Conclusie
1.Inleiding
hoofdstuk 2): belanghebbende was als distributie-supervisor in loondienst werkzaam bij een drukkerij. Op 14 februari 2018 heeft de Belastingdienst/Douane ongeveer 6.840.000 onveraccijnsde sigaretten bij die drukkerij aangetroffen. Naar aanleiding van deze vondst is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. [1]
Melo Tadeuvan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 23 oktober 2014 [2] . Daarvan uitgaande heeft het Hof geconcludeerd dat belanghebbende niet kan worden aangewezen als de persoon die de onveraccijnsde sigaretten voorhanden heeft gehad of als enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan door een ander betrokken is geweest. Het Hof heeft op die gronden naheffingsaanslag en de rentebeschikking vernietigd.
hoofdstuk 3). Het eerste middel bestrijdt het oordeel dat de onschuldpresumptie in de weg zou staan aan de aanwijzing van belanghebbende als de persoon die de onveraccijnsde sigaretten voorhanden heeft gehad of bij het voorhanden hebben door een ander betrokken is geweest. De Staatssecretaris meent dat het Hof onevenredig veel gewicht toekent aan de strafzaak en een te grote reikwijdte leest in het arrest
Melo Tadeu. De andere twee middelen bevatten klachten over de begrijpelijkheid van feitelijke oordelen van het Hof.
hoofdstuk 4zet ik het relevante rechtskader uiteen voor het beantwoorden van de vraag op welke manier de onschuldpresumptie van art. 6(2) EVRM doorwerkt in belastingzaken. Daarbij ga ik eerst in op de rechtspraak van het EHRM, in het bijzonder op het arrest
Melo Tadeu(4.2-4.8). Vervolgens behandel ik de arresten van de Hoge Raad waarin hij zich uitlaat over het arrest
Melo Tadeu(4.9-4.34).
hoofdstuk 5vat ik het relevante rechtskader samen en vul ik dit vanuit mijn beschouwing verder in. Ik leid daaruit de volgende drie rechtsregels af.
Ten eerstedient een belanghebbende die zich beroept op de onschuldpresumptie in een opvolgende procedure te stellen en te bewijzen dat er een voldoende verband bestaat tussen de strafrechtelijke procedure waarin hij is vrijgesproken (of vervolging anderszins is gestaakt) en de opvolgende procedure. Indien hij daarin slaagt, dan is het van belang dat de autoriteiten in de opvolgende procedure op hun eigen terrein blijven en afzien van enige verklaring of redenering waarbij de onschuld van de voormalige verdachte in twijfel wordt getrokken. Dit betekent echter niet dat geheel niet (langer) over het voorliggende feitencomplex mag worden geoordeeld.
Ten tweededient de vaststelling van de (rechts)feiten door de belastingrechter in een opvolgende procedure – op ‘normale wijze’ – te geschieden op basis van de fiscale bewijsregels en aan de hand van de wederzijdse stellingen van partijen en het in het geding gebrachte bewijsmateriaal. Daarbij moet de belastingrechter in acht nemen dat hij met zijn bewoordingen geen twijfel mag doen ontstaan over de vrijspraak in de strafzaak. Het is daarom mijns inziens aan de belastingrechter om, indien nodig, uit te leggen hoe hij tot andere vaststaande feiten komt dan de strafrechter; deze verschillen moeten zijn terug te voeren op hetgeen dat is gesteld en ingebracht als bewijsmateriaal en de toepasselijke bewijsregels in de procedures.
Ten derdemoet de belastingrechter een eindconclusie (rechtsgevolg) verbinden aan de vaststaande feiten door het toepassen van de relevante juridische norm. Indien de vaststaande feiten in de procedures anders zijn, kan dit verklaren waarom de eindconclusie ook anders is. Wanneer daarentegen de vaststaande feiten in beide procedures gelijk zijn en de toepasselijke juridische norm ook gelijk is, heeft de belastingrechter op grond van de onschuldpresumptie mijns inziens in de praktijk geen ruimte om ten nadele van de belastingplichtige af te wijken van de eindconclusie van de strafrechter. De rechter in de opvolgende procedure dient in die gevallen de interpretatie van de juridische norm door de strafrechter te volgen.
