ECLI:NL:RBROT:2026:8756

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/5395
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WavArt. 15 WavArt. 6 EVRMArt. 8:72 AwbArt. 19a Wav
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging bestuurlijke boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen en overschrijding redelijke termijn

Eiseres, een schoonmaakbedrijf uit Bergschenhoek, kreeg een boete opgelegd wegens vier overtredingen van artikel 2, eerste lid, en vier overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De overtredingen betroffen het laten werken van vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunningen en het niet verstrekken van afschriften van identiteitsdocumenten aan opdrachtgevers.

De minister legde aanvankelijk een boete van €27.000,- op, die na bezwaar werd gematigd tot €24.300,-. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat de verwijtbaarheid niet als grove schuld kon worden aangemerkt en dat de boete te hoog was. Tevens werd matiging gevraagd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank oordeelde dat eiseres ernstig nalatig had gehandeld door onvoldoende controle van documenten, waardoor sprake was van grove schuld. Wel matigde de rechtbank de boete met 25% voor de overtredingen van artikel 2 Wav Pro vanwege normale verwijtbaarheid, en verder met 15% vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De boete werd vastgesteld op €17.600,-. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De boete wordt gematigd tot €17.600,- vanwege verwijtbaarheid en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5395

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. O. Diels),
en

de minister [naam verweerder]

(gemachtigden: mr. B. Bekink en mr. J.E. Tichelaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een besluit van de minister waarbij een boete aan eiseres is opgelegd wegens overtredingen van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en matigt de boete. Eveneens wordt de boete gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt de boete vast op een bedrag van € 17.600,-.

Procesverloop

2. Met een besluit van 20 april 2023 (het primaire besluit) heeft de minister aan eiseres een boete opgelegd van € 27.000,-. Tevens heeft de minister besloten de inspectiegegevens en de opgelegde boete openbaar te maken.
2.1.
Met een besluit van 3 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het boetebedrag gematigd tot een bedrag van € 24.300,-. Voor aanpassing van de openbaar gemaakte inspectiegegevens bestond geen aanleiding.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister .

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is een onderneming in Bergschenhoek die schoonmaakwerkzaamheden verricht. De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft een melding gekregen over mogelijke illegale tewerkstelling van personen bij eiseres. Na aanvullend onderzoek op basis van een selectie van tien personen, bleek voor vier van de geselecteerde personen geen tewerkstellingsvergunning te zijn aangevraagd terwijl eiseres wel een inkomstenverhouding had met deze personen. De inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie (de inspecteurs) zijn op 5 januari 2022 bij eiseres geweest om een administratief onderzoek in te stellen. De inspecteurs hebben gesproken met de directeur van eiseres en hebben de directeur gevorderd om de zakelijke gegevens en bescheiden te verstrekken van de vier personen. De directeur heeft de gevorderde gegevens verstrekt op 7 januari 2022. Uit de gegevens is gebleken dat de personen in totaal bij tien opdrachtgevers arbeid hebben verricht. De inspecteurs hebben deze opdrachtgevers ook bezocht en gesproken met hun vertegenwoordigers.
3.1.
Uit het onderzoek van de inspecteurs bleek dat de personen zijn aan te merken als vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. Zij waren niet gerechtigd tot het verrichten van arbeid zonder dat eiseres voor hen beschikte over tewerkstellingsvergunningen of zonder dat zij in het bezit waren van een gecombineerde vergunning voor arbeid bij eiseres. De inspecteurs hebben vastgesteld dat noch de personen noch eiseres beschikten over één van deze vergunningen, zodat sprake was van vier overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Deze bevindingen zijn vastgelegd in een boeterapport. Ook is gebleken dat eiseres niet had gezorgd dat de opdrachtgevers een afschrift van de geldige identiteitsdocumenten van de personen hebben ontvangen. De inspecteurs constateerden daarom vier overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav. Ook deze bevindingen zijn vastgelegd in een boeterapport.
3.2.
Op 3 april 2023 heeft de minister het voornemen kenbaar gemaakt om een boete op te leggen en om de inspectiegegevens en de op te leggen boete openbaar te maken. De minister heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid heeft eiseres geen gebruik gemaakt.
3.3.
Met het primaire besluit heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 24.000,- vanwege vier overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav (€ 8.000,- per overtreding maal 75% is € 6.000 per overtreding). Daarnaast is een boete van € 3.000,- opgelegd voor vier overtredingen van artikel 15, eerste lid van de Wav (€ 1.500,- per overtreding maal 50% is € 750,- per overtreding). Het totale boetebedrag komt daarmee op € 27.000,- (conform de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020 en de daarbij behorende Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete van de Wav). Eveneens is besloten de inspectiegegevens en opgelegde boete openbaar te maken.
3.4.
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft. De minister heeft de boete gematigd met 5% omdat er tussen het boeterapport en de boetekennisgeving meer dan een half jaar is verstreken. De minister heeft de boete verder gematigd met 5% vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het boetebedrag is vastgesteld op € 24.300,-. Voor aanpassing van de openbaar gemaakte gegevens is geen aanleiding.

