ECLI:NL:RBNHO:2025:15741

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11431397 \ CV EXPL 24-4010
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:305a BWArt. 3:316 lid 1 BWArt. 3:52 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige effectenleaseovereenkomsten en vernietiging wegens ontbreken schriftelijke toestemming echtgenoot

Eisers sloten via een tussenpersoon meerdere effectenleaseovereenkomsten met Dexia, waarbij zij geld leenden om aandelen te kopen. De waarde van de aandelen daalde, waardoor eisers verlies leden. Een van de overeenkomsten werd door eiser 1 gesloten zonder schriftelijke toestemming van zijn echtgenote, eiser 2, die tijdig vernietiging van die overeenkomst inroept op grond van artikel 1:88 BW Pro.

De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid tot vernietiging niet is verjaard, mede gelet op de verklaringen van eisers over de gezinssituatie en financiële administratie. Dexia heeft onvoldoende onderbouwd dat eiser 2 eerder bekend was met de overeenkomst. Ten aanzien van de andere overeenkomsten is vastgesteld dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door eisers als cliënt te accepteren terwijl de tussenpersoon zonder vergunning persoonlijk advies gaf, waarvan Dexia op de hoogte had moeten zijn.

Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding van de door eisers betaalde bedragen minus ontvangen dividenden en fiscale voordelen, vermeerderd met wettelijke rente. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. Proceskosten worden toegewezen aan eisers. De incidentele vorderingen worden afgewezen, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de eerste effectenleaseovereenkomst en veroordeelt Dexia tot volledige schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11431397 \ CV EXPL 24-4010
vonnis van de kantonrechter van 24 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1], en

2.
[eiser 2],
beiden wonende te [plaats] (gemeente [gemeente]),
eisende partijen in conventie in de hoofdzaak en het voorwaardelijke incident,
verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het voorwaardelijke incident,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
[eiser 1] en [eiser 2] worden hierna aangeduid als [eiser 1] en [eiser 2] en gezamenlijk als [eisers]. Dexia Nederland B.V. wordt hierna aangeduid als Dexia.

1.Kern van de zaak

1.1.
[eisers]. heeft, via een tussenpersoon, twee effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [eisers]. leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eisers]. betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [eisers]. het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eisers]. verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het onder andere om de vraag of Dexia de door [eisers]. geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten die zijn gesloten via een tussenpersoon en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eisers]. geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.3.
[eiser 1] heeft voorts een derde overeenkomst gesloten. Ten tijde van het sluiten van die overeenkomst was hij gehuwd met [eiser 2]. [eiser 1] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst wegens het ontbreken van haar schriftelijke toestemming. In deze zaak gaat het om de vraag of de bevoegdheid daartoe is verjaard. De kantonrechter komt tot de conclusie dat die bevoegdheid niet is verjaard. Dat betekent dat wat over en weer is betaald, dient te worden terugbetaald.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 19 november 2024, met een voorwaardelijke incidentele vordering;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidentele vordering;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, ;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[eiser 1] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
59182964
28-10-1999
Korting Kado
3.2.
Daarnaast heeft [eisers]. de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
II.
21696477
18-12-2000
Capital Effect
III.
21696480
18-12-2000
Capital Effect
3.3.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
29-10-2003
- € 3.352,52
Ja
II.
29-10-2003
-€ 3.572,84
Ja
III.
29-10-2003
- € 3.572,84
Ja
2.3.
[eiser 2] was ten tijde van het aangaan van overeenkomst I. gehuwd met [eiser 1]. [eiser 2] heeft [eiser 1] geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van deze overeenkomst.
2.4.
Bij brief van 9 augustus 2005 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [eiser 2] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst I. als bedoeld in artikel 1:89 BW Pro.
3.4.
Volgens opgave van Dexia heeft [eisers]. op grond van de overeenkomsten II. en III. – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 10.848,00 aan maandtermijnen en een bedrag van € 7.145,68 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eisers]. € 1.347,66 aan dividenden ontvangen en € 346,28 aan fiscaal voordeel genoten. Op 13 januari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 6.804,08 aan [eisers]. uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente.
3.5.
De gemachtigde van [eisers]., Leaseproces, heeft bij brief van 9 augustus 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

4.De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in de incidenten

4.1.