hoofdstuk 6tot de conclusie dat het eerste middel terecht klaagt over het oordeel van het Hof dat de vaststellingen en overwegingen in het arrest van de strafkamer van het Hof ook zo kunnen worden gelezen dat volgens die strafkamer belanghebbende de onveraccijnsde sigaretten niet voorhanden heeft gehad. Dat oordeel is mijns inziens niet begrijpelijk. Toch kan het middel naar mijn mening niet tot cassatie leiden. Anders dan de Staatssecretaris betoogt, heeft het Hof volgens mij wel een eigen beoordeling van de feiten ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat – kort gezegd – het doen en nalaten van belanghebbende moet worden toegerekend aan de werkgever, en dat dus belanghebbende niet degene was die de sigaretten voorhanden heeft gehad. In elk geval gaat het Hof zelfstandig over tot toepassing van die toerekeningsregel; de strafrechter zweeg immers erover. Voorts oordeelt het Hof in overweging 4.14 van de bestreden uitspraak zelfstandig dat aannemelijk is dat aan de toepassingsvoorwaarden voor de toerekeningsregel is voldaan en trekt het vervolgens zelfstandig de conclusie dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als degene die de sigaretten voorhanden heeft gehad. Ik denk daarom dat het verwijt van de Staatssecretaris dat het Hof geen eigen beoordeling van de feiten ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing, berust op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak. Het tweede en derde middel van het beroep in cassatie, betreffende de door het Hof vastgestelde feiten, falen naar mijn mening ook.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Melo Tadeu, het met de uitspraak in deze belastingzaak geen twijfel mag doen rijzen aan de juistheid van de vrijspraak door de strafrechter. [9]
3.Het geding in cassatie
Melo Tadeu. De andere twee middelen bevatten klachten over de begrijpelijkheid van feitelijke oordelen van het Hof.
Melo Tadeu, met de uitspraak in deze belastingzaak het hof geen twijfel mag doen rijzen aan de juistheid van de vrijspraak door de strafkamer.” De Staatssecretaris meent dat het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door onevenredig veel gewicht toe te kennen aan de strafzaak in relatie tot de voorliggende accijnsprocedure. Volgens de Staatssecretaris wordt een te grote reikwijdte gelezen in het arrest
Melo Tadeu.
4.Rechtskader
Melo Tadeu. Art. 6(2) EVRM luidt:
Melo Tadeu, deed het EHRM uitspraak in de zaak
Allen tegen het Verenigd Koninkrijk [20] . Daarin oordeelde het EHRM onder meer:
Melo Tadeu. Vervolgens behandel ik de arresten van de Hoge Raad waarin hij zich uitlaat over het arrest
Melo Tadeu, waarbij ook conclusies door advocaten-generaal in die zaken en vakliteratuur betrekking hebbend op die zaken aan bod komen.
Melo Tadeu [21] . Mevrouw Maria Fernanda de Melo Tadeu was werkzaam bij bedrijf V. Dit bedrijf was door grote niet betaalde belastingschulden in de problemen gekomen. Bovendien was het Portugese Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart wegens ‘abuso de confiança fiscal’ (letterlijk: misbruik van fiscaal vertrouwen). Melo Tadeu werd door de fiscale en strafrechtelijke autoriteiten gezien als de feitelijke bestuurder van het bedrijf. Daarom werd zij strafrechtelijk vervolgd en voor de belastingschulden fiscaal aansprakelijk gesteld. De strafrechter sprak haar vrij omdat niet kon worden geconcludeerd dat zij feitelijk bestuurder van het bedrijf was. Maar daarmee had mevrouw Melo Tadeu de fiscale autoriteiten niet van zich afgeschud. Die zette de dwanginvordering bij haar door. Zij ging daartegen in beroep. Het verweer van de autoriteiten luidde dat het beroep te laat was ingediend en daarom niet-ontvankelijk was, maar dat als het beroep wel ontvankelijk was het beroep gegrond was omdat er geen bewijs was dat Melo Tadeu feitelijk bestuurder was geweest van het bedrijf. De bestuursrechter verklaarde het beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk. Er volgde een lange weg langs de Portugese rechterlijke instanties, maar dat mocht mevrouw Melo Tadeu niet baten. Steeds werd haar tegengeworpen dat zij te laat was geweest met haar beroep en de belastingdienst zette de dwanginvordering door. Uiteindelijk zocht zij haar heil bij het EHRM in Straatsburg. Daar had zij wel succes: [22]
Ringvold t. Noorwegen, nr 34964/97;
Lundkvist t. Zweden, nr 48518/99). In die opvolgende trajecten kunnen immers minder strikte bewijsregels gelden. Waar het om gaat, is dat argumenten en bewoordingen worden vermeden die de strafrechtelijke vrijspraak op zichzelf in twijfel trekken.”
