ECLI:NL:RBOVE:2026:4339

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
18 juli 2026
Zaaknummer
11991520 \ CV EXPL 25-3511
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 3:69 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige handelwijze Dexia bij effectenleaseovereenkomst leidt tot volledige schadevergoeding

In deze zaak vordert [partij A] vergoeding van schade geleden door effectenleaseovereenkomsten die haar rechtsvoorganger met Dexia is aangegaan. De erflater van [partij A] sloot via Spaar Select, een niet-vergunde tussenpersoon, drie 10=20 Effect overeenkomsten met Dexia. Na beëindiging van de overeenkomsten ontstond een restschuld die in 2012 door Dexia werd kwijtgescholden.

[partij A] stelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomsten te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select zonder vergunning persoonlijk had geadviseerd. Dexia voert verweer, onder meer over ontvankelijkheid, verjaring en het ontbreken van concrete wetenschap van advisering.

De kantonrechter volgt de jurisprudentie en oordeelt dat Dexia haar zorgplicht, waaronder de waarschuwingsplicht, heeft geschonden. Dexia had moeten weten dat Spaar Select vergunningplichtige advisering gaf. De schade van €18.378,90 wordt volledig aan Dexia toegerekend. Het verzoek van Dexia om inzage in intakeformulieren wordt afgewezen. Dexia wordt veroordeeld tot betaling van de schade, wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding van €18.378,90 plus wettelijke rente en proceskosten wegens onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11991520 \ CV EXPL 25-3511
Vonnis van 7 juli 2026
in de zaak van

1.[partij A1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2.
[partij A2],
wonende te [woonplaats 2] ,
handelende voor zichzelf en ten behoeve van de gemeenschap in hoedanigheid van de erfgenaam van [erflater] ,
eisende partijen in conventie,
gedaagde partijen in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna samen te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.

