Conclusie
1.Inleiding
per transactiemoet worden beoordeeld of er grond is voor toewijzing van een concreet schadebedrag.
2.Feiten
3.Procesverloop
Eerste aanleg
eerste tussenarrest) heeft het hof geoordeeld dat op de procedure als zodanig het Nederlandse procesrecht (als
lex fori) van toepassing is (r.o. 3.10) en dat
“naar Duits recht het aanhangig maken van onderhavige procedures de lopende verjaring van de vorderingen van DB c.s. op geïntimeerden heeft geschorst en dat geen van de vorderingen op geïntimeerden is verjaard.”(r.o. 3.40).
tweede tussenarrest) heeft het hof in r.o. 6.4 overwogen dat DB c.s. hebben gekozen voor een weloverwogen processtrategie, die uit twee elementen bestaat:
“Stelplicht en Aktivlegitimation”is het hof in r.o. 6.7-6.15 ingegaan op het eerste thema. Het hof heeft overwogen dat DB c.s. hebben gekozen voor een abstracte benadering, waarbij de concrete transactiegegevens niet (of pas later, in de schadestaatprocedure) van belang zijn, omdat zij vinden dat volstaan kan worden met het Besluit van de Europese Commissie en het door hen overgelegde economisch model van Oxera. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de door DB c.s. overgelegde gegevens onvoldoende zijn, omdat de Duitse rechter concrete transactiegegevens noodzakelijk acht en bij gebreke daarvan, vorderingen als die van DB c.s. afwijst, en ook de Nederlandse rechter in kartelzaken niet bereid is genoegen te nemen met een dergelijke abstracte benadering als basis voor de toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat. Hierbij heeft het hof, in lijn met beoordelingen van het hof Arnhem-Leeuwarden en de rechtbanken Amsterdam en Rotterdam, [16] vijf punten van belang gevonden:
Aktivlegitimationnader [zal] beoordelen nadat DB c.s. haar stellingen als hiervoor overwogen heeft aangevuld en in het licht van het nadere debat daarover.”
“Cessies – Duitse staat; overgang bij verzelfstandiging”(r.o. 6.16-6.18) is het hof ingegaan op het tweede thema. Het hof heeft overwogen dat het bij dit thema in de kern gaat om de vraag of DB c.s. in dit geding (vergoeding van) schade kunnen vorderen geleden door de Duitse staat, enerzijds als oud exploitant/beheerder van de spoorwegen en anderzijds als verstrekker van financiële middelen voor bepaalde investeringen in infrastructuur. Het hof heeft geoordeeld:
“Overige cessies – Rail.One, Durtrack en Moll”(r.o. 6.19 e.v.) is het hof ingegaan op de (door geïntimeerden bestreden geldigheid van) overige cessies waarop DB c.s. hun vordering doen steunen. Het gaat om cessies door een drietal directe afnemers van (rechtsvoorgangers van) geïntimeerden aan DB c.s. Het gaat om de leveranciers genoemd in r.o. 6.4, onder (2) en (b).
Rechtsdienstleistungsgesetzverworpen.
“Aansprakelijkheid moedermaatschappijen”(r.o. 6.25 e.v.) is het hof ingegaan op het derde thema. Daarin is aan de orde de vraag of de moedermaatschappijen ArcelorMittal SA, ArcelorMittal España, Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft GMBH & Co KG, Pampus Industriebeteiligungen GmbH & Co KG, Nedri Spanstaal BV en Saarstahl AG, die door de Europese Commissie hoofdelijk aansprakelijk zijn bevonden voor (een deel van) [20] de aan hun respectievelijke dochterondernemingen opgelegde boetes en dus ook zijn beboet (zie r.o. 6.26), ook naar het Duitse burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn, naast de dochtermaatschappijen die (volgens de Europese Commissie) direct betrokken zijn geweest bij de gewraakte handelwijze. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord in r.o. 6.45:
eindarrest) heeft het hof in r.o. 9.2.1 de (in hoger beroep gewijzigde) vorderingen van DB c.s. weergegeven:
Schlecker, waarin verwezen wordt naar eerdere relevante jurisprudentie, in het bijzonder de uitspraak van het Bundesgerichtshof van 28 januari 2020 in de zaak
Schienenkartel IIen de latere uitspraken van het Bundesgerichtshof van 23 september 2020 en 13 april 2021 in de zaken
LKW-Kartell I en LKW-Kartell II. Het hof heeft het volgende afgeleid uit deze jurisprudentie:
Betroffenheit) en de omvang van de aansprakelijkheid (de zogenoemde
Kartellbefangenheit). Uit onder meer de uitspraak van het Bundesgerichtshof in de zaak Schlecker blijkt dat de maatstaf voor
Betroffenheit– thans – is dat slechts (
lediglich) vereist is dat het mededingingsbeperkende gedrag direct of indirect schade heeft kunnen veroorzaken bij de eisende partij. Of dit gedrag daadwerkelijk schade heeft veroorzaakt, en dus of er sprake is van
Kartellbefangenheit, is een andere vraag (
weitergehende Frage). Voor het vaststellen van aansprakelijkheid hoeft die vraag niet te worden beantwoord. Daarom hoeft daarvoor ook niet te worden vastgesteld dat de eisende partij concreet en individueel is geschaad door het kartel. Daarvoor is voldoende dat de eisende partij producten heeft gekocht die onder de mededingingsinbreuk vallen.”