Melo Tadeunog verschillende arresten gewezen in zaken waarin de opvolgende procedure een zaak voor de civiele rechter is. Daartoe behoren de arresten in de zaken
Alkasi tegen Turkije [24] en
Vella tegen Malta [25] . In deze arresten legt het EHRM uit hoe verschillen in bewijsregels in de procedures tot verschillende uitkomsten kunnen leiden en dat dit op zichzelf geen strijd oplevert met art. 6(2) EVRM. In de opvolgende procedure moet de rechter wel op zijn eigen terrein blijven en afzien van enige verklaring of redenering waarbij de onschuld van de voormalig verdachte in twijfel wordt getrokken.
Alkasi tegen Turkijeoordeelde het EHRM:
Vella tegen Maltaoverwoog het EHRM:
Melo Tadeu” aan de orde komt. [26] Ik behandel hierna deze arresten en eventueel bijbehorende conclusies. Daarbij komen ook de in de vakliteratuur verschenen opmerkingen, visies en kanttekeningen op de
Melo Tadeu-problematiek aan de orde.
Melo Tadeudie de Hoge Raad in overweging 2.6.6 geeft uiteindelijk stand zal houden bij het EHRM: [31]
Melo Tadeuheeft beslist dat een strafrechtelijk begunstigend oordeel dat onherroepelijk vaststaat,
als uitgangspuntmoet worden genomen in een fiscale procedure aan een overweging in dat arrest waarin staat dat de rechter in de opvolgende procedure
rekening moet houdenmet de strafrechtelijke vrijspraak:
Melo Tadeuniet volgt dat, gelet op niet-ontvankelijkverklaring en vrijspraak in de strafzaak, de onderhavige (navorderings)aanslagen zijn opgelegd in strijd met de in art. 6(2) EVRM genoemde onschuldpresumptie en om die reden moeten worden vernietigd.
5.Samenvatting en beschouwing
Melo Tadeu, volgt dat de onschuldpresumptie opgenomen in art. 6(2) EVRM eraan in de weg staat dat, nadat een persoon in een strafrechtelijke procedure is vrijgesproken [66] , zijn onschuld omtrent hetgeen waarvan hij is vrijgesproken in twijfel wordt getrokken in een opvolgende procedure. Dit betekent echter niet dat van een belanghebbende in geen geval belasting kan worden geheven naar aanleiding van de gedraging waarvan hij is vrijgesproken. Wel moet de belastingrechter rekening houden met (‘
prendre en compte’(4.14)) de strafrechtelijke vrijspraak. Dit kan leiden tot een op het eerste oog opmerkelijke situatie, pakkend omschreven door Haas en Jansen: “U heeft het niet gedaan maar u moet er wel belasting over betalen.” [67]
link’) is tussen de strafrechtelijke procedure en de daaropvolgende andere niet-strafrechtelijke procedure. Het is aan degene die zich in die opvolgende procedure op de onschuldpresumptie beroept om te stellen en bewijzen dat die link bestaat (4.2, 4.21-4.22). Het daartoe vereiste verband “is bijvoorbeeld aanwezig als die latere procedure een onderzoek vereist van de uitkomst van de eerdere strafrechtelijke procedure, in het bijzonder in een geval waarin die latere procedure de rechter dwingt tot een onderzoek van een strafrechtelijk oordeel, tot een heroverweging of beoordeling van het bewijs in het strafrechtelijke dossier, tot een oordeel over de deelname van de belanghebbende aan de gebeurtenissen die hebben geleid tot de eerdere ‘criminal charge’, of tot een oordeel over de bestaande aanwijzingen van mogelijke schuld van de belanghebbende.” [68] In het arrest
Melo Tadeuwerd door het EHRM zo’n verband aanwezig geacht tussen de strafrechtelijke procedure en een daarop volgende fiscale procedure (4.4).
