ECLI:NL:RBOVE:2025:7105

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
11639767 \ CV EXPL 25-618
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 195 RvArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige handelwijze Dexia bij effectenleaseovereenkomst leidt tot volledige schadevergoeding

In deze civiele zaak vordert [partij A] vergoeding van schade geleden door effectenleaseovereenkomsten die via de tussenpersoon Verzekerd Spaarplan Nederland (VSN) met Dexia zijn gesloten. Dexia heeft volgens de rechtbank onrechtmatig gehandeld door ondanks het ontbreken van een vergunning bij VSN toch overeenkomsten met [partij A] aan te gaan.

De rechtbank baseert zich op bestaande jurisprudentie, waaronder arresten van de Hoge Raad, en stelt vast dat Dexia haar bijzondere zorgplicht, met name de waarschuwingsplicht, heeft geschonden. De schade van [partij A] bestaat uit betaalde termijnen en restschuld, waarvoor een causaal verband met het onrechtmatig handelen van Dexia is vastgesteld.

Dexia heeft verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld, maar deze zijn afgewezen. De rechtbank wijst ook het verzoek van Dexia af om inzage te krijgen in vertrouwelijke documenten van [partij A]. De proceskosten worden aan Dexia opgelegd. De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding aan [partij A] wegens onrechtmatig handelen bij effectenleaseovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 11639767 \ CV EXPL 25-618
Vonnis van 25 november 2025
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.