Schlecker). Het hof heeft in het tussenarrest van 27 juli 2021 DB c.s. in de gelegenheid gesteld om hun vorderingen toe te lichten aan de hand van transacties (contracten, facturen, pakbonnen, gegevens uit haar administratie en jaarstukken, enzovoort) en/of andere voldoende inzichtelijke gegevens, zoals afgenomen tonnen per entiteit, per jaar en per leverancier, met een overzicht van de toepasselijke prijzen (zie rov. 6.14 onder 3). Vervolgens heeft de raadsheer-commissaris in een tweetal overleggen, op 28 oktober 2021 en op 5 april 2022, met partijen besproken welke informatie het hof verwacht en hoe deze dient te worden aangeleverd. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de geconsolideerde akte uitlating transactiegegevens van DB c.s. d.d. 15 juni 2022 van DB c.s. met producties 109 tot en met 232.
prestressing steel”). Het hof verwijst naar hetgeen in het Besluit op blz. 9 is opgenomen onder het kopje‘ 1. The Product’. Hieruit blijkt dat het kartel […] betrekking [had] op [de] gehele sector spanstaal, met uitzondering van speciale strengen en draagkabels. Spanstaal bestaat uit lange, gekrulde metaaldraden en metaalstrengen die in combinatie met beton op bouwwerven worden gebruikt voor het maken van (onder andere) funderingen, balkons, bruggen, ondergrondse bouwwerken en betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘
railway sleepers’). De vorderingen van DB c.s. hebben betrekking op aankopen van spanstaal voor gebruik in spoorbielzen en andere bouwwerken die onderdeel uitmaken van of gelieerd zijn aan het Duitse spoorwegennet.
Kartellbetroffenheit, en dus niet ook
Kartellbefangenheit– dat DB c.s. producten hebben gekocht die voorwerp waren van het kartel als omschreven in het Besluit en transacties hebben verricht die beïnvloed zijn door het kartel.
Aktivlegitimationvoldaan is aan de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid volgens de toepasselijke maatstaf naar Duits recht en dat de zaak naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen om de schade te begroten. Het hof ziet geen aanleiding nadere gegevens van DB c.s. te verlangen. DB c.s. hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de inspanningen hebben verricht en de kosten hebben gemaakt die in deze fase van hen kan worden gevergd. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen de toelichting van de data specialisten van DB c.s. tijdens de mondelinge behandeling op 29 november 2023. Het is evenmin nodig in dit stadium van deze procedure en voor de thans te geven beoordelingen op grond van artikel 22 Rv Pro dan wel op grond van artikel 843a Rv te proberen gegevens van geïntimeerden te verkrijgen. Aan het verzoek daartoe van DB c.s. gaat het hof dan ook thans voorbij bij gebrek aan belang.”
LKW-Kartell Iin rechtsoverweging 33).
Betroffenheit) en de omvang van de aansprakelijkheid (
Kartellbefangenheit). De slotsom is dat DB c.s. aan hun stelplicht hebben voldaan voor wat betreft de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid. Aan nadere bewijslevering komt het hof niet toe.
LKW-Kartell IIaanhalen. Deze rechtsoverweging geeft inzicht in waarom in deze fase niet hoeft te worden vastgesteld dat DB c.s. concreet en individueel is geschaad door het kartel. In rechtsoverweging 21 van deze uitspraak overweegt het Bundesgerichtshof:
In hoeverre zijn DB c.s. vorderingsgerechtigd?
Schienenkartel V(rechtsoverwegingen 59 en 67). Het hof stelt allereerst vast dat van een verrassingsbeslissing geen sprake is. Voorafgaand aan het tussenarrest van 27 juli 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 26 april 2021. In de pleitaantekeningen van DB c.s. voor die mondelinge behandeling wordt op blz. 5 in randnr. 2.13 aangevoerd dat de opbrengst van de vorderingen als winst uiteindelijk aan de Duitse staat zal toekomen aangezien hij 100% aandeelhouder is van Deutsche Bahn AG die op haar beurt DB Netz volledig in handen heeft. Hierop heeft het hof in het tussenarrest van 27 juli 2021 zijn beslissing gebaseerd. Geïntimeerden betwisten ook niet dat de Duitse staat jaarlijks financiering verstrekt aan DB c.s. en dat door DB c.s. verkregen ‘voordelen’ (schadevergoeding) in enig jaar daarop in mindering strekken. Overigens hebben DB c.s. tijdens de mondelinge behandeling op 29 november 2023 het onderhavige verweer herhaald.
upstream pass-onis geweest. De
upstream pass-onbetekent dat de cedenten extra kosten door het kartel (
overcharge) hebben doorgegeven (via de prijzen bij transacties tussen de cedenten en DB c.s.) aan de cessionaris. In het alternatieve geval (100%
upstream pass-on,
overchargegeheel doorgegeven aan DB c.s.) zijn de cessies niet nodig, omdat DB c.s. dan zelf alle gestelde schade lijden.
