Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak
3.De middelen van cassatie
4.De tenlastelegging, de bewijsoverweging en de bewezenverklaring
5.Het eerste middel
ik parafraseer, D.P.) haar keel dicht te knijpen en geknepen te houden, in elk geval door zodanige geweldshandelingen op die [slachtoffer] uit te oefenen dat zij geen adem meer kon halen en/of door een of meer (andere) vormen van (excessief) geweld en/of andere geweldshandelingen op die [slachtoffer] uit te oefenen. Het hof heeft ter verwerping van het verweer van de verdediging dat niet vaststaat dat het slachtoffer door de op de in de tenlastelegging beschreven wijze om het leven is gekomen – na het uitsluiten van een natuurlijke dood, een ongeluk of zelfdoding – overwogen dat uitsluitend de mogelijkheid dat zij een onnatuurlijke dood is gestorven als gevolg van opzettelijk gewelddadig handelen van een ander. Het hof heeft vervolgens buiten redelijke twijfel vastgesteld dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] in de periode van 8 tot en met 11 november 2007 in of bij hun woning te [plaats] opzettelijk van het leven heeft beroofd.
6.Het tweede middel
ernstigepsychische klachten die hebben geleid tot zelfdoding, [10] te meer nu het hof heeft overwogen dat zich in het dossier meerdere verklaringen bevinden van getuigen die contact hadden met [slachtoffer] en uit hun verklaringen niet blijkt van een indruk dat [slachtoffer] zichzelf van het leven zou willen beroven. De klacht faalt in zoverre.
opbouwenvan de bewijsconstructie en het
motiverenvan de bewijsconstructie. [11]
onaannemelijkis of
onwaaris gebleken. Het afleggen door de verdachte van een onwaar gebleken verklaring kan worden beschouwd als het geven van een lezing die als onaannemelijk of ongeloofwaardig heeft te gelden, of worden gelijkgesteld aan het uitblijven van een aannemelijke verklaring, zodat ook aan het afleggen van een onwaar gebleken verklaring betekenis kan toekomen bij het oordeel of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard. In deze gevallen neemt de rechter de bewezenverklaring aan op grond van andere bewijsmiddelen dan die verklaring van de verdachte. Het afleggen van een onwaar gebleken verklaring betreft dan een omstandigheid die in de bewijsredenering van de rechter van belang is voor de redengevende betekenis die in het concrete geval aan de gebruikte bewijsmiddelen kan worden toegekend, en om die reden in de bewijsmotivering wordt betrokken. Van het gebruik als bewijsmiddel van de verklaring die naar het oordeel van de rechter onaannemelijk is of onwaar is gebleken, is in voormelde gevallen
geensprake. [12]
anderevoor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen. Tot deze andere bewijsmiddelen kunnen echter niet worden gerekend bewijsmiddelen die verklaringen van de verdachte zelf inhouden, dan wel verklaringen van andere personen betreffen die alleen weergeven wat de verdachte hun heeft meegedeeld. Ook de omstandigheid dat de verdachte heeft geweigerd over een bepaald punt een verklaring te geven, kan niet mede ten grondslag worden gelegd aan het oordeel dat de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te verhullen. [13] Met de formulering dat het moet gaan om een verklaring van de verdachte die ‘kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te verhullen’, wordt tot uitdrukking gebracht dat het afleggen door de verdachte van een verklaring die onverenigbaar is met de uit een of meer andere gebruikte bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, in het concrete geval als een voor het aannemen van de bewezenverklaring relevante (i.e. redengevende,
D.P.) omstandigheid moet kunnen worden aangemerkt. Dat de verdachte een kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd, kan vooral van belang zijn voor de betekenis die de rechter aan de overige bewijsmiddelen toekent. [14]