1.Kern van de zaak

1.1.
[partij A] heeft via tussenpersoon Verzekerd Spaarplan Nederland te Enschede (hierna: VSN) een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van die overeenkomst(en) leende [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [partij A] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 2 april 2025 (tevens voorwaardelijk incident ex art. 195 Rv Pro.);
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie (tevens incidentele vordering ex art. 195 Rv Pro.);
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contractnummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[contractnummer 1]
19-08-1999
Capital Effect
2
[contractnummer 2]
19-08-1999
Capital Effect
3
[contractnummer 3]
19-08-1999
Capital Effect
4
[contractnummer 4]
19-08-1999
Capital Effect
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
1
19-08-2004
-€ 3.599,53
ja
2
19-08-2004
-€ 3.599,53
ja
3
12-10-2000
€ 4.326,32
nvt
4
14-08-2001
€ 3.088,69
nvt
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 21.740,92 aan maandtermijnen en een bedrag van € 7.199,06 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens dezelfde opgave heeft [partij A] € 4.288,04 aan dividenden ontvangen en € 3.810,22 aan fiscaal voordeel genoten. Op 18-01-2012 heeft Dexia een bedrag van € 6.625,32 aan [partij A] uitgekeerd.
3.4.
De gemachtigde van [partij A] , Leaseproces, heeft bij brief van 30 januari 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4. De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak, in conventie en in reconventie
4.1.
[partij A] vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
In het incident:
- voorwaardelijk, namelijk voor zover Dexia bij conclusie van antwoord niet in het geding brengt, Dexia te veroordelen om [partij A] afschriften te verstrekken van de aanvraagformulieren en de ondertekende overeenkomsten van de onderhavige effectenleaseovereenkomsten.
in de hoofdzaak:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A] en/of toerekenbaar is tekortgeschoten;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [partij A] van al datgene dat [partij A] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [partij A] , met rente;
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident:
- [partij A] zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend.
in de hoofdzaak:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst(en) met nummers [contractnummer 3], [contractnummer 4], [contractnummer 1] en [contractnummer 2] niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
  • [partij A] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal, voor zover nodig, hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en de verzoeken in de incidenten
Algemeen
5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:
  • er is sprake van huurkoop;
  • er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
  • Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
  • [partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
  • er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van [partij A] en de onrechtmatige daad van Dexia.
Verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen. Het specifieke beroep op verjaring ten aanzien van de overeenkomsten [contractnummer 3] en [contractnummer 4] gaat naar het oordeel van de kantonrechter evenmin op. Dexia heeft bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie op zich terecht gewezen op het feit dat de brief van 30 januari 2006 alleen de contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] vermelden. Dexia leidt daaruit af dat de vorderingen uit de andere twee overeenkomsten niet zijn gestuit en zijn verjaard door het meermaals verstreken zijn van de verjaringstermijn. De volmacht van [partij A] aan Leaseproces zou ook alleen zien op deze twee overeenkomsten, aldus Dexia. Bij conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie heeft [partij A] er echter op gewezen dat zij ook een brief in december 2004 heeft gestuurd, voor alle vier overeenkomsten, en zij heeft daarbij gesteld dat verdere stuiting ook rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. De kantonrechter is het daarmee eens in die zin dat van Dexia mocht worden verwacht te begrijpen dat de stuitingshandelingen van [partij A] na de brief van december 2004 zagen op alle overeenkomsten, ook in het geval in de standaard stuitingsbrieven of lijsten alleen de contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] werden vermeld. Daarbij wordt overwogen dat de stuiting is begonnen met de brief van december 2004, voor alle overeenkomsten, en [partij A] heeft er terecht op gewezen dat in de stuitingsbrieven, bijvoorbeeld in de als algemene productie overgelegde brief van 27 oktober 2016, wordt vermeld dat de stuitingsbrief “ook ziet op overeenkomsten die mogelijk (abusievelijk) niet op de bijgesloten lijst of op de door Dexia aan Leaseproces verstrekte lijsten vermeld zijn”.
Tussenpersoon
5.5.
[partij A] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Verzekerd Spaarplan Nederland (hierna: ‘VSN’). Tussen partijen is niet in geschil dat VSN niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
5.6.
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen.
5.7.
De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.8.
De stelplicht en bewijslast dat VSN [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat VSN [partij A] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
5.9.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.10.
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
Verzekerd Spaarplan Nederland was de verzekeringsagent van [partij A] .
Hij had via Verzekerd Spaarplan Nederland al zijn verzekeringen lopen. Eén keer per jaar ging [partij A] naar kantoor om deze verzekeringen door te nemen met een medewerker van Verzekerd Spaarplan Nederland, dhr. [naam] (hierna te noemen: ‘[naam]’). Zo ook in 1999.
Nadat alle verzekeringen van [partij A] met [naam] waren doorgenomen vertelde [naam] dat hij een product wist waarmee [partij A] vermogen kon opbouwen. Hier had [partij A] interesse in, nu het zijn wens was vermogen op te bouwen voor de toekomst. Volgens [naam] zou dit product geschikt zijn om dat doel te bereiken. [naam] adviseerde [partij A] om het Capital Effect product van Bank Labouchere af te sluiten. [partij A] diende hiervoor een krediet af te sluiten en deze aan te wenden voor de vooruitbetaling van het Capital Effect product. [naam] adviseerde [partij A] om een krediet, bij Nationale Nederlanden, af te sluiten van NLG 50.100,-. Hiermee zou een vooruitbetaling gedaan worden van NLG 48.000,-, welke gesplitst zou worden over vier Capital Effect overeenkomsten van NLG 12.000,-. Volgens [naam] zou [partij A] op deze wijze een aanzienlijk vermogen opbouwen. [partij A] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en heeft het advies van [naam] opgevolgd, nu [partij A] volledig afging op de deskundigheid van [naam]. De aanvraag voor de Capital Effect overeenkomsten en het krediet bij Nationale Nederlanden is door [naam] in orde gemaakt. Vervolgens ontving [partij A] de Capital Effect overeenkomsten per post ter ondertekening. De kredietovereenkomst die op advies van [naam] is afgesloten ter financiering van de voor uitbetalingen heeft [partij A] overgelegd als productie B. [naam] heeft [partij A] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met een lening (het krediet) de rentelasten voor een andere lening (de Capital Effect overeenkomsten) werden betaald en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, het krediet niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de Capital Effect overeenkomsten. Als [naam] [partij A] wel op deze risico’s had gewezen, dan had hij de overeenkomsten nooit afgesloten. Het opvolgen van het advies heeft voor [partij A] desastreus uitgepakt. In plaats van het voor gespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd, is [partij A] de betaalde inleg geheel kwijt geraakt voor twee van de vier overeenkomsten ([contractnummer 1] en [contractnummer 2]). Voor twee van de vier overeenkomsten, namelijk overeenkomsten [contractnummer 3] en [contractnummer 4], werd bij beëindiging een bedrag uitbetaald, maar dat was onvoldoende om de betaalde inleg mee te compenseren waardoor ook onder deze twee overeenkomsten inlegschade is ontstaan. Daarnaast heeft [partij A] een restschuld aan twee van de afgesloten Capital Effect overeenkomsten overgehouden ([contractnummer 1] en [contractnummer 2]) en kon [partij A] het krediet niet aflossen. [partij A] heeft de restschuld
