ECLI:NL:RBGEL:2026:5375

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
AWB - 24_3986 e.a. TU
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PwArt. 18a PwArt. 58 PwArt. 59 PwArt. 36 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde verkoop bouwdozen via Marktplaats

De rechtbank Gelderland heeft op 9 juli 2026 een tussenuitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de herziening en terugvordering van bijstand aan eiser en eiseres. De herziening betreft de periodes van mei 2020 tot september 2022 en januari 2023 tot juli 2023, waarin eiser bouwdozen via Marktplaats verkocht zonder dit te melden aan het college, waardoor de inlichtingenverplichting is geschonden.

Het college heeft de terugvordering schattenderwijs vastgesteld op basis van de ontvangen stortingen, waarbij het aankoopbedrag van de dozen voor zover mogelijk in mindering is gebracht. De rechtbank oordeelt dat de verkoopactiviteiten niet als incidentele privéverkoop kunnen worden aangemerkt, maar als handel die inkomsten oplevert en dus gemeld had moeten worden. Eisers hebben onvoldoende concreet gemaakt welke bouwdozen nog meer in aanmerking komen voor verrekening van aankoopkosten.

Verder is vastgesteld dat het college de belangenafweging bij het besluit tot terugvordering onvoldoende heeft gemotiveerd, met name waarom ondanks het eigen aandeel van het college in de ontstane terugvordering niet is afgezien van terugvordering. De rechtbank geeft het college de gelegenheid deze gebreken te herstellen binnen acht weken. Ook is de opgelegde bestuurlijke boete van €729,96 wegens schending van de inlichtingenplicht terecht, maar kan de hoogte ervan mogelijk worden aangepast bij herstel van de terugvordering. De aanvragen om individuele inkomenstoeslag 2023 en 2024 zijn terecht afgewezen omdat het inkomen van eiser de norm overschrijdt. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de schending van de inlichtingenplicht en de terugvordering, maar beveelt het college de belangenafweging en motivering te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers:
ARN 24/3986 (herziening 1-5-2020 t/m 30-9-2022 en terugvordering € 2.610,19);
ARN 24/3991 (hoofdelijke aansprakelijkheid eiseres voor vordering € 2.610,19);
ARN 24/3989 (herziening 1-1-2023 t/m 31-7-2023 en terugvordering € 320,95);
ARN 24/3980 (boete);
ARN 24/3983 (afwijzing aanvraag 2023 individuele inkomenstoeslag);
ARN 25/2208 (afwijzing aanvraag 2024 individuele inkomenstoeslag).

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats ] , eiser,

[eiseres], uit [woonplaats ] , eiseres,
gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M.F. van den Brink),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum, het college

(gemachtigden: mr. C. E. Waasdorp, drs. J. Tiecken en J. Hoefstede).

Procesverloop

1. Bij besluit van 9 november 2023 heeft het college de aan eiser verstrekte bijstand over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023 herzien en een bedrag van
€ 320,95 van eiser teruggevorderd.
1.1.
Bij afzonderlijke besluiten van 10 november 2023 heeft het college de aan eisers verstrekte bijstand over de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022 herzien en een bedrag van € 2.610,19 van eiser en eiseres teruggevorderd.
1.2.
Bij besluit van 6 december 2023 heeft het college eiser een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 729,96.
1.3.
Bij besluiten van 8 december 2023 respectievelijk 9 december 2024 heeft het college de aanvragen van eiser van 2 oktober 2023 respectievelijk 19 november 2024 om een individuele inkomenstoeslag afgewezen.
1.4.
Met het besluit op bezwaar van 13 mei 2024 is het college conform het advies van de Commissie voor de Bezwaarschriften bij de besluiten van 9 november 2023 en 10 november 2023 over de herziening en terugvordering en de hoofdelijke aansprakelijkheid van eisers, dit laatste waar het de terugvordering uit het besluit van 10 november 2023 betreft, gebleven.
1.5.
Bij besluit op bezwaar van dezelfde datum heeft het college ook de boete gehandhaafd, conform het advies van de Commissie voor de Bezwaarschriften.
1.6.
Bij afzonderlijke besluiten op bezwaar van eveneens 13 mei 2024 is het college, conform de afzonderlijk uitgebrachte adviezen van de Commissie voor de Bezwaarschriften, bij de afwijzing van beide aanvragen om een individuele inkomenstoeslag gebleven.
1.7.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit genoemd in 1.4, waar het de handhaving van de hoofdelijke aansprakelijkheid in het besluit van 10 november 2023 betreft. Het college heeft een verweerschrift ingediend dat betrekking heeft op de zaken ARN 24/3980,
ARN 24/3983, ARN 24/3986 en ARN 24/3989. In de zaken ARN 24/3991 en ARN 25/2208 heeft het college afzonderlijke verweerschriften ingediend.
