Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Een exemplaar van nobele Koran, en bruidsgave van vijf miljoen en tweehonderdzestig en tweeënenhalf Rial plus honderdvijftig volle Bahar Azadi gouden munten en dertig miljoen rial voor Haj pelgrim en vijf miljoen rial voor de prijs van een stuk Sjaal, die als de schuld van de man aan de vrouw wordt beschouwd en op aanvraag aan haar verstrekt dient te worden.
(…)
A. Echtgenote heeft bedongen dat in geval de echtscheiding niet door de echtgenote is aangevraagd en volgens de bevindingen van de rechtbank deze niet veroorzaakt is door de weigering van de vrouw om haar echtelijke verantwoordelijkheid te voldoen of haar wangedrag, dan is de echtgenoot gehouden tot het overdragen van de helft van het bestaande vermogen dat verkregen is gedurende de gehuwde periode met de vrouw of de gelijke waarde daarvan om niet aan de echtgenote met het goedbevinden van de rechtbank.
(…)’. [2]
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Voor zover het hof zijn oordeel in rov. 5.21 heeft gebaseerd op het oordeel van de rechtbank is dat onbegrijpelijk, omdat de rechtbank niets heeft overwogen over de khul echtscheiding; de man heeft voor het eerst in appel een beroep gedaan op de khul echtscheiding.
Het hof heeft nagelaten om te beoordelen of de door de vrouw geïnitieerde echtscheiding in Nederland kwalificeert als een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans Pro BW. Aangezien de man zich tegen het verzoek van de vrouw op grond van de bruidsgave heeft verweerd met een beroep op art. 1146 Iraans Pro BW, stellende dat de vrouw met het initiëren van de echtscheiding in Nederland naar Iraans recht afstand heeft gedaan van haar recht op de bruidsgave, [36] had het hof moeten beoordelen of is voldaan aan de voorwaarde voor de toepassing van art. 1146 Iraans Pro BW. Het hof had dan ook moeten nagaan of sprake is van een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans Pro BW (‘when the wife obtains a divorce owing to dislike of her husband’). Dit vraagt om een uitleg van het Iraanse recht: ziet art. 1146 Iraans Pro BW ook op een in Nederland op verzoek van de vrouw naar Nederlands recht uitgesproken echtscheiding op de grond dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht (art. 1:151 BW Pro)? Of beperkt art. 1146 Iraans Pro BW zich tot gevallen waarin de khul echtscheiding tot stand is gekomen onder de toepassing van Iraans recht? En maakt het daarbij nog uit of de khul echtscheiding tot stand is gekomen in Iran of in het buitenland? Het oordeel van het hof dat de vrouw met het initiëren van de echtscheiding in Nederland geen afstand heeft gedaan van de bruidsgave, is gebaseerd op de overweging dat een door Nederlands recht beheerste echtscheiding, zoals in deze zaak, geen khul echtscheiding kent (rov. 5.21, eerste alinea). Hiermee is echter nog niet gezegd of de Nederlandse echtscheiding kwalificeert als een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans Pro BW. [37]
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
onderdeel 1worden verschillende klachten geformuleerd tegen rov. 5.9. De klachten houden, kort gezegd, het volgende in.