1.Kern van de zaak

1.1
[partij A] heeft via Spaar Select een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van die overeenkomst(en) leende de erflater van [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. De erflater van [partij A] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest de erflater van [partij A] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 november 2025,
- de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie met een incidenteel verzoek;
- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie en en in het incident;
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in voorwaardelijke reconventie;
- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1
De erflater van [partij A] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van) Dexia:
Contractnummer
Datum
Naam overeenkomst
1
[contractnummer 1]
05-07-2001
10 = 20 Effect
2
[contractnummer 2]
05-07-2001
10 = 20 Effect
3
[contractnummer 3]
16-07-2001
10 = 20 Effect
3.2
Nadat deze overeenkomsten tussentijds zijn beëindigd, heeft Dexia een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Kwijtgescholden
1
22-11-2012
-€ 440,17
Ja
2
22-11-2012
-€ 440,17
Ja
3
22-11-2012
-€ 440,17
Ja
3.3
Volgens het financieel overzicht van Dexia heeft de erflater van [partij A] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 18.378,90 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens hetzelfde overzicht heeft [partij A] geen dividenden ontvangen en ook geen aan fiscaal voordeel genoten. Bij brief van 17 november 2012 heeft Dexia aan de rechtsvoorganger van [partij A] bevestigd dat de restschuld is kwijtgescholden.
3.4
De gemachtigde van [partij A] , Leaseproces, heeft bij brief van 2 oktober 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. In de brief wordt ook het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4 De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident in conventie en in reconventie
4.1
[partij A] vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens de rechtsvoorganger van [partij A] en/of toerekenbaar is tekortgeschoten;
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia jegens de rechtsvoorganger van [partij A] en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [partij A] van al datgene dat [partij A] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [partij A] , met rente;
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2
Dexia voert verweer tegen en concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] . Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een voorwaardelijke tegenvordering, waarbij Dexia (samengevat) vordert dan wel verzoekt dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident:
- [partij A] zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend.
in de hoofdzaak:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [contractnummer 1] , [contractnummer 2] en [contractnummer 3] niets meer aan [partij A] is verschuldigd;
  • [partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.
4.3
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing van de kantonrechter, nader worden ingegaan.
5 De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
Algemeen5.1 Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A]
5.2
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.
5.3
Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:
  • er is sprake van huurkoop;
  • er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden, evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
  • Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
  • [partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
  • er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van [partij A] en de onrechtmatige daad van Dexia.
Ontvankelijkheid
5.4
Het verweer van Dexia, dat [partij A] niet ontvankelijk is en een eventuele vordering inmiddels is verjaard, wordt niet gevolgd. Dexia betwist allereerst dat [partij A] een vordering kan instellen ten behoeve van de gemeenschap in de hoedanigheid waarin zij in deze procedure is verschenen. Volgens Dexia zegt de overgelegde overlijdensakte niets over de nalatenschap van [partij A2] , laat staan wie eventueel erfgenaam is en al dan niet bevoegd is om ten behoeve van de gemeenschap te procederen. [partij A] heeft onder meer gewezen op de overlijdensakte en op de Inlichting uit het Centraal Testamentenregister. Uit de Inlichting blijkt kort gezegd dat in het register geen testament van Y is geregistreerd. Volgens [partij A] is de wettelijke verdeling van toepassing en dat brengt mee dat de echtgenote van erflater van rechtswege de goederen verkrijgt van de nalatenschap, waaronder het vorderingsrecht op Dexia. De kinderen van erflater verkrijgen slechts een niet-opeisbare geldvordering op de langstlevende echtgenote voor hun erfdeel, aldus [partij A] De kantonrechter overweegt dat het aan [partij A] is om aan te tonen dat zij erfgename is. In beginsel dient zij een verklaring van erfrecht in het geding te brengen waaruit dat blijkt. Onder de gegeven omstandigheden (geen testament geregistreerd en [partij A] was ten tijde van het overlijden van [erflater] met hem gehuwd) is het echter niet redelijk om dat nu nog van [partij A] te vragen (met de daaraan verbonden kosten), omdat de kantonrechter de kans dat zij in gevallen als deze op grond van een niet-geregistreerd testament geen erfgename is zo bijzonder klein acht, dat het belang van Dexia, om in dit stadium nog een verklaring van erfrecht te verlangen, waaruit mogelijk anders zou blijken, daar niet tegen opweegt.
De kantonrechter neemt daarom in rechte aan dat [partij A] erfgename is van [erflater] en de vordering kan instellen namens de gemeenschap.
Verjaring
5.5
Het verjaringsverweer van Dexia ziet allereerst op het al dan niet rechtsgeldig gestuit zijn van de vorderingen door Leaseproces namens [partij A] dan wel [erflater] . Volgens Dexia is gelet op het overlijden van [erflater] (en het daardoor eindigen van de volmacht) de stuiting in 2021 niet namens [erflater] verricht en gelet op het feit dat [partij A] pas in 2025 een volmacht aan Leaseproces heeft verleend, ook niet namens [partij A] De vordering is daarom in 2022 verjaard, aldus Dexia. [partij A] heeft dat gemotiveerd betwist en er onder meer op gewezen dat zij in sinds augustus 2017 al volmacht heeft gegeven aan Leaseproces, dat zij in 2021 al met Dexia heeft gecorrespondeerd als wederpartij van Dexia en dat zij met de brief aan Dexia (productie B bij dagvaarding) voor zover nog noodzakelijk, door Leaseproces verrichte stuitingshandelingen in 2021, 2024 en 2025 bekrachtigt en bevestigt. Naar het oordeel van de kantonrechter gaat in elk geval het beroep op bekrachtiging op, met als gevolg dat de verjaring tijdig is gestuit. Lid 1 van art. 3:69 BW Pro geeft de volmachtgever, waaronder ook moet worden verstaan zijn of haar rechtsopvolger(s), de mogelijkheid om met terugwerkende kracht alsnog een rechtshandeling te bekrachtigen. Dat is met de brief, overgelegd als productie B bij dagvaarding gebeurd, terwijl Dexia niet al vóór de bekrachtiging te kennen heeft gegeven dat zij de stuitingshandeling wegens het ontbreken van een ontoereikende volmacht als ongeldig beschouwt.
Verder zijn in de jurisprudentie bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de overige stellingen en verweren van partijen die zien op verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
Tussenpersoon
5.6
[partij A] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select. Tussen partijen is niet in geschil dat Spaar Select niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.
5.7
Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het toenmalig geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021, [4] dat heeft geleid tot de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019, [5] toegelicht dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is in deze zaak geen reden om anders te oordelen.
5.8
De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.9
De stelplicht en bewijslast dat Spaar Select [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat Spaar Select [partij A] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op het product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
5.1
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.11
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