Aktivlegitimation, zoals hiervoor al is geoordeeld (in rov. 9.4.11), aan de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid volgens de toepasselijke maatstaf naar Duits recht voldaan en kan de zaak naar de schadestaatprocedure worden verwezen om de schade te begroten. Geïntimeerden zijn gemeenschappelijk en hoofdelijk aansprakelijk, zoals DB c.s. hebben toegelicht. Uit al het voorgaande blijkt tot slot dat geen van de verweren van geïntimeerden tegen toewijzing van de vorderingen onder A tot en met D van DB c.s. slaagt. Op grond van artikel 33 GWB Pro als in deze zaak aan de orde zijn deze vorderingen […] dan ook toewijsbaar.”
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Kartellbetroffenheiten
Kartellbefangenheit.
Verhouding hoofdprocedure en schadestaatprocedure
single and continuous infringement’) op het Europese kartelverbod (art. 101 VWEU Pro) één schadevergoedingsvordering heeft voor alle transacties, dan wel voor elke transactie een afzonderlijke schadevergoedingsvordering. Daarom behoeft de beantwoording van de prejudiciële vragen die de Hoge Raad in zijn uitspraak van 20 juni 2025 [28] aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft voorgelegd, niet te worden afgewacht.”
Kartellbetroffenheiten
Kartellbefangenheit.
Betroffenheit) en de omvang van de aansprakelijkheid (de zogenoemde
Kartellbefangenheit)” (r.o. 9.3.3 eindarrest). Ik wijs in dit verband op r.o. 9.4.12 en 9.4.14-9.4.15, waaruit eveneens blijkt dat het hof is uitgegaan van het genoemde onderscheid.
Kartellbetroffenheitis een vereiste waaraan voldaan moet zijn om tot aansprakelijkheid op grond van het Duitse mededingingsrecht te komen. [29] Het begrip
Betroffenheithoudt verband met § 33 en § 33a van het
Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen(GWB). Deze bepalingen luiden voor zover van belang als volgt:
‘Betroffen(en)’staat in Abs. 1 en Abs. 3 van § 33. Abs. 1 bepaalt dat een ieder die in strijd handelt met, kort gezegd, (dit deel van) het GWB of met artikel 5, 6 of 7 van EU-Verordening 2022/1925, tegenover de
‘Betroffenen’verplicht is om de overtreding ongedaan te maken en, bij gevaar voor herhaling, de overtreding achterwege te laten. Abs. 3 bepaalt wie als
‘Betroffenen’zijn aan te merken: concurrenten of andere marktdeelnemers die nadelige gevolgen ondervinden van de overtreding van het mededingingsrecht. § 33a Abs. 1 bepaalt dat wie
vorsätzlichof
fahrlässigeen overtreding begaat als bedoeld in § 33 Abs. 1, verplicht is de daardoor ontstane schade te vergoeden.
Betroffenheitin kartelzaken maakt deel uit van, kort gezegd, de
haftungsbegründende Kausalität. [30] In het Duitse aansprakelijkheidsrecht wordt een onderscheid gemaakt tussen
haftungsbegründende Kausalitäten
haftungsausfüllende Kausalität. [31] Het vereiste van
haftungsbegründende Kausalitäthoudt in, kort gezegd, dat het onrechtmatig handelen tot een schending van een rechtsgoed moet hebben geleid. [32] Het vereiste van
haftungsausfüllende Kausalitätdaarentegen ziet op het causale verband tussen de schending van het rechtsgoed en de concrete schade. Vanzelfsprekend bestaat er alleen dan een schadevergoedingsplicht als van beide vormen van causaliteit sprake is. [33]
Bundesgerichtshofin overwegingen 29 a) en 30 b) van het
Schlecker-arrest [34] alleen heeft overwogen dat in het kader van het vereiste van
Kartellbetroffenheit, dat als gezegd volgt uit § 33 van het GWB, volstaat
“dass das wettbewerbsbeschränkende Verhalten geeignet ist, einen Schaden des Anspruchstellers unmittelbar oder mittelbar zu begründen”, en dat het
daarbij, dus in het kader van het vereiste van
Kartellbetroffenheit, niet aankomt op de verdergaande vraag of het mededingingsbeperkende gedrag daadwerkelijke schade heeft veroorzaakt. Het
Bundesgerichtshofheeft niet overwogen, en heeft ook niet bedoeld, dat reeds sprake is van een schadevergoedingsplicht als er sprake is van
Kartellbetroffenheit, en dat dan aan de
haftungsausfüllende Kausalitätkan worden voorbijgegaan.
