ECLI:NL:RBLIM:2026:6130

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
11958132 CV 25-4601
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:69 BWArt. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
Verwijzingen
28 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige effectenleaseovereenkomst met vergunningplichtige advisering door tussenpersoon

Deze zaak betreft een effectenleaseovereenkomst die wijlen contractant via een tussenpersoon met Dexia is aangegaan. De overeenkomst hield in dat contractant geld leende van Dexia waarmee aandelen werden gekocht, maar door koersdalingen leed contractant verlies. De erfgenaam vordert vergoeding van de schade wegens onrechtmatig handelen van Dexia.

De kantonrechter sluit aan bij bestaande jurisprudentie dat Dexia haar zorgplicht, met name de waarschuwingsplicht, heeft geschonden. De tussenpersoon beschikte niet over de vereiste vergunning voor beleggingsadvies, maar trad wel als persoonlijk adviseur op. Dexia had hiervan op de hoogte moeten zijn en handelde onrechtmatig door de overeenkomst toch aan te gaan.

Dexia voerde verjaring aan, maar de kantonrechter oordeelt dat de verjaring is gestuit door bekrachtiging van de volmacht door de erfgenaam. De schadevergoeding wordt vastgesteld op €2.098,97, vermeerderd met wettelijke rente. Het incidentele verzoek van Dexia om inzage in vertrouwelijke documenten wordt afgewezen. Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens contractant en moet €2.098,97 schadevergoeding plus rente betalen, restschuld wordt afgewezen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11958132 CV EXPL 25-4601
vonnis van de kantonrechter van 1 juli 2026
in de zaak van
[erfgenaam] , te dezen handelende, ten behoeve van de gemeenschap, in hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van [contractant] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente Beekdaelen,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [erfgenaam] en Dexia genoemd.