Wettelijk kader

4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden een boete van € 24.300,- aan eiseres heeft opgelegd wegens vier overtredingen van artikel 2, eerste lid, en vier overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres
.
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav en van artikel 15, eerste lid, van de Wav heeft begaan. De rechtbank beoordeelt daarom de vaststelling van de overtredingen niet.
5.2.
Met het bestreden besluit heeft de minister ook beslist dat er geen aanleiding bestaat voor aanpassing van de openbaar gemaakte inspectiegegevens en de opgelegde boete. Eiseres heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt daarom de rechtmatigheid van de openbaarmaking niet.
Verwijtbaarheid van de overtredingen
6. Eiseres voert aan dat de minister in het kader van de verwijtbaarheid ten onrechte is uitgegaan van grove schuld en 75% van het boetenormbedrag van € 8.000,- als uitgangspunt heeft genomen voor de overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav. De minister had moeten uitgaan van normale verwijtbaarheid en een boete van 50% van het boetenormbedrag van € 8.000,- per overtreding (€ 4.000,- per overtreding) moeten opleggen. [1] De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van ‘aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid’. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de overtredingen enkel zijn begaan door één werknemer die een fout heeft gemaakt bij het controleren van de identiteitsgegevens van de personen. De personen waren in het bezit van een verblijfsdocument van landen die lid zijn van de Europese Unie. De werknemer heeft daarbij de fout gemaakt om aan te nemen dat de nationaliteit van de personen die van de desbetreffende lidstaat (Spanje en Italië) was. Dit past beter bij de normale verwijtbaarheid, aldus eiseres. Eiseres voert verder aan dat de overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav voortvloeien uit de vergissing die de werknemer heeft gemaakt. Omdat eiseres ervan is uitgegaan dat de personen een Spaanse en Italiaanse nationaliteit hadden, is ook geen document opgestuurd aan de opdrachtgevers. Om die reden kan volgens eiseres haar geen verwijt gemaakt kan worden van deze overtredingen.
6.1.
Door de minister is verwezen naar de Beleidsregel Wet arbeid vreemdelingen 2020, waarin de minister de boetebedragen voor de overtredingen heeft vastgesteld. Het boetenormbedrag voor overtreding van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wav door een ‘overige rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde’ is € 8.000,-. In het geval van eiseres is sprake van grove schuld en is de boetehoogte op 75% van het boetenormbedrag vastgesteld voor deze overtredingen. Het boetenormbedrag voor overtreding van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Wav is € 1.500,-. In het geval van eiseres is sprake van normale verwijtbaarheid en is de boetehoogte 50% van het boetenormbedrag voor deze overtredingen. Nu sprake is van vier overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav en vier overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav, met een matiging van in totaal 10%, leidt dat tot een boete van € 24.300,-. De minister vindt dat deze boete past bij de ernst van de overtredingen en de mate van verwijtbaarheid.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [2] volgt dat bij overtreding van de Wav in beginsel mag worden uitgegaan van normale verwijtbaarheid (50% van het boetenormbedrag). Dat de Wav als zodanig bekend wordt verondersteld en dat deze is overtreden, brengt nog niet met zich dat de werkgever in kwestie de overtreding opzettelijk heeft begaan of daaraan grove schuld heeft. Afwijking naar beneden van genoemde 50% van het boetenormbedrag is aangewezen als sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de werkgever. Onder verminderde verwijtbaarheid worden verstaan situaties waarin het de werkgever niet volledig valt aan te rekenen dat hij de Wav heeft overtreden. Afwijking naar boven van het percentage van 50% is gerechtvaardigd bij opzet of grove schuld bij de werkgever. Grove schuld is aan de orde wanneer de mate van verwijtbaarheid hoger ligt dan de normale verwijtbaarheid, maar er geen sprake is van opzet. Bijvoorbeeld in het geval van een ernstige, aan opzet grenzende, mate van verwijtbaarheid. Het gaat dan om ernstige nalatigheid, ernstige onzorgvuldigheid of ernstige onachtzaamheid met als gevolg dat de Wav niet of niet behoorlijk is nageleefd. Van grove schuld kan ook sprake zijn wanneer er omstandigheden zijn die elk op zichzelf normale verwijtbaarheid opleveren, maar in onderlinge samenhang bezien wel leiden tot grove schuld. Het is aan de minister om aan te tonen dat de werkgever met opzet of grove schuld heeft gehandeld.