ECLI:NL:RBROT:2022:3196
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen sluiting bedrijfspand op grond van artikel 13b Opiumwet wegens onevenredigheid
Eiseres, eigenaar van een bedrijfspand dat werd verhuurd aan een metaalbewerkingsbedrijf, werd geconfronteerd met een sluitingsbesluit van zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs en productieattributen. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank vast dat de noodzaak tot sluiting aanwezig was, maar verminderd vanwege een tijdsverloop van bijna vijf maanden tussen constatering en sluiting en eerdere feitelijke sluiting door de politie.
De rechtbank oordeelde dat de sluiting evenredig moet zijn en dat de onverkorte toepassing van de beleidsregel in dit geval leidde tot onevenredige gevolgen. Eiseres werd verweten onvoldoende toezicht te hebben gehouden op het pand, wat zij niet aannemelijk kon weerleggen. De rechtbank matigde de sluiting tot drie maanden en kende een schadevergoeding toe voor drie maanden gederfde huurinkomsten, maar wees vergoeding van gevolgschade aan een sportschool af vanwege het ontbreken van causaliteit.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige belangenafweging en evenredigheid bij bestuursdwangmaatregelen op grond van de Opiumwet.
Uitkomst: De rechtbank matigt de sluiting van het bedrijfspand tot drie maanden en kent een schadevergoeding toe voor drie maanden gederfde huurinkomsten.