“stay within the bounds of [their] forum and refrain form suggesting criminal characterization of the applicant’s conduct”)(4.6-4.8).
6.Beoordeling van de middelen
Vooraf
Melo Tadeugebonden achtte aan de feitelijke vaststellingen uit het arrest van de strafrechter. Zonder die veronderstelde gebondenheid zou het Hof, zo begrijp ik het middel, tot een ander oordeel zijn gekomen.
Melo Tadeu– juist wel zijn twijfels heeft willen etaleren over de juistheid van de uitleg die de strafrechter heeft gegeven aan het begrip ‘voorhanden hebben’. De redenen daarvoor zie ik in de bestreden uitspraak niet vermeld. Belanghebbende wordt daardoor echter niet benadeeld. Het zou kunnen zijn dat het Hof de strafrechter ervan verdacht [83] voorbij te zijn gegaan aan de toerekeningsregel uit het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2022 [84] . Die toerekeningsregel werkt in het voordeel van belanghebbende. Als het Hof er over twijfelde of de strafrechter de toerekeningsregel heeft onderkend, heeft het daarmee dus niet de juistheid van de vrijspraak in twijfel getrokken.
Melo Tadeu, kan ook betekenen dat het Hof de feiten uit de strafzaak weergegeven in 4.10 en 4.12 heeft overgenomen vanwege het arrest
Melo Tadeuen niet omdat die feiten in de fiscale procedure onweersproken waren gebleven. In dat geval wordt het middel in zoverre terecht aangevoerd, maar kan het niet tot cassatie leiden, omdat het Hof – wegens het onweersproken karakter van die feiten – tot geen andere beoordeling van die feiten had kunnen komen.
the taxpayers money’) besteden aan een speurtocht naar dat oordeel en loopt de Staatssecretaris het risico dat het resultaat van mijn speurtocht niet overeenstemt met zijn bedoelingen. In de derde, vierde en vijfde volzin van 4.11 van de bestreden uitspraak heb ik oordelen gevonden die de Staatssecretaris vermoedelijk met het middel wil bestrijden. Daar merkt het Hof op dat de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen, waarbij deels is teruggekomen op eerder afgelegde belastende verklaringen, in de onderhavige belastingzaak niet zijn overgelegd. Uitgaan van de in deze belastingzaak wel overgelegde belastende verklaringen zou volgens het Hof geen recht doen aan het uit het dossier blijkende feit, dat die verklaringen later deels zijn teruggenomen. Daarom neemt het Hof de bedoelde overwegingen en vaststellingen van de strafkamer over en maakt die tot de zijne.
Melo Tadeuzijn deze overwegingen van het Hof niet onbegrijpelijk. Er staat immers dat er belastende verklaringen zijn, dat vaststaat dat op (wellicht is bedoeld: van) die verklaring deels bij de raadsheer-commissaris is teruggekomen, maar dat die ‘terugkomende verklaring’ niet is overgelegd in de belastingzaak. Ik kan mij goed voorstellen dat het Hof de aldus ontstane onzekerheid over de geloofwaardigheid van de belastende verklaring voor risico van de Inspecteur laat komen. De door hem gepresenteerde selectie uit de stukken van de strafprocedure blijkt onvolledig en een verkeerde indruk te wekken. Doordat de Inspecteur de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring niet heeft overgelegd kan het Hof niet beoordelen van welk deel van de eerder afgelegde belastende verklaring is teruggekomen en hoe geloofwaardig die belastende verklaring dan nog is. Dan is het mijns inziens niet onbegrijpelijk of in strijd met de in een belastingprocedure geldende bewijsregels dat het Hof de belastende verklaring buiten beschouwing laat.