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende te controleren of de betrokkenen in Nederland mochten werken. Zoals volgt uit rechtspraak van de Afdeling, is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever om bij het begin van het werk na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. [3] Vast staat dat eiseres betrokkenen heeft laten werken zonder dat zij over de vereiste tewerkstellingsvergunningen beschikte. Dat een werknemer van eiseres – die verantwoordelijk was voor het controleren van de identificatiedocumenten van de personen – de verblijfsdocumenten van de personen heeft aangezien voor identificatiedocumenten uit lidstaten van de Europese Unie, komt voor risico van eiseres. In plaats van de identiteitsdocumenten te controleren is er voor gekozen om de verblijfsdocumenten uit een andere lidstaat te controleren. Hierbij wordt voorop gesteld dat een verblijfsdocument uit een andere lidstaat geen identiteitsdocument is in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Daarnaast had, nu weliswaar niet de identiteitsdocumenten zijn gecontroleerd, ook uit de verblijfsdocumenten afgeleid kunnen worden dat de vier personen dienden te beschikken over een tewerkstellingsvergunning. Immers op de verblijfsdocumenten staan de nationaliteiten van de personen vermeld. Hieruit had de medewerker kunnen of moeten opmaken dat de personen niet afkomstig zijn uit de Europese Unie. Nu de documenten niet nauwkeurig zijn gecontroleerd is sprake van ernstig nalatig handelen. Hier komt bij dat eiseres een gecertificeerd bedrijf is die op grote schaal personeel werkzaamheden laat verrichten bij opdrachtgevers. Juist van een gecertificeerd bedrijf mag worden verwacht dat zij haar bedrijfsvoering inricht op naleving van de Wav. De omstandigheid dat sprake is van samenhang tussen de overtredingen van artikel 2, eerste lid en artikel 15, eerste lid, van de Wav maakt ook niet dat de verwijtbaarheid voor de overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav ontbreekt. Hiervoor geldt dat de cumulatie van verschillende overtredingen van artikel 2, eerste lid, en van artikel 15, eerste van de Wav rechtstreeks volgt uit de cumulatiebepaling in artikel 19a, tweede lid, van de Wav. Het uitgangspunt van dit artikellid is dat de overtredingen gelden ten opzichte van elk persoon ten aanzien van wie een overtreding is begaan. Eiseres heeft acht op zichzelf staande overtredingen begaan, die elk afzonderlijk beboetbaar zijn.
Matiging van de boetes?
7. Ten aanzien van de matiging voert eiseres aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat eiseres een gecertificeerd bedrijf is. Het is voor eiseres onnavolgbaar dat dit juist als boeteverhogende factor is aangemerkt. Eiseres voert aan dat zij maatregelen heeft getroffen om de kans op een menselijke fout verder te verkleinen. De vergissing van de medewerker is intern uitgebreid besproken en het inwerkschema is uitgebreid met deze casus.
7.1.
Op de zitting heeft de minister meegedeeld dat de door eiseres in beroep aangeleverde stukken voor hem aanleiding zijn om de boetes voor de overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav te matigen met 25%. Daarmee komt de boete voor artikel 2, eerste lid, van de Wav op 50% van het boetenormbedrag, te weten 4 maal € 4.000,- per overtreding, in totaal € 16.000,-. Uit de door eiseres overgelegde stukken volgt dat alle personen zijn verantwoord in de administratie van eiseres en dat de personen zijn verloond conform de wettelijke regels. Op grond van Bijlage II van de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020 wordt het boetenormbedrag in dat geval met 25% gematigd. In zoverre is het beroep gegrond en de rechtbank zal de boete met betrekking tot de overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav met 25% matigen.