In deze zaak gaat het om contractant die – op advies van een financieel adviseur van Spaar Select – drie 10 = 20 Effect overeenkomsten Bank Labouchere heeft afgesloten. [partij A1] heeft tevens een Allround Effect overeenkomst van Bank Labouchere afgesloten. Deze overeenkomst is reeds via vaststellingsovereenkomst afgewikkeld en is derhalve niet in het geding. Voor de volledigheid van de feitelijke gang van zaken zal de Allround Sparen overeenkomst besproken worden.
Contractant werd door Spaar Select telefonisch benaderd. De medewerker van Spaar Select stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van contractant door te nemen met een financieel adviseur van Spaar Select. Contractant heeft hiermee ingestemd. De echtgenote van [partij A2] was ook bij dit gesprek aanwezig. Na het gesprek heeft [adviseur] , de heer [adviseur] (hierna te noemen: ‘adviseur’), een visitekaartje achtergelaten (productie D).
Tijdens het gesprek heeft [adviseur] van Spaar Select geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van contractant en [partij A1] . Zo is met [adviseur] gesproken over het inkomen, het spaargeld en de gezinssituatie van contractant. Ook heeft [partij A1] met [adviseur] besproken dat zij recent een boek heeft uitgegeven en een deel van de opbrengst beschikbaar had. Daarnaast is met [adviseur] gesproken over de wensen van contractant en [partij A1] om een bedrag te sparen voor de toekomst ten behoeve van bijvoorbeeld het aanvullen van het pensioen of de studie van de kinderen. [adviseur] gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist.
[adviseur] adviseerde contractant om drie 10 = 20 Effect producten van Bank Labouchere met elk een inleg van NLG 100,- per maand af te sluiten. Contractant diende hiervoor zijn maandsalaris te gebruiken. Tevens adviseerde [adviseur] [partij A1] om een Allround Effect met een vooruitbetaling af te sluiten. [adviseur] adviseerde aan [partij A1] om de opbrengst van haar boek aan te wenden voor de vooruitbetaling van een Allround Effect. Volgens [adviseur] zou contractant op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor contractant zijn doelstelling kon behalen. [adviseur] ondersteunde zijn verhaal met grafieken met mooie resultaten. [partij A1] kan deze rekenvoorbeelden niet meer achterhalen, waardoor zij deze niet in de procedure kan overleggen.
[adviseur] heeft contractant niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als contractant op deze risico’s gewezen was had hij de 10 = 20 Effect producten nooit afgesloten.
Contractant had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van [adviseur] en zijn advies. Om deze reden heeft contractant het advies van [adviseur] opgevolgd en drie 10 = 20 Effect overeenkomsten met elk een inleg van NLG 100,- per maand afgesloten. Tevens heeft [partij A1] het advies van [adviseur] opgevolgd en een Allround Effect overeenkomst met een vooruitbetaling ter hoogte NLG 12.000,52. Deze overeenkomst wordt overgelegd als Productie E. De aanvraag voor het 10 = 20 Effect is door [adviseur] in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend.
Het opvolgen van het advies heeft voor contractant desastreus uitgepakt. In plaats van het voorgespiegelde vermogen dat zou worden opgebouwd, is contractant de betaalde inleg geheel kwijtgeraakt. Daarnaast heeft contractant een restschuld aan de overeenkomst overgehouden. Deze restschuld is in 2012 kwijtgescholden.
5.12
[partij A] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van de aanvraagformulieren die hebben geleid tot de overeenkomsten waarop het product is aangekruist en welk formulier ook door de adviseur Spaar Select is ondertekend met diens ATP-nummer [ATP-nummer] ;
  • een kopie van de overeenkomsten op naam van de rechtsvoorganger van [partij A] voorzien van het adviseursnummer van Spaar Select;
  • een uitdraai van het voorblad van een document van Spaar Select met de titel “Privé Pensioen”, waarop Spaar Select met het telefoonnummer van [adviseur] staat genoteerd.
Aanhoudingsverzoek
5.13
Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.14
Het verzoek van Dexia behoeft geen verdere bespreking, nu de Hoge Raad op 19 juni 2026 op de betreffende cassatieverzoeken heeft beslist. [6]
(Nieuwe) argumenten Dexia
5.15
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat (de gemachtigde van [partij A] ) Leaseproces ten onrechte op haar woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust; en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.16