1.8.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling betaling griffierecht
2. Eiser en eiseres hebben in beroep verzoeken ingediend voor vrijstelling van het betalen van griffierecht. De rechtbank heeft deze verzoeken, bij brief van 4 juni 2025 in de zaak 25/2208 en bij brieven van 10 maart 2026 in de overige zaken voorlopig toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze verzoeken alsnog af te wijzen.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Aan eisers is vanaf 1 november 2009 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Per 1 november 2022 zijn eiser en eiseres uit elkaar gegaan en is eiseres in [woonplaats ] gaan wonen. Voor zover hier van belang, ontvangt eiser vanaf die datum bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
3.1.
Tijdens een heronderzoek door de consulent in mei 2020 naar de rechtmatigheid van de aan eisers verstrekte bijstand is uit bankafschriften gebleken dat er in de periode van 11 februari 2020 tot 7 mei 2020 sprake is van transacties die te herleiden zijn tot modelbouw. Naar aanleiding hiervan is het team Handhaving op 18 juli 2023 een onderzoek gestart [1] in verband met het vermoeden van handel via Marktplaats. [2]
In dit kader heeft het team Handhaving onder meer bankafschriften en een overzicht van alle door eiser geplaatste advertenties bij Marktplaats opgevraagd en verkregen. Er heeft een rechtmatigheidsgesprek plaatsgevonden met eiser op 21 augustus 2023 en met eiseres op 24 augustus 2023. Met eiseres is op 13 september 2023 ook nog telefonisch gesproken. Op 12 oktober 2023 heeft het team Handhaving met beiden een gesprek gevoerd en de stukken doorgenomen. Het team Handhaving heeft de onderzoeksbevindingen neergelegd in de Rapportage Onderzoek Rechtmatigheid van 2 november 2023. In de Rapportage Signaalonderzoeken WWB van dezelfde datum zijn de juridische consequenties geduid, die de onderzoeksbevindingen met zich brengen.
3.2.
Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven in het Procesverloop onder 1, 1.1 en 1.4.
4. Bij brief van 13 november 2023 is eiser ervan in kennis gesteld dat wordt beoordeeld of aan eiser een boete moet worden opgelegd. Eiser is in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een verklaring af te leggen waarom hij zich niet heeft gehouden aan de inlichtingenverplichting. Hij is er daarbij op gewezen dat hij niet verplicht is een verklaring te geven. Eiser heeft bij brief gedateerd 21 november 2023 een verklaring gegeven. In de (aangevulde) Rapportage Boete van 6 december 2023 zijn de juridische consequenties geduid.
4.1.
Daarna heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven in het Procesverloop onder 1.2 en 1.5.
5. Naar aanleiding van de aanvragen van eiser van 2 oktober 2023 respectievelijk 19 november 2024 om een individuele inkomenstoeslag zijn de Aanvraagrapporten Individuele Inkomenstoeslag van 10 november 2023 respectievelijk 9 december 2024 opgemaakt.
5.1.
Daarna heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven in het Procesverloop onder 1.3 en 1.6.
Herziening en terugvordering
Bestreden besluit
6. Aan het bestreden besluit van 13 mei 2024 in de zaken 24/3986, 24/3989 en 24/3991, betrekking hebbend op de herziening en terugvordering van bijstand, heeft het college ten grondslag gelegd dat eiser in de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 september 2023 (de rechtbank begrijpt: 2022) en in de periode 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023 in totaal 60 [3] verschillende stortingen heeft ontvangen waaruit blijkt dat hij bouwdozen via Marktplaats verkoopt. De goederen die eiser te koop heeft aangeboden zijn voornamelijk nieuwe, althans ongebruikte, goederen. Gelet op de aard, omvang en regelmaat van de verkoopactiviteiten betreft het een meer dan incidentele verkoop van privégoederen en waren eisers gehouden hiervan melding te maken bij het college, aldus het college. Dat de verkopen hobbymatig waren, zoals eiser stelt, is geen relevant gegeven, nu uit die activiteiten inkomsten kunnen worden genoten. Ook de stelling dat eiser kosten heeft gemaakt als gevolg waarvan zijn inkomsten minimaal waren, kan hem niet baten, alleen al omdat dit eiser niet ontslaat van zijn verplichting het college over de inkomsten te informeren. De verkoopactiviteiten zijn volgens het college terecht aangemerkt als handel en daarom konden de opbrengsten van de verkopen in aanmerking worden genomen als inkomen. Het college heeft bij afwezigheid van voldoende verifieerbare gegevens de terugvordering schattenderwijs gebaseerd op de, op de rekening van eiser, gestorte bedragen en daarbij zoveel mogelijk de inkoopwaarde, voor zover te relateren aan de door eiser ingeleverde bewijsstukken, in mindering gebracht.
Aan het achterwege blijven van een waarschuwing, toen eiser in 2019 tijdens een hercontrole bankafschriften overlegde waarop te zien was dat eiser goederen verkocht had via Marktplaats, konden eisers niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen, dat de verkoopactiviteiten van eiser geen invloed konden hebben op het recht op bijstand en daarom niet hoefden te worden gemeld. Eisers hebben immers geen melding gemaakt van de verkoopactiviteiten van eiser, wat betekent dat eisers niet alle relevante informatie hebben verstrekt.
