Conclusie
Nummer24/00926
Inleiding
werkzaam in de gezondheidszorg ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd” veroordeeld. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof de verdachte ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van verpleegkundige voor de duur van drie jaren en de vordering van een benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
Feit 1
Ten aanzien van feit 1 en feit 2
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting
Bijlage bij de aangifte: verhaal van aangeefster op de website van [instelling]
” Pas na het plaatsen van de review op de site heeft de kliniek aan aangeefster kenbaar gemaakt dat een inwendige controle niet tot de reguliere controle vóór ontslag behoort.
”
1. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 28 augustus 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…).
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters niet over en weer als schakelbewijs kunnen worden gebruikt, nu de verschillen tussen deze verklaringen daarvoor te groot zijn en de overeenkomsten tussen deze verklaringen te algemeen van aard zijn. Ten aanzien van verschillen in deze verklaringen heeft de raadsman onder meer genoemd dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de aanraking tussen haar schaamlippen hooguit vijf seconden heeft geduurd, en dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat het inwendig onderzoek één a twee minuten, ‘misschien iets langer', duurde. Daarnaast heeft alleen [slachtoffer 1] verklaard dat de verdachte glijmiddel gebruikte. Nu ander steunbewijs ontbreekt, verzet het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering zich ten aanzien van beide, ten laste gelegde feiten tegen een bewezenverklaring.
De klachten van het eerste middel
De bespreking van het eerste middel
onafhankelijk van elkaarzijn omschreven. Ook het oordeel dat de verschillen tussen de verklaringen van de aangeefsters niet afdoen aan de redengevende kracht van de vastgestelde overeenkomsten, houdt wat mij betreft in cassatie stand. Verschillen in de toedracht van twee of meer delicten zullen er immers altijd zijn, ook wanneer de delicten zijn begaan door dezelfde dader en met een persistent gedragspatroon. Waar het om gaat is of de verschillen zodanig zijn dat zij het oordeel dat de verdachte zich aan beide delicten heeft schuldig gemaakt, in voldoende mate ondergraven. Het hof heeft toereikend uiteengezet dat zulks hier niet het geval is.
Het tweede middel
[betrokkene ] . (Hof Amsterdam)” inhoudende onderzoekswensen inzake “
[verdachte] /OM (23-003275-21)”. [2] Dit e-mailbericht houdt onder meer in:
Langs deze weg treft u in bovenvermelde zaak mijn onderzoekswensen aan.
'
Desgevraagd door de voorzitter deelt de advocaat-generaal mede het e-mailbericht met bijlagen van 20 december 2022 van de raadsman, inhoudende een brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) en een verslag van de IGJ, niet te hebben ontvangen. De voorzitter deelt voorts mede dat de griffier ervoor zal zorgdragen dat de advocaat-generaal thans in het bezit komt van dit e-mailbericht.
Subsidiair: voorwaardelijk verzoek voeging dossierstukken (art. 149a jo. 315 jo. 415 Sv alsmede art. 6, lid 3, aanhef onder b EVRM en de beginselen van een behoorlijke procesorde)
genoemde documenten aan het dossier te voegen zodat de verdediging hier een beroep op zal kunnen doen.”
De raadsman heeft het verzoek gedaan om, indien het hof tot een bewezenverklaring van een of beide ten laste gelegde feiten komt, een afschrift van [instelling] met daarin onder meer opgenomen de verklaringen van beide aangeefsters alsmede een (het hof begrijpt: compleet) afschrift van het definitieve rapport van de IGJ aan het dossier toe te voegen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters inconsistenties bevatten die relevant zijn voor de beoordeling van de door de rechtbank gehanteerde schakelbewijsconstructie. De eerdere afwijzende beslissing van het hof om deze stukken te voegen druist in tegen het beginsel van equality of arms ex artikel 6, leden 1 en 3, EVRM en de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Een nadere omschrijving van de klachten van het tweede middel
uitdrukkelijk onderbouwd is gewezen naar de mogelijke inconsistenties in de verklaringen en het belang van deze inconsistenties voor de onderbouwing van het verweer strekkende tot afwijzing van het gebruik van een mogelijke schakelbewijsconstructie” en dat overwegingen van het hof hieraan niet afdoen nu “
de verdediging juist aan de hand van deze stukken de eventuele deugdelijkheid van de schakelbewijsconstructie heeft willen betwisten en de schakelbewijsconstructie (…) het centrale twistpunt in de onderhavige strafzaak vormde”.
Het beoordelingskader
De bespreking van het middel
Het derde middel
34. Tot slot wenst de verdediging ten aanzien van de straf op te merken dat de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden. Namens verdachte is op 7 december 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof zal op zijn vroegst op 14 maart 2024 uitspraak doen. De redelijke termijn in hoger beroep is derhalve met ongeveer 3 maanden geschonden. Nu deze vertraging niet (deels) aan de onderzoekswensen van de verdediging kan worden geweten dient deze overschrijding in de mogelijk aan cliënt op te leggen straf naar de gebruikelijke maatstaf te worden verdisconteert.”
Gelet op de aard en ernst van de feiten is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf. Het hof houdt daarbij rekening met de consequenties die de onderhavige strafzaak voor de verdachte heeft gehad. Hij heeft zijn baan verloren en werk buiten de zorg moeten zoeken. Het hof zal daarom volstaan met de straf die door de rechtbank is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk.