Conclusie
1.Inleiding en overzicht
Onderwerp conclusie
nietprimair de klachten van het Bestuur of de uitspraak van het Hof als uitgangspunt voor de beschouwing. Dat doe ik zo, omdat – zoals zojuist opgemerkt – het arrest in deze zaak ook van belang is voor andere zaken, waaronder zaken van andere heffingsambtenaren. Tot slot geef ik in onderdeel 5 mijn beoordeling van de klachten van het Bestuur.
in alle zakenvan de gemachtigde de redelijke termijn
generiekwordt verlengd met een jaar. Daarvan uitgaande, begrijpt het Hof de onderhavige uitspraak van de Rechtbank denkelijk zo dat de Rechtbank tot een generieke verlenging van de redelijke termijn met een jaar is overgegaan zonder te onderzoeken of in deze zaak de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit vertraging tot gevolg heeft gehad (vgl. 4.8). Als van deze lezing van de onderhavige uitspraak van de Rechtbank wordt uitgegaan, zou ik de uitspraak van de Rechtbank anders beoordelen:
Uitgangspunten in cassatie, beslissingen in feitelijke instanties, en geding in cassatie
toegerekendaan belanghebbende op grond van de handelwijze van de gemachtigde” (onderstreping MP).
in alle zakenwaarin de gemachtigde optreedt
generiekdient te worden verlengd van twee naar drie jaar” (mijn onderstreping). Wat het Hof onder ‘generiek’ verstaat kan vermoedelijk worden afgeleid uit rov. 4.4: “de vraag of in zaken van deze gemachtigde de redelijke termijn generiek,
dus zonder onderzoek in de individuele procedure, moet worden verlengd van twee naar drie jaar.”
in alle zakenvan deze gemachtigde de redelijke termijn met 12 maanden wordt verlengd” (onderstreping MP). De Rechtbank heeft zich in rov. 23 van die uitspraak niet uitgelaten over verlenging in andere zaken.
eersteelement is dat verlenging van de redelijke termijn moet zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich voordoen in de individuele procedure:
a contrario-duiding.
tweedeelement is dat het procesgedrag van een gemachtigde weliswaar een bijzondere omstandigheid kan zijn, maar het wel een nadere afweging vergt of dit verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt, bij welke afweging ook de handelwijze van het betreffende overheidsorgaan moet worden betrokken:
derdeelement in de motivering van het Hof is dat de Rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom de door het gebrek aan capaciteit bij de gemachtigde veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde, althans dat dit capaciteitsgebrek onvoldoende motivering is voor het generiek vaststellen van een jaar vertraging:
uitsluitendis toe te rekenen aan de gemachtigde” (mijn onderstreping). Immers, zou dat niet relevant zijn, dan is er geen aanleiding om de Rechtbank het in die tweede volzin gemaakte motiveringsverwijt te maken.
eerstemogelijkheid is dat het Hof van de rechtsopvatting uitgaat dat het capaciteitsgebrek van de gemachtigde slechts dan als een bijzondere omstandigheid (die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt) is aan te merken indien de daardoor veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde. Een aanwijzing voor die lezing zou kunnen worden gevonden in wat het Hof in rov. 4.20 heeft overwogen over het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2019.
tweedemogelijkheid is dat het Hof de kwestie of de door het capaciteitsgebrek veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde, (ook) relevant acht in verband met de periode waarmee de redelijke termijn wordt verlengd. Een aanwijzing daarvoor zou kunnen worden gevonden in de vierde zin waarin het Hof overweegt dat de vaststelling dat sprake is van gebrek aan capaciteit onvoldoende motivering is “voor het generiek vaststellen van een jaar vertraging”.
doordat capaciteitsgebrek
veroorzaaktevertraging”, die vertraging niet zonder meer uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde. De voorbeelden duiden erop dat het Hof van opvatting is dat hoewel de vertraging is veroorzaakt door het capaciteitsgebrek, de vertraging mede aan de Rechtbank is toe te rekenen als de Rechtbank – kort gezegd – te weinig regie heeft gevoerd. Dat vindt steun in wat het Hof in rov. 4.20 overweegt over de te maken afweging. Ik zie daarvoor ook een zekere steun in de in rov. 4.26 gegeven overwegingen ten overvloede (zie 3.27 hierna).
vierdeelement in de redenering is dat indien een generieke verlenging acceptabel zou zijn, de Rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom die verlenging in iedere procedure een jaar zou moeten bedragen:
moetendoen om een voortvarende behandeling van zaken van de gemachtigde te bewerkstelligen. Die nadere motivering is dat ook meer had
kunnenworden gedaan, gelet op wat het Hof (inmiddels) doet.
4.Beschouwing
Aanvliegroute analyse
uitgaandevan de gehanteerde werkwijze van de Rechtbank. Het Hof heeft in rov. 4.20 (of elders) niet ter discussie gesteld dat, uitgaande van die werkwijze, de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit tot gevolg heeft dat vertraging in de behandeling van zaken van de gemachtigde optreedt. Rov. 4.20 ziet er op of die vertraging wel volledig is toe te rekenen aan de gemachtigde, waarbij in wezen wordt opgeworpen of de Rechtbank haar werkwijze niet had moeten aanpassen. Dat betreft dus een andere kwestie.
in alle zakenvan de gemachtigde de redelijke termijn wordt verlengd. De bedoelde (vermoedelijk) andere lezing door het Hof van de onderhavige uitspraak van de Rechtbank is dat daarin
nietbesloten ligt het oordeel dat de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde óók in deze zaak heeft geleid tot vertraging in de behandeling van de zaak door de Rechtbank, maar dat de Rechtbank tot een verlenging van de redelijke termijn is overgegaan
ongeacht– zonder onderzoek [21] – of in deze zaak de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit vertraging tot gevolg heeft gehad.
herhaaldeverzoeken om verlenging van gestelde termijnen. In het bijzonder is geen sprake van een bijzondere omstandigheid indien het gaat om een proceshandeling waarvan het daarmee gemoeide tijdsverloop is verdisconteerd in de redelijke termijn van twee jaar: [26]
nietbesloten ligt het oordeel dat de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde óók in deze zaak heeft geleid tot vertraging in de behandeling van de zaak door de Rechtbank, maar dat de Rechtbank tot een verlenging van de redelijke termijn is overgegaan
ongeachtof de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit vertraging tot gevolg heeft gehad in deze zaak.