Waar de terugvordering betrekking heeft op de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022, waarin eiser en eiseres gezamenlijk bijstand ontvingen, zijn eisers hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het terug te vorderen bedrag.
Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Ook is niet gebleken dat de herziening en terugvordering leiden tot onevenredig nadelige neveneffecten.
Toetsingskader
7. Het besluit tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkenen belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening, intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. [4]
7.1.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
7.2.
Volgens vaste rechtspraak [5] is het voor ontvangers van bijstand niet verboden om goederen via internet te verkopen, mits daarvan en van daaruit verkregen verdiensten tijdig melding wordt gemaakt aan het bijstandverlenend orgaan. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling behoeft te worden gedaan.
Niet in geschil
8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de perioden in geding via internet modelbouwpakketten heeft verkocht. Evenmin is in geschil dat betalingen voor de verkoop van deze pakketten hoofdzakelijk zijn ontvangen op de bankrekening van eiser en in een incidenteel geval op de bankrekening van eiseres, waarna eiseres het bedrag vervolgens heeft overgemaakt naar de bankrekening van eiser. Ten slotte is niet in geschil dat eisers van deze verkopen in de periode van 1 mei 2020 tot en 30 september 2022 en eiser van de verkopen in de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023 geen melding hebben gemaakt bij het college.
Is sprake van incidentele verkoop van privégoederen?
9. Eisers betogen allereerst dat sprake is geweest van incidentele verkoop van privégoederen door eiser, zowel in de periode 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022 als in de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023. Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet.
9.1.
Gelet op de aard (verkopen van modelbouwpakketten die grotendeels nieuw dan wel ongebruikt waren), de omvang (60 stortingen) en de frequentie (stortingen verdeeld over 27 maanden in een periode van in totaal 39 maanden) van de bijschrijvingen op de rekening van eiser was, anders dan eiser(s) betoogt/betogen, in beide perioden in geding geen sprake van incidentele verkoop van privégoederen die in beginsel niet hoeft te worden gemeld, maar van verkopen die inkomsten konden opleveren. Eiser(s) was/waren gehouden om hiervan bij het college melding te maken. Dat de modelbouwdozen bij de aanschaf door eiser bedoeld waren voor eigen gebruik, wat daarvan ook zij, maakt het vorenstaande niet anders, omdat eiser de dozen veelal ongebruikt heeft (door)verkocht in een omvang en met een frequentie die niet als incidenteel kan worden beschouwd. [6] De omstandigheid dat eiser modelbouw als hobby heeft en naar zijn zeggen de pakketten hobbymatig heeft verkocht, maakt niet dat eiser geen melding hoefde te maken van de inkomsten daaruit. Het onderscheid tussen bedrijfsmatige en hobbymatige activiteiten is voor de Pw immers geen relevant onderscheid, indien uit die activiteiten inkomsten worden genoten. [7] Dat naar zeggen van eiser sprake zou zijn van geen of een beperkte winst, doet er evenmin aan af dat het verrichten van verkoopactiviteiten van deze aard en omvang en met deze frequentie bij het college moet worden gemeld. Immers, niet alleen is van belang welke inkomsten daadwerkelijk zijn ontvangen, maar ook welke inkomsten redelijkerwijs hadden kunnen worden bedongen of ontvangen en waarover eisers dus redelijkerwijs hadden kunnen beschikken. [8]
Is sprake van schending van de inlichtingenverplichting?
10. Eisers betwisten dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden in de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022. Eiser betwist dit ook met betrekking tot de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023. Uit bankafschriften die eisers eerder, in 2019, hebben overgelegd, konden verkopen kenbaar zijn. Daarmee hebben zij voldaan aan hun inlichtingenverplichting. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10.1.
Nog daargelaten dat zich in de dossiers geen bankafschriften bevinden die in het kader van een hercontrole in 2019 zouden zijn overgelegd, sluit de rechtbank niet uit dat sprake is van een verschrijving in het jaartal en het mogelijk gaat om de in het kader van de hercontrole in 2020 overgelegde bankafschriften. Wat daarvan verder ook zij, met het overleggen van de bankafschriften in het kader van een hercontrole is niet voldaan aan de inlichtingenverplichting die op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw op eisers rust. In de eerste plaats omdat eisers de bedoelde bankafschriften in 2019 niet uit zichzelf, maar op aanvraag van het college hebben overgelegd in het kader van een controle naar de rechtmatigheid van de bijstand. Met het verstrekken van de bankafschriften, daargelaten of dit in 2019 of 2020 was, hebben eisers destijds dus niet voldaan aan hun inlichtingenverplichting maar aan de meewerkverplichting, op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw. Maar ook is aan de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw niet voldaan, omdat de in het kader van de hercontrole overgelegde bankafschriften geen betrekking hebben op de hier ter beoordeling voorliggende perioden. Niet kan worden gezegd dat wat in beginsel uit deze bankafschriften kon worden opgemaakt met betrekking tot een eerdere periode, maar wat eisers overigens niet hebben benoemd, een melding van eisers c.q. eiser is, betreffende inkomsten van eiser uit verkopen op Marktplaats in de hier ter beoordeling voorliggende perioden.
