Conclusie
1.Inleiding
primaire onderdeelvan het middel faalt naar mijn oordeel. Het betoog dat het verlenen van de koopoptie de economische gerechtigdheid tot de aandelen niet heeft aangetast, onderschrijf ik niet. De verstrekking van de deelnemerschapslening door belanghebbende en de optieverlening hangen zozeer met elkaar samen dat het niet onbegrijpelijk is dat het Hof er in dit geval van is uitgegaan dat de optie – in tegenstelling tot wat de Staatssecretaris betoogt – wel is ‘opgesloten’ in het economische belang bij de aandelen. Door het verlenen van de koopoptie berust het economische belang bij de aandelen niet volledig bij belanghebbende (6.9).
subsidiaire onderdeelvan het middel slaagt naar mijn mening wel. Na de optieverlening behoudt belanghebbende een genotsrecht als bedoeld in art. 4.3(a) Wet IB 2001 en moet hij dus ook in zoverre als aandeelhouder worden aangemerkt (6.17-6.20).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.De aanmerkelijkbelangregeling: economisch belang en koopopties
Wettelijke regeling
Onder het huidige aanmerkelijk-belangregime is onduidelijk of een optiehouder als aandeelhouder kan worden aangemerkt. De waardeontwikkeling van de onderliggende aandelen boven de uitoefenprijs gaat de optiehouder aan en niet meer de aandeelhouder. Het is dan ook reëel om in het kader van de aanmerkelijk-belangregeling in een aantal specifieke gevallen de optiehouder met een aandeelhouder gelijk te stellen.
Artikel 20c, elfde lid[RJK: voorganger van 4.31 Wet IB 2001]
volledigeeconomische belang bij de onderliggende aandelen heeft.
(…)
volledigeeconomische belang sprake te zijn van een verschuiving van de economische eigendom. De wetgever heeft nu eenmaal gekozen om bij veel fiscale regelingen, zoals investeringsfaciliteiten, het recht op afschrijving en de deelnemingsvrijstelling, aan te sluiten bij het zijn van eigenaar. [19] In voorkomende gevallen kan het economische effect van een bepaalde maatregel best bij een ander terechtkomen, bijvoorbeeld in de vorm van prijzen die worden aangepast, maar dat is voor de wetgever geen reden geweest af te wijken van de aansluiting bij de juridisch eigenaar.
5.De aanmerkelijkbelangregeling: genotsrechten
Wettelijke regeling
Genotsrechten’, bepaalt dat met een aandeelhouder wordt gelijkgesteld ‘degene die slechts gerechtigd is tot voordelen uit aandelen’. Zijn gerechtigdheid wordt dan aangemerkt als aandeel.
sui generisals aandeel. In de wettekst wordt namelijk gesproken van degene die ‘slechts gerechtigd is tot voordelen uit aandelen’. Hierbij wordt niet verlangd dat de beneficiary gerechtigd is tot ‘de’ (lees: alle) voordelen uit de aandelen. De omvang van de gerechtigdheid tot de voordelen uit de aandelen is als zodanig klaarblijkelijk niet maatgevend ten aanzien van de kwalificatie van een gerechtigdheid als ‘genotsrecht’ ex art. 4.3 Wet IB 2001.
sui generisis evenmin een aandeel geworden. Het gevolg is dat het meer omvattende recht niet als een genotsrecht kan worden aangemerkt en geen aanmerkelijk belang tot stand brengt. Evenmin
a contrariodegene die gerechtigd is tot meer dan alleen de voordelen uit aandelen, niet met een aandeelhouder gelijkgesteld zou kunnen worden. Een dergelijke a contrario-redenering zou ook wetssystematisch wringen, gelet op de titel van art. 4.3 Wet IB 2001 en het bepaalde in art. 5.22(3) Wet IB 2001.
6.Beoordeling van het middel
het primaire betoogvan de Staatssecretaris stel ik voorop dat, zoals ik eerder heb geconcludeerd (zie 4.10), een direct aanmerkelijk belang wordt gehouden door degene die het volledige economische belang bij de onderliggende aandelen heeft. Door wetsduiding kunnen houders van een beperkt economisch belang ook als ab-houder worden aangemerkt. Ik denk aan de houder van een koopoptie (art. 4.6(b) Wet IB 2001) en degene die ‘slechts gerechtigd is tot voordelen uit aandelen’ (art. 4.3(a) Wet IB 2001).
nietzou worden uitgeoefend (bijzonder) klein was geweest, dan moest ervan worden uitgegaan dat de optie
wélzou worden uitgeoefend en dan was de kans dat belanghebbende zou profiteren van de waardestijging boven de uitoefenprijs bijzonder klein. Dan zou wellicht ook gezegd kunnen worden dat belanghebbende afstand heeft gedaan van die waardestijging. Maar dat is ‘gesteld noch gebleken’, en dus moet rekening gehouden worden met een (niet bijzonder kleine) kans dat de optie
nietwordt uitgeoefend.
nietwordt uitgeoefend; het gaat om de kans dat de optie
welwordt uitgeoefend. Alleen als de kans op uitoefening verwaarloosbaar klein is, berust het economische belang bij de onderliggende aandelen nog volledig bij degene die de optie heeft geschreven. Omdat door de optie een eventuele waardevermeerdering niet zonder meer aan belanghebbende toekomt, komt het risico van waardeverandering immers niet meer volledig aan hem toe (4.12).
lex specialisis ten opzichte van art. 5.22(3) Wet IB 2001 en dus voorrang heeft. Maar dat is in mijn ogen een academische kwestie omdat ik voor de toepassing van het ab-regime geen inhoudelijk verschil zie tussen beide bepalingen. Aan het woordje ‘slechts’ in art. 4.3 Wet IB 2001 komt naar mijn mening geen inhoudelijke betekenis toe (5.10).