1.Kern van de zaak

1.1.
Wijlen [contractant] heeft via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. De contractant leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. De contractant betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest de contractant het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [contractant] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [contractant] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [contractant] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 29 oktober 2025;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, tevens houdende een antwoord in het incident;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
De bij de laatste conclusie overgelegde productie is buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[contractant] (verder: contractant) heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[contractnummer]
31-07-2000
Allround Effect
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
16-03-2006
- € 826,10
Nee
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [erfgenaam] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 2.178,00 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [erfgenaam] geen bedrag aan dividenden ontvangen en € 79,03 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
De gemachtigde van [erfgenaam] , Leaseproces, heeft bij brief van 15 augustus 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
3.5.
[contractant] is op [datum] 2015 overleden.
4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in het verzoek in het incident
4.1.
[erfgenaam] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens contractant en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat contractant en iedere erfgenaam van haar schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [erfgenaam] van al datgene dat contractant aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 voor recht zal verklaren dat [erfgenaam] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [erfgenaam] , met rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 [erfgenaam] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [erfgenaam] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 [erfgenaam] zal veroordelen om aan Dexia te betalen de som van € 275,37, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 maart 2006,
 voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [erfgenaam] verschuldigd is,
 [erfgenaam] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. Beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
algemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie contractant.
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[erfgenaam] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
aanhoudingsverzoek
5.4.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.5.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen. [2]
verjaring
5.6.
Dexia heeft zich beroepen op verjaring. Dexia constateert dat contractant is overleden op [datum] 2015, zodat namens haar in 2012 voor het laatst een poging tot stuiting van de verjaring is gedaan. De eerstvolgende stuitingshandeling van Leaseproces dateert uit 2017, maar die is niet langer namens contractant verricht en, gelet op het feit dat [erfgenaam] pas in 2025 een volmacht aan Leaseproces verleende, ook niet namens [erfgenaam] . Dit betekent volgens Dexia dat de vorderingen in verband met de overeenkomst in 2017 zijn verjaard, nu er in de tussenliggende periode geen geldige stuitingshandeling door contractant of [erfgenaam] heeft plaatsgevonden.
5.7.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [erfgenaam] op bekrachtiging ex artikel 3:69 BW Pro slaagt en acht daarvoor het volgende redengevend. Als gevolg van het overlijden van contractant is de volmacht van Leaseproces geëindigd. Desondanks heeft Leaseproces nadien mede namens contractant (en diens eventuele erfgenamen) nog brieven aan Dexia verstuurd. Leaseproces (en met haar Dexia) ging er van uit dat zij op dat moment nog steeds gevolmachtigde van contractant was. Lid 1 van het hiervoor genoemde artikel geeft de volmachtgever, waaronder tevens moet worden verstaan zijn rechtsopvolger, de mogelijkheid om met terugwerkende kracht alsnog een rechtshandeling te bekrachtigen. [erfgenaam] heeft Leaseproces (in ieder geval) op 5 augustus 2021 (productie H bij conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie) gevolmachtigd om namens haar op te treden en heeft later bij een afzonderlijke volmacht (productie B bij dagvaarding) de door Leaseproces verrichte stuitingshandelingen bekrachtigd. Dexia heeft niet weersproken dat dit een geldige volmacht is, dat [erfgenaam] een dergelijke bevoegdheid toekomt en evenmin dat zij van deze volmacht op de hoogte is gebracht. Ook heeft Dexia niet weersproken dat zij zich pas in deze procedure op het standpunt stelt dat er geen sprake is van een geldige volmacht. Dit betekent dat een eventuele verjaring van de vordering van contractant steeds tijdig is gestuit.
tussenpersoon
5.8.
Contractant heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de [tussenpersoon] (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.9.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon contractant heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon contractant, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [erfgenaam] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [erfgenaam] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door contractant in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.10.
[erfgenaam] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“Contractant kwam via haar dochter in contact met [tussenpersoon] . De dochter van contractant was namelijk reeds eerder door een adviseur van [tussenpersoon] , te weten de heer [persoon] , geadviseerd over het opbouwen van vermogen en het afsluiten van een effectenleaseovereenkomst. Hierdoor ontstond interesse bij contractant om haar financiële situatie door te nemen met de adviseur en het verhaal van de adviseur omtrent het opbouwen van vermogen aan te horen. Vervolgens heeft de dochter van contractant de adviseur doorverwezen en is er een afspraak gemaakt voor een huisbezoek om de financiële situatie van contractant door te nemen met de adviseur en de mogelijkheden van vermogensopbouw
te onderzoeken. Tijdens het gesprek was eveneens de wijlen partner van contractant aanwezig.
Tijdens het gesprek heeft de adviseur van [tussenpersoon] geïnformeerd naar de wensen en de
financiële situatie van contractant. Zo is met de adviseur gesproken over de gezinssituatie van contractant. Zo kwam aan de orde dat contractant destijds haar zus had verloren, wat veel kosten met zich meebracht voor de familie. Hierdoor was het de wens van contractant om een overlijdensbuffer op te bouwen, zodat contractant geld kon nalaten aan haar gezin voor onder andere d begrafeniskosten. De adviseur gaf aan dat hij een geschikt product kon adviseren om de doelstelling van contractant te verwezenlijken.
De adviseur adviseerde contractant om een Allround Effect overeenkomst product van Bank
Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van NLG 4.800,- De hoogte van het bedrag
werd door de adviseur vastgesteld en geadviseerd. Contractant gaf aan dat zij het geldbedrag kon lenen van haar wijlen partner. Volgens de adviseur zou contractant op deze wijze een aanzienlijke overlijdensbuffer kunnen opbouwen, zodat het gezin van contractant na overlijden niet met kosten zouden zitten. Ook zou contractant volgens de adviseur op deze manier de lening kunnen terugbetalen aan haar wijlen partner.
De adviseur ondersteunde zijn advies aan de hand van rekenvoorbeelden waarin zeer gunstige rendementen werden voorgespiegeld. [erfgenaam] beschikt niet over de rekenvoorbeelden en deze kunnen daarom niet worden overgelegd.
De adviseur heeft contractant niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als contractant op deze risico’s gewezen was had zij de Allround Effect overeenkomst nooit afgesloten.
Contractant had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en
vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft contractant het advies van de adviseur opgevolgd. Conform het advies van de adviseur heeft contractant een Allround Effect overeenkomst afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 4.800,-. De aanvraag voor het Allround Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.”
5.11.
[erfgenaam] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van het op 4 juli 2000 te [plaats] ondertekende aanvraagformulier van het Allround Effect op naam van contractant, waarop de naam/het logo van de tussenpersoon is voorgedrukt en waarop ATP-nummer [nummer] is ingevuld,
- een kopie van de overeenkomst van 31 juli 2000 met contractnummer [contractnummer] , voorzien van de tekst “Adviseur:
[nummer] - [tussenpersoon] B.V.
5.12.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [erfgenaam] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [erfgenaam] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen contractant en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. [4] Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [erfgenaam] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
wetenschap Dexia
5.13.
[erfgenaam] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de [tussenpersoon] een op de persoon van contractant toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan contractant, had zij behoren te weten dat contractant door de tussenpersoon is geadviseerd. [5]
aansprakelijkheid Dexia5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met contractant de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens contractant onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan contractant omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [erfgenaam]5.15. De door [erfgenaam] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens contractant heeft gehandeld door contractant als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon contractant niet alleen als klant aanbracht maar haar tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen.
5.16.
De als gevolg hiervan door contractant geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [erfgenaam] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
[erfgenaam] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 2.098,97. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.
5.17.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.18.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [erfgenaam] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het incidentele verzoek van Dexia
5.19.
Dexia verzoekt dat [erfgenaam] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.20.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens contractant en/of [erfgenaam] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.21.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [erfgenaam] worden begroot op € 82,00.
vorderingen Dexia
5.22.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.23.
Omdat [erfgenaam] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [erfgenaam] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [erfgenaam] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 954,47.
5.24.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.Beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst de vordering van Dexia af,
6.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [erfgenaam] , tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens contractant heeft gehandeld door contractant als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon contractant niet alleen als klant aanbracht maar haar tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.4.
verklaart voor recht dat contractant en iedere erfgenaam van contractant schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.5.
verklaart voor recht dat [erfgenaam] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
6.6.
veroordeelt Dexia om aan [erfgenaam] te betalen een bedrag van € 2.098,97, zijnde de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16.,
6.7.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.8.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.9.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.10.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.11.
wijst de vorderingen af,
6.12.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [erfgenaam] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. Piëtte, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Parket van de Hoge Raad van 10 april 2026 ECLI:NL:PHR:2026:368, ECLI:NL:PHR:2026:369, ECLI:NL:PHR:2026:371
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.