11. De (subsidiaire) stelling van eiser(s) dat hen/hem redelijkerwijs niet duidelijk hoefde te zijn dat zij c.q. hij (opnieuw) van de marktplaatsactiviteiten melding moest(en) maken, omdat het college op basis van de overgelegde bankafschriften niet is begonnen over de marktplaatsactiviteiten, volgt de rechtbank niet. Eiser(s) kon(den) daaraan niet het vertrouwen ontlenen dat zij de marktplaatsactiviteiten niet (meer) hoefden te melden aan het college. [9] Eiser(s) is/zijn immers gehouden alle feiten of omstandigheden waar niet uitdrukkelijk naar wordt gevraagd - maar die wel van belang kúnnen zijn voor de verlening van bijstand - uit eigen beweging te melden, in plaats van af te wachten of deze worden ontdekt in de bankafschriften, die eisers op verzoek in het kader van een rechtmatigheidscontrole hebben ingebracht. Verder geldt dat indien bij eiser(s) onduidelijkheid bestond over de reikwijdte van hun inlichtingenverplichting, het op zijn/ hun weg lag hierover navraag te doen bij het college.
11.1.
Het beroep van eiser(s) op de uitspraak van de Centrale Raad van beroep (CRvB) van 4 juni 2024 [10] kan eiser(s) niet baten. In deze uitspraak van de CRvB was sprake van specifieke omstandigheden waarom in dat geval niet kon worden gezegd dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zijn activiteiten van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand en hij daarover dus informatie moest (blijven) verstrekken aan het college. De rechtbank is van oordeel dat de vergelijking van de zaak van eisers (periode van 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022) en de zaak van eiser (periode van 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023) met de situatie die speelde in bedoelde uitspraak van de CRvB niet opgaat. De appellant in de zaak die speelde bij de CRvB had bij aanvang van de bijstand de nodige inlichtingen verstrekt, terwijl eisers c.q. eiser bij aanvang van de bijstand en ook nadien, juist niet uit eigen beweging inlichtingen hebben verstrekt over de verkopen op Marktplaats. Bovendien doen de in die uitspraak benoemde specifieke omstandigheden aan de zijde van het college zich in de zaak van eisers en in de zaak van eiser niet voor.
Is (de hoogte van) het recht op bijstand correct vastgesteld?
12. Eisers betogen verder dat het college bij het schattenderwijs vaststellen van het recht op bijstand over de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022 te weinig acht heeft geslagen op de omstandigheid dat er weinig verschil is tussen het aankoop- en het verkoopbedrag van de modelbouwdozen. Eiser betoogt ditzelfde ook ten aanzien van de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023. Ter ondersteuning van deze beroepsgrond heeft eiser een e-mail van 16 februari 2024 van [naam] , werkzaam bij [bedrijf] , in de procedure gebracht, waarin is vermeld dat over het algemeen (fabrieks verzegelde) vrij nieuwe bouwpakketten dezelfde waarde houden. In deze mail is verder aangegeven dat als de modelbouwpakketten eenmaal zijn gebouwd, de waarde zeer snel daalt. Ten slotte is vermeld dat alleen bouwpakketten uit de jaren 50/60 en 70 die compleet en in nieuwstaat zijn, in waarde zullen stijgen.
13.1.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. [11]
13.2.
De rechtbank stelt vast dat het college in het kader van het schattenderwijs vaststellen van het recht op bijstand heeft getracht de door eiser in de primaire fase overgelegde stukken (aankoopbewijzen, facturen) te koppelen aan verkopen op Marktplaats. De rechtbank merkt daarbij op dat het college niet gehouden was dat te doen, omdat bij de vaststelling van de in het kader van de Pw in aanmerking te nemen inkomsten, op grond van vaste rechtspraak geen plaats is voor verrekening van verwervingskosten. [12] Het college is eisers (periode 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022) en eiser (periode 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023) op dit punt dus onverplicht tegemoetgekomen. Uit de Rapportage Onderzoek Rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de bijstand verleend over de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 september 2023, blijkt evenwel dat de koppeling van de door eiser ingebrachte stukken aan de verkopen op Marktplaats moeizaam is geweest. Uit de Rapportage Onderzoek Rechtmatigheid, die ziet op de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023, blijkt dat ten aanzien van deze periode van geen van de op de bankafschriften zichtbaar verkochte bouwdozen te herleiden is wat de inkoopprijs van deze bouwdozen was. Het hieruit voortkomende eventuele nadeel in het kader van de schatting komt op grond van de hierboven in 13.1 genoemde rechtspraak voor risico van eisers (periode 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022) en eiser (periode 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023). Overigens hebben eisers c.q. eiser niet aan de hand van de zich al in het dossier bevindende stukken dan wel nieuw ingebrachte stukken, geconcretiseerd voor welke bouwdozen nog meer kan worden vastgesteld wat de aankoopprijs is en op welk verkoopbedrag deze in mindering kan worden gebracht, bovenop het aantal bouwdozen waarvoor het college dit heeft weten te achterhalen. De door eisers ingebrachte stukken in bezwaar, waaronder de door eiser ingebrachte verklaring van [naam] van [bedrijf] , zijn te algemeen om op basis daarvan de aankoopprijs te kunnen vaststellen.