7.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor verdere matiging. De minister heeft, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende gemotiveerd toegelicht dat het feit dat eiseres een gecertificeerd bedrijf is, geen matigingsgrond is, maar een verzwarende omstandigheid in het kader van de verwijtbaarheid. [4] Zoals volgt uit rechtspraak van de Afdeling mag van een gecertificeerd bedrijf juist worden verwacht dat zij bekend is met de Wav en dat zij haar bedrijfsvoering erop heeft ingericht om overtredingen van de Wav te voorkomen. Eiseres heeft als schoonmaakbedrijf die personen elders tewerkstelt een grote verantwoordelijkheid om de identiteitsdocumenten van deze personen goed te controleren. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
7.3.
Verder heeft de minister erop gewezen dat een opgelegde bestuurlijke boete kan worden gematigd indien sprake is van adequate maatregelen die direct na de controle van de Nederlandse Arbeidsinspectie (vóór de kennisgeving) zijn genomen om nieuwe overtredingen te voorkomen. De bedrijfsvoering moet op een zodanige wijze zijn ingericht dat een soortgelijke overtreding zich niet kan voordoen. Ook inspanningen van na de overtreding kunnen van betekenis zijn voor beoordeling of de opgelegde boetes in het kader van de bredere evenredigheidstoets passend en geboden zijn. [5] De minister heeft zich, naar het oordeel van de rechtbank, terecht op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij adequate maatregelen heeft getroffen om in de toekomst nieuwe overtredingen te voorkomen. Eiseres heeft enkel een factuur overgelegd uit 2024 van een softwareleverancier die ook ten tijde van de overtredingen werden gebruikt. Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat de factuur na de werkzaamheden is verzonden, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de factuur ziet op een software update van vóór de boetekennisgeving van 3 april 2022. Dat andere adequate maatregelen zijn genomen door eiseres is de rechtbank niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om de boete nog verder te matigen.
Overschrijding redelijke termijn
8. Eiseres verzoekt om matiging van de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van Pro het EVRM. [6]
8.1.
In punitieve zaken – zoals deze – geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel is overschreden als die procedure langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. De bestuurlijke fase mag een jaar duren en de beroepsfase ook een jaar. [7] De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Dat was op 3 maart 2023, de datum van de boetekennisgeving.
8.2.
Gerekend vanaf deze datum tot en met de datum van deze uitspraak heeft de procedure afgerond drie jaar en vier maanden geduurd. Van bijzondere omstandigheden die in dit geval een kortere of een langere behandelingsduur rechtvaardigen is niet gebleken. De rechtbank concludeert daarom dat de redelijke termijn met meer dan een jaar, maar minder dan anderhalf jaar, is verstreken en dat de boete om die reden moet worden gematigd. Uit rechtspraak volgt dat in geval van een overschrijding van meer dan zes maanden, maar niet meer dan twaalf maanden, de boete wordt verminderd met 10% met een maximum van € 2.500,-. Indien de redelijke termijn met meer dan een jaar is overschreden, handelt de rechtbank voor de matiging van de boete naar bevind van zaken. [8] In principe wordt voor ieder half jaar of een gedeelte daarvan dat de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden de boete met 5% verlaagd. [9] De rechtbank sluit hierbij aan en acht het in dit geval passend en geboden om de totale boete te matigen met 15%. Dit betekent dat de boete wordt vastgesteld op € 17.600,- ((4 x € 4.000,- plus 4 x € 1.500,-) minus 20% (15% matiging vanwege overschrijding van de redelijke termijn en 5% omdat er tussen het boeterapport en de boetekennisgeving meer dan een half jaar is verstreken)).