“Voor het toewijzen van een concreet schadebedrag is naar Duits recht, naar het hof afleidt uit de overgelegde jurisprudentie waaronder ook de uitspraak van het Oberlandesgericht Düsseldorf, wel vereist dat er sprake is van een concrete en individuele onderbouwing van de schade.”Dit betekent dat volgens het hof zowel aan de
haftungsbegründende Kausalitätals aan de
haftungsausfüllende Kausalitätmoet zijn voldaan, alvorens een concreet schadebedrag kan worden toegewezen. [35]
per transactiede aansprakelijkheid had moeten vaststellen (r.o. 3.2.2), verworpen. Naar het oordeel van Uw Raad kon het hof Den Haag voor verwijzing naar de schadestaatprocedure voldoende achten dat tussen een karteldeelnemer en een woningcorporatie – direct of indirect – ten minste één transactie heeft plaatsgevonden tijdens de inbreukperiode, omdat met die ene transactie de grondslag voor aansprakelijkheid jegens de desbetreffende woningcorporatie vaststaat en ten aanzien van die woningcorporatie daarmee tevens de mogelijkheid van schade als gevolg van de onrechtmatige deelname aan het kartel, voldoende aannemelijk is (r.o. 3.2.4). Ik wijs er in dit verband op dat het hof in de onderhavige zaak in r.o. 9.4.11 van het eindarrest heeft geconcludeerd dat voldaan is aan de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid naar Duits recht. Aan dit oordeel heeft het hof mijns inziens voldoende ten grondslag gelegd. Verkort weergegeven gaat het om: inhoud en betekenis van het Besluit (r.o. 9.4.5), de Oxera-rapporten (r.o. 9.4.6), de geconsolideerde akte uitlating transactiegegevens van DB c.s. (r.o. 9.4.7), het feit dat het kartel betrekking had op de gehele sector spanstaal (r.o. 9.4.8), het feit dat uit de transactiegegevens van DB c.s. blijkt dat die onder meer aankopen van spanstaal voor de productie van spoorbielzen en dwarsliggers betreffen (r.o. 9.4.9) en productie 125 inhoudende een overzicht van bouwprojecten van DB c.s. waarin spanstaal is verwerkt in het jaar 2001 (r.o. 9.4.10). Op basis van deze gegevens kon het hof de zaak naar de schadestaatprocedure verwijzen omdat hiermee de grondslag voor aansprakelijkheid van Nedri c.s. jegens ieder van de eisers voldoende vaststaat en tevens de mogelijkheid van (hun) schade als gevolg van de onrechtmatige deelname aan het kartel voldoende aannemelijk is.
Betroffenheit) zijn voldaan. Dit volgt klip en klaar uit de Duitse rechtspraak, zoals Nedri c.s. hebben aangevoerd. Als het hof heeft bedoeld dat de door Nedri c.s. genoemde rechtspraak is achterhaald door de uitspraken van het Bundesgerichtshof in de zaken
Schienenkartell II, LKW-Kartell I, LWK-Kartell II en Schlecker, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. Deze uitspraken gaan niet over de vraag of de eiser moet stellen en bewijzen op welke individuele transacties de vorderingen betrekking hebben. Zij zien slechts op de vraag of voor vestiging van aansprakelijkheid ook nodig is dat wordt vastgesteld dat deze concrete transacties daadwerkelijk door de mededingingsinbreuk zijn geraakt (
Kartellbefangenheit).
haftungsbegründende Kausalitäten
haftungsausfüllende Kausalität, en in overeenstemming hiermee in kartelzaken tussen
Kartellbetroffenheiten
Kartellbefangenheit(randnummers 4.7-4.13 hiervoor), zulks in samenhang met het feit dat in deze zaak Nederlands procesrecht van toepassing is. Ik wijs in dit verband ook op wat Uw Raad heeft overwogen in r.o. 3.2.5 van HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761 (
Kone & Otis/Stichting de glazen lift) (randnummers 4.6 en 4.16 hiervoor).
“(grotendeels nieuwe) jurisprudentie”(r.o. 9.3.5 eindarrest) maakt dat de eindbeslissingen in het tussenarrest op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berusten. Het subonderdeel voert aan dat het hof het terugkomen nader had moeten motiveren, omdat (i) het hof blijkens r.o. 9.4.12 van het eindarrest niet terugkomt op de voornaamste grondslag voor de eindbeslissingen in het tweede tussenarrest, namelijk dat naar Duits recht een zelfstandige vordering ontstaat naar aanleiding van iedere individuele transactie (r.o. 6.11 tweede tussenarrest), (ii) Nedri c.s. hebben toegelicht dat weliswaar sprake is van nieuwe rechtspraak, maar dat geen sprake is van een nieuwe rechtsregel, en (iii) Nedri c.s. hebben toegelicht dat deze rechtspraak niet gaat over de vraag of in het kader van vestiging van aansprakelijkheid moet worden vastgesteld op welke transacties de vorderingen betrekking hebben, maar over de vraag of voor vestiging van aansprakelijkheid óók nodig is dat wordt vastgesteld dat deze concrete transacties daadwerkelijk door de mededingingsinbreuk zijn geraakt (
Kartellbefangenheit).
“een andere opvatting over Duits recht (…) dan in het Tussenarrest”, maar het oordeel in r.o. 6.12-6.14 van het tweede tussenarrest mede is gebaseerd op de vereisten naar Nederlands recht voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.