Zijn er dringende redenen om van terugvordering af te zien?
14. Eisers stellen dat het vanaf het heronderzoek in mei 2020 lang heeft geduurd totdat onderzoek naar de rechtmatigheid en doelmatigheid van de verleende bijstand over de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022 werd ingesteld en totdat tot besluitvorming werd overgegaan. Dit mag volgens eisers niet voor hun rekening komen. Eiser betoogt hetzelfde ten aanzien van de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023.
14.1.
Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw kan het college, als daarvoor dringende redenen zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
14.2.
Zoals de CRvB in vier uitspraken van 10 december 2024 [13] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze bevoegdheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
14.3.
De rechtbank stelt vast dat de bestreden besluiten van 13 mei 2024 een belangenafweging in vorenbedoelde zin ontberen. Het college heeft tijdens de zitting toegegeven dat het lang heeft geduurd voordat tot een (vervolg)onderzoek naar rechtmatigheid en doelmatigheid en daarna besluitvorming is overgegaan, maar heeft daaraan toegevoegd dat dit niet wegneemt dat eisers c.q. eiser redelijkerwijs hadden moeten weten dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de inkomsten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen belangenafweging in vorenbedoelde zin. Onduidelijk is wat precies de afweging is geweest, die het college hier heeft gemaakt; een motivering waarom, ondanks het eigen aandeel van het college in de ontstane terugvordering, wordt vastgehouden aan onverkorte terugvordering van het gehele terugvorderingsbedrag en waarom dat in dit geval voor eisers c.q. eiser niet onevenredig nadelig uitpakt, ontbreekt. Dat de belangen die spelen in het kader van de gevolgen van de terugvordering zijn onderkend en tegen elkaar zijn afgezet, blijkt verder in het geheel niet. In dit verband begrijpt de rechtbank uit wat eisers ten aanzien van de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022 en eiser ten aanzien van de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023 tijdens de zitting naar voren hebben gebracht, dat zij stellen dat met de verkopen weinig inkomsten zijn genereerd en dat dit niet in verhouding staat met het bedrag dat nu aan bijstand wordt teruggevorderd. Eiseres heeft verder nog betoogd dat zij met de verkopen van eiser niets van doen had, maar desondanks wel met een hoge (mede)terugvordering is geconfronteerd.
14.4.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, bevatten de bestreden besluiten van 13 mei 2024 voor wat betreft de belangenafweging in het kader van de dringende reden een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
15. Over de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022 is aan eiser en eiseres gezamenlijk bijstand verstrekt. Ten aanzien van deze periode zijn zij op grond van artikel 59, vierde lid, van de Pw hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden teruggevorderd. De omstandigheid dat de bijstand aan ieder op de eigen bankrekening voor de helft werd uitbetaald, zoals uit het dossier blijkt, doet daaraan niet af.
De stelling van eisers dat door twee afzonderlijke besluiten te nemen in plaats van één, een juridische grondslag wordt gecreëerd om in totaal ruim € 5.200 (twee maal het over deze periode teruggevorderde bedrag van € 2.610,19 aan bijstand) terug te vorderen, volgt de rechtbank niet. Uit de twee betreffende besluiten blijkt dat eiser en eiseres samen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het totaalbedrag van € 2.610,19. Tijdens de zitting heeft het college nog toegelicht dat voor eiser en eiseres hetzelfde terug- en invorderingsnummer wordt gehanteerd. Bedragen die worden ontvangen van eiser en van eiseres worden afgeboekt onder hetzelfde nummer, dus van dezelfde vordering.
16. Hetgeen is overwogen in 14.3 en 14.4. heeft, indien één en ander leidt tot een verlaging van het over de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022 teruggevorderde bedrag aan bijstand, gevolgen voor het bedrag waarvoor eiser en eiseres hoofdelijk aansprakelijk zijn.
Boete
Bestreden besluit
17. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd op grond van artikel 18a van de Pw verplicht te zijn eiser een boete op te leggen, omdat eiser geen melding heeft gemaakt van zijn verkoopactiviteiten in de periode van 1 mei 2020 tot en met 31 juli 2023, hij daarmee de inlichtingenverplichting heeft geschonden en over die periode te veel bijstand heeft ontvangen. Het gesprek op 21 augustus 2023 vond plaats in het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstand, waarbij het intrekken en terugvorderen van bijstand geen bestraffende sancties zijn, maar op herstel gerichte maatregelen. Het geven van de cautie hoeft alleen als iemand wordt gehoord met het oog op een op te leggen bestraffende sanctie, zodat voor dit gesprek de cautie niet gegeven hoefde te worden.
