Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2024 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
“Mededeling opleggen vergrijpboete IH 2009 tot en met 2019
Hoogte vergrijpboete
Motivering boete
Strafverzwarende- en strafverminderende omstandigheden
“Vergrijpboete
- belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 798
- inkomstenbelasting box 3 € 239
- belastingrente € 15
- belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 432
- inkomstenbelasting box 3 € 129
- boete € 54
- belastingrente € 4
- belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 1.210
- inkomstenbelasting box 3 € 363
- belastingrente € 0
- Heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2015?
- Heeft verweerder onrechtmatig gehandeld door het instellen van een onderzoek naar de buitenlandse bankrekeningen van eiser, wat maakt dat de (navorderings)aanslagen 2008 tot en met 2019 niet in stand kunnen blijven?
- Is het aannemelijk dat in 2008 het gemiddelde saldo van de bankrekeningen bij de [bank] € 141.000 bedroeg?
- Voldoen de boetebeschikkingen aan de formele vereisten? Meer specifiek is in geschil de vraag of voor eiser voldoende duidelijk was welke boetebepalingen ten grondslag lagen aan het opleggen van de vergrijpboetes.
- Zijn de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen opgelegd? Meer specifiek is de vraag of er sprake is van opzet of grove schuld bij eiser en of de boetes in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van de overtreding en of daarbij voldoende rekening is gehouden met de menselijke maat.
Beslissing
- verklaart de beroepen die zien op de belastingjaren 2017, 2018 en 2019 ongegrond;
- verklaart de overige beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de belastingjaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2013, 2014 en 2015;
- vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen voor de belastingjaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2013, 2014 en 2015;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor het belastingjaar 2016, doch uitsluitend voor de beslissing over de vergrijpboete;
- vermindert de vergrijpboete voor het belastingjaar 2016 tot € 2.470 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de deels vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot het vergoeden van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.555; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.