Kartellbetroffenheit, en dus niet ook
Kartellbefangenheit– dat DB c.s. producten hebben gekocht die voorwerp waren van het kartel zoals omschreven in het Besluit en transacties hebben verricht die beïnvloed zijn door het kartel.
Schlecker-arrest van 29 november 2022 van het Bundesgerichtshof (r.o. 9.3.2 eindarrest), waarmee het belang van het onderscheid tussen
Betroffenheiten
Befangenheit(r.o. 9.3.3 eindarrest) duidelijk(er) werd. Daarnaast is inderdaad, zoals het hof heeft overwogen in r.o. 9.3.5, de vraag naar de uitleg van het Duitse recht voorwerp van het partijdebat geweest tijdens de mondelinge behandeling van 29 november 2023. In dat kader is ook het maken van een knip, verdeeld over de hoofdprocedure en de schadestaatprocedure, tussen het vaststellen van de aansprakelijkheid en het vaststellen van de schade, aan de orde gekomen. [42] Nedri c.s. hebben zich hierover dus kunnen uitlaten. Van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is dan ook geen sprake geweest.
“Voor zover zij zich op het standpunt stellen dat schade niet aannemelijk is, kan daarvan naar het oordeel van het hof niet op voorhand worden uitgegaan. Dit geldt dus ook voor het verweer dat de spanstaven voor de betonnen spoorbielzen voor het Duitse spoorwegennet tijdens de eerste helft van de inbreukperiode alleen werden geproduceerd door Sigma, een partij die niet bij de inbreuk was betrokken, en pas vanaf 1991 door Nedri.”Volgens het onderdeel doelt het hof hiermee op het verweer van Nedri c.s. dat alle door DB c.s. afgenomen spoorbielzen met spanstaal een
specialty productvormden dat niet door het kartel werd geraakt, omdat daarin zeer speciale spanstaalproducten moesten worden gebruikt volgens bijzondere specificaties van DB c.s. die niet substitueerbaar waren door ‘normale’ spanstaalproducten die geproduceerd werden door (andere) kartelleden. Nedri c.s. hebben bovendien betoogd dat waar het besluit van de Europese Commissie van 30 juni 2010 (het “Besluit”) spreekt over “betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘railway sleepers’)”, deze algemene aanduiding geen betrekking kan hebben op de specifieke spoorbielzen van DB c.s. vanwege hun specifieke eigenschappen.
“betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘railway sleepers’)”, dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is in het licht van het betoog van Nedri c.s. dat deze algemene aanduiding geen betrekking heeft (of kan hebben) op de spoorbielzen van DB c.s. vanwege hun specifieke eigenschappen.
betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘railway sleepers’)”, dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is in het licht van het betoog van Nedri c.s. dat deze algemene aanduiding geen betrekking heeft (of kan hebben) op de spoorbielzen van DB c.s. vanwege hun specifieke eigenschappen.
prestressing steel”), dat uit het Besluit blijkt dat het kartel betrekking had op de gehele sector spanstaal, met uitzondering van speciale strengen en draagkabels, dat spanstaal bestaat uit lange, gekrulde metaaldraden en metaalstrengen die in combinatie met beton op bouwwerven worden gebruikt voor het maken van (onder andere) funderingen, balkons, bruggen, ondergrondse bouwwerken en betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘
railway sleepers’), en dat de vorderingen van DB c.s. betrekking hebben op aankopen van spanstaal voor gebruik in spoorbielzen en andere bouwwerken die onderdeel uitmaken van of gelieerd zijn aan het Duitse spoorwegennet. Vervolgens heeft het hof overwogen (in r.o. 9.4.9) dat vast is komen te staan dat aan het vereiste van
Kartellbetroffenheitis voldaan, omdat DB c.s. producten hebben gekocht die voorwerp waren van het kartel als omschreven in het Besluit en transacties hebben verricht die beïnvloed zijn door het kartel. Het hof heeft dit afgeleid uit de door DB c.s. in het geding gebrachte transactiegegevens, die onder meer aankopen van spanstaal voor de productie van spoorbielzen en dwarsliggers betreffen, welke aankopen DB c.s. hebben geadstrueerd aan de hand van de door hen overgelegde producties zoals facturen.
Kartellbetroffenheitis voldaan (r.o. 9.4.9, laatste zin) en dat is voldaan aan de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid volgens de toepasselijke maatstaf naar Duits recht (r.o. 9.4.11). Daarop wijst immers inderdaad dat uit het Besluit blijkt dat het kartel betrekking had op de
gehele sector spanstaal, dat spanstaal wordt gebruikt voor onder meer betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen, waarop de vorderingen van DB c.s. betrekking hebben (r.o. 9.4.8) en dat de door DB c.s. in het geding gebrachte transactiegegevens onder meer aankopen van spanstaal voor de productie van spoorbielzen en dwarsliggers betreffen (r.o. 9.4.9), waar nog bijkomt, zoals het hof heeft overwogen in r.o. 9.4.12, dat een kartel als het onderhavige ook schade kan veroorzaken door paraplu-effecten (een prijsopdrijvende werking van een kartel op de prijzen van niet-karteldeelnemers). Hiervan uitgaande kon het hof, in het licht van het in het Duitse recht gemaakte onderscheid tussen
Kartellbetroffenheiten
Kartellbefangenheit, de beoordeling van het betreffende verweer van Nedri c.s. overlaten aan de schadestaatprocedure. Daarin kan aan de orde komen of, mogelijk toch, bij bepaalde transacties sprake is geweest van specifieke spoorbielzen met specifieke eigenschappen, die niet onder het Besluit vallen.
