Conclusie
1.Overzicht van de zaak en de conclusie
eerste geschilpuntis of die aanslag mag worden opgelegd, in aanmerking genomen dat reeds eerder een aanslag afvalstoffenheffing voor een vast bedrag is opgelegd voor het jaar 2019. Een
tweede geschilpuntis of de Verordening afvalstoffenheffing 2019 onverbindend is wat betreft ‘het variabele deel’ gelet op de eisen die art. 217 Gemeentewet Pro stelt aan een belastingverordening.
belanghebbendeincidenteel beroep in cassatie.
zaaksoverstijgend belangvan deze zaak merk ik het volgende op. Het oordeel van het Hof over het tweede geschilpunt hangt sterk samen met de redactie van de Verordening afvalstoffenheffing 2019. Die verordening wijkt af van de Model Verordening afvalstoffenheffingen van de VNG (5.5-5.8). In dat opzicht is het uitstralingseffect denkelijk beperkt, al heb ik niet onderzocht of andere gemeenten een vergelijkbare verordening hebben. Een uitstralingseffect is er voor de onderhavige gemeente wel naar andere jaren (5.14). Niettemin spelen met betrekking tot het tweede geschilpunt wel zaaksoverstijgende, rechtskundige aspecten. Het gaat dan in het bijzonder om de uitleg van art. 217 Gemeentewet Pro, met name of die bepaling vereist dat een belastingverordening bepaalt of sprake is van een tijdvak- of tijdstipheffing (8.7-8.15) en in hoeverre die bepaling overigens eisen stelt aan een belastingverordening wat betreft de wijze van formalisering van de materiële belastingschuld (8.21-8.27). Samenhangend daarmee rijzen vragen over de betekenis van het essentialium ‘het tijdstip van beëindiging van de heffing’ (8.9-8.10) en de reikwijdte van de zinsnede ‘hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is’ (8.11-8.27). Verder heeft het Hof enige overwegingen gegeven die – afhankelijk van hoe ze worden begrepen – potentieel verstrekkend zijn (bijv. 8.18 en 8.25). Ook rijst in deze zaak de AWR-vraag of materiële belastingschulden die op verschillende momenten zijn ontstaan, kunnen worden geformaliseerd in één aanslag (8.27-8.32). Tot slot, het incidenteel beroep in cassatie – betreffende het eerste geschilpunt – strekt er onder meer toe dat HR BNB 1973/69 als achterhaald moet worden beschouwd (6.13-6.15), wat verstrekkende gevolgen zou hebben, aangezien het naar mijn indruk in meer gemeenten voorkomt dat voor de afvalstoffenheffing afzonderlijke aanslagen voor onderscheiden grondslagen worden opgelegd.
onderdeel 4motiveer ik kort waarom ik niet inga op het – in cassatie niet bestreden – oordeel van het Hof dat de onderhavige verordeningen voor het jaar 2020 rechtsgeldig zijn bekendgemaakt. Vervolgens komt in
onderdeel 5de relevante regelgeving aan bod. Daarbij besteed ik de meeste aandacht aan de afvalstoffenheffing. Ik geef daarbij ook een eerste analyse van de Verordening afvalstoffenheffing 2019 (5.5-5.13), mede aan de hand van een vergelijking met de Model Verordening afvalstoffenheffingen van de VNG.
het eerste geschilpuntover de vraag of een tweede aanslag mogelijk is. Dat geschilpunt behandel ik eerst, mede omdat HR BNB 1973/69 ook van belang is voor de beoordeling van het tweede geschilpunt. Ik start met gegevens over het arrest HR BNB 1973/69 (6.4-6.12). Daarna ga ik in op de tweede klacht van belanghebbende die in de kern inhoudt dat HR BNB 1973/69 is achterhaald door het van toepassing worden van de AWR op gemeentelijke belastingen. Die klacht faalt naar mijn mening (6.13-6.18), waarvoor ik steun vind in een arrest van 9 juni 2017 (6.10). De eerste klacht van belanghebbende vat ik op als een klacht over de uitleg door het Hof dát in dit geval van de Verordening afvalstoffenheffing 2019 sprake is van “op zich zelf staande grondslagen” als bedoeld in HR BNB 1973/69. Ook die klacht faalt, omdat die uitleg juist is, mede gelet op HR BNB 1973/69 (6.20-6.28). De klacht faalt ook voor zover zij betrekking heeft op de rioolheffing (6.29-6.31).
onderdeel 8geef ik mijn beschouwing over
het tweede geschilpunt. Hoewel de Verordening afvalstoffenheffing 2019 zeker niet uitblinkt in duidelijkheid, kom ik al afpellend tot de conclusie dat het toch goed gaat in het licht van de eisen van art. 217 Gemeentewet Pro. Ik baseer dat in de kern op het volgende:
nietzit in de essentialia ‘de belastingplichtige’, ‘het voorwerp van de belasting’, ‘het belastbare feit’, ‘de heffingsmaatstaf’, ‘het tarief’ en ‘het tijdstip van ingang van de heffing’ (8.6).
Alshet AWR-systeem van heffing bij wege van aanslag die wijze van heffen toestaat in een belastingverordeningsgeval als dit (waarin bij elke lediging een materiële belastingschuld ontstaat), vereist art. 217 Gemeenwet Pro niet dat de belastingverordening op dit punt meer vermeldt dan dat de heffing bij wege van aanslag geschiedt. (8.26-8.27)
gegrondis, en dat het incidentele beroep in cassatie
ongegrondis.