[eisers]. vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident, voorwaardelijk voor het geval Dexia de stukken niet in het geding brengt :
 Dexia zal veroordelen afschriften van de aanvraagformulieren en haar versie van de ondertekende overeenkomsten II. en III. aan [eisers]. te verstrekken,
- in de hoofdzaak:
Ten aanzien van overeenkomst I.:
 te verklaren voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen door [eiser 1] krachtens die overeenkomst aan Dexia is betaald, aan [eisers]. terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag der door [eiser 1] gedane betalingen, althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening;
Ten aanzien van overeenkomsten II. en III.:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers]. en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat [eisers]. schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eisers]. van al datgene dat [eisers]. aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisers]., met rente,
Ten aanzien van alle overeenkomsten:
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, met een incidentele vordering die als onvoorwaardelijke vordering wordt aangemerkt, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 [eisers]. zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eisers]. in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eisers]. gesloten overeenkomsten met nummers I., II. en III. niets meer aan [eisers]. verschuldigd is,
 [eisers]. zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in de incidentenalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eisers]..
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eisers]. heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
Ten aanzien van overeenkomst 59182964
Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW
5.4.
Dat sprake is van huurkoop betekent dat [eiser 1] voor het aangaan van de overeenkomst de schriftelijke toestemming van [eiser 2] behoefde (HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3868). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [eiser 2] de bevoegdheid een beroep te doen op de vernietigbaarheid als bedoeld in artikel 1:88 en Pro 1:89 BW.
Beroep Dexia op verjaring vernietiging ex artikel 1:88/89 BW
5.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (JOR 2015/337 m.nt. mr. T.M.C. Arons, ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW Pro van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie, ingesteld op 13 maart 2003, aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW Pro en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW Pro ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad daarin bepaald dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW Pro bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.
5.6.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst(en) is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.
5.7.
Vastgesteld wordt dat de overeenkomst méér dan drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering zijn afgesloten. Dat betekent dat bovengenoemd arrest van de Hoge Raad niet van toepassing is indien [eiser 2] op 13 maart 2000 bekend was met deze overeenkomst. Dexia heeft naar aanleiding daarvan aangevoerd dat de bevoegdheid tot die vernietiging is verjaard. Dit wordt door [eisers]. betwist.
5.8.
In het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2023 ECLI:NL:RBAMS:2023:1221 is het toetsingskader voor zaken als de onderhavige, weergegeven. De kantonrechter ziet vooralsnog, bij de huidige stand van de jurisprudentie, onvoldoende aanleiding om op dit toetsingskader terug te komen. In dat vonnis is immers uitvoerig ingegaan op de bijzondere omstandigheden in gevallen als de onderhavige, op grond waarvan hoge eisen mogen worden gesteld aan een bewijsaanbod van Dexia en die dus afwijking van de gebruikelijk te stellen eisen aan stelplicht en bewijslast rechtvaardigen. [2] Beoordeling van deze zaak aan de hand van dat toetsingskader leidt tot het volgende.
5.9.
Voor de beoordeling van het beroep op verjaring door Dexia is van belang op welk tijdstip [eiser 2] daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomst. Het verjaringsberoep van Dexia kan alleen slagen wanneer Dexia daarvoor voldoende stelt en onderbouwt. Om Dexia daartoe in staat te stellen moet [eisers]. voldoende gegevens verstrekken over de (financiële) gezinssituatie en andere feiten, die relevant kunnen zijn voor het vaststellen van het tijdstip van daadwerkelijke bekendheid van [eiser 2] met de overeenkomst. Doet [eisers]. dat niet dan heeft [eisers]. het verweer tegen het verjaringsberoep onvoldoende onderbouwd.
5.10.
Eerst zal worden beoordeeld of [eisers]. zijn verweer tegen het verjaringsberoep van Dexia voldoende heeft onderbouwd.
5.11.
Door [eisers]. zijn schriftelijke verklaringen van henzelf overgelegd, waarin staat vermeld dat deze zijn opgesteld op basis van antwoorden die elk van hen buiten aanwezigheid van de ander heeft gegeven in een telefoongesprek met hun gemachtigde.
5.12.
In de verklaring van contractant [eiser 1] staat vermeld:
‘(…)
a.
Hoe was in de betreffende periode de samenstelling van het gezin van de contractant en de echtgenoot, en wat was hun beroep en leeftijd (en het beroep/de opleiding en leeftijd van eventuele kinderen)?