Het college gaat uit van normale verwijtbaarheid bij het niet uit eigen beweging melden van de ontvangen inkomsten uit de verkoopactiviteiten. Eiser wist of had redelijkerwijs kunnen weten dat hij zijn handel op Marktplaats moest melden. De boete wordt bij normale verwijtbaarheid vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag van € 2.931,14, zijnde
€ 1.465,57. Niet aannemelijk is dat van het opleggen van de boete moet worden afgezien wegens dringende redenen, gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties. Dat sprake is van een incidenteel geval, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moet plaatsvinden, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat het opleggen van de boete leidt tot onevenredige nadelige neveneffecten. De hoogte van de boete moet zijn afgestemd op de individuele situatie en moet evenredig zijn. De boete bedraagt ten hoogste het bedrag van de derde categorie bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verder moet rekening worden gehouden met de draagkracht en moet de boete binnen twaalf maanden kunnen worden betaald. Bij de bepaling van de hoogte van de boete moet rekening worden gehouden met een beslagvrije voet van 95%. Uit de Rapportage Boete van 28 november 2023 blijkt dat de draagkracht van eiser € 60,83 (5% van de toepasselijke bijstandsnorm is). De op te leggen boete bedraagt dan twaalf maal
€ 60,83 is € 729,96.
Is ten onrechte geen cautie gegeven?
18. Eiser betoogt dat het college niet heeft gereageerd op zijn grond dat hem ten onrechte niet de cautie is gegeven voorafgaand aan het gesprek op 21 augustus 2023.
Deze beroepsgrond van eiser slaag niet. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.
18.1.
De Commissie voor de Bezwaarschriften is in het advies dat is gegeven over de opgelegde boete en dat is overgenomen in het besluit op bezwaar van 13 mei 2024, op pagina 2, ingegaan op deze grond. Het standpunt van de Commissie voor de Bezwaarschriften, en daarmee van het college, en de motivering daarvan, houden stand.
18.1.1.
Uit artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de cautieplicht bestaat wanneer naar objectieve maatstaven door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat de betrokkene wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie. Blijft in een zodanig geval de cautie ten onrechte achterwege, dan kan de verklaring van de betrokkene in de regel niet worden gebruikt als bewijs voor de feiten die aan de sanctie ten grondslag zijn gelegd.
Een bestuursorgaan is niet gehouden de betrokkene, die in het kader van een onderzoek dat uitsluitend erop gericht is het recht op bijstand (nader) vast te stellen of te herbeoordelen een verklaring aflegt, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij verdachte in strafrechtelijke zin.
18.1.2.
Uit de Rapportages Onderzoek Rechtmatigheid die betrekking hebben op de perioden in geding blijkt dat het gesprek van 21 augustus 2023 een rechtmatigheidsgesprek met eiser betrof, zijnde een gesprek over eisers recht op bijstand. Een bestraffende sanctie was op dat moment niet aan de orde, zodat de cautie niet gegeven hoefde te worden.
18.1.3.
Tijdens de zitting heeft eiser nog aangevoerd dat de cautie gegeven moet worden, indien het gesprek (mede) betrekking heeft op schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Schending van de inlichtingenverplichting betekent niet zonder meer, dat een boete als bestraffende sanctie wordt opgelegd. De vaststelling dat de inlichtingenverplichting is geschonden kan ook leiden tot (enkel) herziening en terugvordering van de bijstand, welke maatregelen een reparatoir karakter hebben.
Is de boete terecht opgelegd?
19. Eiser heeft aangevoerd dat het college niet heeft aangetoond dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
19.1.
Op grond van artikel 18a van de Pw legt het college een bestuurlijke boete op indien de belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden.
19.2.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB [14] is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de beëindiging, herziening of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden en bij de terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. In het geval van een boete dient het bestuursorgaan aan te tonen dat de inlichtingenverplichting is geschonden.
19.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de bevindingen die zijn opgenomen in de Rapportages Onderzoek Rechtmatigheid op deugdelijke wijze heeft aangetoond dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de inkomsten uit de verkoop van goederen via Marktplaats. De rechtbank verwijst ook naar hetgeen zij al heeft overwogen in 9.1, 10, 10.1, 11 en 11.1. Het college was op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw verplicht een boete op te leggen.
20. Subsidiair voert eiser aan dat sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid, omdat het college niet al in 2019 heeft opgemerkt dat eiser de verkoop van modelbouwdozen moest melden. Eiser is daar nu de dupe van. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond als een beroep op verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, onder d, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
20.1.
De boete is aan eiser opgelegd omdat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het feit dat het college pas laat onderzoek heeft laten doen, maakt het college niet verantwoordelijk voor de schending van de inlichtingenverplichting, nu dit een verplichting is die geheel en al op eiser rust.
