ECLI:NL:RBDHA:2025:9399

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 mei 2025
Publicatiedatum
27 mei 2025
Zaaknummer
NL25.14075
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRMArt. 17 Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 14 januari 2025 een aanvraag tot asiel in Nederland in. Nederland stelde vast dat hij eerder op 2 december 2024 een asielverzoek in Bulgarije had ingediend. Op grond van de Dublinverordening werd Bulgarije als verantwoordelijke lidstaat aangewezen. Verweerder nam de aanvraag in Nederland niet in behandeling.

Eiser voerde aan dat het besluit gebaseerd was op standaardoverwegingen en onvoldoende specifiek op zijn situatie was toegesneden. De rechtbank oordeelde echter dat het besluit voldoende concreet en gemotiveerd was, waarbij verweerder aannemelijk maakte dat er geen sprake was van structurele tekortkomingen in Bulgarije en dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden had aangetoond.

Verder verwierp de rechtbank het verweer dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zou gelden, aangezien eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd dat hij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico op een schending van fundamentele rechten loopt. Ook het beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening werd afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het bestreden besluit in stand blijft, waardoor eiser kan worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.14075
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] , (gemachtigde: mr. M. Erik),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 25 maart 2025 niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.14076), op 9 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Barwari als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 2006 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 14 januari 2025 ingediend.
2.2.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 2 december 2024 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Bulgarije. Nederland heeft op 7 februari 2025 Bulgarije verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Bulgarije heeft het terugnameverzoek op 11 februari 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening.
2.3.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de
behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beoordeling door de rechtbank

Standaardoverwegingen in het voornemen
3. Eiser voert aan dat het voornemen uit standaardoverwegingen bestaat en het bestreden besluit daarom geen stand kan houden. Hij beroept zich op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 22 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:17471) en van zittingsplaats Amsterdam van 28 augustus 2024 (NL24.25208) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3455). Hieruit blijkt volgens eiser dat de verklaringen van de betrokken vreemdeling in samenhang moeten worden beoordeeld met wat bekend is over de ontvangende lidstaat. Niet is gebleken dat het voornemen specifiek op eiser betrekking heeft. Eiser heeft in de correcties en aanvullingen meer naar voren gebracht. Ook in het bestreden besluit neemt verweerder veel standaardoverwegingen op die geen betrekking hebben op eiser of wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd.
3.1.
De rechtbank gaat hier niet in mee. Verweerder heeft in het voornemen alle dragende overwegingen voor de vaststelling van Bulgarije als de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van eisers asielaanvraag opgenomen. Verweerder heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat (alleen) de verklaringen over wat eiser in Bulgarije heeft meegemaakt, en over de situatie in Bulgarije, niet tot de conclusie zullen leiden dat er sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure in Bulgarije. Ook heeft verweerder gesteld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder de asielaanvraag alsnog aan zich zou moeten trekken, en dergelijke bijzondere individuele omstandigheden niet zijn gebleken. Dat een en ander in het voornemen wat meer algemeen en standaardmatig en niet heel expliciet is opgeschreven, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het besluitvormingsproces onzorgvuldig is geweest. Op grond van wat er in het voornemen staat, moet het voor eiser – die bekend mag worden verondersteld met zijn eigen verklaringen tijdens het Dublingehoor – voldoende duidelijk zijn geworden dat en waarom verweerder voornemens was zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Verweerder kan bovendien in het uiteindelijke besluit – zoals hij in het bestreden besluit ook heeft gedaan – een en ander meer concretiseren en expliciteren. De rechtbank wijst in dit verband op de richtinggevende uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4348, r.o. 2.1), waarnaar de Afdeling nadien herhaaldelijk heeft verwezen, bijvoorbeeld in de uitspraken van 5 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3158) en van 11 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1642).
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Eiser voert verder aan dat hij in de zienswijze heeft verwezen naar de tussenuitspraak van 23 december 2024 van deze rechtbank en zittingsplaats
(ECLI:RBDHA:2024:21819), maar dat verweerder hier met standaardoverwegingen op heeft gereageerd. Ook heeft verweerder naar oude jurisprudentie verwezen. Het bestreden besluit is daarom ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen, aldus eiser.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft gemotiveerd, is het uitgangspunt bij de toepassing van de Dublinverordening dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft in onder andere de richtinggevende uitspraken van 16 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134), 29 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:870) en 27 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2647), die onder meer
gaan over het opvangsysteem in Bulgarije, geoordeeld dat verweerder ten aanzien
van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Dit oordeel heeft de Afdeling zeer recent, in de uitspraken van 3 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:376) en 14 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1080), nog eens herhaald. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Met de enkele verwijzing naar de onder 4. genoemde tussenuitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats heeft eiser dit niet aannemelijk gemaakt. Verweerder is hier in het bestreden besluit gemotiveerd op ingegaan. Verder geldt dat de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak van 14 maart 2025 de door eiser genoemde tussenuitspraak (en einduitspraak) heeft vernietigd. Gelet hierop treft eisers verwijzing naar de uitspraak geen doel.
4.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
5. Eiser voert aan dat verweerder de door hem ondervonden ervaringen in Bulgarije – dat hij twee dagen is vastgehouden, tegen zijn wil in vingerafdrukken moest afgeven, in een gesloten kamp heeft verbleven, dat de opvangomstandigheden slecht en onhygiënisch waren, hij daar te weinig eten kreeg, hij te maken kreeg met beperkingen zoals het niet mogen gebruiken van de mobiele telefoon, er sprake was van geweld en dat de omgeving de vluchtelingen vijandig benaderde – ten onrechte alleen in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft betrokken. Hij beroept zich op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Volgens eiser heeft verweerder dat wat hij naar voren heeft gebracht ook niet met elkaar in samenhang beoordeeld en hierop uitsluitend gereageerd met verwijzingen. Hieruit blijkt niet dat door verweerder een op de zaak toegespitste en volledige en evenredige beoordeling is gemaakt, aldus eiser.
5.1.
De door eiser gestelde (kort gezegd) slechte behandeling in Bulgarije is van betekenis voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en is ook in dat kader beoordeeld. Deze omstandigheden hoefden niet ook apart te worden beoordeeld in het kader van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening (voor de vraag of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Bulgarije van een onevenredige hardheid getuigt). Dit volgt uit vaste
rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2484).
5.2.
Ten aanzien van de verklaring van eiser dat de mensen in de omgeving van de opvanglocatie in Bulgarije vluchtelingen vijandig benaderde, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet wegneemt dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Hierbij is van belang dat Bulgarije partij is bij het EVRM. Eiser kan bij voorkomende problemen de autoriteiten van Bulgarije of de daarvoor geschikte instanties van Bulgarije benaderen. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Bulgarije hem niet kunnen of willen helpen.
5.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser mag worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 mei 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.