Ten tijde van het afsluiten van het eerste contract was ik 31 jaar oud. Wij zijn sinds 1990 getrouwd en wij hebben drie kinderen, geboren in 1995, 1997 en 1999. Ik had een eigen bakkerij en mijn vrouw hielp mee in de winkel. Na de geboorte van de derde heeft mijn vrouw zich volledig op de opvoeding gericht.
Op welke wijze is (zijn) het (de) in de procedure betrokken effectenleasecontract(en) (hierna: de contracten) tot stand gekomen? Is in verband daarmee een tussenpersoon thuis op bezoek gekomen? Zo ja, wie waren daarbij aanwezig?
Ik ben telefonisch benaderd door een medewerker van Dexia. Ik heb daarna een brochure ontvangen. Ik had de wens om te sparen voor het pensioen.
Uit welke bron(nen) en van welke bankrekening(en) kwam het geld voor de inleg vandaan?
De inleg betaalde ik van de inkomsten uit de bakkerij en dit werd van een gezamenlijke rekening afgeschreven.
Op welk tijdstip, op welke wijze en op welke plaats kreeg de echtgenoot (niet zijnde de contractant) wetenschap van het bestaan van de contracten?
Ongeveer een jaar na het afsluiten van het eerste contract heeft een financieel adviseur telefonisch contact met mij opgenomen. De adviseur is vervolgens bij ons thuis gekomen om te spreken over de financiële situatie en onze wensen. Het eerste contract is ook aan de orde gekomen. Mijn vrouw is dus eind 2000 voor het eerst bekend geraakt met het bestaan van het contract.
Welke bankrekeningen hadden de contractant en de echtgenoot? En per bankrekening:
op welke na(a)m(en) was deze gesteld?
wie had daarvan een pas?
voor welke uitgaven/betalingen werd deze bankrekening gebruikt?
Wij hadden een gezamenlijke rekening en daar hadden wij allebei een bankpas van. De rekening werd eigenlijk alleen gebruikt voor het betalen van de vaste lasten. Dat waren dus alle automatisch afschrijvingen. De andere betalingen voor het huishouden deden wij met contant geld uit de winkel. Daarnaast was er een zakelijke rekening en een gewone spaarrekening.
Welke inkomsten(bronnen) hadden de contractant en de echtgenoot en op welke bankrekening(en) werden deze inkomsten gestort?
Ik maakte elke maand geld over van de zakelijke rekening naar onze gezamenlijk rekening. De overuren werden contant uitbetaald.
Wie verzorgde in het betreffende huishouden de financiële administratie en op welke wijze gebeurde dat?
De financiële administratie werd door mij verzorgd. Ik opende alle post en de bankafschriften. Wij hadden een duidelijke taakverdeling en ik was hier verantwoordelijk voor.
h. Wie van beiden (contractant en echtgenoot) deed welke soort betalingen?
Ik was dus verantwoordelijk voor het betalen en het bijhouden van de bankbetalingen. Mijn vrouw deed voornamelijk de huishoudelijke uitgaven, zoals de boodschappen en aankopen voor de kinderen.
Wie van beiden (contractant en echtgenoot) opende(n) enveloppen met bankdagafschriften? Waar werden deze opgeborgen? Wie van beiden heeft ooit (hetzij na ontvangst, hetzij op een later tijdstip) inzage gehad in een of meer bankafschriften?
Ik opende alle post en de bankafschriften. De afschriften werden door mij bekeken en vervolgens opgeborgen. Mijn vrouw had daar geen bemoeienis mee. Wij hadden deze taakverdeling en dat was prima. Ik heb dan ook nooit vragen gekregen over een betaling aan of van Dexia.
i.
Wie verzorgde de belastingaangifte van de contractant en de echtgenoot, en wie ondertekende deze?
De belastingaangifte werd door een boekhouder verzorgd. Ik bracht alle benodigde stukken weg. Samen met de boekhouder nam ik vervolgens de ingevulde aangifte door. Mijn vrouw was hier niet bij betrokken want dit was mijn taak. De boekhouder was gemachtigd om de aangifte te ondertekenen.
Hebben de contractant en/of de echtgenoot in de betreffende periode een hypothecaire lening of andere lening afgesloten? En is daarbij de aanwezigheid van de contracten aan de orde gekomen?
Wij hebben eind 2000 de hypotheek verhoogd. Op dat moment hebben wij op advies van een adviseur twee nieuwe contracten afgesloten. Het eerste contract is toen dus ook aan de orde gekomen.
i.