Het feit dat het college eerder met het (vervolg)onderzoek had kunnen starten, ontslaat eiser niet van de op hem rustende verplichting om mededeling te doen van feiten en omstandigheden die invloed kunnen hebben op de hoogte van zijn recht op bijstand. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij zelf niet in staat was om eerder melding te maken van de activiteiten op Marktplaats. Van een verminderde verwijtbaarheid is dan ook niet gebleken. Er bestaat om die reden geen aanleiding om niet uit te gaan van de door het college aangenomen normale verwijtbaarheid en dus ook geen reden voor een verlaging van de opgelegde boete op die grond.
21. Hoewel de boete in eisers geval is gematigd in verband met onvoldoende financiële draagkracht tot een bedrag van € 729,96, (5% van de bijstandsnorm gedurende een periode van twaalf maanden uitgaande van normale verwijtbaarheid), zal hetgeen is overwogen in 14.3 en 14.4. en een eventuele daaruit volgende verlaging van de benadelingsbedragen in beginsel consequenties kunnen hebben voor de hoogte van de aan eiser opgelegde boete.
22. Dringende redenen gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van de boete, [15] op grond waarvan college van het opleggen van een boete had moeten afzien, heeft eiser niet aangevoerd en aannemelijk gemaakt.
Individuele inkomenstoeslagen 2023 en 2024
Bestreden besluiten
23. Aan beide bestreden besluiten heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Omdat vaststaat dat eiser in de referteperioden (2 oktober 2020 tot 2 oktober 2023 respectievelijk 19 november 2021 tot 19 november 2024) nog niet heeft afgelost, wordt het teruggevorderde bedrag niet in mindering gebracht bij de vaststelling van het inkomen [16] in de referteperioden. In de maand juli 2023 bedroeg het netto inkomen van eiser € 1.323,37. Dit is hoger dan 105% van de toepasselijke bijstandsnorm zijnde € 1.277,45. Daardoor voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor de individuele inkomenstoeslagen 2023 en 2024. In het bestreden besluit dat ziet op de individuele inkomenstoeslag 2024 heeft het college aanvullend overwogen dat, anders dan eiser, het college niet vindt dat sprake is van een marginale overschrijding die kan worden genegeerd. In de toelichting op de Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Renkum 2015 (de Verordening) staat dat van een marginale overschrijding geen sprake is, indien het inkomen gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5 te boven gaat. De overschrijding in de maand juli 2023 van € 45,92 is aanmerkelijk hoger dan € 5. De stelling van eiser dat de afwijzing van zijn aanvraag nadelige financiële gevolgen voor hem heeft en dat dit hem drie jaar achtervolgt, is onvoldoende om de afwijzing als onevenredig te beoordelen. Het gevolg van de overschrijding van de inkomensgrens in één maand is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de definitie van langdurig laag inkomen in artikel 3 van Pro de Verordening. Dat eiser gedurende het grootste deel van de referteperiode bijstand had en dus een laag inkomen, maakt niet dat de afwijzing onevenredig zou zijn. Vaste rechtspraak is dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat het betrokken bestuursorgaan kan worden gedwongen om eenmaal gemaakte fouten te (blijven) herhalen. Er is sprake van een fout en niet van een bewuste keuze om eiseres wel een individuele inkomenstoeslag toe te kennen.
24. Eiser stelt zich op het standpunt dat in de referteperioden geen sprake is van extra inkomen bovenop zijn bijstand. Dat hij één maand € 45,92 boven de bijstandsnorm zat, doet er niet aan af dat het toekennen van de individuele inkomenstoeslagen aan hem in lijn is met het doel van de Verordening.
Toetsingskader
25. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Pw, voor zover van belang, kan het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.
25.1.
In artikel 3, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat een persoon een langdurig laag inkomen heeft als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Pw als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 105% van de toepasselijke bijstandsnorm.
25.2.
In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3 van Pro de Verordening is tot uitdrukking gebracht dat een marginale overschrijding van de inkomensgrens moet worden genegeerd en dat van een marginale overschrijding geen sprake is als het inkomen gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5 te boven gaat.
25.3.
Voor de toepassing van artikel 3 van Pro de Verordening is, mede gelet op de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel en de vaste rechtspraak op dit punt, [17] bepalend wat het inkomen was in elk van de maanden in de referteperioden.
Zijn de teruggevorderde bedragen terecht als inkomen meegenomen?
26. Vastgesteld kan worden dat eiser de op beide referteperioden betrekking hebbende vorderingen nog niet heeft afgelost, [18] zodat eiser in de referteperioden over dit inkomen kon beschikken en het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit inkomen moet worden betrokken in de besluitvorming.
Is sprake van een langdurig laag inkomen?
27. De rechtbank is van oordeel dat het college in de bestreden besluiten inzichtelijk heeft gemotiveerd dat eiser in de referteperioden een hoger inkomen heeft gehad dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Eiser heeft in juli 2023 inkomsten genoten die de toepasselijke bijstandsnorm met € 45,92 overschrijden.
