ECLI:NL:RBDHA:2025:9399
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 14 januari 2025 een aanvraag tot asiel in Nederland in. Nederland stelde vast dat hij eerder op 2 december 2024 een asielverzoek in Bulgarije had ingediend. Op grond van de Dublinverordening werd Bulgarije als verantwoordelijke lidstaat aangewezen. Verweerder nam de aanvraag in Nederland niet in behandeling.
Eiser voerde aan dat het besluit gebaseerd was op standaardoverwegingen en onvoldoende specifiek op zijn situatie was toegesneden. De rechtbank oordeelde echter dat het besluit voldoende concreet en gemotiveerd was, waarbij verweerder aannemelijk maakte dat er geen sprake was van structurele tekortkomingen in Bulgarije en dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden had aangetoond.
Verder verwierp de rechtbank het verweer dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zou gelden, aangezien eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd dat hij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico op een schending van fundamentele rechten loopt. Ook het beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het bestreden besluit in stand blijft, waardoor eiser kan worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.