Hadden de contractant en/of de echtgenoot in de betreffende periode een pensioenvoorziening, een lijfrentepolis, een belegging in aandelen of een soortgelijke vermogensvoorziening?
Wij hadden geen pensioenvoorziening. De contracten waren de eerste producten voor mij om te sparen voor het pensioen.
m. Over welke uitgaven beslisten de contractant en de echtgenoot gezamenlijk?
Wij spraken over de aankoop van bijvoorbeeld een nieuwe auto. Dat zou ik nooit alleen doen. Maar de uitgaven die ons huishouden aangingen waren nooit echt een onderwerp van gesprek. We hadden het gewoon goed voor elkaar.
5.13.
In de verklaring van [eiser 2] staat vermeld:
‘(…)
a.
Hoe was in de betreffende periode de samenstelling van het gezin van de contractant en de echtgenoot, en wat was hun beroep en leeftijd(en het beroep/de opleiding en leeftijd van eventuele kinderen)?
In 1999 werd ik 33 jaar oud. Wij zijn getrouwd en wij hebben drie kinderen. Mijn man had een eigen bakkerij. Ik was eerder ook werkzaam in de bakkerij en daarna heb ik voor de kinderen gezorgd.
Op welke wijze is (zijn) het (de) in de procedure betrokken effectenleasecontract(en) (hierna: de contracten) tot stand gekomen? Is in verband daarmee een tussenpersoon thuis op bezoek gekomen? Zo ja, wie waren daarbij aanwezig?
Dat wist ik destijds niet. Ik heb tijdens het gesprek met een adviseur - toen we twee contracten wilde aangaan - pas begrepen dat mijn man dit eerder telefonisch had gedaan.
Uit welke bron(nen) en van welke bankrekening(en) kwam het geld voor de inleg vandaan?
Dat weet ik ook niet. Ik weet nog steeds niet van welke rekening mijn man de inleg voor het eerste contract heeft betaald.
Op welk tijdstip, op welke wijze en op welke plaats kreeg de echtgenoot (niet zijnde de contractant) wetenschap van het bestaan van de contracten?
Wij hebben in een gesprek met een adviseur onze financiële situatie besproken. Op dat moment hoorde ik voor het eerst van dit contract. Mijn man had deze met de goede bedoeling afgesloten. Hij wilde sparen voor later en dat vond ik natuurlijk een prima doel.
Welke bankrekeningen hadden de contractant en de echtgenoot? En per bankrekening:
op welke na(a)m(en) was deze gesteld,
wie had daarvan een pas?
voor welke uitgaven/betalingen werd deze bankrekening gebruikt?
Wij hadden een gezamenlijk rekening. En wij hadden beiden een pasje. De rekening werd nauwelijks gebruikt omdat wij veel met contant geld betaalde. De rekening werd wel gebruikt voor de automatische incasso's voor de vaste lasten. Mijn man beheerde ook een zakelijke rekening.
Welke inkomsten(bronnen) hadden de contractant en de echtgenoot en op welke bankrekening(en) werden deze inkomsten gestort?
Mijn man betaalde volgens mij elke maand inkomen uit naar onze gezamenlijke rekening. Alle overuren werden contant uitbetaald. Die uren kreeg ik dus ook contant van hem.
Wie verzorgde in het betreffende huishouden de financiële administratie en op welke wijze gebeurde dat?
Dat deed mijn man. Ik had daar geen bemoeienis mee. Hij deed alles met de binnengekomen post en bankafschriften. Hij was ook verantwoordelijk voor bijvoorbeeld de verzekeringen.
Wie van beiden (contractant en echtgenoot) deed welke soort betalingen?
Ik deed de boodschappen en de aankoop van kleding voor de kinderen. Mijn man zorgde voor de overige zaken zoals het betalen van de vaste lasten.
i.
Wie van beiden (contractant en echtgenoot) opende(n) enveloppen met bankdagafschriften? Waar werden deze opgeborgen? Wie van beiden heeft ooit (hetzij na ontvangst, hetzij op een later tijdstip) inzage gehad in een of meer bankafschriften?
De post werd na binnenkomst op een stapeltje gelegd. Ik deed daar niets mee. Mijn man opende dan alle brieven en bankafschriften. Ik keek nooit op de afschriften. Ik heb nooit een betaling aan of van Dexia gezien.