2.De feiten en het oordeel van het Hof
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Vooraf en afbakening: bekendmaking Verordeningen 2020
5.Regelgeving
Afvalstoffenheffing
onderwerpdat art. 4(2) regelt, te weten het tarief per lediging, wordt in de Model-tarieventabel geregeld in “Hoofdstuk 1.2 Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing”. Het gaat daarbij in het bijzonder om variant 1. Ik citeer:
formuleringvan art. 4(2) Verordening afvalstoffenheffing 2019 wijkt echter af van deze variant; dat artikellid bepaalt immers: “De belasting als bedoeld in het eerste lid wordt per lediging vermeerderd met:
6.Eerste geschilpunt: tweede aanslag mogelijk?
nietover de rechtsopvatting dat
alssprake is van twee op zich zelf staande grondslagen, naar elke grondslag een afzonderlijke aanslag mag worden opgelegd:
BNB1973/69 faalt. In die zaak werd (wel) naar twee op zich zelf staande grondslagen geheven: te weten naar de afgeleverde hoeveelheid motorbrandstof enerzijds en naar het aantal vaste aftappunten met toebehoren anderzijds. Een heffing gebaseerd op de afgeleverde hoeveelheid motorbrandstof heeft inderdaad betrekking op een heel andere grondslag dan een heffing gebaseerd op het aantal vaste aftappunten met toebehoren.
waaromhet van toepassing worden van de AWR op gemeentelijke belastingen [34] zou meebrengen dat HR BNB 1973/69 niet meer relevant is. Belanghebbende vermeldt slechts:
naast een vast bedrag per perceel, geheven
naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd”; onderstreping MP). Dat zij “op zich zelf staande grondslagen” zijn, vindt ook steun in de afzonderlijke tariefstelling voor elk van de grondslagen (art. 6).
7.In verband met het tweede geschilpunt: art. 217 Gemeentewet Pro
lateris ingediend dan het wetsvoorstel dat tot de Waterschapswet heeft geleid. [63] Ik vermoed daarom dat bij dat laatste wetsvoorstel is uitgegaan van de – in 7.5 geciteerde – voorgestelde tekst in het rapport Christiaanse. Tot slot, eerder waren bepalingen betreffende de heffing en invordering van waterschapsbelastingen opgenomen in de Bevoegdhedenwet waterschappen. [64] Ik heb in die wet geen belastingessentialia-bepaling kunnen traceren.
hoe dan ookin een belastingverordening dienen te worden opgenomen, maar dat dit ‘in de daartoe leidende gevallen’ dient te gebeuren. Genoemde voorbeelden van situaties waarbij niet met een essentialium in de belastingverordening rekening hoeft te worden gehouden, zijn dat de wet al een volledige regeling over een essentialium bevat en als sprake is van een wijzigingsverordening: [71]
8.Beschouwing over het tweede geschilpunt
Vooraf
nietzit in de essentialia ‘de belastingplichtige’, ‘het voorwerp van de belasting’, ‘het belastbare feit’, ‘de heffingsmaatstaf’, ‘het tarief’ en ‘het tijdstip van ingang van de heffing’.
alshet systeem van heffing bij wege van aanslag toestaat dat in dit geval de belasting per lediging
magworden geformaliseerd op de door het Hof bedoelde (en de in deze zaak geschiede) wijze, art. 217 Gemeentewet Pro niet vereist dat de Verordening dit duidelijk maakt. Voldoende is dat de Verordening vermeldt dat de heffing bij wege van aanslag geschiedt. Verdergaande eisen stelt art. 217 Gemeentewet Pro op dit punt niet. Net zo min dat art. 217 Gemeentewet Pro vereist dat een belastingverordening (die voorziet in heffing bij wege van aanslag) vermeldt binnen welke termijn een aanslag wordt opgelegd (zie 8.25), vereist het artikel dat een dergelijke belastingverordening andere aspecten van heffing bij wege van aanslag vermeldt die op grond van hoofdstuk IIII AWR mogelijk zijn. En voor de verdere gedachtevorming waarom het naar mijn mening op dit punt niet gaat om een art. 217 Gemeentewet Pro-kwestie:
alsde formalisering op een wijze zoals hier is geschied
nietmogelijk is in het systeem van heffing bij wege van aanslag, dan leidt dat wellicht tot vernietiging van de aanslag, maar dat zou dan los staan van art. 217 Gemeentewet Pro. De vernietiging zou dan immers gebeuren om de reden dat geheven wordt op een wijze waarin de AWR niet voorziet (terwijl de Verordening ook geen aanvullende basis daarvoor biedt), en niet om de reden dat de Verordening onverbindend is wegens het niet voldoen aan de eisen van art. 217 Gemeentewet Pro. De Verordening voldoet wél aan die eisen (zij vermeldt dat geheven wordt bij wege van aanslag), maar de handelwijze van de Heffingsambtenaar zou niet conform de in de Verordening neergelegde wijze van heffing zijn.
kanworden opgelegd. Het Hof gaat in de tweede zin van rov. 4.9.5 een stap verder, uitgaande van het geval van een tijdstipheffing: “In dat geval zou bij elke lediging van een container restafval zich een belastbaar feit voordoen, en zou dus bij elke lediging, en niet over een (kalender)jaar, een aanslag
moetenworden opgelegd” (onderstreping MP). Dat is in dit geval niet gebeurt: in één aanslag is geheven naar het aantal ledigingen in het jaar 2019.