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht dat de boete wordt vastgesteld op € 17.600,-.
10. Ter zitting is besproken dat de minister , ondanks dat de boete op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wav, naar aanleiding van de in beroep ingebrachte stukken met 25% is gematigd, bereid is de proceskosten van eiseres te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook zal de rechtbank de minister veroordelen in de proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft in bezwaar elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.534,-.
11. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten voor het verzoek om matiging van de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Omdat de rechtbank binnen een jaar na ontvangst van het beroepschrift uitspraak heeft gedaan is de overschrijding volledig toe te rekenen aan de minister . De minister moet daarom deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5). De wegingsfactor bedraagt 0,5 omdat alleen een proceskostenvergoeding wordt toegekend in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 3 juni 2025 voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
- herroept het primaire besluit van 20 april 2023 voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
- bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 17.600,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.468,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet arbeid vreemdelingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. werkgever:
1°. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten;
2°. de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten;
c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;
(…).
Artikel 2
1. Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of zonder dat een vreemdeling in het bezit is van een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die werkgever.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander als werkgever optreedt, indien die ander beschikt over een voor de desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning of indien die vreemdeling beschikt over een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die werkgever.
Artikel 15
1. Indien de werkgever door een vreemdeling arbeid laat verrichten waarbij die arbeid feitelijk wordt verricht bij een andere werkgever, draagt de eerstgenoemde werkgever er bij aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de andere werkgever een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.
(…)
Artikel 18
Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, 15, 15a en het bepaalde bij of krachtens artikel 2a.
Artikel 19a
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt namens hem de bestuurlijke boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding.
2. De terzake van deze wet gestelde overtredingen, gelden ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een overtreding is begaan.
Artikel 19g
1. De toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, maken het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van deze wet als bedoeld in artikel 18, dat een besluit is genomen als bedoeld in artikel 17b, tweede lid, of dat na een afgerond onderzoek geen overtreding is geconstateerd openbaar teneinde de naleving van deze wet te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van toezicht op grond van deze wet.
Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2020(geldend t/m 31 januari 2025)
Artikel 1
Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen wordt voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen’ die als bijlage I bij deze beleidsregel is gevoegd.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 1In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld;
(…).

Voetnoten

1.Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 14 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ8462, r.o. 2.5.1., en van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1973.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1137 en van 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2767.
3.Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4694, r.o. 2.3.1. en van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2266, r.o. 3.3.
4.Zie de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1548, r.o. 4.
5.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:873.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 14 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:7.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4761.
9.Zie onder meer de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 20 december 2022, ECLI:NL:CBB:2022:810, rechtsoverweging 7.10.3.