Wie verzorgde de belastingaangifte van de contractant en de echtgenoot, en wie ondertekende deze?
Dat werd uit handen gegeven. Mijn man had contact met de boekhouder. Ik hoefde de aangifte niet te ondertekenen. Ik keek de ingevulde aangifte ook niet door want. Ik had alle vertrouwen in hen.
Hebben de contractant en/of de echtgenoot in de betreffende periode een hypothecaire lening of andere lening afgesloten? En is daarbij de aanwezigheid van de contracten aan de orde gekomen?
Volgens mij hebben wij geen leningen afgesloten. Wij hebben wel een keer de hypotheek verhoogd en toen zijn de Dexia producten ook ter sprake gekomen.
Hadden de contractant en/of de echtgenoot in de betreffende periode een pensioenvoorziening, een lijfrentepolis, een belegging in aandelen of een soortgelijke vermogensvoorziening?
Ik heb geen idee. Ik weet niet wat mijn man al had geregeld.
m. Over welke uitgaven beslisten de contractant en de echtgenoot gezamenlijk?
Wij spraken over de uitgaven die ons huishouden aangingen, zoals de aankoop van nieuwe meubels en vakantiebestemmingen. Mijn man wist wat financieel haalbaar was. Dat was voldoende voor mij.
5.14.
Dexia voert in de onderhavige zaak onder meer aan dat de verklaringen uitsluitend berusten op de herinneringen van [eisers]. en dat geen bewijsmiddelen worden overgelegd die de daarin genoemde standpunten staven.
5.15.
Dexia verliest hierbij echter uit het oog dat [eisers]. niet hoeft te bewijzen wanneer [eiser 2] daadwerkelijk kennisnam van het bestaan van de overeenkomst. Zoals hiervoor reeds is overwogen rust die bewijslast op Dexia. Wel mag van [eisers]. worden verwacht dat het verweer tegen het verjaringsberoep van Dexia zo goed is onderbouwd als in het gegeven geval redelijkerwijs van [eisers]. kan worden verlangd. Nu echter gesteld noch gebleken is dat in dit geval aan [eisers]. ook andere bronnen of aanknopingspunten ter beschikking staan dan de herinneringen van henzelf, kan van [eisers]. niet worden verlangd dat hij het verweer op iets anders baseert dan op die herinneringen.
5.16.
Naar aanleiding van hetgeen [eisers]. hebben verklaard concludeert Dexia dat de inhoud van de verklaringen van [eisers]. onvoldoende concreet is en niet is gebaseerd op de separate eigen herinnering van [eiser 2] ten opzichte van [eiser 1]. Volgens Dexia wijzen de verklaringen geen concreet moment aan waarop [eiser 2] bekend werd met de overeenkomst.
5.17.
Voor zover Dexia hiermee aanvoert dat het verweer tegen het beroep op verjaring onvoldoende is onderbouwd wordt zij hierin niet gevolgd. De door [eisers]. in hun verklaringen gegeven informatie over hun gezinssituatie, over het beheer van de gezinsfinanciën en over de informatievoorziening omtrent die financiën, onderbouwt voldoende het verweer van [eisers]. dat [eiser 2] in elk geval niet vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met de overeenkomst(en). Niet gebleken is dat [eisers]. op relevante punten méér kunnen verklaren dan zij hebben gedaan. Het betoog van Dexia betreffende deze verklaringen berust slechts op aannames en veronderstellingen die niet concreet zijn onderbouwd.
5.18.
Dexia heeft tegenover de toelichting door [eisers]. onvoldoende concrete feiten of omstandigheden genoemd die, indien zij komen vast te staan, kunnen bijdragen aan de conclusie dat [eiser 2] op een eerdere datum dan 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met de overeenkomsten.
5.19.
Uit het voorgaande volgt dat Dexia, mede gelet op de toelichting door [eisers]., haar stellingen in elk geval onvoldoende heeft onderbouwd. Om die reden wordt het bewijsaanbod van Dexia gepasseerd. Voor wat betreft de datum waarop de niet-handelende echtgenoot daadwerkelijk bekend werd met het bestaan van de overeenkomst wordt als uitgangspunt genomen dat dit niet op een eerdere datum dan 13 maart 2000 het geval is geweest.
5.20.
Het beroep van Dexia op verjaring van de bevoegdheid tot vernietigen slaagt dus niet.
De vorderingen van [eisers].
5.21.
