeft te motiveren, kan aan het ontbreken van een dergelijke motivering dus geen gevolgtrekking worden verbonden.
Ik bespreek eerst de argumenten vóór en tegen het oordeel dat het tekstblok slechts een mededeling is die de griffier op de voet van art. 805 lid 2 Rv Pro op een eindbeschikking moet vermelden, en geen openstelling van tussentijds hoger beroep door de rechter kan bevatten.
De mededeling is in algemene bewoordingen opgesteld, bevat niet de termen ‘tussentijds’ of ‘tussenbeschikking’, en staat in een ander lettertype (zoals ook het hof overwoog in rov. 5.5, tweede gedachtestreepje). Verder is het tekstblok op een voor het overige lege pagina opgenomen, die volgt na de afsluitende tekst op pagina 9 dat de beschikking is gegeven door drie met name genoemde kinderrechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar is uitgesproken op 23 december 2022. Strikt genomen maakt het tekstblok dan geen onderdeel uit van de beschikking van de rechtbank, omdat zij volgt na de tekst die vermeldt door welke rechters ‘deze beschikking’ is gegeven, hetgeen het slot van de beschikking markeert. [30] Argumenten tegen
In juli 2016 is de dochter in verband met ontwikkelings- en gedragsproblematiek vanuit het pleeggezin overgeplaatst naar een orthopedagogische observatiegroep voor observatie, diagnostiek en in 2019 is zij doorgestroomd naar een woongroep. Na een escalerende situatie aldaar is zij, met toestemming van de gecertificeerde instelling, bij de moeder gaan wonen. Dit ging vijf weken goed, maar na een ruzie met de moeder is zij weggelopen van huis en uiteindelijk naar een crisisplek gebracht.
Capgemini/ […]van 28 januari 2022. [38] In die zaak was sprake van een tussenarrest waarvan een van de partijen het hof had verzocht om op de voet van art. 401a lid 2 Rv tussentijds cassatieberoep open te stellen. Enige weken later ontvingen partijen een afschrift van een arrest waarin is bepaald dat van het tussenarrest tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld. Op dezelfde dag werd evenwel op de rol aangetekend dat geen arrest was uitgesproken en dat de zaak in verband met nieuw binnengekomen stukken is verwezen naar een latere roldatum. Daarnaast heeft de rolgriffier de volgende dag contact gezocht met partijen en hun verzocht het ontvangen arrest te vernietigen, omdat dit niet is uitgesproken maar abusievelijk aan partijen is verzonden. Enige weken later heeft de griffier van het hof aan partijen per brief meegedeeld dat het verzoek om verlof voor tussentijds cassatieberoep is afgewezen. Op dat moment had een van de partijen – op basis van het abusievelijk verzonden afschrift van het verlofarrest – al tussentijds cassatieberoep ingesteld. [39]
Gajtani/Zwitserlandvan 9 september 2014 en
Clavien/Zwitserlandvan 12 september 2017 geoordeeld waar ten aanzien van de vraag hoe omgegaan moet worden met een door het gerecht aan de partijen verschafte onjuiste of onduidelijke informatie over de beroepstermijn, dat het gerecht in dat kader rekening moet houden met de omstandigheden van het geval en de nationale (proces)regels niet al te rigide (‘mechanisch’) moet toepassen. [44]
Alles overziend meen ik dat op grond van de omstandigheden van dit specifieke geval de onduidelijkheid die de mededeling over het instellen van hoger beroep heeft veroorzaakt, van dien aard is dat de rechtszekerheid dient te prevaleren.
Voor het geval Uw Raad anders oordeelt, behandel ik ook onderdeel 2.
family life(art. 8 EVRM Pro) van moeder en kind, dan dient Nederland te voorzien in een spoedige
effective remedy(art. 13 EVRM Pro). Het niet-ontvankelijk verklaren van de moeder in hoger beroep is geen
effective remedy. Een
fair trail(art. 6 EVRM Pro) houdt ook in toegang tot de rechter die snel en daadwerkelijk over het geschil beslist. In eerste aanleg heeft de rechtbank niet willen oordelen over het kernverzoek over (onrechtmatig) ingrijpen in
family lifein het verleden, terwijl de verplichting bestaat een inbreuk zo spoedig mogelijk te herstellen. Voornoemde verdragsartikelen had het hof moeten betrekken in zijn oordeel.