28. De rechtbank is van oordeel dat bij een overschrijding met een bedrag van € 45,92, afgezet tegen het in overweging 23.2 genoemde bedrag van € 5, niet kan worden gesproken van een marginale overschrijding in de zin van de toelichting op artikel 3 van Pro de Verordening. Nu geen sprake is van een langdurig laag inkomen in de referteperioden, wordt niet voldaan aan de voorwaarde opgenomen in artikel 36 van Pro de Pw en was het college niet bevoegd om op grond van artikel 36 van Pro de Pw in verbinding met artikel 3 van Pro de Verordening aan eiser over de jaren 2023 en 2024 een individuele inkomenstoeslag toe te kennen. De daartoe strekkende aanvragen van eiser zijn dan ook terecht afgewezen. Aan beoordeling van de door eiser gemotiveerd gestelde strijd met het evenredigheidsbeginsel kan, nu aan de toepassingsvoorwaarde van de bevoegdheid niet wordt voldaan, niet worden toegekomen. [19]
Gelijkheidsbeginsel
29. Tenslotte doet eiser (subsidiair) een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
29.1.
Eiseres heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij net als eiser over 2023 en 2024 individuele inkomenstoeslagen heeft aangevraagd en dat deze aan haar over 2023 en (na bezwaar) over 2024 ook zijn toegekend. Volgens eiseres is haar uitgelegd dat ten opzichte van eiser, bij haar sprake is van een ander feitencomplex. Eiseres stelt op grond hiervan dat sprake is geweest van een bewuste keuze om haar aanvragen in te willigen. Eiser betoogt vervolgens dat om die reden niet kan worden gesproken van een fout of ambtelijke misslag wat betreft de aan eiseres toegekende individuele inkomenstoeslagen. Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel vindt eiser dat ook hij in aanmerking moet komen voor de individuele inkomenstoeslagen over deze jaren.
De rechtbank wil wel aannemen dat de inwilliging van de aanvragen van eiseres berusten op destijds bewuste keuzes van een ambtenaar. Echter, in het verweerschrift en ook tijdens de zitting heeft het college meegedeeld dat de toekenningen aan eiseres niet hadden moeten plaatsvinden en er om die reden sprake is van fouten. Nu de destijds bewuste keuzes achteraf bezien blijken te berusten op een fout c.q. fouten en het college niet verplicht is c.q. kan worden om gemaakte fouten te herhalen, slaagt het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet.
Conclusie en mogelijkheid tot herstel van de gebreken
30. Zoals hiervoor is overwogen onder 14.3 en 14.4 is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van Pro de Awb. In 16 en 21 is overwogen dat deze gebreken mogelijk van invloed zijn op het bedrag waarvoor eisers hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld en op de (hoogte van de) aan eiser opgelegde boete. Dat betekent dat wat betreft de hoofdelijke aansprakelijkheid en de boete mogelijk ook sprake is van dezelfde gebreken.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen gebreken in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met (een) nieuwe beslissing(en) op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van de nu bestreden besluiten. Om de gebreken te herstellen, zal het college een nieuwe belangenafweging moeten maken van alle relevante feiten en omstandigheden die eiser(s), in het kader van de dringende redenen, hebben/heeft aangedragen. Het college zal die in onderlinge samenhang moeten bezien en moeten beoordelen of sprake is van dringende redenen en welke consequenties daaraan moeten worden verbonden, waar het de hoogte van de terugvorderingen betreft. Eventuele consequenties voor de hoofdelijke aansprakelijkheid en de (hoogte van de aan eiser opgelegde) boete dient het college mee te nemen. De rechtbank verwijst dienaangaande naar wat is overwogen in 16 en 21. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
31. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
32. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de onbesliste beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak en die de rechtbank hebben gebracht tot het doen van deze tussenuitspraak. Dit, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 juni 2013. [20]
33. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissingen neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen
twee wekende rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen
acht wekenna verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van mr. B. de Vries, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Rapportage Onderzoek Rechtmatigheid, p. 1.
2.www.marktplaats.nl.
3.55 stortingen in de periode 1 mei 2020 tot en met 30 september 2022.
4.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 april 2024; ECLI:NL:CRVB:2024:799.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5987.
6.Vergelijk uitspraak van de CRvB van 12 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:545.
7.Uitspraak van de CRvB van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1829.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1154.
9.Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 21 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1522.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1154.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2320 en 12 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1798.
14.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 21 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:145 en 18 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1884.
15.Artikel 18a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Pw
16.Het college kijkt op basis van vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4097, naar het netto inkomen zoals dat feitelijk in die periode is ontvangen.
17.Uitspraak 11 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2881 en uitspraak van 18 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1884.
18.Uitspraak van 13 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4059.
19.Zie ook de uitspraak van de CRvB van 30 juli 2024, ECLI:NL:2024:1558