Het voorgaande betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst met nummer 59182964 is vernietigd, toewijsbaar is.
5.22.
Dexia dient aan [eisers]. ter zake van de overeenkomst te betalen al hetgeen [eiser 1] ter zake van de overeenkomst aan Dexia heeft betaald, verminderd met al hetgeen hij ter zake van deze overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden, overige uitkeringen, opbrengsten en eventueel een reeds ontvangen (gedeeltelijke) schadevergoeding (exclusief wettelijke rente). De betreffende bedragen blijken uit de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomst en waarvan de juistheid niet is weersproken.
Wettelijke rente
5.23.
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was, te weten vanaf een termijn van vier weken na de vernietigingsbrief, waarna er immers redelijkerwijs vanuit mocht worden gegaan dat Dexia niet in de vernietiging berustte, zijnde 7 september 2005.
5.24. De gevorderde wettelijke rente ter zake van de overeenkomst is toewijsbaar als volgt.
5.25.
Dexia is vanaf bovengenoemde ingangsdatum wettelijke rente verschuldigd over het saldo van hetgeen aan Dexia is betaald minus hetgeen van Dexia is ontvangen.
5.26.
Telkens indien na bovengenoemde ingangsdatum door Dexia een bedrag (exclusief wettelijke rente) is betaald ter zake van deze overeenkomst(en), is vanaf de datum van die betaling de wettelijke rente verschuldigd over hetgeen na aftrek van dat bedrag (exclusief wettelijke rente) nog door Dexia verschuldigd is.
5.27.
De wettelijke rente is verschuldigd tot aan de datum van de voldoening van al hetgeen Dexia op grond van de hiervoor onder 5.22. bedoelde berekeningswijze verschuldigd is.
5.28.
Voor zover Dexia in het verleden reeds wettelijke rente heeft voldaan kan deze in mindering worden gebracht op het totale bedrag aan wettelijke rente dat Dexia op grond van het voorgaande verschuldigd is.
5.29.
Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.
ten aanzien van de overeenkomsten 21696477 en 21696480
verjaring
5.30.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eisers]. inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [3] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.31.
[eisers]. heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [bedrijf 1] (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [4] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een
aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.32.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eisers]. heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eisers]., anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisers]. als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisers]. gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eisers]. in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.33.
[eisers]. stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“Een adviseur van [bedrijf 1] (hierna te noemen: ‘adviseur’), heeft telefonisch contact opgenomen met [eiser 1]. De adviseur stelde voor om de financiële situatie van [eiser 1] door te nemen en de financiële mogelijkheden te bespreken. [eiser 1] heeft hiermee ingestemd en er hebben vervolgens meerdere adviesgesprekken met de adviseur plaatsgevonden thuis bij [eiser 1].
Tijdens de gesprekken heeft de adviseur geïnformeerd naar de financiële situatie en de financiële wensen van [eisers].. Daarbij kwam het inkomen, de lopende betalingsverplichtingen, de afgesloten verzekeringen en de hypothecaire situatie van [eisers]. ter sprake. Er is met de adviseur gesproken over de wens van [eisers]. om vermogen op te bouwen voor de studie van zijn kinderen en voor zijn pensioen. De adviseur gaf aan dat dit mogelijk was en adviseerde [eisers]. om twee Capital Effect overeenkomsten van Bank Labouchere af te sluiten. Volgens de adviseur kon [eisers]. het maximale bedrag aan belasting terugkrijgen door het afsluiten van twee overeenkomsten.
De adviseur adviseerde [eisers]. vervolgens over een constructie om de overwaarde op de
woning van [eisers]. op te nemen. De adviseur adviseerde [eisers]. om een tweede hypotheek af te sluiten van ongeveer NLG 28.000,-. Dit bedrag kon [eisers]. aanwenden voor de vooruitbetaling van de inleg in de Capital Effect overeenkomsten. De adviseur vertelde dat [eisers]. met de opbrengst uit de Capital Effect overeenkomsten aanzienlijk vermogen kon opbouwen voor de studie van zijn kinderen en zijn pensioen..