“Het is wel aangevoerd tijdens de mondelinge behandeling. (…)”en “
Debat is gewoon gevoerd tijdens de zitting en het gaat om de bahnnotwendig in relatie tot de financiering. Ik zie dus niet in dat het dan een ver[r]assingsbeslissing kan zijn geweest.”Van de mondelinge behandeling van 26 april 2021 is (helaas) geen proces-verbaal opgemaakt. [46]
“Geïntimeerden betwisten ook niet dat de Duitse staat jaarlijks financiering verstrekt aan DB c.s. en dat door DB c.s. verkregen ‘voordelen’ (schadevergoeding) in enig jaar daarop in mindering strekken.”DWK c.s. hadden wel de mogelijkheid om dat nog te betwisten (zie immers de voorlaatste zin van r.o. 6.18, onder (2), van het tweede tussenarrest).
Schienenkartel Vvan het Bundesgerichtshof, is dit op grond van art. 79 lid Pro 1, onder b, Wet RO tevergeefs.
zelf. Ik wijs in dit verband op r.o. 6.18, onder (2), van het tweede tussenarrest, waar wordt gesproken van
“DB c.s. heeft geen schade”, alsmede op de eerste zin van r.o. 9.5.2.3 van het eindarrest, waar het hof spreekt van
“of DB c.s. (…) schade hebben”. Het hof heeft dus schade, geleden door DB c.s. zelf, op het oog gehad. De zin
“dat DB c.s. schade kan vorderen geleden door de Duitse staat als verstrekker van financiële middelen (…)”in r.o. 9.5.2.3 is hoogstens wat ongelukkig. Mogelijk heeft het hof hiermee willen refereren aan dezelfde woorden in r.o. 6.16 van het tweede tussenarrest.
en de Bondsrepubliek Duitslandgeleden schade, en dat het hof daarbij heeft overwogen:
“welke schade DB c.s. vordert als rechthebbende van de voornoemde vorderingen tot schadevergoeding”. [47] Men zou dit zo kunnen lezen dat het hof hiermee de door DB c.s. uit hoofde van cessie verkregen vorderingen op het oog heeft gehad, omdat het hof de Bondsrepubliek Duitsland in één adem noemt met Rail.One, Durtrack en Moll. Daarom wijs ik erop, ter verduidelijking, dat het hof heeft geoordeeld dat
“de kartelschadeclaims tot aan de verzelfstandiging in 1994 mee zijn overgegaan naar Deutsche Bahn AG bij de verzelfstandiging, zodat DB c.s. gerechtigd zijn deze claims geldend te maken”(r.o. 6.18, onder (1), van het tweede tussenarrest en r.o. 9.5.2.1 van het eindarrest),
“dat de gestelde cessies door de Duitse staat aan DB c.s. verder onbesproken kunnen blijven”(r.o. 6.18, onder (3), van het tweede tussenarrest) en dat het hof
“niet toe[komt] aan de vraag of de Duitse staat zijn vorderingen rechtsgeldig heeft gecedeerd aan DB c.s., in het bijzonder aan DB Netz.”(r.o. 9.5.2.3 van het eindarrest). Het hof heeft dus bedoeld: DB c.s. kunnen vorderingen strekkende tot vergoeding van schade veroorzaakt door het kartel tot aan de verzelfstandiging in 1994 te gelde maken omdat die vorderingen in 1994 mee zijn overgegaan en voor wat betreft de periode na 1994 kan in de schadestaatprocedure de financiering door Duitse overheid aan de orde komen in het kader van de vraag of DB c.s. schade hebben geleden.
“In de fase die nu aan de orde is, acht het hof voldoende helder en vastomlijnd waarop de cessieovereenkomsten betrekking hebben.”Volgens het subonderdeel heeft het hof hiermee de maatstaf voor bepaaldheid naar Nederlands recht toegepast, terwijl het Duits recht behoorde toe te passen. Het subonderdeel wijst erop dat het hof in r.o. 6.23 van het tweede tussenarrest heeft overwogen dat het Duitse recht bijzondere eisen stelt aan bepaaldheid aan deelcessies. Het subonderdeel voert vervolgens aan dat:
op dit momentaan de orde is en of geïntimeerden al hebben moeten betalen op de vorderingen, zoals het hof doet in r.o. 9.5.5.2. Er is immers niet een later moment waarop het hof de bepaalbaarheid en rechtsgeldigheid van de deelcessies nogmaals kan of zal beoordelen;
“het geheel”van de door Rail.One, Durtrack en Moll geleden schade, onbegrijpelijk is. De deelcessies aan DB c.s. zien immers niet op het geheel van de door de leveranciers geleden schade, maar op een deel, namelijk het deel dat ziet op producten waarin spanstaal is verwerkt en aan DB c.s. (en niet aan anderen) is geleverd (r.o. 6.23 tweede tussenarrest en r.o. 9.5.5.2 eindarrest, eerste zin).