betaald.
5.11.
[partij A] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van de overeenkomsten op naam van [partij A] met de contractnummers [contractnummer 3], [contractnummer 4], [contractnummer 1] en [contractnummer 2], voorzien van het adviseursnummer [nummer 1] VSN;
  • een kredietovereenkomst van 18 augustus 1999 tussen [partij A] enerzijds en Nationale Nederlanden anderzijds, met contractnummer [nummer 2], waarbij een krediet van maximaal NLG 50.100,00 is verleend aan [partij A] ; het contract is tot stand gekomen door bemiddeling van VSN;
  • een uitdraai van de website van VSN van destijds, waarop onder meer staat dat VSN reeds jaren actief is als adviseur en bemiddelaar ten behoeve van particulieren voor tal van diensten op financieel en fiscaal gebied en dat de informatie op de website voornamelijk gaat over effectenlease; verder wordt het concept effectenlease uitgelegd onder andere aan de hand van een rekenvoorbeeld/prognose;
  • een kopie van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van VSN met als beschrijving van de werkzaamheden ‘bemiddeling in assurantiën, financieringen, hypotheken, onroerend goed etc.’;
Aanhoudingsverzoek
5.12.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.13.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(Nieuwe) argumenten Dexia
5.14.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat (de gemachtigde van de afnemer) Leaseproces ten onrechte op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust; en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.15.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [partij A] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de medewerker van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [partij A] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [partij A] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [partij A] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [partij A] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en de medewerker van VSN, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [partij A] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
5.16.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van VSN aan [partij A] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [partij A] voor rekening van Dexia.
Aansprakelijkheid Dexia
5.17.
Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [5] Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Vorderingen van [partij A]
5.18.
De door [partij A] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat VSN [partij A] niet alleen als klant aanbracht maar [partij A] tevens persoonlijk had geadviseerd en VSN geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen.
Schade
5.19.
De als gevolg hiervan door [partij A] geleden schade is door partijen besproken in de processtukken. [partij A] heeft de schade berekend op € 8.627,34 en Dexia heeft deze berekening qua posten als fiscaal voordeel op zich niet betwist. Wel heeft zij bij conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie verwezen naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waaruit blijkt dat bij de berekening van het batig saldo tevens rekening dient te worden gehouden met eventuele fiscale voordelen die voortvloeien uit andere effectenleaseovereenkomsten. Volgens Dexia is daarmee op overeenkomst 1 een batig saldo behaald van € 1.225,76; de vordering zou daarmee moeten worden verminderd. [partij A] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter wijst deze post als onvoldoende onderbouwd af. Dexia heeft niet toegelicht hoe zij aan dit bedrag is gekomen en wat de precieze herkomst daarvan is en de kantonrechter kan het bedrag niet eenvoudig uit de financiële gegevens van Dexia destilleren. Dit bedrag strekt dus niet in mindering op het bedrag van € 8.627,34. De kantonrechter wijst er op dat [partij A] in de processtukken een bedrag van € 4.799,37 noemt als 2/3-e vergoeding voor de restschuld terwijl Dexia het heeft over een bedrag van € 6.625,32. De kantonrechter gaat er van uit dat het verschil reeds betaalde wettelijke rente is zodat hiermee rekening moet worden gehouden met het berekenen van de nog verschuldigde wettelijke rente. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 en Hoge Raad 3 februari 2017. [6] Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [7]
5.20.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Incidentele/voorwaardelijke vordering van [partij A]
5.21.
[partij A] vordert Dexia te veroordelen de aanvraagformulieren en haar versie van de ondertekende overeenkomsten] te verstrekken, als Dexia deze stukken niet bij conclusie van antwoord inbrengt. Alhoewel Dexia deze stukken niet heeft overgelegd, zal de vordering van [partij A] worden afgewezen. Uit het voorgaande volgt namelijk dat [partij A] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij de stukken in deze procedure.
De proceskosten in dit incident zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Incidentele vordering van Dexia
5.22.
Dexia vordert dat [partij A] wordt veroordeeld een afschrift van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure feitelijke stellingen zijn ontleend, aan Dexia te verstrekken.
5.23.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.24.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden tot op heden begroot op € 82,00.
Vorderingen van Dexia
5.25.
Gelet op de beoordeling in conventie, zullen de vorderingen van Dexia worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.26.
Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij A] gevallen.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 542,00 (2 punten x tarief € 271,00)
- nakosten
€ 100,00
Totaal € 1.518,47
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het voorwaardelijke incident van [partij A]
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in het incident van Dexia
6.3.
wijst de vordering af;
6.4.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op
€ 82,00;
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat VSN [partij A] niet alleen als klant aanbracht, maar [partij A] ook persoonlijk had geadviseerd en VSN geen vergunning daarvoor bezat;
6.6.
verklaart voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
6.7.
veroordeelt Dexia om aan [partij A] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.19;
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1.518,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.12.
wijst de vorderingen af;
6.13.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:20 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:HR:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:845 en gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
6.ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.