De adviseur zette zijn advies kracht bij door middel van een brochure en een prognosevoorbeeld (productie E). Op de brochure heeft de adviseur de mogelijkheid om vooruit te betalen onderstreept, waardoor [eisers]. een korting van 20% zou ontvangen. Daarnaast heeft de adviseur aantekeningen gemaakt op kladpapier, waarmee hij liet zien dat [eisers]. met een vooruitbetaling van NLG 15.000,- per overeenkomst een korting zou ontvangen van NLG 3.000,-. [eisers]. zou dus voor de twee overeenkomsten een bedrag van NLG 24.000,- inleggen. Bovendien heeft de adviseur aantekeningen gemaakt, waarmee hij aantoonde wat de opbrengst zou zijn als [eisers]. de beleggingsrekening opende, gerekend met een koerspercentage van 15%. De adviseur maakte derhalve een vergelijking tussen de Capital Effect overeenkomsten en de beleggingsrekening. De Capital Effect overeenkomsten hadden meer voordelen, zoals de korting van 20%, zodat de Capital Effect producten geschikter waren om het doel van [eisers]. te realiseren, aldus de advies. De aantekeningen worden overgelegd onderproductie F. De adviseur heeft bij [eisers]. aangegeven dat hij het advies nog op papier zou vastleggen en tijdens een opvolgend huisbezoek zou toelichten.
De adviseur heeft tijdens een opvolgend huisbezoek het Persoonlijk Financieel Plan toegelicht, nadat deze per post naar [eisers]. is verzonden(productie G). Uit de begeleidende brief blijkt dat de huidige financiële situatie en wensen van [eisers]. zijn geïnventariseerd, alvorens de adviseur een ‘voorstel’ (ofwel: advies) op papier heeft gesteld. De adviseur heeft zijn advies ten aanzien van de hypotheek herhaald in het persoonlijk financieel plan. In dit financiële plan heeft de adviseur de financiële situatie van [eisers]. uiteen gezet. Zo wordt het inkomen, de lopende betalingsverplichtingen, de huidige hypotheekgegevens en de afgesloten verzekeringen opgenomen in het financieel plan. De adviseur heeft de samenstelling van de nieuwe hypotheeksom berekend en de nieuwe maandlasten. De nieuwe maandlasten van [eisers]. heeft de adviseur op het financieel plan geschreven en zouden NLG 142,50 worden. Volgens de adviseur zou er een bedrag van NLG 120,- aan dividend uit de overeenkomsten komen, waardoor de maandlasten NLG 22,50 zouden bedragen.
De adviseur heeft de rendementen zeer rooskleurig aan [eisers]. voorgeschoteld. Volgens de
adviseur zou het rendement 27% zijn maar rekende hij voor de zekerheid met een rendement
van 15%. Daarnaast gaf de adviseur aan dat [eisers]. met de dividendopbrengsten de hypotheekrente kon betalen. Er is geenszins rekening gehouden met minder hoge of zelfs negatieve rendementen, en over tegenvallende resultaten is in het geheel niet gesproken.
De adviseur heeft [eisers]. niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet
op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen,
de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als [eisers]. op deze risico’s gewezen was, dan had hij de Capital Effect overeenkomsten nooit afgesloten.
[eisers]. had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en
vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eisers]. het advies van de adviseur opgevolgd. [eisers]. c.s. heeft twee Capital Effect overeenkomsten afgesloten met een vooruitbetaling van gezamenlijk NLG 23.905,84.
[eisers]. heeft conform het advies een tweede hypotheek afgesloten van NLG 28.500,-. De
hypotheekstukken overlegt [eisers]. alsproductie H. Op de nota van afrekening staat specifiek vermeld dat de notaris een bedrag van NLG 23.905,84 zou overmaken naar Bank Labouchere ten behoeve van de Capital Effect overeenkomsten.
(…)
Zoals uit de feiten blijkt, is [eisers]. door [bedrijf 1] geadviseerd om een
specifieke effectenleaseovereenkomst af te sluiten. Dit volgt expliciet uit het als productie G
overgelegde financieel plan. Dit plan bevat een specifiek advies van de adviseur van [bedrijf 1] om specifieke effectenleaseproducten af te sluiten. Zo vermeldt het plan op pagina 9 in dik gedrukte letters:Uitwerking van ons voorstel. Vervolgens wordt het advies gegeven en wordt ook het overwaarde Effect geadviseerd, waarbij onder meer wordt gesteld om een nieuwe hypothecaire lening van ruim NLG 28.000,- af te sluiten.”
Daaraan heeft [eisers] nog toegevoegd dat de tussenpersoon werkte onder verschillende handelsnamen waaronder ook [bedrijf 2] en [bedrijf 3] en dat deze entiteiten één en dezelfde tussenpersoon betreffen en vielen onder [bedrijf 4] B.V..