“Het hof onderkent dat dergelijke cessies naar Duits recht moeten voldoen aan bijzondere eisen van bepaaldheid. Het gaat er vooral om dat de cessie-akte zelf de vereiste duidelijkheid moet bieden. Het hof merkt echter ook op dat een bijzondere situatie aan de orde is in dit geding, namelijk een weloverwogen processtrategie van DB c.s. waarbij DB c.s. samenwerkt met de leveranciers/cedenten. Een dergelijke situatie doet zich (naar bij gebreke vaneen toelichting moet worden aangenomen) in de overgelegde Duitse jurisprudentie niet voor.”Ook hieruit blijkt dat het hof is uitgegaan van het Duitse recht ter zake en dat het hof heeft onderkend dat het Duitse (goederen)recht bijzondere eisen van bepaaldheid kent.
“namelijk een weloverwogen processtrategie van DB c.s. waarbij DB c.s. samenwerkt met de leveranciers/cedenten”, en dat die bijzondere situatie zich niet voordoet in de door partijen overgelegde Duitse jurisprudentie (waaruit het vereiste van bepaaldheid zou moeten volgen) (r.o. 6.23 tweede tussenarrest). Hierbij heeft het hof de context betrokken (r.o. 9.5.5.3 eindarrest); DB c.s. werken samen met de cedenten, die ook gedupeerd zijn, en als er hoge eisen zouden worden gesteld aan de cessies, dan zou dat mogelijk in strijd zijn met het Europeesrechtelijke doeltreffendheidsbeginsel (waarmee ook de Duitse rechter rekening heeft te houden). Ten slotte heeft het hof in dit kader meegewogen dat DB c.s. aanzienlijke inspanningen hebben verricht om specifieker te omschrijven op welke vorderingen de deelcessies zien en dat er geen aanwijzingen zijn dat er kartelschadevorderingen van Moll, Rail.One en Durtrack [49] en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH in relatie tot leveranties aan DB c.s. zijn, die niet zijn overdragen aan DB c.s. (r.o. 9.5.5.4). Deze argumenten kunnen het oordeel van het hof dragen.
“Er is steeds door DB gezegd; als er nog gegevens zijn bij geïntimeerden dan ligt dat op de weg bij geïntimeerden om het in het geding te brengen. Er is veel tijd aan besteed en geld. Maar mocht dat niet voldoende zijn, dan ligt het op de weg geïntimeerden om data in het geding te brengen.” [50]
“het geheel”van de door de Rail.One, Durtrack en Moll geleden schade, faalt, omdat het hof daarbij heeft overwogen
“op te maken bij staat”,en omdat duidelijk is dat in de schadestaatprocedure zal moeten blijken in hoeverre de aan DB c.s. gecedeerde kartelschadevorderingen van de leveranciers toewijsbaar zijn (r.o. 9.5.5.2 eindarrest).
ex tunckan worden geheeld op de manier die het hof nu aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, met mogelijke gevolgen voor de verjaring en
Aktivlegitimation.
“afdeling betoncentrales, inclusief alle bijbehorende activa en passiva”). Bewijs hiervoor ontbreekt. Nedri c.s. hebben betwist dat deze inbreng heeft plaatsgevonden. Zonder nadere toelichting of onderbouwing is ook niet na te gaan dat de
“afdeling betoncentrales”relevante kartelschadevorderingen omvat.
“nader toe te lichten dat en waarom bepaalde cedenten bepaalde vorderingen hebben gehad (die vervolgens zijn gecedeerd aan welke vennootschappen van DB c.s.). Het gaat hierbij om wanneer elke onderneming/vennootschap is opgericht, hoe activa zijn overgegaan naar andere ondernemingen/vennootschappen en welke producten door welke ondernemingen zijn gekocht in de loop van de jaren.”(r.o. 6.24).
“dat de (materiële) oorsprong van (het vermogen van) Moll, Rail.One, Durtreck en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH eerder ligt dan hun respectieve oprichtingsdata.”