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [partij A] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de medewerker van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [7] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [partij A] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [partij A] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [partij A] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [partij A] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en de medewerker van Spaar Select, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [partij A] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
5.17
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan [partij A] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Zij was er door haar nauwe samenwerking met Spaar Select bij de verkoop van haar producten namelijk mee bekend dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Dit is een voldoende onderbouwing van de stelling van [partij A] dat Dexia ook in haar geval bekend behoorde te zijn met de advisering van hem/haar door Spaar Select. Dexia heeft hiertegenover slechts gesteld dat zij niet kan weten hoe het in dit concrete geval is gegaan. Deze betwisting door Dexia is onvoldoende om de conclusie dat zij dit wel had behoren te weten te ondergraven. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [partij A] voor rekening van Dexia.
Aansprakelijkheid Dexia
5.18
Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [8] Er kunnen situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Vorderingen van [partij A]
5.19
De door [partij A] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat [adviseur] niet alleen als klant aanbracht maar [partij A] tevens persoonlijk had geadviseerd en Spaar Select geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen.
Schade
5.2
De als gevolg hiervan door [partij A] geleden schade is door partijen besproken in de processtukken. [partij A] heeft de schade berekend op € 18.378,90 en Dexia heeft deze berekening niet betwist. Dit bedrag is toewijsbaar. De wettelijke rente is verschuldigd over het door te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 en Hoge Raad 3 februari 2017. [9]
5.21
[partij A] heeft een vordering ingesteld tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit zal worden afgewezen aangezien niet gebleken is dat er in dit geval meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan de werkzaamheden genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [10]
5.22
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
Incidentele vordering/ verzoek van Dexia
5.23
Dexia vordert/verzoekt dat [partij A] wordt veroordeeld een afschrift van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure feitelijke stellingen zijn ontleend, aan Dexia te verstrekken.
5.24
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.25
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden tot op heden begroot op € 82,00.
Vorderingen van Dexia
5.26
Gelet op de beoordeling in conventie, zullen de vorderingen van Dexia worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.27
Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij A] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 100,00(plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.552,47
5.28
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1
wijst de vordering af;
6.2
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op
€ 82,00;
in conventie
6.3
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat [adviseur] [partij A] niet alleen als klant aanbracht, maar [partij A] ook persoonlijk had geadviseerd en Spaar Select geen vergunning daarvoor bezat;
6.4
verklaart voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;
6.5
veroordeelt Dexia om aan [partij A] te betalen de schade van € 18.378,90, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.20;
6.6
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1.552,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.7
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.8
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.9
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.1
wijst de vordering af;
6.11
veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:20 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
7.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:845 en gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
8.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
9.ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.