5.34.
[eisers]. heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 18 december 2000 met contractnummer 21696477, voorzien van de tekst:
Adviseur: ATP01017- [bedrijf 1],
- een kopie van de overeenkomst van 18 december 2000 met contractnummer 21696480, voorzien van de tekst:
Adviseur: ATP01017- [bedrijf 1],- een Capital Effect brochure met een prognosevoorbeeld,
- een stuk zonder opschrift, voorzien van handgeschreven rekenvoorbeelden,
-een brief gericht aan [eisers]., voorzien van het logo van [bedrijf 4] b.v., betreffende een Persoonlijk Financieel Plan waarin te lezen is:
‘In dit voorstel is rekening gehouden met alle kosten die gemaakt worden om een en ander te realiseren zoals: taxatie, notariskosten, eventuele boeterente etc. Deze kosten zijn reeds allemaal verrekend. Het u aangeboden voorstel geeft dus een daadwerkelijk voordeel zonder onverwachte kosten achteraf. (…)’,
- hypotheekstukken ,
- een kopie van een uittreksel van de KvK van 9 augustus 2016 met als beschrijving van de werkzaamheden van [bedrijf 4] B.V. per 30 maart 1999: ‘Intermediair van (in het bijzonder hypothecaire) financieringen en verzekeringen, advisering op dit gebied’.
aanhoudingsverzoek
5.35.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.36.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.37.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.38.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eisers]. onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [5] [6] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eisers]., tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eisers]. geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eisers]. dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eisers]. in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisers]. en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eisers]. en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.39.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eisers].. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eisers]. kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eisers]. voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.40. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisers]. de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eisers]. onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eisers]. omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [7] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eisers].5.41. De door [eisers]. gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers]. heeft gehandeld door [eisers]. als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers]. niet alleen als klant aanbracht maar [eisers]. tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat Dexia de dientengevolge geleden schade dient te vergoeden.
5.42.
De als gevolg hiervan door [eisers]. geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eisers]., behoudens het daarin berekende fiscaal voordeel, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.43.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.44.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eisers]. aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
de incidentele voorwaardelijke vordering van [eisers].
5.45.
Nu aan de voorwaarde is voldaan, is beoordeling van de vordering aan de orde. [eisers]. vordert Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulieren en de bij Dexia in bezit zijnde ondertekende overeenkomsten. Uit het voorgaande volgt dat [eisers]. in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat de vordering zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
de incidentele vordering van Dexia
5.46.
Dexia vordert, dat [eisers]. wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.47.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eisers]. destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen.
5.48.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eisers]. worden begroot op € 82,00.
vorderingen Dexia
5.49.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.50.
Omdat [eisers]. inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eisers]. gevallen.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- dagvaarding € 135,97
- griffierecht € 87,00
- salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00)
- nakosten
€ 135,00
Totaal € 899,97.
5.51.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van [eisers].
6.1.
wijst de vordering af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in het incident van Dexia
6.3.
wijst de vordering af,
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eisers]., tot op heden begroot op € 82,00,
in conventie
ten aanzien van overeenkomst 59182964
6.5.
verklaart voor recht dat de overeenkomst met nummer 59182964 is vernietigd,
6.6.
veroordeelt Dexia om aan [eisers]. ter zake de overeenkomst te betalen hetgeen Dexia op grond van de hiervoor in ro. 5.22. bedoelde berekening verschuldigd is,
6.7.
veroordeelt Dexia om aan Partij te betalen de wettelijke rente die Dexia verschuldigd is ter zake de hiervoor genoemde overeenkomst(en) op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in ro. 5.23. en 5.26.,
ten aanzien van overeenkomsten 21696477 en 21696480
6.8.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers]. heeft gehandeld door [eisers]. als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers]. niet alleen als klant aanbracht maar [eisers]. tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.9.
verklaart voor recht dat [eisers]. schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.10.
veroordeelt Dexia om aan [eisers]. te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.42.,
ten aanzien van alle overeenkomsten
6.11.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 899,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.12.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.13.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.14.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.15.
wijst de vorderingen af,
6.16.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers]. gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Anders hof Amsterdam 30 april 2024 ECLI:NL:GHAMS:1074 en hof Arnhem-Leeuwarden onder andere 21 oktober 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:6548.
3.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
4.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
5.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
6.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
7.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.