Kartellbefangenheit).
gelet op hetgeen hierover in rov. 9.4.8. is overwogen”. Volgens het subonderdeel is het onbegrijpelijk dat het hof het verweer van Nedri c.s. heeft gepasseerd met gebruikmaking van deze frase, omdat in r.o. 9.4.8 helemaal niets wordt overwogen over enige spanstaalhoudende producten die appellanten sub 3, 5 en 6 zouden hebben afgenomen.
gehelesector spanstaal, 2) het feit dat DB c.s.
welhebben gesteld dat alle DB entiteiten in deze procedure producten hebben afgenomen waarin spanstaal is verwerkt en dit hebben onderbouwd met concrete transactiegegevens, 3) de toelichting van DB c.s. op de bedrijfsvoering van elk van de DB entiteiten en op hun onderlinge verhouding (“
De DB entiteiten houden als geheel het Duitse spoorwegennet in stand”, aldus het hof). Die feiten/omstandigheden wijzen er immers op dat de kans groot is dat
alleDB-entiteiten door het kartel zijn getroffen, waaronder geïntimeerden sub 1, 3, 5 en 6.
voor zoverzij op het moment van de inbreuk deel uitmaken van de economische eenheid die deelneemt aan de inbreuk.
daarbijaansprakelijk gesteld voor een deel groot € 5.056.500,--. Het hof heeft dus in r.o. 6.26 bedoeld:
“In onderdeel 3 van het Besluit handelend over geldboeten blijkt dat de Commissie onder meer de respectieve moedermaatschappijen ArcelorMittal SA (deels), ArcelorMittal Espaňa SA (deels), Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgeseilschaft GMBH & Co KG (deels), Pampus Industriebeteiligungen GmbH & Co KG (eveneens deels), Nedri Spanstaal BV (deels) en Saarstahl AG hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de aan hun respectieve [dochterondernemingen] opgelegde boetes dan wel substantiële delen daarvan.” [53]
Kone & Otis/Stichting de glazen lift):
het geheelvan de door het kartel veroorzaakte schade. Ik wijs erop dat in het petitum [54] wordt gesproken van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele schade, maar dat, voor zover ik heb kunnen zien, tijdens het partijdebat en in de overwegingen van het hof [55] enkel aandacht is besteed aan de kwestie van hoofdelijkheid als zodanig en niet aan de vraag voor welk deel hoofdelijkheid zou bestaan. Eerst in het dictum heeft het hof de woorden hoofdelijkheid voor
het geheelvan de schade gebruikt.
Onderdeel 8voert aan dat gegrondbevinding van een of meer van de klachten in een door een van de andere geïntimeerden in de procedure tussen die geïntimeerde en DB c.s. in te stellen cassatieberoep tegen (een of meer van de beslissingen in) het tussenarrest of het eindarrest, ook in de procedure tussen Nedri c.s. en DB c.s. de betreffende beslissingen van het hof en de daarop voortbouwende beslissingen vitieert. Als het oordeel van het hof ten aanzien van die geïntimeerde niet in stand kan blijven, geldt dat (voor zover het hof in één uitspraak met voor alle geïntimeerde gelijke overwegingen uitspraak heeft gedaan) ook voor Nedri c.s., aldus het onderdeel.
5.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
onvoorwaardelijke klacht, die is gericht tegen r.o. 9.3.4, 9.4.12, 9.5.5.2, 9.8.2 en 9.10.5 van het eindarrest, luidt dat het hof in strijd met art. 101 VWEU Pro en het doeltreffendheidsbeginsel heeft geoordeeld dat voor de bepaling van de omvang van de schade in de schadestaatprocedure per transactie moet worden beoordeeld of er grond is voor toewijzing van een concreet schadebedrag. Volgens DB c.s. geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het Duitse recht bij de toepassing van het Unierecht, dan wel heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven van Duits recht in het licht van het Unierecht. Het hof zou hebben miskend dat uit het Unierecht dwingend volgt dat de in deze zaak onherroepelijk vaststaande onrechtmatige mededingingshandeling, die geldt als één enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU Pro, moet worden gezien als één enkele en voortdurende onrechtmatige daad jegens DB c.s. met dientengevolge één (enkelvoudige) kartelschadevordering van DB c.s. jegens ieder van de kartellisten. De schadestaatrechter moet aldus tot uitgangspunt nemen dat er sprake is (geweest) van één enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU Pro, en zal de schade dienovereenkomstig moeten begroten.
per benadeeldeleidt tot één schadevordering (
follow-onvordering), die meerdere schadeposten (transacties) kan omvatten (zie hiervoor in 3.1.2-3.1.7)? Of is deze kwalificatie overgelaten aan het recht van de lidstaten en staat het hen vrij om bijvoorbeeld te bepalen dat een dergelijke inbreuk moet worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die
per transactieleidt tot een afzonderlijke schadevordering (
follow-onvordering)?”
“ter bepaling van het toepasselijke recht”. Volgens Nedri c.s. is de vraag of de benadeelde een of meer vorderingsrechten heeft, en of er (al dan niet in een eventuele schadestaatprocedure) per transactie moet worden beoordeeld of er grond is voor toewijzing van een concreet schadebedrag, typisch een kwestie van toepassing en uitoefening die wordt beheerst door het nationale recht. Zij verwijzen in dit verband naar:
Manfredi), punt 64;
ASG 2/Land Nordrhein-Westfalen), punt 71;
Skanska), en naar;
Kone/ÖBB).
voorwaardelijke klachtluidt dat als één van de klachten in het principale cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing leidt, DB c.s. de hiervoor geformuleerde klacht ook richten tegen de overwegingen waarin het hof een oordeel heeft gegeven over de vestiging van aansprakelijkheid, nu het hof dat niet met inachtneming van het Unierecht heeft gedaan.